Door Centraal-Oceanië De Aarde en haar Volken, 1908
Chapter 3
Het is een gewoon koraalrif, een groot brok, dat nog door de golven is gespaard. Van dichtbij bespeurt men het dadelijk, doordat het zoo eigenaardig alleen te midden der golven is gelegen. De voet, die een weinig is afgebrokkeld, de zwaardere romp en de kleur doen het gelijken op een schip met volle zeilen, gedreven door den wind. Een weinig struikgewas op den top volmaken de illusie, want ze doen denken aan den top van den mast. De gelijkenis bedriegt altijd, zoo treffend is ze. De nautische aanwijzingen maken er melding van en stellen de rots voor als een nuttig baken; men wordt er toch ondanks dat alles door gefopt. De vergissing is buitendien onaangenaam. Inderdaad is de toegang tot Wallis een van de lastigste, en het is de gewoonte, een kanonschot te lossen, om de hulp in te roepen van een loods, die te Mua woont op het eiland Uvea, en het schip, dat op assistentie wacht, laveert heen en weer tot de komst van den inlandschen loods. De Rots met de Zeilen is dan een bron van emoties en teleurstellingen voor de zeelui, die er verlangend naar zijn aan den wal te komen en eens uit te rusten. Dat willen ze dan allen graag na de lange zeereis, die noodig is geweest om op de Walliseilanden te komen. Dan staat die stille rots daar en doet, alsof ze alle zeilen bijzet, om naar u toe te varen, en tergt de wachtenden, die natuurlijk de neiging voelen, haar te verwarren met het vaartuig van den loods, dat ding, welks komst de reizigers moet verlossen van het vervelende anti-chambreeren in open zee.
Wij leerden alle stadia van dat wachten kennen, waren om beurten vol hoop of diep teleurgesteld, eer wij de koraalzee binnen den Wallisarchipel konden binnenvaren.
Bij het heldere licht van den Stillen Oceaan namen deze kleine eilanden, gevat in den ring van het mooie koraalrif, den glans aan van kostbaar gesteente. Eerst had men den nevel van de branding, die, welker schuim de zonnestralen brak en er alle kleuren van het spectrum in tooverde; in de binnenzee ging het koraalgesteente naar de diepte, waarop het zich bevond, over van den eenen groenen schijn in den anderen en daarachter onderstreepte de donkere kustlijn het tooneel.
Op de Fidsji-eilanden maakten wij kennis met het wreede ras van de Melanesiërs; hier komen we in aanraking met veel zachter menschen.
De Wallisarchipel is ontdekt in 1767 door den beroemden zeevaarder, die er zijn naam aan verbond. Hij was Engelschman. De groep ligt op den 13den graad Z.B.; het is er zeer warm, want het klimaat wordt niet gematigd door de nabijheid van hooge bergen, zooals op de meeste der oceanische eilanden. Er loopen slechts heuvelrijen over de eilanden, die niet hooger worden dan 150 meter. De groep bestaat uit een tiental eilandjes, die in het Noordoosten het dichtst bij elkaar liggen. De meeste er van, Natu-Mea, Faiva, Natu-Fetam, zijn niet anders dan koraalrotsen of gewone rotsen, beplant met kokospalmen. Zij dienen slechts tot tijdelijk verblijf voor zwervende visschers.
Die groene eilanden, die alle een weinig heuvelachtig zijn, loopen in een kaap van regelmatigen vorm uit en maken een zeer schilderachtig effect.
De krans van koraalriffen wordt op drie plaatsen doorbroken, en slechts één der drie doorgangen, die van Honokulu, is voor schepen toegankelijk.
Het voornaamste eiland, dat de andere als zijn dépendances kan beschouwen, is Uvea. Als men langs de kust vaart, wordt men getroffen door de vreemdheid der omgeving, die men vóór zich ziet. Het strand is, evenals dat van alle eilanden der Stille Zuidzee, bedekt met een uiterst weelderigen plantengroei; maar het lijkt, of op de Walliseilanden die vegetatie nog veel donkerder en weelderiger is. Bovendien zijn, en dat is het bijzondere karakter van deze eilanden, alle inlandsche hutten op een rij langs het strand der zee geplaatst. Het zijn liliputachtige woningen van bladeren; het schijnen echte bijenkorven, neergezet aan den voet van magere, lange kokospalmen. Het dak van die primitieve hutten raakt nog niet tot een vijfde van de hoogte van de kruin der palmen. In geen enkel land heb ik zulke lage woningen gezien. De aanblik van die dwergdorpen, in een halven kring geschaard rondom de baai, is zeker een der eigenaardigste, die men onder de oogen kan krijgen. Hij verplaatst u in een lang vervlogen fabelachtigen tijd, en de inboorlingen, die men uit die huisjes verwacht te zien te voorschijn treden, zijn sprookjes wezens, die onder hun rieten dakjes tot in eeuwigheid kinderen blijven onder den invloed van een kwaadwillig noodlot.
Te midden van die bijennesten verdient daarentegen de hut van den koning den naam van paleis. Van steenen opgetrokken, twee verdiepingen hoog, is zij nog omringd door een dubbele veranda. Rechts van de koninklijke residentie wappert aan een vlaggestok de vlag van Zijne Majesteit, een rood doek met vakjes, rechts de driekleur, het teeken van het protectoraat, en links een wit kruis, het symbool van de almacht der christelijke zending.
Uvea telt op het oogenblik 4000 inwoners. Daar de europeesche ziekten, die zoo groote verwoestingen aanrichten onder de Zuidzee-eilanders, er nog niet zijn verschenen, neemt de bevolking toe, wat iets zeer bijzonders is. De zendelingen rekenen zich terecht de eer toe van het behoud der soort, want zij hebben tusschen de Walliseilanden en het overige deel der wereld een slagboom opgetrokken, die even onoverwinnelijk is voor rhum als voor de bacillen van Koch.
Te Uvea kan men het Maoriras nog zuiver aantreffen. In de groote menschenfamilie vormen de Maori's of Polynesiërs een der merkwaardigste ethnographische takken; maar ze zijn als de zeldzame orchideën verdwaald tusschen het gebladerte. Aan de aarde gebonden door ik weet niet welke onzichtbare draden, zijn die bloemen bestemd, spoedig te ontbladeren tusschen de groene takken. Zoo is voor de Maori's, die nog nauwelijks een enkele eeuw bekend zijn, reeds het uur van hun dood geslagen; zij verdwijnen uit de archipels en de Wallisarchipel is de eenige, waar ze nog in aantal vooruitgaan.
Deze eilanders verbaasden degenen, die het eerst met hen in aanraking kwamen. Toen ze den aangenamen omgang hadden genoten, moesten de Europeanen erkennen, dat de eilanders een uitstekend ingerichte maatschappij hadden. De vrouwen wekten enthousiasme, en nergens kwamen zooveel deserteurs voor als op de schepen in dienst op de zuidelijke zeeën. Te goeder trouw verklaarden veel kapiteins het nieuwe ras voor het mooiste ter wereld, en Quatrefages, die zelf niet onder hen geleefd heeft, geeft hun gelijk.
Er werden over de ontdekking van wat het vijfde continent genoemd werd hevige twisten gevoerd van dogmatischen aard. De wijsgeeren uit de school van Jean Jacques Rousseau maakten zich meester van de opgewonden verhalen, gedaan door de zeelui, om daaruit steun af te leiden voor hun theorie omtrent de oorspronkelijke goedheid der menschen. Zoo werden nooit wilden meer gevierd dan de jonge Otoe, die door Bougainville naar Parijs was meegenomen. Beroemde dichters maakten oden en elegieën op hem. Elken dag opnieuw verschenen in onze letterkunde werken, gewijd aan het jonge meisje en aan den jongeling van Otahiti. Die dithyrambische liederen, ingegeven door de verbeelding der schrijvers, wekken een glimlach bij hen, die in anima vili de helden hebben ontmoet.
Maar vooral uit het oogpunt der anthropologie deden de eilandengroepen der zuidelijke zeeën de geschillen ontbranden. De wetenschap was toen in twee kampen verdeeld, de polygenisten, wier leer gegrond was op de veelheid van de oorspronkelijke menschen, en de monogenisten, die volhielden, in aansluiting aan den tekst van Genesis, dat het geslacht homo uit een enkel paar menschen was voortgekomen. Die Polynesiërs, die men daar plotseling had gevonden aan de uithoeken der wereld, die zachtzinnige, schoone en verfijnde individuen, zoo verschillend van de Melanesiërs, hun naaste buren, waar waren ze vandaan gekomen? Behoorden zij niet tot een afzonderlijke groep zonder vroegere betrekking tot de overige menschheid?
Ja, dat is blijkbaar het geval, antwoordden de polygenisten; het is niet aan te nemen, dat de Polynesiërs van buiten zijn gekomen, omdat het onmogelijk is, de haard, van waar ze zijn uitgegaan, te vinden.
Quatrefages, de monogenist van officiëele bekendheid, boven reeds genoemd, beproefde daarentegen in zijn boek te bewijzen, dat de bewering der polygenisten onjuist was. In het werk "Des Polynésiens et leurs migrations" zegt hij, niet aan het autochthone der naturellen uit de Stille Zuidzee te gelooven.
De waarheid is moeilijk te vinden in dat onmetelijke gebied van den oceaan, waar de vorming der eilanden, de ontwikkeling der fauna en flora en der volksstammen, alles onpeilbaar is als de horizons. Maar toch, zonder partij te willen kiezen in den strijd van beginselen, veroorloven wij ons ten aanzien der Oceaniërs eenige opmerkingen, die door de ervaring in de pen zijn gegeven. In de eerste plaats is de hypothese van de vroegere verbinding van Polynesië aan het groote australische vasteland, dat nu in deelen is uiteengespat, opgegeven; het is voldoende, de geologische gesteldheid van den bodem van den oceaan te bestudeeren, om zich er van te overtuigen, dat hij van betrekkelijk jongen vulkanischen oorsprong is. Hoe zou men kunnen aannemen, dat de mensch daar ontstaan zou wezen, daar, waar geen enkel ander zoogdier werd gevonden? Dat zou een ontkenning zijn van de wet der evolutie, waarop de polygenisten steunen.
De Polynesiers moeten dus de eilandengroepen bevolkt hebben langs den weg der landverhuizing; maar waar vandaan zijn ze dan gekomen, daar hun type toch eenig is in zijn soort? Ik geloof niet, dat men kan volhouden, dat ze uit Amerika zijn overgestoken, niet enkel om den enormen afstand, die hen er van scheidt, maar ook omdat er geen voorbeeld bestaat, dat de landverhuizingen over zee in de richting van den heerschenden wind hebben plaats gehad, daar dan terugkeer niet voor goed verzekerd was. In die omstandigheden wachten zeevarende volken, die zich verplaatsen, zich er wel voor, hun vaderland te verlaten. Daarentegen leidt alles er toe, te gelooven, dat de Polynesiërs, rekenend op de hulp van den passaatwind, om terug te keeren, van de kalmte van den drogen tijd hebben gebruik gemaakt, om zich in het onbekende te wagen. Eindelijk maakten ze gebruik van het voordeel, zich naar de zon te richten, een omstandigheid, waar de primitieve volken zeer gevoelig voor zijn. Deze redeneering, die ik grond op de practische ervaring van het karakter der inlandsche zeelui, acht ik zeer aannemelijk. Men moet onbekend zijn met den bewoner van Oceanië, wat ongelukkig het geval is met de theoretici, die alleen deze vraag hebben behandeld, om te veronderstellen, dat deze beschroomde wilden zich op den oceaan hebben durven wagen op booten, die alleen konden varen met den wind mee, als ze niet overtuigd waren, naar huis te kunnen terugkeeren met de zon. De onveranderlijke terugkomst der passaat winden had tot resultaat, dat de landverhuizers den noodigen moed kregen voor hun exploratie van den Stillen Oceaan.
Het land der Maleiers was zonder twijfel, zooals ook Quatrefages beweert, het punt van uitgang voor de tochten naar den Grooten Oceaan. Toch laat het zich begrijpen, dat de Melano-Polynesiërs van het primitieve maleische type verschillen. Aan den eenen kant hebben ze zich vermengd met melanesische elementen, een te verwachten gevolg, daar ze de eilanden der Kanaken hebben doorreisd, en aan den anderen kant hebben ze zich mongoolsche kruisingen laten welgevallen, tot steun van welke bewering wij ons op Futuna kunnen beroepen. Een enkel punt blijft intusschen onopgelost; het is niet twijfelachtig, dat sommige eilanders met ons trekken van overeenkomst hebben en zelfs een treffende gelijkenis; hun afkomst moet zoo dicht bij de onze zijn gelegen, dat reeds na het eerste geslacht geen verschil meer merkbaar is. De geest verdiept zich in gissingen, om het geheim te doorgronden van die verwantschap, waaraan wij het verschijnsel onzer bewondering toeschrijven, die wij als instinctief voor de Maori's voelen.
In het kort, het melano-polynesische ras schijnt ons niet in oorsprong onderscheiden; het is naar onze meening een anthropologische schepping van kunstmatigen aard door blinde kruisingen. Het is niet noodig, er meer van te zeggen, om de weinige onderlinge gelijkheid te verklaren, evenals de geringe levenskracht van een groep menschen, die bestemd is te verdwijnen, zooals ze verschenen is.
Het is moeilijk te zeggen, wat men verstaat onder "het mooiste ras der wereld", maar op de verschillende trappen van vrouwelijke schoonheid nemen de polynesische dames een zeer hooge plaats in. Afkomstig van de drie voornaamste ethnische elementen, heeft het ras van de Papoea's of Austraalnegers den lichtelijk platten neus geërfd, de dikke lippen, groote tanden en een matig prognatisme. Wat er te zinnelijk is in de gelaatsuitdrukking, heeft het van zijn laagstaande voorouders.
Aan de Aziaten ontleende het iets van het lieve der Japansche vrouwen en de fijne handen en voeten. Terwijl het mongoolsche ovaal de rondheid der wijd geopende oogen temperde, gaf het gele pigment aan de huid iets vergulds, warms en metaalachtigs.
Maar de Maori'sche heeft haar voornaamste karaktertrekken van haar moeder, de Maleische. Van haar heeft ze den uitdrukkingsvollen blik, het lenige en evenredige lichaam, de weelderige haren. Aan de frissche bronnen heeft zij de geheimzinnige bekoring der dalen ontleend; zij heeft in de lijst eener liefelijke natuur het gemakkelijke leven gekend.
En eindelijk is zij als de spiegel eener verwijderde arische verwantschap. Misschien moet men opklimmen tot het centrale plateau, van waar, naar men zegt, alle semietische volken afstroomden, om het eerste begin te vinden van een emigratie naar Polynesië! Misschien zou dat de ontroerende gevoelens verklaren, die wij, zonen van het oude Europa, gevoelen voor de wilde meisjes uit Oceanië! Wij zouden mogelijk de verontschuldiging hebben, dat we in haar terugvonden iets van ons eigen verleden en dat zij den sluier ophieven, die voor ons het verre verleden bedekt.
Maar men moet goed begrijpen, wat er onder een maori'sche schoonheid te verstaan is. Loti, die over Rarahu spreekt, drukt zich aldus uit: "Het was een bijzonder meisje, wier doordringende en wilde bekoorlijkheid alle regels eener conventioneele schoonheid verwaarloosde, zooals wij die in Europa begrijpen. Er was in haar iets, dat men niet beter kan omschrijven dan met de woorden "een polynesische bevalligheid". Het is onmogelijk, om aan diegenen, die ze niet hebben ontmoet, een denkbeeld te geven van den indruk, door de vrouwen van Oceanië gemaakt. Als men haar voor de eerste maal ziet, gevoelt men altijd in haar tegenwoordigheid een soort van desillusie; maar weldra wordt men geboeid door de exotische kwijning van haar zwarte oogen, door de verleidelijke zachtheid van het gelaat, de elegante losheid van haar taille en haar ronde schouders, aantrekkelijkheden, die de bedriegelijke photographie niet kan uitdrukken; buitendien gewent men spoedig aan wat eerst ons aesthetisch gevoel onaangenaam aandoet, dat wil zeggen, aan den platten neus, het prognatisme en de vooruitstekende jukbeenderen.
Als men onder de Polynesiërs leeft, begrijpt men in den anthropologischen zin van het woord het oordeel van de Quatrefages over haar, maar haasten wij ons er bij te voegen, dat er veel overdrijving schuilt en veel dichterlijk enthousiasme in de beschrijvingen der zeevaarders. De deprimeerende invloed van de omgeving heeft er veel toe bijgedragen, dat de Europeanen de inboorlingen niet behandelden, zooals men na dien lof zou verwachten.
Uvea is de hoofdplaats voor de Paters Maristen. Aan den naam van die plaats is verbonden die van hem, wien de eer toekomt, de voorvechter te zijn van hun werk in Oceanië, Monseigneur Bataillon, bisschop van Enos. Het leven van dezen zendeling werd bijna geheel op de Walliseilanden gesleten, namelijk tot zijn verheffing tot het episcopaat; en zijn stoffelijk overblijfsel rust onder de grafsteenen in de kerk te Mua.
In hun apostolische verbeelding zien de priesters den archipel als het beloofde land, waar zonder een enkele afvallige ziel de geloovigen eenvoudig geloovig zijn, zooals in den gouden tijd van het christendom. Daar ze in het geheel geen geregelde gemeenschap onderhouden met de wereld, is deze schuilplaats inderdaad hun ideale koninkrijk op aarde.
Sedert 1843 is de macht der zendelingen er steeds toegenomen onder den invloed van koningin Amelia. In 1887 haalden ze hun koninklijke getrouwe over, zich onder het protectoraat van Frankrijk te stellen. Amelia is gestorven kort na die gebeurtenissen, zonder dat de positie der paters Maristen er door is veranderd.
De archipel wordt tegenwoordig bestuurd door een onbeperkt alleenheerscher, die zijn gezag krachtens goddelijk recht uitoefent met de raadgevende stem van de districtshoofden. Zijn wijze van regeeren is nog dezelfde als in den ouden tijd. Met het aanleeren van de lessen der beschaving heeft de vorst alleen zijn bloedige gewoonten verloren, en tevens heeft zijn regeering er door in vastheid gewonnen. De rust van de dynastie, die vroeger veel te lijden had van den opstand der hoofden, is nu bij het volk veilig.
De tegenwoordige koning is een man van ongeveer vijftig jaren, van een levendig temperament en groote intelligentie. Hij schijnt inderdaad regeeringstalent te bezitten. Zijn onderdanen koesteren te zijnen opzichte den traditioneelen eerbied, vol bijgeloof. Ze zouden niet, eer de zon is ondergegaan, zijn huis durven passeeren met een pak of last.
Dicht bij het huis van den koning waait onze vlag op de woning van den franschen resident. Die ambtenaar, gewoonlijk gekozen uit het corps der koloniale bestuurders, woont alle beraadslagingen bij, zonder dat hem een bepaalde macht is gegeven. Hij verveelt zich gruwelijk op de Walliseilanden en wordt moedeloos en onverschillig in zijn isolement en zijn eenzaamheid.
Wat de zendelingen aangaat, die doen niet aan politiek; maar hun oppergezag zweeft boven de besluiten van den Raad en boven de beslissingen van den koning...
In werkelijkheid is de regeering van de eilanden zuiver theocratisch; alle wetten hebben een godsdienstige strekking, en het eiland Uvea maakt den indruk van een zeer groot klooster, waar ieder aan de regelen gehoorzaamt van de kloosterlijke tucht en zich veilig voelt achter de beschermende wallen.
Men behoeft slechts aan wal te gaan, om zich rekenschap te geven van het feit, dat het eiland, zoo groen, uit de verte gezien, te groote illusies wekt op het punt zijner vruchtbaarheid. De palmen, die te dicht opeen staan, leveren maar zeer weinig vruchten; de droge grond van vulkanische asch is niet bijzonder productief. In tegenstelling met de meeste Polynesiërs moeten deze eilanders wel werken, om aan voedsel te komen. Maar de groote oorzaak van zorg en ellende, die als een zwaard van Damocles boven de bewoners hangt, zijn de cyclonen, in welker centralen weg de eilanden liggen.
Herhaaldelijk is de regeering van Nieuw Caledonië, onder wier regime deze bezitting behoort, te hulp moeten komen. De economische minderwaardigheid van den archipel is een gevolg van het feit, dat wij hier niet te doen hebben met een bodem, ontstaan tengevolge van een vulkanische uitbarsting, zoodat er een bergland ontstond, aan welks voet de humus zich kon afzetten in de dalen, die door erosie ontstonden.
De archipel der Walliseilanden heeft ongetwijfeld zijn ontstaan te danken aan de uitbarsting van groote gasmassa's naar de oppervlakte van de zee, en die een aschregen deden neerstorten rondom den ontstanen krater. Men vindt er inderdaad geen lava, en de weinige trachieten, die men in het midden van het eiland vindt, zijn maar klein van afmeting.
Men kan op Uvea een zeldzaam verschijnsel van plutonischen aard opmerken, namelijk de plaatsen, waar die uitbarstingen van gas zich voordoen. Het zijn, als het ware, schoorsteenen van beslist cylindrischen vorm, met steile wanden, afgeslepen door de opstijging der gloeiende stoffen. In de diepte van die arena van wel 500 meter middellijn heeft het hemelwater een groenachtig meer gevormd, waar reusachtige vleermuizen in menigte boven rondfladderen.
Er is iets, dat nog vreemder is dan de theocratische regeering en de geologische gesteldheid van het priesterlijke rijk, dat zijn de jonge meisjes. Die blijven tot haar huwelijk onder de leiding der Zusters van het district. Elken morgen na de mis worden ze aan hun families afgestaan voor het gewone huishoudelijke werk, en zoodra de avond begint te vallen, keeren ze naar de school terug, waar ze gedurende den nacht opgesloten blijven. Op die wijze wordt haar deugd nauwlettend bewaakt; want officieren van de zedenpolitie houden de wacht in het dorp, om de minste overtreding tegen de regelen der kuischheid aan den dag te brengen.
Toch branden in de borst van die kinderen de warme gevoelens van het Maori-bloed. Men kan het zich bijna niet voorstellen, dat die meisjes in het algemeen braaf zijn, en de zendelingen moeten er wel diep den eerbied voor de kuischheid in hebben gebracht, om dat resultaat te bereiken.
Toch valt er iets bijzonders bij op te merken. Die dames, die uit atavisme zich eigenlijk als bloemen zoo maar zouden moeten geven, bezwijken bijna nooit anders dan in geval van een huwelijk; maar de behoefte om liefde te schenken is bij haar zoo groot, dat het flirten spontaan op Uvea is ontstaan.
Het denkbeeld, te flirten met een vrouwtje van de Wallis-eilanden deed ons glimlachen. Denkend aan de lichtvaardige gemakkelijkheid der zeden op Tahiti, wilden wij te dezer zake geen geloof slaan aan de verhalen van degenen, die er vóór ons waren geweest. Maar later moesten wij wel toegeven, dat ze gelijk hadden gehad, want er vielen ook onder ons helden op te merken van die liefdeshistorietjes als kostschoolamourettes.
Wij maakten kennis met de dames op een feest, gegeven door den koning. De jonge meisjes uit Uvea zongen, zittend op de hurken en het gezang begeleidend met handgeklap. Zij roemden de grootheid van Frankrijk, van haar vaderland en van ons schip. Tot minder verheven onderwerpen overgaand, deelden zij mede, hoe en met welke bloemen men kransen moest vlechten en guirlanden; ze noemden den pandanuspalm, welks geur bedwelmt, den hibiscus, rood als bloed, de groene lianen en de varens, die met hun donkere kleuren een achtergrond vormen voor de kleurige kronen.
Daarna verheerlijkten ze het eiland Samoa, de koningin der westelijke zeeën van den Grooten Oceaan; ze roemden de bevalligheid van zijn fafinérs of jonge meisjes, de koelte van zijn stroomen en de heerlijkheid van zijn bergen... telkens met eentonig rhythme herhalend: Lelei, Lelei Samoa... (het schoone, schoone Samoa), welk refrein door de eerste zangeres op scherpen toon werd aangegeven.
Amalia, de dochter van den koning, een groote jonge dame van 18 jaar, zat in het midden der rij en had zelve de leiding van het gezang harer vrouwelijke onderdanen. Zij is, evenals haar grootmoeder koningin Amelia, een zeer geloovig schepseltje, dwepend met de zendelingen. Er werd zelfs verteld, dat ze de eer verlangde, den sluier aan te nemen. De religieuses uit het klooster van Mata-Utu zijn inderdaad voor een groot deel inlandschen, wier amberkleurig gelaat onder de witte huif vreemd uitkomt. Ik denk, dat de Maristen verstandig genoeg zullen zijn, om aan die roeping paal en perk te stellen, ten einde zulk een trouwe vriendin aan het hoofd van de zaken des lands te behouden.
Na de jonge meisjes dansten de jonge mannen en vormden een treffende tegenstelling met de zachte, golvende bewegingen der eersten door hun ongeordende en woeste sprongen.