Dominica De Aarde en haar Volken, 1904

Chapter 2

Chapter 22,564 wordsPublic domain

Labat beweert dat de Caraïben zichzelf in zijn tijd noemden "Banari", dat is: over de zee gekomenen, en dat zij hetzelfde dialect spraken als de Roodhuiden van Florida. [4] Menschenvleesch was niet hun gewoon voedsel, doch op feesten verslonden zij de ledematen hunner machtigste vijanden, die zij vooraf droogden, "boekaneerden". [5] Luchthartig en vroolijk van aard, kon men alles van hen gedaan krijgen in ruil voor vuurwater. Moedig waren zij ook, en behalve dat zij goed met pijl en boog konden omgaan, doodden zij soms, al duikende met een mes in de hand, haaien in de zee. Columbus beschrijft ze als een half beschaafd ras, vriendelijk en gastvrij tegen vreemdelingen, van bruine kleur, mooie gelaatstrekken, die echter vaak misvormd werden door het afplatten van voorhoofd en neus met het doel den achterschedel naar boven te duwen. De meisjes droegen lange haren en waren dol op dansen en op sieraden. Hun woningen waren kleine hutten, "wigwams", van takken en gras in elkaar gezet; het meubilair bestond uit manden, aarden potten, en huiden om op te liggen. Visch, maïs, wortelen en vruchten dienden hun tot voedsel; hun geloof deed hen offeren aan goden en demonen. Bij de ontdekking van Amerika leefden zij nog in het steentijdperk, en waren hun bijlen, pijlen, enz. van steen gemaakt. Heel veel verandering is er in een en ander nu nog niet te bespeuren.

De exemplaren die ik hier en daar zag, trekken dadelijk de aandacht door hun vlak voorhoofd, lang, steil en hard haar van blauwzwarte kleur, schuin staande donkere oogen, uitstekende jukbeenderen en platten neus; zij hebben kleine handen en voeten. De kleur hunner huid is zoo licht als geel koper, en hun naam van Roodhuid verkregen zij alleen door hun gewoonte om zich het lichaam met de roode rocou te kleuren. Volgens sommigen hebben zij veel verwantschap met het Mongoolsche ras.

Van hun taal is weinig bekend, anders zou deze wellicht meer uitkomst geven. Zij is tegenwoordig zoo goed als verdwenen; de laatste die nog op Dominica het Caraïbisch sprak, is onlangs op Salybia begraven, en veel studie is van die taal niet gemaakt. De vrouwen hadden gedeeltelijk een andere taal dan de mannen, welke die der veroveraars, "Galibi", bleven spreken.

Wat hun karakter betreft, worden zij afgeschilderd als te zijn noch nieuwsgierig, noch bevreesd; van het eerste zag ik op Suriname treffende bewijzen. Weinig gevoelig voor vreugde of smart, leiden zij een zwijgend, indolent, doch vreedzaam bestaan. Hun zachte melancholische aard is op hun aangezicht te lezen, "ils sont doux, civils, traitables" (zij zijn zacht, beleefd, handelbaar), verklaarde reeds de Las Casas lange eeuwen geleden, en zij zijn het nu meer dan ooit. Gastvrij in de hoogste mate, zijn zij steeds vol plichtplegingen, altijd vreezende den gast niet goed genoeg te hebben onthaald; zij geven het beste wat zij hebben, en betreuren het dan dat zij niets beters aan de gastvrijheid konden ten offer brengen. Op hun zucht naar vrijheid, sterker dan de vreeze des doods, werd reeds gezinspeeld, en nog altijd is deze een kenmerkende karaktertrek der Roodhuiden.

Doch de eeuwen van vrede en rust zijn ook voor den Caraïb niet nutteloos voorbijgegaan; van een bloeddorstig kannibaal is hij nu een vreedzaam burger geworden, en vooral op Dominica heeft hij veel van zijn oude gewoonten, wat betreft woning, kleeding, voedsel en gereedschappen, afgelegd.

De woningen die ik zag in het Indianenkamp aan de Coermotibo (Suriname) zal ik later beschrijven; hier wil ik slechts aanstippen dat, terwijl daar in elke hut een hangmat van katoen wordt gevonden, op Dominica deze vaak reeds door een bed is vervangen. Verder ziet men er steeds wat keukengereedschap, pijlen, boog en vischgerei hangen, en overigens spreekt het geheel van diepe armoede alsook van geringe behoefte aan comfort.

Hun zintuigen zullen op Dominica wel weinig van hun merkwaardige scherpte hebben verloren, want geen ras kan zoo goed hooren, en zoo fijn ruiken, voelen en proeven als deze Indianen; doch ook daarover verzamelde ik meer feiten in onze dan in deze Engelsche kolonie, en ook daarop kom ik dus terug, evenals op hun arbeidszin en kunstgevoel.

Reeds meer dan een eeuw lang werd het district Salybia, waar de meeste echte Caraïben wonen, als hun "Reserve" beschouwd, ofschoon zij tot heden nog geen rechtstitel van de Engelsche regeering daarop verwierven. Het voornaamste deel van dat terrein, niet grooter dan 232 acres--en dat voor menschen die behoefte hebben aan ruimte en zwerven--is arm, vrij wel waardeloos land. Te midden eener groene weide staat daar het Roomsche kerkje, terwijl de Indianen rondom in de bosschen verspreid wonen, om daar wat voedingsgewassen te planten, wijl de bodem te onvruchtbaar bleek om er ook cacao of citroenboomen te verbouwen. Wanneer de grond een paar maal oogsten heeft opgeleverd, verplaatsen zij hun wigwams, om elders weer een nieuwe ontginning aan te vangen. Zij schuwen alle vreemdelingen; en de vrouwen houden zich voornamelijk bezig met het vlechten van manden, waarvan ik er een kocht, en die zoo dicht zijn dat men ze in een rivier kan zetten zonder dat het water er binnendringt. Deze "baskets" worden verkocht in "nesten" van twaalf stuks voor ongeveer f 30.-, en te Roseau ingeruild tegen slechte rum of andere alcoholische vergiften.

Van de 400 menschen die nu op die Reserve wonen, is het twijfelachtig of er wel meer dan 120 zich "volbloed" mogen noemen, dan wel "bastaards" zijn. Deze inwoners van gemengd ras vormen reeds nu 3/4 van het geheel Salybia, en daar het jongere geslacht blijkbaar minder trotsch is op zijn ras dan het oudere, en velen negervrouwen medebrengen, terwijl Caraïbische meisjes zich nog al eens met een Neger verbinden, zal er weldra alleen gemengd bloed overblijven. Met de oude zeden en gewoonten zullen de laatste Caraïben uit de West-Indische eilanden verdwenen zijn.

Schuw en eenzelvig van natuur, trokken de Caraïben in vorige eeuwen steeds verder weg van de verblijfplaatsen der vreemde indringers; jaar in jaar uit zagen zij hun velden in beslag nemen, en hun jachtgronden verdwijnen voor de riettuinen en koffieplantages van de bleekgezichten. De een voor, de andere na werden zij van de noordelijke Antillen verdreven, om in het begin der 17de eeuw alleen nog meester te zijn van Guadaloupe, Dominica en Martinique. Doch ook daar werden zij niet met rust gelaten, en aan de mondingen der rivieren kwamen anderen zich vestigen, hen voor zich uitdrijvende naar de eenzame bosschen. Op de beide Fransche eilanden is geen spoor meer van hen te vinden, op Dominica verminderen zij voortdurend in aantal; en steeds kleiner werd het terrein waarop zij moesten leven van jacht, landbouw en vischvangst. Toch voelden zij zich thuis in die woeste streken; de Caraïb heeft de kalmte en rust der donkere oerwouden overgenomen, en zijn zwijgzame natuur is in harmonie met die romantische omgeving. Men ziet hem snel met bijna onhoorbare stappen door het woud glijden, en in zijn uitgeholden boomstam gezeten langs de breede rivieren drijvende, schijnt de Roodhuid één lichaam uit te maken met zijn cano.

In 1633 werd hun aantal op Dominica geschat op 938 zielen, levende in 32 carbets, in 1791 waren er nog slechts een dertigtal Caraïbische familiën over; in 1886 werd hun aantal op 300 koppen geraamd. Doch in de 17de eeuw was het geheele met wouden bezette binnenland van Dominica nog in hun bezit, en deden zij voortdurend invallen in het door de blanken en hun slaven bezette gebied om daar te branden en te rooven.

Daar elke onderhandeling met hen vruchteloos bleek, nu zij eenmaal besloten hadden wraak te nemen op de blanken die hun ras wilden verdelgen, besloot men in 1748 bij den vrede van Aken, waar alle Antillen onder de twee mededingers werden verdeeld, Dominica nòch Fransch, nòch Engelsch te verklaren, doch als neutraal te beschouwen en dus in handen der Caraïben te laten. Geen Europeaan zou er zich vestigen, en een hunner hoofden werd beschouwd als Heer van dat eiland. Gedurende langen tijd hielden de Caraïben zich toen rustig, en zagen zij af van elken aanval op de andere eilanden. Zoowel Franschen als Engelschen zochten toen hun steun, en niet zelden stonden deze wilden aan de zijde van een dezer Europeesche Mogendheden.

Doch Dominica was een te begeerlijk bezit, om met rust te worden gelaten door de Imperialisten der 18de eeuw. De Franschen nestelden zich aan de kust, aanvankelijk op vreedzame wijze, doch steeds drongen zij verder door; en toen de Caraïben, het gevaar inziende, zich wilden verdedigen, gingen zij meer aanvallend te werk en verdreven zij de inboorlingen naar het binnenland van Dominica. Doch daarmede waren de Engelschen alweer niet tevreden, en onder het voorwendsel de Caraïben te komen beschermen, verbrandden zij de plantages hunner blanke vijanden, doch vergaten weldra alle rechten der Caraïben, en zoo vatten deze Britsche flibustiers de verovering van het eiland weer op, waar de Franschen waren geëindigd; voor de Caraïben bracht dit alleen verandering in den naam hunner overweldigers.

Toen in 1763, bij den vrede van Parijs, Dominica definitief werd afgestaan aan Engeland, dat er een Luitenant-Gouverneur plaatste, werden alle rechten der Caraïben op de door hen ontgonnen of bezeten gronden eenvoudig met voeten vertrapt. In de afgelegen bergen liet men hen stilzwijgend met rust, doch de blanke kolonisten zagen met ongeduld uit naar den tijd dat ziekten, ontbering en geweld hen even volledig zouden uitroeien, als dat op al de andere Antillen reeds het geval was geweest. Men verdeelde het land en verkocht hun gronden te Londen in het openbaar. Doch daarbij had men gerekend buiten de hardnekkigheid, waarmede de Caraïben hun grondbezit zouden verdedigen. Ofschoon geslonken in aantal, was de geest hunner voorvaderen nog de hunne, en vochten zij met een ontembaren moed, zoodat de koopers begonnen te beseffen dat de speculatie was mislukt. Geholpen door de weggeloopen slaven, verdedigden zij hun bosschen en bergen met zooveel succes, dat geen enkele expeditie hen kon onderwerpen en menig aanvaller met bebloeden kop moest afdeinzen. Deze hardnekkige defensie was de voornaamste oorzaak, dat op Dominica nog zooveel oerwoud wordt gevonden, en dat het binnenland nog vrij wel woest kan worden genoemd.

Hopende daardoor bevrijd te blijven van verdere aanvallen en oorlogen, trokken de Caraïben zich terug naar het meest afgelegen en meest woeste gedeelte van het eiland, ondanks den ondankbaren bodem aldaar; want ook hun aantal was sterk geslonken door dien rusteloozen strijd. En nu leven zij reeds meer dan een eeuw kalm en vreedzaam in hun nederzettingen te Salybia en Bataca, afziende van elk verder verzet tegen de overmacht der blanken.

Staatkundig hebben deze laatsten der Caraïben allen invloed verloren: zij worden volmaakt op denzelfden voet behandeld als de andere Engelsche onderdanen, behalve dat zij geen directe belastingen behoeven te betalen; doch in ruil daarvoor moeten zij den grooten weg in hun Reserve onderhouden. De Regeering heeft altijd één hunner als Chef of Hoofdman erkend, die wel geen bezoldiging ontvangt, doch kleine geschillen moet vereffenen en het gemeenschappelijk grondbezit regelen. De thans nog levende, Auguste François genaamd, is zeer arm en ziekelijk; hij beweert te zijn van zuiver Caraïbisch ras; zijn vrouw is blind geworden, en al zijn kinderen zijn reeds gestorven. Een jong kleinkind vertegenwoordigt nu alleen de dynastie, doch is van gemengd bloed, en de Salische Wet beheerscht de Troonsopvolging. De woning van het Hoofd is niets beter dan die zijner onderdanen, doch omringd door mangoboomen, kokospalmen en een prachtigen flamboyant, die zijn roode bloemen laat vallen op het rieten dak van dezen waarschijnlijk laatsten Vorst der Caraïben. Om in zijn armoede te gemoet te komen, is het voorstel gedaan hem uit de koloniale kas een jaarlijksch traktement van 6 £ uit te keeren; van dat oogenblik af zal het laatste spoor zijner onafhankelijkheid verdwenen zijn.

En thans kwijnen zij daar langzaam maar zeker weg, de vertegenwoordigers van dat eenmaal zoo machtige, en ondanks alles zoo sympathieke ras der oorspronkelijke bewoners der Antillen. De mannen en vrouwen verouderen snel, zien er gebroken uit reeds op 30-jarigen leeftijd; de beschaving bracht hun den dood. De ouders laten weinig kinderen na; zij hebben vischvangst en jagen verleerd; al hun oude vormen van kunst gingen verloren; onze Europeesche kleeding bezorgt hun tering, die velen wegmaait of ongeschikt maakt voor de vermoeienissen van het woudleven. Zij zitten daar, zooals ik er zag, met gebogen hoofd, niets doende dan wachtende op den dood; onverschillig voor al dat vreemde rondom hen, zeggen zij niets in een wereld, waarin zij niets meer het hunne kunnen noemen, waarin zij niet meer thuis behooren, en waarin zij bezig zijn te sterven van wanhoop. Zij vreezen den dood niet; wachten kalm hun lot af, ernstig, zwijgend, wantrouwend, met op hun gelaat die uitdrukking van droefheid en ongeneeslijke melancholie, die het kenmerk is der volken bestemd om te verdwijnen....

Wie weet wat er met wat meer rechtvaardigheid en mededoogen, met wat minder hebzucht en wat meer humaniteit te maken ware geweest van die zachtaardige Arowakken en die energieke Caraïben. Hoe anders zouden de Antillen er nu uitzien, indien men die oerbewoners had opgevoed en geleid, in plaats van hen te verdelgen. Droeve gedachte, die mij maar niet los wou laten, toen ik diep in den nacht van Laudat weer afdaalde naar de vlakte van Roseau. Ik had mij verlaat bij mijn Caraïbische gastheeren, en moest nu in den pikdonker terug met een gids die den weg niet kende. Wij konden het rijpad niet zien, dat langs een diepen afgrond leidde; afgestegen om naar den weg te zoeken, hadden wij heel wat moeite om in de duisternis onze paarden terug te vinden; men zag in den letterlijken zin des woords in dit sombere bosch geen hand voor oogen. Het eenige wat ons te doen bleef, was de paarden vast te binden en te gaan liggen tot eenige maneschijn ons wellicht zou komen verlossen, of wel in dat woud in het hartje van Dominica te overnachten.......... Eensklaps hooren wij stappen, en begonnen wij te schreeuwen, om niet overreden te worden. Na eenige inlichting, daar de onbekende ook ons wantrouwde, bleek het een Engelschman uit Roseau te zijn, die het meesterstuk volvoerde ons in den donker den weg te wijzen, door ons toe te roepen of wij links of rechts moesten aanhouden; of er een steen voor onze voeten lag of een tak boven ons hoofd uitstak; die elken draai, elk gat, elken boomstam op het gevoel wist aan te wijzen; en die ons behouden bracht tot dicht bij Roseau, zonder dat ik iets van hem had kunnen zien.

23 April 1903 zat ik op de Canadeesche stoomboot _Dahomey_, om naar _Montserrat_ te vertrekken.

AANTEEKENINGEN

[1] Door de welwillendheid van den schrijver daartoe in staat gesteld, bieden wij onzen lezers in dit nummer een hoofdstuk aan uit het dezer dagen verschenen werk: H. van Kol. Naar de Antillen en Venezuela. (Sijthoff. Leiden.)

[2] In Antigua wordt de oppervlakte van het bebouwde land geschat op 6,630 van de 21,380 hect., en van St.-Kitts-Nevis (zonder Anguilla) op 7,430 van de 30,580 hect.

[3] De voornaamste zijn: de Morne Diablotin, 4747 voet; de Trois Pitons, 4672; de Mosquito Mountain, 3678; de Microtin, 3891, en de Morne Anglais, 3746 Eng. voeten.

[4] Elisée Reclus leidt hun naam af van »Cari-aïba", dat piraten of menscheneters zou beteekenen.

[5] Davis, in zijn »History of the Caribby Islands", deelt mede dat de Caraïben, na zoowel Spanjaarden als Franschen, Hollanders, Engelschen, Negers en Arowakken te hebben geproefd, aan het malsche vleesch der Franschen de voorkeur gaven, doch de Spanjaarden taai vonden en van goede Christenen kiespijn kregen.