Door Holland met pen en camera De Aarde en haar Volken, 1906

Part 4

Chapter 4 3,916 words Public domain Markdown

Des avonds, toen de lichten werden aangestoken, verschenen dokken en bruggen en vele masten van schepen; klokkenspel weerklonk, en het stoombootje gleed als een vlindertje tusschen reuzengevaarten Rotterdam binnen bij het slaperig geluid van de stoomfluit....

IV

De hollandsche visscher.--Volendam.--De wasch.--De kinderen.--De eenden.--De haringvangst.--De zoon van den visscher.--Een zonderling eiland: Marken.--Te midden van het water.--De huizen.--De zeden.--De jonge meisjes.--Vooruitzichten.--De turf en de veenderijen.--Nationaal product.--Hoogveen en laagveen.--Plaatselijke steenkool.

Als men visschers wil vinden, moet men ze niet in Zeeland zoeken, ondanks de drukte in Vlissingen. Men neme liever de boot, doe Kortgene, Stavenisse en Zierikzee aan en ga van Rotterdam over den Haag, Haarlem en Amsterdam, kalmpjes naar Volendam aan het strand der Zuiderzee; dat is de goede manier.

Volendam is langs den straatweg 16 K.M. van Amsterdam verwijderd. Het is een punt van bijeenkomst van schilders uit alle landen, die zich van het havenstadje hebben meester gemaakt, om er hun kunstproducten aan te ontleenen.

De kleederdrachten, de menschen en de huizen zijn alle geschikt om een kunstenaarsoog, dat het schilderachtige liefheeft, te boeien.

De huizen, die door elkander gebouwd zijn langs de pier, omgeven meertjes en binnenzeeen, kanalen, plassen en slooten, waar ze hun steunpilaren in drijven. Door het vettige water, zwaar en vuil van afval en allerlei ander ontuig, duikelen luidruchtige, onbeschaamde, vraatzuchtige eenden; zij proesten en snuiven, zonder zich te storen aan de schuiten en en bootjes, waarmee de kooplieden de nabijzijnde dorpen bezoeken.

In de verte is de grijze, vlakke, nevelige horizon versierd met molens, die hun vluggewiekte kruisen zwaaien, en met zilveren linten van kanalen.

Op waschdagen wapperen linnengoed en veelkleurige bovenkleeren overal in den wind; de huizen zijn er mee gedrapeerd, reeksen palen behangt men er mee, en alles bolt en klatert, alsof het vlaggen waren.

Volendam is eerst echt Volendam bij stormachtige lucht en op waschdag. Ieder is buiten. In tegenstelling met gewone steden, waar men alleen bij noodzaak uitgaat, wordt er hier met pleizier gewandeld, zooals in alle visschersplaatsen. Er wordt namelijk door de mannen tusschen twee vischperioden het gemakkelijke, kalme leven geleid van een solied rentenier. Ze zitten te praten of loopen op klompen rond, slap en lui, tot de klok van den afslag hen roept en, als het ware, verzamelen blaast.

In zijn buitensporig wijde broek, zijn buis en das en bontmuts, heeft de visscher uit Volendam iets aparts, dat niet te beschrijven is. Hij heeft iets van een Rus, een Laplander en een Mongool, maar toont zich Hollander door de duizenderlei kleine eigenaardigheden van zijn houding en bewegingen en woorden.

Buiten de tijden, waarop hij op de Zuiderzee zwalkt, met zijn netten werkend in de nog al kalme golven, is er weinig verscheidenheid in zijn werk. Zijn langzaamheid is een gewoonte. Hij flaneert altijd; dat zegt alles. Hij heeft niet, als menschen uit andere deelen van het land, kleine zorgen voor zijn tuintje, voor den oogst of voor zijn industrie, en de vrouwen kunnen het huiswerk best af.

Hij flaneert dus maar, of maakt zonder haast zijn aas voor 't visschen in orde en zijn netten; hij hurkt in de zon neer met zijn vrienden, om welbehagelijk te rooken, of zit met zijn massieve zwaarte op de steenen pieren en zware houten beschoeiingen, die over de zee zijn uitgebouwd door zijn gestorven voorvaderen.

Toch is hij bezig, maar in volslagen kalmte en geniet genoegelijk de rust der stille uren.

Dit schetsje symboliseert hem: Op een achtergrond van vastgemeerde booten en een golvende deining, waar de wolken zich in spiegelen, laat Frans, liggend op den achtersteven van zijn boot, zich zachtjes wiegelen als een kindje, wachtend, tot men hem manden brengt, om de zilverkleurige visch in te bergen, die schittert in het ruim van zijn schuit.... Met de handen in zijn zakken, de pijp in den mond, rust hij daar uitstekend, en men weet niet vooruit, wanneer die zoete kalmte een eind zal nemen.

Enkele zeelui echter--maar er zijn niet vele zoo--zijn wat actiever, laten groenten en andere levensmiddelen uit de naburige stad komen en schuiven kalmpjes hun handkarren voort, die er mee beladen zijn, en waarmee ze bij de huizen venten.

Kinderen loopen in troepjes rond, met veel drukte van klompengeklots, maar zonder roepen of schreeuwen, net als in Zeeland. De kleine meisjes dragen het kanten mutsje van den eigenaardigen om het hoofd sluitenden vorm, de jongetjes dragen, evenals hun vaders, een wijde broek, kort buis en bonten muts.

Het is wezenlijk een genot voor de oogen. Als zij in een lange rij dansen over de planken van de pier of vroolijk huppelen met de ronde, tevreden gezichtjes, moet men op mijn woord wel belang in hen stellen, en men krijgt grooten lust ze mee te nemen, die aapjes van Volendam, om ze in zijn vaderland eens te laten zien als zeldzaamheden van waarde.

Er zijn verrukkelijke paartjes, precies gelijkend op personnages van oude schilderijen, die ons doen glimlachen, omdat er zooveel goed humeur en vroolijkheid van hen afstralen, zooveel gezondheid ook en gemoedsrust.

De vrouwen zijn zeer druk in beweging in Volendam, drukker dan op andere plaatsen. Zij leven veel minder binnenshuis opgesloten en doen meer mee aan wat buitenshuis geschiedt. Sommigen wasschen het huishoudwaschgoed in zeewater aan den rand der op een rij liggende booten, anderen hangen de stukken uitgespreid op aan lijnen, die daarvoor tusschen palen zijn gespannen, terwijl de wind om haar henen blaast.

Onze fransche visschersvrouwen babbelen, met het breiwerk in de hand, uren aaneen; maar deze vrouwen zijn alleen uit noodzaak buiten. Waar zouden ze ook gaan praten? Aan alle kanten is slechts water, in slooten en plassen en vaarten. Buiten de pier en de beide wegen van Edam en Monnikendam, is alles water of moeras.

De eenden, die bij duizenden tusschen houten hekwerk gehouden worden, kwaken onafgebroken. Het plaatselijke leven concentreert zich op de pier, waar de mannen rondloopen bij het gebouw van den vischafslag.

Zijn dit dus de afstammelingen van de beroemde hollandsche zeelieden, die oudtijds de wereld vervulden met den klank van hunne heldendaden, toen zij den bezem voerden in den mast, om de zee schoon te vegen, en die de vloten van Frankrijk en van Engeland konden weerstaan?

Mijn God, ja ze zijn het wel, en hun schijnbare apathie verbergt waarschijnlijk een verrassende wilskracht. Is Nederland niet door hen groot geworden; heeft het aan hen niet zijn bestaan te danken?... Het vlakke, vochtige land had geen koren, geen steenen en geen hout; zij hebben er die noodzakelijke dingen aan geschonken, door er den buit der zee voor in te ruilen. Zij hebben van de zee en haar rijkdommen geprofiteerd en profiteeren er nog van, als van een grooten voorraadsschuur vol geconserveerde levensmiddelen.

Naar den aard der visschen, die in iedere haven het veelvuldigst voorkomen, onderscheidt men verschillende takken van de vischvangst. De haring is door den overvloed, die ervan gevangen wordt, en door zijn goeden naam in het verleden, een echt nationaal product, zoo goed als turf en tulpen.

De Hollanders onderscheiden drie soorten van haringen, den pekelharing of gekaakte haring (kaken is het opensnijden van den haring met een mes en de visschen dan in lagen leggen, in vaten, op zout); den steurharing, die in den herfst op de kusten van Engeland wordt gevischt, en den panharing of versche haring, dien men in de Zuiderzee vangt en die tot voedsel dient van de armere klassen der bevolking.

Die laatste categorie is het interessantst, want zij is het groote middel van bestaan voor de visschers van Volendam, van de andere havens der kust en van de bewoners der eilanden Urk en Marken.

De haven van Vlissingen hield zich het eerst met de haringvangst bezig in lang vervlogen tijden, zoo in de buurt van de 12_de_ eeuw. In 1360 vond een man uit Zeeland, genaamd Willem Beukelszoon, de kunst uit van het haringkaken, dus het bereiden van den haring en het bewaren in zout, waardoor hij een grooten stoot gaf aan de plaatselijke industrie. Die ontdekking werd het uitgangspunt voor de ontwikkeling van geheele streken en legde den grond tot dien publieken rijkdom, waardoor de bataafsche natie in staat is gesteld, de enorme belastingen te betalen, noodig geworden door het onderhoud van de werken, tegen de zee opgericht.

Te Hoorn werd in 1416 het eerste groote net gemaakt, waarvan het nut, gevoegd bij dat van het inzouten, tot in 't oneindige de opbrengst der zee vermeerderde.

Die netten, echte reuzen in hun soort, wekken de gedachte aan de milliarden visschen, eeuwen aan een door de naburige volken verslonden, en men begrijpt, waardoor Holland ondanks de armoede van zijn grond een rijk, soliede en welbehagelijk land heeft kunnen worden.

Er gebeurde bovenmatig veel voor de haringvangst. Geschiedschrijvers zijn er niet over uitgepraat en geven wonderbaarlijke statistieken, volgens welke men moet aannemen, dat het geheele volk zich bezighield met het vangen, zouten en verkoopen van haring.... In verordeningen werd het manna van de zee genoemd het Peru van de Bataafsche Republiek.... Premies tot aanmoediging werden tot aanzienlijke bedragen gegeven aan de Broederschap der Haringvisschers, tot schade van andere takken van vischvangst. Geen ander dan een geboren Hollander mocht zich met het kaken bezighouden.... In 't kort, de uitvoerigste reglementen beschermden op allerlei manieren deze al te interessante industrie.

De nederlandsche haring trotseerde aldus langen tijd alle vreemde concurrentie en deed meer voor de grootheid van het land dan de beste kanonnen.

Toen volgden de oorlogen van het Rijk. Groot-Brittannie, altijd zoekend naar de beste gelegenheden om handel te drijven, verleende vrijstelling aan de geheele vischvangst, schafte het systeem der premies af en bracht, door den haring voor minder geld te verkoopen, aan den hollandschen handel groot nadeel toe.

In hun weelde als verstijfd, gingen de eigenaars der hollandsche haringbuizen niet met hun tijd mee en zagen langzamerhand hun handel verloopen. De zaken gingen zelfs zoozeer achteruit, dat de regeering op haar beurt de premies moest afschaffen.

Tegenwoordig heeft de haringvangst geen nationale beteekenis meer, en al is zij nog voor den visscher een bron van eerlijke inkomsten, zij is niet meer een voorwerp van algemeene zorg.

De echte haringvisscher brengt zoo weinig mogelijk tijd aan den wal door. De zee is voor hem alles: zijn bruid, zijn vrouw, zijn wieg. Met zijn bijbel en zijn pijp zou hij naar het eind der wereld gaan en weer nieuwe werelden ontdekken, als er nog nieuwe waren. Er werd te Volendam met eerbied gesproken over een zekeren Hans Ouderke, tegen wien men eens in een herberg gezegd had: "Je moest eens naar Indie gaan." De brave man ging zijn logger de volgende dagen bemannen en ging er heen.... Een anderen keer vond hij den weg naar Californie, zonder andere hulp dan zijn kompas.

Als de visscher niet op den gewonen tijd thuis komt, beschouwt men hem als verloren, en zijn vrouw mag, als er drie jaren zijn voorbij gegaan, een nieuw huwelijk sluiten. Vroeger schreef de wet een tusschentijd van tien jaren voor; maar toen de zedelijkheid daaronder leed, werd de bepaling verzacht.

De zoon van den visscher wordt visscher. Van den leeftijd van vijftien jaar af kent hij volkomen de kunst van 't ophalen der volle netten, het omgaan met de zeilen en de beheersching van het roer.

Zeer onafhankelijk, zeer godsdienstig en zeer aan oude gewoonten gehecht, volgt hij in alles 't voorbeeld van zijn vader, die zelf dat van den zijnen volgde. Op zee drinkt hij nooit; aan land drinkt hij betrekkelijk weinig, behalve op de kermisdagen, die echte bacchanalien met zich brengen. Op die dagen nemen de herbergiers de meubels weg uit hun zalen en laten er enkel een tafel staan en stoelen en banken. Nacht en dag verzonken in een onrustbarende dommeligheid, met tusschenpoozende oogenblikken van groote bewegelijkheid, waarin hij hartstochtelijk aan het dansen deelneemt, gaat de visscher zich in zulke tijden te buiten aan sterken drank en slaap.

Hij trouwt al vroeg.

De kustvischvangst omvat de vangst van versche visch van allerlei soort en die van den haring, bestemd om te worden gerookt.

Een gewone boot voor die vangst kost drie tot vijf duizend gulden. Zij behoort of aan den visscher zelven of aan den reeder. De bemanning krijgt een groot net met touwen; het overige moet zij zich zelve aanschaffen en zij moet in haar eigen onderhoud voorzien. De onderhouds- en reparatiekosten van het schip worden gelijk verdeeld; wat boven de klamp is, dat is buiten het water, komt voor rekening van de bemanning en wat onder water is, voor dat van den eigenaar of reeder, op grond van het beginsel, dat het eerste door veronachtzaming kan lijden, en dat het laatste geleidelijk slijt. Voor de zeilen zorgt de eigenaar.

De vangst van versche visch maakt slechts vrij korte tochten noodig. Zoodra ze terug zijn, ontschepen de mannen hun buit en verkoopen dien dadelijk op het strand aan de kooplieden uit de buurt of brengen de vangst naar den vischafslag, als er zulk eene inrichting bestaat. De visch wordt dan naar de naburige steden vervoerd in wagens met sterke honden er voor, die met merkwaardigen ijver hun werk doen. Die ambitie heeft ons wel eens een glimlach ontlokt over de sentimentaliteit van onze landgenooten, die een verbod hebben uitgevaardigd tegen het gebruik van trekhonden.

De vangst van versche visch houdt op met het einde van den zomer en maakt plaats voor de haringvangst tot in December.

Daarna is de tijd der gedwongen werkstaking daar, en daar de visscher zelden zich eenigen welstand heeft kunnen verwerven, ontstaat er groote armoede en ellende, die door de autoriteiten moet worden weggenomen door geregelde ondersteuning.

De Zuiderzee vormt, zooals bekend is, een golf van de Noordzee. De massa harer wateren beslaat een ruimte van 54 vierkante mijlen en bespoelt de provincies Friesland, Gelderland, Utrecht en Noord-Holland, waarvan zij indertijd bij hooge vloeden groote stukken heeft afgeslagen, daarbij op alle kusten dood en vernieling brengend.

In de open zee vormen de eilanden Urk en Marken nog overblijfselen van die verzwolgen landen.

Marken, het grootste, ligt tegenover de stad Monnikendam. In een uur kan men met goeden wind er per boot worden heengebracht.

Dat uur legt vele eeuwen tusschen de bewoners van het eiland en die van het vasteland. Het verschil in kleeding en zeden en gewoonten is zelfs zoo groot bij dien verbazend kleinen afstand, dat men aan verschillende afkomst heeft gedacht. Sommigen beweren, dat de eilandbewoners afstammelingen zijn van de Marsotten, van wie Plinius en Tacitus melding maken. Zij bezetten een stuk gronds dicht bij het meer Flevo. Een overstrooming scheidde dit deel van het vasteland op 't eind van de 13_de_ eeuw.

De ruimte er tusschen was eerst slechts smal en een gewone houten brug onderhield de gemeenschap; maar langzamerhand vrat de zee meer land weg, meer velden en polders, en de boeren moesten, om te kunnen leven, visschers worden....

Ik nam de boot naar dat eiland tegen vijf uur 's avonds en voer weg van de aanlegplaats te Monnikendam. Twee jonge knapen met korte, wijde broeken en buizen van een grove stof en ronde hoeden, zijn aan het laden van allerlei eetwaren; zij hebben met hun vader een geregelden dienst tusschen het eiland en den vasten wal in 't leven geroepen.

Met een voor Hollanders ongewone vlugheid voerden zij de verschillende handgrepen uit voor 't zeilklaar maken van de boot, heschen het groote, bruine zeil, maakten de touwen in orde, tot eindelijk de schuit bewoog en zich naar de open zee wendde.

De oudste der matrozen had de boom in de hand genomen en stond te duwen, kijkend naar de stad, die achteruit week in het rossige schijnsel.

Er hing een nevel over 't water, voorbode van de vallende schemering; het klokkenspel in den toren gaf in heldere klanken den tijd aan; daartusschen hoorde ik 't geklots der golven, door ons scheepje uiteen gedreven, en dit oogenblik had iets geheimzinnig ernstigs, alsof wij naar een onbekend land gingen.

Langzamerhand hadden wij niet anders om ons heen dan water en nevels. Een der jongens floot een wijsje. De touwen van den mast knarsten onder den druk van den koelen wind; toen doken schaduwen op, eerst onduidelijk, toen helderder. Het waren puntdaken van huizen en masten, uit zee oprijzend; zonder duinen of rotsen lag Marken daar, als een zeer groot vlot op het water, half ondergedoken.

De boot stopte aan de kade en werd vastgelegd. Ik sprong aan land. Er waren daar twee of drie mannen, gekleed als mijn varensgasten, en jonge meisjes met lange losse haartressen leunden tegen een brug. Een groote stilte heerschte er in het haventje, dat daar lag te midden der bewegelijke zee. Ik moet er wel een zonderlingen indruk hebben gemaakt, zoo weinig was ik in harmonie met die houten huizen, op palen gebouwd, en die zonderlinge menschen.

De meisjes keken mij aan. In de avondschemering hadden haar oogen met de lange wimpers tusschen de hangende krullen langs hun hoofd diepten als van den oceaan, en toen zij ernstig het hoofd bogen bij mijn voorbijgaan, kon ik denken, dat ik zeegodinnen voor mij had, jonkvrouwen, zoo dikwijls door dichters bezongen. Ik haastte mij, mijn weinige bagage te deponeeren in het eenige logement, en ik stapte de straatjes binnen, met steenen geplaveid, die naar de zeven buurtschappen voeren, kunstmatige hoogten van leem en veen, waar de huizen der bewoners staan.

De zee had, zooals dikwijls gebeurt, den vorigen dag de magere weiden overstroomd, die om de terpen tusschen de lage dijken lagen, zoodat ik aan beide zijden door water was omringd, en de huizen in den echten zin des woords uit het water opstaken zonder eenigen horizon van land. Hoog gras groeide op sommige plaatsen en herbergde kakelende eenden, terwijl de halmen ritselden in den wind en de intense somberheid verhoogden van dat waterland.

Zoo liep ik een uurtje rond, tot het volkomen donker was, en nam die duizenderlei gevoelens in mij op, die het onmogelijk is om weer te geven, gevormd door 't onverwachte, 't onbekende, plotselinge kleurnuances, en altijd groetten mij de vrouwen met de diepe oogen, die zonder woorden spraken. Toen keerde ik naar de herberg terug, waar een vroolijke dienstmeid, forsch en in kleurige kleedij, mij een stevig maal voorzette.

Den volgenden dag had het water zich teruggetrokken, en ik kon het eiland bekijken, want het is, in 't groot beschouwd, een eiland.

De haven is het meest vaste deel van Marken. Overal door steen en hout stevig omringd, liggen er een honderdtal visschersschuiten veilig voor anker.

De huizen, geteerd en met pannen daken, zijn uit planken opgetrokken en staan op een veenbedding. De woningen van binnen te bekijken, behoort tot de werkzaamheden der vreemdelingen. De grootste zindelijkheid heerscht er tot in alle hoekjes; glimmen doet het vaatwerk aan de wanden, en alle koper straalt u tegen als een spiegel. Het is de glorie van ieder huisgezin, en ik zag telkens jonge meisjes mij met den vinger wenken, dat ik de mooie properheid van de woningen zou bewonderen. Die teekens en de glimlachjes, die er bij behoorden, waren, helaas, slechts vermomde verzoeken om geld, en ik moest met mijn bezoeken zuinig zijn, uit vrees van anders al mijn geld er achter te laten.

De meeste huizen hebben slechts een vertrek, waar geslapen, gekookt en gewerkt wordt; vele hebben geen plafond en staan rechtstreeks met den zolder in gemeenschap. Ook zijn er, die geen schoorsteen hebben; tegenover het grootste venster ligt een steenen of ijzeren plaat met een rij steenen er omheen; een opening in het dak laat den rook door, die zich over den zolder verspreidt, waar de netten drogen en de voorraad wordt bewaard.

Borden en schotels van oud porselein zijn er in de kleinste woning te vinden. Die smaak voor porselein en kristal, voor gestreepte bedgordijnen en kleurige dekens is een eigenaardige trek in het hollandsch karakter en komt vooral sterk uit op Marken. Hij wijst op de bekrompenheid van het bestaan der bewoners.

De bodem van het eiland is vrij vruchtbare kleigrond. Hij brengt hooi en riet voort, waarvan door de bewoners groote hoeveelheden worden uitgevoerd. Het hooi wordt verkocht en dient voor een deel voor de voeding der weinige koeien van het eiland.

Daar de putten van Marken slechts zoutig water leveren, zijn de bewoners genoodzaakt, regenwater te gebruiken, om hun beesten mee te drenken en hun eigen voedsel te bereiden.

Ze zijn zeer onontwikkeld in maatschappelijke aangelegenheden. Zij leven van vischvangst en brengen het overige van den tijd door met onbeduidende werkjes, die alleen voor henzelven van belang zijn. Ze hebben in 't geheel geen handel; aardappels, groenten, kruidenierswaren, turf, drank, alles wordt hun uit Monnikendam gebracht of uit Hoorn of Amsterdam.

De bewoners van Marken trouwen altijd onder elkander. Er wordt verteld, dat ze vroeger bij gebrek aan vrouwen eens hun booten bewapenden en een razzia hielden, om vrouwen uit Edam te halen, maar die geschiedenis is niet te bewijzen.

Gewoonlijk trouwt men tusschen het vier-en-twintigste en het acht-en-twintigste jaar, en er wordt gelet op overeenkomst in leeftijd en neiging.

Over 't algemeen zijn de meisjes lomp en ruw; maar er zijn wel aankomende deerntjes, die iets expressiefs hebben en door hun half wilde gratie de leelijkheid der anderen doen vergeten. Timide zijn ze niet en lachen doen ze graag.

Op mijn wandelingen kwamen ze in hun bonte kleeding dikwijls om mij heen staan, ze drongen mij tegen een muur en hielden mij met uitgestrekte armen tegen, of stelden mij, terwijl haar krullen tegen mij aanwoeien, allerlei vragen, die ik niet verstond, maar die zeker grappig waren, want ze lieten haar tanden zien en lachten vroolijk. Ik gaf in het Engelsch antwoord of in 't Duitsch en 't Arabisch en kneep haar in de armen. Toen ik even de kin van een meisje in de hand had genomen, begonnen twee anderen verbaasd te gillen en riepen een paar huismoeders te hulp. Toen omhelsde ik het kind bij verrassing. Nooit heb ik zulk een gekrijsch gehoord. Zij stonden om mij heen, zwaaiden met de bloote armen, de lange lokken in den wind, de japonnen wijd uitslaande, den hemel tot getuige roepend bij mijn onbeschaamdheid. De omhelsde vooral zette woedende oogen op; deze brutaliteit riep om een voorbeeldige straf voor den misdadiger, een bliksemslag bij voorbeeld of een verzinking in den grond.

Daarom klom ik op een vat en sprak ze aldus aan:

"Vrouwen van Marken," riep ik, "ik ben hier gekomen, om uwe gastvrijheid in te roepen. Mijn hoedanigheid van vreemdeling geeft mij dus het recht, te proeven van uwe vruchten, ook van de perziken uwer wangen.... Ik verzoek stilte en beloof, u presentjes te zullen geven ... boem, boem, boem!"

"Boem, boem!" herhaalden de geestdriftige jonge meisjes, zonder dat ze een woord verstaan hadden.

Daar zij mij nog altijd tegenhielden, begreep ik wel, dat ze tolgeld wenschten te ontvangen; maar ik zwaaide mijn camera op de manier van een tomahawk, uitte een gil en sprong op den dijk. Daar richtte ik het instrument, en de menigte zette het op een loopen als haringen, door de haringbuizen achtervolgd, behalve de drie jonge kinderen, die bleven en die in stijve houdingen door mij zouden gekiekt worden.

"Ik zie, jonge meisjes," ging ik voort, genietend van de heerlijkheid, te kunnen praten zonder te worden verstaan, "ik zie, dat mijn edelmoedig aanbod welwillend is ontvangen. Sla dus uw oogen op mij en gun mij glimlachjes."

Toen ik met centen geschud had in mijn zak, spitsten zij de ooren, gingen met mij in den zonneschijn en ik legde voor de toekomst haar vreemde trekken vast, waarna ik haar een handvol centen gaf en zij verheugd verdwenen.