Door Centraal-Oceanië De Aarde en haar Volken, 1908
Chapter 2
Hij sprak met moeite een weinig Engelsch, en het viel ons niet gemakkelijk, elkander te verstaan. Hij deed vragen over ons schip en verlangde met een zeker aplomb inlichtingen omtrent de uitwerking der kanonnen, het aantal der matrozen, enz. Toen prees hij de zendelingen uit Frankrijk, met wie hij naar zijn zeggen vriendschappelijke betrekkingen onderhield, hoewel hij niet hun godsdienst deelde.
De roco, wien onder het engelsch bestuur een vrij groote mate van gezag toekomt, en die feitelijk verantwoordelijk is voor zijn geheele dorp tegenover den gouverneur, heeft zich langzamerhand gewend in zijn aanraking met de britsche ambtenaren hun manieren over te nemen en hun bewegingen vol van gewichtigdoenerij. Hij groette ons met een plechtig "good bye", toen wij afscheid namen, nadat wij het voorstel, dat hij ons deed, om whisky te gebruiken, hadden afgewezen.
"Hij is ontstellend van waardigheid," merkte een van ons op. "Die aap heeft ons ontvangen met de etiquette van des konings drawingroom." Toen wij elkander er op wezen, dat zijn gezicht iets minder dierlijks had dan dat van zijn onderdanen, en dat we er duidelijk een aanwijzing op zagen van de meerderheid der besturende klassen boven de geregeerden, gaf onze cicerone ons van dat verschijnsel een geheel andere verklaring.
"Op een lang vervlogen tijdstip," zei hij, "zijn deze eilanden veroverd geworden door de lieden van Tonga, die van melanesisch-polynesisch ras zijn en hun bloed is bewaard gebleven in de familiën der roco's, voor het meerendeel afstammelingen van die veroveraars. Gij zult u, als ge naar de Tonga-eilanden gaat, rekenschap kunnen geven van de moreele en physieke verschillen, die er bestaan tusschen de bewoners van gindsche eilanden en onze Fidsjiërs."
De bouwtrant van het jongelingenhuis is dezelfde als die van de woning van den roco, behalve dat de groote hut niet kegelvormig is, maar langwerpig met een puntig toeloopend dak. Men ziet er dezelfde gepolijste boomstammen, met gekleurde kokosvezels aaneengebonden. De grond was bedekt met ruw gevlochten matten van palmbladeren en wij zagen er enkele mannen liggen. De dierlijke uitdrukking op hun gezichten maakte het duidelijk, dat het noodig kon wezen, de vrouwen tegen hen te beschermen door sociale wetten. Trouwens iets van sentiment of fijnheid treedt in het geheel hier niet in de verhouding der seksen op; de echtgenoote is niet anders dan koopwaar, een slavin, bestemd om hard te werken voor haar meester.
Zij beschermen de vrouw, zooals men een nuttig huisdier beschermt; men moet vooral die praktijk van het gemeenschappelijke huis voor de ongetrouwde mannen niet opvatten als een zaak van jaloersche liefde; dat instinct schijnt hun volslagen vreemd, ze zijn er niet gevoelig voor.
Het sociale wetboek is bij hen gegrond op de minderwaardigheid der vrouw. Natuurlijk is veelwijverij toegelaten; de meisjes worden al zeer jong uitgehuwelijkt en dikwijls aan grijsaards. Niets verhindert overigens, volgens de oude wet, dat die laatsten vermoord worden, als men van oordeel is, dat ze voor den stam van geen nut meer zijn.
Wij kunnen ons voorstellen, dat de levensgezellinnen van de Fidsjiërs slechts in beperkte mate de hartstochten van haar echtgenooten opwekken, want op enkele uitzonderingen na zijn ze weinig bekoorlijk, al hebben de lieden uit Rewa waarschijnlijk niet hetzelfde inzicht als wij over vrouwelijke charmes.
Onder de hutten van het dorp zien enkele er bijzonder goed uit, hebben zelfs ramen, die uitgespaard zijn in de muren van gebladerte. De andere, die echt inlandsch zijn gebleven, hebben geen vensters. Ze zijn alle even stevig en bieden voldoende bescherming tegen koude, regen en warmte. De Fidsjiërs zijn bekwame bouwmeesters, hun booten met breede uitslagbladen geven blijk van een knap mechanisme. In de aaneenhechting der stukken vindt men terug de verbinding met kokosvezels, die zij met zoo groote handigheid toepassen. In dit land, waar het ijzer onbekend is, moesten de handwerkers wel een middel bedenken, dat de spijkers kon vervangen.
Die woningen, die van buiten gezien, een behagelijken indruk maken met hun voorkomen à la Robinson Crusoe en hun landelijk aanzien, zijn van binnen uiterst onzindelijk. Het geheele gezin hokt er samen, en daar er gekookt wordt midden in het vertrek, krijgt alles er een vuile en rookerige tint. Ik verdenk er die vuile wezens van, al den afval maar te laten liggen op den vloer, want er stijgt een walgelijke reuk uit den grond op.
De vrucht van den broodboom is het hoofdvoedsel op de Fidsji-eilanden evenals van de andere inboorlingen in de Stille Zuidzee. Er groeien negen verscheidenheden van dien boom op de Fidsji-eilanden.
De inboorlingen hebben nog veel oude voorwerpen bewaard. Zij hebben de cachelottanden bewaard, die ze als geldstukken bezigden; dan vindt men er veel oud aardewerk, daar gebakken, en hun antieke knodsen, waar ze tot geen prijs afstand van willen doen, als er de eene of andere moordhistorie aan is verbonden.
Dit zijn Melanesiërs, aan wier kannibaalsche instincten een algemeene en schrikwekkende bekendheid is gegeven. Nog zeer kort geleden, in 1894, bewezen de Fidsji-eilanders bij een opstand, die was uitgebroken tengevolge van de afpersingen van den vorst, dat ze niet afkeerig waren van menschenvleesch, door een paar engelsche boodschappers eenvoudig op te eten.
Te midden van zulke menschen zijn nu de zendelingen de vlag van het christendom komen planten. Zij zenden enkele inboorlingen vooruit, gekozen uit de ontwikkeldste hoofden, die dan, bezield met grooten ijver en onder den naam van catecheten het denkbeeld van den katholieken godsdienst brengen op plaatsen, waar de zending, bij het altijd betrekkelijk klein aantal harer dienaren, nog geen personeel kan heenzenden. Dan wordt later een priester der Maristen naar de plaats gezonden; de aanhangers der nieuwe leer groepeeren zich om hem heen; een kerkje wordt midden in het bosch gebouwd in de schaduw van de hooge kokospalmen.
Indien al het woeste karakter van de Fidsji-eilanders een bezwaar is tegen hun bekeering, men moet aan den anderen kant erkennen, dat de taak der zendelingen vergemakkelijkt wordt door het feit, dat deze menscheneters niet in den eigenlijken zin des woords goden of afgoden hebben, behalve de enkele grijnzende fetisjen, genaamd godin van den dood, de god herseneter en dergelijke. Die kannibaalsche godheden oefenden een soort van bijgeloovig schrikbewind uit op den geest der Fidsjiërs; maar zonder in hen eenig godsdienstig gevoel te wekken. Het was dus op een betrekkelijk neutraal terrein, dat katholieken en protestanten het eerste christelijke zaad uitstrooiden.
De eenigen, die ernstig het werk der blanken tegenwerkten, waren de toovenaars, die, daar ze oudtijds de lichtgeloovigheid van het volk exploiteerden, alles te vreezen hadden van de nieuwe leer. Op het eiland Viti bestaat er een secte van die predikers, die op het voorbeeld van de indische fakirs allerlei wonderlijke daden verrichten.
Toen wij in de buurt waren, woonden wij hun plechtigheden bij; wij zagen die mannen over een bedding van gloeiend heet gestookte steenen loopen, zonder dat het hun oogenschijnlijk eenige pijn deed. Na de operatie vertoonde de voetzool zelfs geen spoor van brandwonden. Eenigen van ons volgden de groep van Fidsjiërs, die achter de toovenaars aan liepen met palmbladeren in de hand ten teeken van hun goede bedoeling, en wij gevoelden geen andere uitwerking van het vuur dan een sterke strooming van heete lucht, die ons tegen het gelaat sloeg; de zolen van onze schoenen waren niet verbrand. Dat is een verschijnsel, dat wij niet kunnen verklaren en waar natuurlijk de naïeve bewoners van den Archipel versteld van staan.
Wij hebben in den aanvang gezegd, dat de eilandengroep niet genoeg voortbrengt en niet zoo veel als men zou verwachten, en wel bij gebrek aan voldoende werkkrachten. Groote vruchtbare uitgestrektheden, waar de cultuur van suikerriet goede opbrengsten zou kunnen leveren, blijven ongebruikt bij ontstentenis van armen, om den grond te ontginnen. Zoo heeft dan ook de regeering een beroep gedaan op alle naburige eilandbewoners, om haar arbeidskrachten te leveren, en met het gevolg, dat de stad Suva een mengelmoes vertoont van alle rassen van den Grooten Oceaan. Onder die vreemden zijn de lieden van de Salomonseilanden het opmerkelijkst. Hoewel ze tijdelijk aan hun natuurstaat onttrokken zijn, hebben ze hun ledematen nog overdekt met banden van schelpen en andere barbaarsche opsiersels; hun gordels zijn bezaaid met stukjes bonte steen en hun hoofddeksels zijn diademen van bewerkte menschenbeenderen, of bossen van vederen enz.
De bewoners van de Salomonseilanden maken precies den indruk van de wilden, zooals we ons die in onze verbeelding voorstellen; ze hebben ook het vooruitstekend ondergedeelte van het gezicht, het achteruitwijkend voorhoofd en den platten neus. De mond en de kaken vooral zien er dreigend uit als bij een gorilla; ze schijnen gemaakt om te bijten. Men ziet in, dat de mensch verwant moet zijn aan het een of ander bijtend dier, als men deze wezens aanschouwt. Daarentegen zijn ze schoon, als men alleen op den lichaamsbouw let; ze zijn als uit marmer gehouwen en van heerlijke lenigheid. Als onze beeldhouwers hen tot modellen konden nemen, zouden zij door hun aanblik worden geïnspireerd tot het maken van de mooiste athletenlichamen, die de oudheid in de arena's van Griekenland en Rome heeft gekend.
De proporties zijn volkomen; de spieren, prachtig ontwikkeld, laten zich onder de huid onderscheiden, terwijl ze hard zijn als ijzer en zich kunnen spannen als bogen. En de menschen worden nooit ontsierd door te groote zwaarlijvigheid.
De inboorlingen van de Salomonseilanden gedragen zich goed op de Fidsji-eilanden en doen niet van zich spreken; zij sparen, om ten slotte naar hun vaderland te kunnen terugkeeren. Als zij dan in hun bosschen weer op de jacht gaan, om koppen te snellen, zullen zij zich schadeloos stellen voor het lange vasten van menschenvleesch. Maar zij zijn kieskeurig in hun anthropophagie, en bereiden het vleesch met zorg. Terwijl de Fidsjiërs de spieren van handen en voeten verkiezen, is het lievelingsgerecht der Salomons-eilanders de herseninhoud van een kind, vermengd en geklutst met kokosolie. Ziedaar een recept, dat op eenig begrip van kookkunst wijst.
Buiten de Salomons-eilanders ontmoet men in de straten van Suva ook bewoners van de Nieuwe Hebriden, lieden van den Gilbertsarchipel en Indiërs. Wij hebben al kennis gemaakt met die arme ballingen, die op kosten van een emigratie-maatschappij naar de eilanden worden gezonden, en dan eerst later voor hun eigen rekening mogen werken. Die paria's, die door armoede verkommerd zijn, leveren minderwaardig werk uit het oogpunt van spierkracht, maar maken het goed door grooter gewilligheid en onderworpenheid. Ze worden echter niet voldoende beloond, want zelden maken ze hun fortuin op de Fidsji-eilanden. De meesten, mannen zoowel als vrouwen, dragen niet eens arm- en beenbanden tot sieraad, wat een teeken is van de grootste ellende. Het is een zeldzaamheid, hindoemeisjes te ontmoeten, die rijk versierd zijn met zilveren of gouden sieraden naar den trant der Indiërs. Toch zijn er enkele, en die dochters van rijke bannyanen, wekken de herinnering aan het gelukkige Indië en worden bewonderd en benijd door haar minder bedeelde landgenooten.
Al die hulpmiddelen, om meer menschen naar de kolonie te lokken, kunnen niet beletten, dat de bevolking vermindert. Het schijnt, dat het autochthone ras bestemd is, uit te sterven. Bij de ziekten, die de blanken er hebben ingevoerd, als tuberculose en alcoholisme, die er endemisch zijn geworden, voegen zich de tijdelijke epidemieën, die groote verwoestingen aanrichten onder de inboorlingen, als ze er door worden aangetast. De roodvonk, die niet gevaarlijk is voor blanken, doodde in 1875 30.000 bewoners van de Fidsji-eilanden in het tijdsverloop van een enkele week. Men kan tegenover het hooge sterftecijfer slechts een gering aantal geboorten stellen.
Het gebrek aan werkkrachten belet de ontwikkeling van een kolonie, die tot nu toe niet aan de verwachtingen heeft beantwoord, welke men erop had gebouwd. De toestand wordt er in den laatsten tijd niet beter op. De verbouw van katoen, die er is begonnen ten tijde van den oorlog tusschen de Noordelijken en de Zuidelijken in de Vereenigde Staten, is al geheel verlaten; de aanplanting van het suikerriet kost zooveel, dat alle winst bij verkoop wordt opgeslikt; de vanille vindt te veel concurrentie op alle markten, want daarvan heerscht overproductie, zoodat er voor de Fidsjiërs bijna niet anders overblijft dan de kweekerij van tropische vruchten en het inzamelen van copra.
Zelfs als er goedkoope werkkrachten te krijgen waren, zou men toch twijfelen aan de toekomst van deze eilanden. De grond, bestaande uit vulkanische asch, is uiterst vruchtbaar, maar alleen als hij goed besproeid wordt, en de vruchtbaarheid is maar oppervlakkig; de bosschen kunnen er zich prachtig ontwikkelen, maar als men het hout kapt, om den grond verder te ontginnen, bemerkt men al bij den eersten oogst, dat het een verarmde bodem is en dat het moeilijk valt, daarin verbetering te brengen.
De Fidsji-eilanden zullen dus het lot te dragen hebben van alle koloniën, die geen flinke arbeiders leveren en waar niet valt te rekenen noch op de mijnen, noch op de veeteelt of den landbouw, om ze vooruit te helpen. Het is waarschijnlijk in deze omstandigheden, dat Engeland er niet veel tegen zal hebben, aan Australië op den duur de suprematie af te staan over de groep eilandjes. Reeds hebben kolonisten van Suva, die hun budget niet op de vereischte hoogte konden houden en die hun schulden zagen toenemen, gevraagd om te worden vereenigd met de staten, waar ze handel mee dreven; die vereeniging is slechts een quaestie van tijd.
II
Futuna.--Grond der liefde.--Vreemde inconsequentie van kannibalen.--In een walvischboot.--De archipel der Walliseilanden.--De zeilrots.--Vermoede afkomst der Polynesiërs.--De Maori's het mooiste ras ter wereld.--De jonge meisjes van Wallis.--De zendelingen.--Vreemde plutonische vorming.--Gevoel van op een eiland te zijn.
Voordat wij ons naar Wallis begeven, moeten we ons op Futuna ophouden, een landje, op onzen weg gelegen, om er den bisschop van Centraal-Oceanië aan boord te nemen. Die eerwaardige prelaat werd daar inderdaad gevangen gehouden sinds langen tijd, zonder hoop er ooit vandaan te komen bij gebrek aan middelen van gemeenschap, die het hem veroorloofden, Tonga-Taboe te bereiken, het middelpunt van zijn apostolisch vicariaat.
Futuna behoort aan Frankrijk. Ziedaar een bericht, dat vele lezers zal verbazen. Maar ze kunnen gerust wezen, hun onwetendheid in dezen is te verontschuldigen, want op deze wijze bezit Frankrijk een kleine vijfhonderd eilanden in den Stillen Oceaan, waaronder Futuna maar een bescheiden plaatsje inneemt. De eenige originaliteit van het eilandje is, dat het totaal afgezonderd ligt en dat het daar, niemand weet precies hoe, geplaatst is onder de hoede van de fransche driekleur.
Het eiland bestaat uit twee gelijke kegelvormige bergen; ze hebben dezelfde hoogte, dezelfde oppervlakte, denzelfden vorm en zijn verbonden door een smalle landengte. Het eene, het eigenlijk gezegde Futuna, is boschrijk, schilderachtig, bebouwd en bewoond; het andere, Alofi, is doodsch, onvruchtbaar en onbewoond.
Vanwaar die ongelijkheid? Er wordt ons te dien opzichte eene legende verteld, die merkwaardig is. Het schijnt, dat de inboorlingen van Alofi, welke naam beteekent "grond der liefde", even kalm en indolent en geneigd tot zinnestreeling waren, als de lieden van Futuna zich woest en oorlogzuchtig toonden en geneigd tot kannibalisme. Nu gebeurde het, dat de sterksten op het denkbeeld kwamen, de zwaksten te verorberen; zoo vat men in Oceanië de fabel van den wolf en het lam op. Het eiland der liefde vormde langen tijd de spijskamer voor Futuna, en daar de liefde, die de jongelui van Alofi gevoelden voor de jonge vrouwen, er niet in slaagde de leemten aan te vullen, gemaakt door de geregelde strooptochten van de menscheneters, kwam er een oogenblik, waarop het ras van Alofi uitstierf.
Er is in deze legende zeker een kiem van waarheid. Daar het niet is aan te nemen, dat het eiland Alofi te eeniger tijd rijk en vruchtbaar is geweest, kan men eerder aannemen, dat ten gevolge van een emigratie, gekomen van de westelijke eilanden, de inboorlingen van maorisch ras in de steile bergen van Alofi werden gejaagd. De vrouwen werden daarbij door de veroveraars buit gemaakt, waardoor verklaard wordt, hoe het ras van Futuna de afstamming vertoont van Melanesiërs en Polynesiërs. Wat de mannen betreft, die werden gevangen, zij werden zonder omslag aan het spit gestoken.
Wij begrijpen nu beter den wijsgeerigen en letterkundigen zin van de liederen op Futuna. Die is als een symbool van den strijd tusschen twee richtingen, de eene, de menschelijke en zachtmoedige, wordt vertegenwoordigd door het melano-polynesisch ras; de andere, de woeste en kannibaalsche, beheerscht de Melanesiërs, en die strijd heeft gedurende eeuwen in Oceanië tot bloedige gevechten aanleiding gegeven, voordat het land nog door de westerlingen ontdekt was, terwijl hij er de geschiedenis van verklaart.
Wij ankerden aan de kust en de boot, waar ik in ging, ontving het bevel, Monseigneur Lamaze af te halen en aan boord te brengen.
Tegenover het dorp Alo wachtte ons een Marist in een bootje. Hij was een hartelijke zuid-Franschman, die groote vreugde aan den dag legde, toen hij landgenooten ontmoette. Hij voerde ons door een nauw kanaal tot aan den drempel van de kerk te Sigave. Dat gebouw in romaanschen stijl doet denken aan enkele van onze zeer oude gemeenten, door de ruwheid van den bouw en de donkere tint van het korrelige koraal.
Men kan zich verbeelden, in de middeleeuwen te zijn verplaatst, als men daar in het maagdelijke woud de paarse soutane en den amethysten ring ziet schitteren.
De bisschop kwam met uitgestrekte armen naar ons toe. Wij legden hem uit wat het doel was van ons bezoek.
"Dat is dus een rooftocht?" vroeg hij.
"Ja, Monseigneur."
"Maar u zal mij wel drie uren gunnen, om mijn toebereidselen te maken?"
De drie uren werden edelmoediglijk gegund, en om den wachttijd zoek te brengen, deden wij een wandeling door het dorp.
Futuna, het verste punt, waartoe het Maori-ras in den Stillen Oceaan naar het Oosten is doorgedrongen, was de eerste post der zendelingen in dit deel van den Oceaan. De inboorlingen bezitten, zooals wij reeds zeiden, door hun vermenging met melanesische elementen niet die hoedanigheden van zachtheid en goedmoedigheid, die eigen zijn aan de Maori's. De geschiedenis van de evangelisatie van Futuna is dan ook bezoedeld door den moord op pater de Channel.
Tegenwoordig zijn de 1500 inwoners allen tot het katholicisme bekeerd en schijnen er aan gehecht ondanks hun krijgszuchtig karakter. Er leven nog moordenaars van pater de Channel, die echter door de lieden van Futuna worden vereerd, want met een zonderlinge inconsequentie houden ze het ervoor, dat het hun tot eer strekt, een nieuwen martelaar aan de kerk te hebben geschonken.
Een bijzonderheid van Futuna zijn de kleedingstukken, die tapa's worden genoemd en die in tegenstelling met de kleederen uit boomschors van de andere eilanden versierd zijn met oostersche patronen en op de hoeken hieroglyphische teekens dragen. Om die zonderlingheid te verklaren, is de legende bewaard gebleven, dat de menschen van het gele ras op een goeden dag kwamen, men weet niet van waar, en dat ze met hun jonken op de kust schipbreuk leden. Die schipbreukelingen leefden gedurende een zekeren tijd in goede verstandhouding met hun gastheeren, maar werden later om de een of andere onnaspeurlijke reden uitgeroeid tot op den laatsten man.
De herinnering aan die wonderlijke gebeurtenis, wonderlijk inderdaad als men denkt aan de ligging van Futuna, ligt nog in de trekken van enkele bewoners van de noordkust, waar de Aziaten zich hadden gevestigd. Het ethnische karakter van die zwervelingen, dat na hun uitroeiing toch niet geheel verloren ging, wordt teruggevonden in de afstammelingen van hun moordenaars. Dit feit, dat gerust als historisch mag worden beschouwd, is door geen enkelen anthropologist in het licht gesteld. Het was hun stellig niet bekend. Er zijn ook slechts weinigen, die Futuna hebben bezocht, en de meeste schrijvers, die het ondernomen hebben, het polynesisch ras te bestudeeren, zijn niet zoo ver gekomen. Die verhuizing naar het Oosten tot midden in den Stillen Oceaan werpt een eigenaardig licht op de afkomst van de eilanders.
De ebbe trad in en de kapitein van onze boot waarschuwde, dat daar de koraalriffen reeds bloot kwamen, het weldra onmogelijk zou wezen weg te komen. Onmiddellijk begaven wij ons naar het strand; de bisschop ging met ons en voor hem uit de inboorlingen, mannen en vrouwen, die offeranden droegen en in eerbiedige, eenvoudige houding voor hem bogen.
De boot, die ver op het land was getrokken, werd te water gelaten, en Monseigneur Lamaze werd op den rug van een der matrozen aan boord gebracht. De afvaart gaf moeilijkheden door de branding, die tegen de rotsen sloeg, waarbij de kiel van onze kleine boot de takken van de wortelboomen als porselein door midden brak; wij waren een oogenblik bang te worden geblokkeerd.
Ik zie nog dat schilderachtige afscheid; hoe de Paters ons op het strand groetten te midden van hun geloovigen, in menigte om hen verzameld, na den apostolischen zegen te hebben ontvangen. Wij staken van wal. De wind kwam van ter zijde en wij moesten bijna drie mijlen afleggen, om onze stoomboot te bereiken. Het bootje vloog als een vogel over de golven; de bagage van den bisschop lag op den grond tusschen de kippen en speenvarkentjes, de laatste geschenken van de inboorlingen. Dat bootje, ook nog met groenten gevuld en met inderhaast dichtgemaakte pakjes en met levende dieren, doet denken aan een soort van geïmproviseerde landverhuizing.
Wij schommelen van belang en worden gedoopt door het zoute water. Onbewegelijk aan den achtersteven gezeten, ontvangt de prelaat de golven, zonder het hoofd te buigen, kalm en rustig, zooals een apostel in het schip van Christus' Kerk!... Wij waren niet gerust, voor we aan boord waren van de groote boot, die koers zette naar de Walliseilanden.
Telkens als een schip verschijnt tegenover de opening in het koraalrif van Wallis, waarbinnen de eilandjes zijn gelegen, wordt door den uitkijk een boot gesignaleerd, die naar buiten komt. Men kijkt eveneens uit, men richt de groote kijkers en men wacht te vergeefs op het schip. Het komt niet! Toch heeft het wind in de zeilen; men kan het doek zien zwellen onder de stooten van den passaatwind. Is het een betooverd schip? Ten slotte zet men er koers heen, en men staat verbaasd, als men bemerkt, dat daar, waar men een schip vermoedde, een rots te zien is, die om haar eigenaardigen vorm den naam heeft ontvangen van de Rots met de Zeilen.