Chapter 9
Ternauwernood heeft Hendrik den tijd om zijn parapluie op te steken. In een oogwenk was een schoone jonge vrouw hem terzij en voorbijgesneld. Ofschoon hij geen oogenblik draalde, zoo zal het bruinzijden dak haar echter niet beschutten; een nijdige windvlaag slaat onder het scherm, en, als Eva, ofschoon op den voet door haar echtvriend gevolgd, nochtans zonder zijn steun, in de vigilante vliegt, dan spant Hendrik al zijne krachten in teneinde het omgeslagen en weerbarstig klapperende stuk in zijn voegen terug te brengen.
"Helmond! Hel....mond!" roept een vrouwenstem op den natten dorpel van _De Gouden Arend_. De geroepene ziet om. 't Is mevrouw Armelo die met den zakdoek boven haar feestmuts, nogmaals, inweerwil van regen, storm en toeschouwers, haar roepen herhaalt.
Helmond die zich niet zonder moeite staande houdt, en met een licht overjasje aan, in een oogenblik dreigt nat te worden, wendt zich schielijk om, en de oogen voor den snijdenden regen half dichtgeknepen, gaat hij de stoeptreden weer op, nadert de wenkende dame, en dan:
"Hadt u nog iets mevr.... mama?"
En mevrouw Armelo _had_ nog iets. Och ja! Haar oogen vestigden zich smeekend op den beminden schoonzoon. En dan, aarzelend, bijna onhoorbaar:
"Och August, zul je bedenken dat ze mijn _mijn_ kind is! O zul je, zeg!?"
August gaf de begeerde verzekering met een zeer plechtigen oogwenk, ofschoon hij volstrekt niet begreep wat zijn bedenken dat Eva bepaald een kind van mevrouw Armelo was, bijzonders tot haar geluk zou bijdragen. Bovendien in oprechtheid gesproken, of zij een dochter van háár of van een andere was, hoewel er op dit punt geen de minste twijfel bestond--'t is hem in deze oogenblikken volmaakt onverschillig.
Goddank! die fooi aan den natten logementsbediende dat was het laatste. Het portier werd dichtgesmeten; het raampje ijlings door hem opgehaald; Coco en Victor schoten voorwaarts; en, nogmaals Goddank! nu was hij alleen--alleen met zijn wijfje!
--Hoe! ze heeft haar heerlijk hoofdje afgewend?
"Eva! mijn engelachtig vrouwtje!"
Zij antwoordt niet.
Stil, ze schreit. 't Zal beter zijn dat hij haar een oogenblik geheel aan haar zelve overlaat.--Hoe zal een jonge man gepaste woorden vinden op het oogenblik dat de vrouw zijner keuze haar ouders en magen ja allen verlaat, om hém te behooren geheel en al, hém dien ze slechts kent uit gulden dagen.
Neen, Helmond zal een oogenblik zwijgen; haar zenuwen zijn geschokt, en hoe licht kon een onbedachtzaam woord bederven wat hij juist goeds er mee te bewerken dacht.
Dat besluit wordt spoedig gewijzigd. Een frissche koelte, meent hij, zal haar wel goeddoen.
"Zullen we het raampje wat neerlaten lieve; een klein beetje aan de zij waar geen wind is?"
Bijna onhoorbaar en snikkend klinkt het:
"Och.... 't is.... mij...."
"Zeker _goed_ niewaar?" vult Helmond aan: "Ja 't zal beter zijn.... Wacht!"
Maar, er kwam zooveel regen naar binnen dat Eva ijlings onder 't schreien door, haar keurig reiskleed van grijs alpaka terugtrok, en August aanstonds het raampje weer dichtdeed.
Dokter Helmond is een vijand van spiritus en andere opwekkende middelen. Hij heeft ze niet bij zich. Nu het frissche luchtbad niet kon aangewend worden, nu keert hij tot zijn eerste besluit terug; legt zijn hand vertrouwelijk op de hare, en zwijgt.
En Eva houdt haar lief gelaat nog altijd afgewend, en haar schreiend snikken wordt sterker.
In een groot half uur zal men het eerstvolgende spoorstation te Briesborg bereikt hebben. Indien Eva zoo doorschreit dan zou men het haar straks terdeeg kunnen aanzien; 't publiek maakt zoo spoedig zijn gevolgtrekkingen, en.... Helmond slaat den arm om haar middel; haalt haar nader tot zich, en dan;
"Mijn wijfje is nu toch gelukkig niewaar?"
Zij vlijt haar hoofd op zijn schouder, en 't klinkt met een nokkenden zucht:
"Och.... August!"
"'t Zijn bijzondere, heel bijzondere oogenblikken in ons leven,--mijn _eigen aangebeden_ vrouwtje!"
Zij ziet hem met haar beschreide oogen onweerstaanbaar liefdevol aan, en barst dan opnieuw in een luider snikken uit.
Eva Armelo is nooit geweest wat men zenuwachtig of overgevoelig noemt. Er zijn er zelfs die haar wel eens van hardheid en ongevoeligheid hebben beschuldigd. Vraag nu aan Eva Helmond niet waarom ze schreit. Ze zou het niet geheel onder woorden kunnen brengen. August heeft het naar waarheid gezegd: "'t zijn bijzondere, heel bijzondere oogenblikken." En ofschoon Eva zichzelve dan ook geweld doet om dien "dwazen tranenstroom" te bedwingen--misschien dewijl ze vreest dat haar August den oorsprong ervan onjuist verklaren zal, misschien ook omdat ze aan glurende passagiers in station en spoorwagen denkt--telkens overmeestert haar weer dat "onverklaarbare" 't welk haar gemoed vervult, en snikkend zegt ze:
"Waarlijk, ik kan het niet helpen August; ik weet niet hoe het.... komt.... en toch...." Eva kon niet eindigen. "En toch, ik ben zoo gelukkig;" heeft ze willen zeggen.
Maar dat _geluk_ was immers de _oorsprong_ dier tranen niet. Velerlei gewaarwordingen werkten voorzeker te zamen om een fiksche natuur als de hare een oogenblik van streek te brengen.--De zekerheid dat ze heden afscheid van haar blonde jeugd heeft genomen, mocht haar een traan in het oog gebracht, en de voorstelling eener wel lachend afgebeelde maar toch geheimzinnige toekomst, kan haar voor een wijl den blos van het aangezicht verjaagd en met ernst hebben vervuld, doch, voor dat zenuwachtig en langdurig snikken moest er een andere oorzaak zijn; althans bij een jonge vrouw als Eva Helmond-Armelo.
Niet straffeloos speelt men met de natuur, niet zonder wraak laat zij zich geweld aandoen.--Den ganschen dag heeft Eva zich beheerscht om te schijnen wat ze niet was.--In het oog van allen die haar zagen moest ze de heldin van den dag wezen, en ondanks den blik van welgevallen, waarmee ze zichzelve des morgens in haar feestgewaad beschouwde, heeft ze al spoedig, en tot het einde toe, een gevoel gehad alsof men haar de vreugd van dezen dag misgunde, en voor 't meerendeel de hulde onthield, waarop ze met het volste recht mocht aanspraak maken. Ja zij weet het zeker: 't is de houding van den generaal Van Barneveld geweest, die zoo doodelijk op de feestgenooten gewerkt, en haar als met looden hand heeft neergedrukt. Zoo ooit dan kreeg ze op haar trouwdag de zekerheid, dat die man met zijn streng--misschien aristocratisch voorkomen, een schriel, onwellevend mensch, en bepaald haar vijand was. Wat heeft hij op dezen dag voor zijn pleegzoon gedaan? Hij heeft hem vernederd in het liefste wat hij bezat, in zijne bruid, in zijn jonge echtgenoote. 't Is slechts de baron Debecke geweest die haar een paar malen iets vleiends over haar uiterlijk en trouwtoilet heeft gezegd. Niet, dat haar "de laffe vleierij van zulk een oud man"--in 't geringste aangenaam was; neen, maar 't heeft den blik van den generaal te sterker doen spreken, den blik die niet op haar rusten kon, zonder dat men de vraag er op las: Wat zou in 'shemelsnaam zulk een _toilet wel gekost hebben_!
Neen, niets ter wereld heeft die man gedaan om het trouwfeest van zijn pleegzoon eenigen luister bij te zetten. Niets! Zijn rijtuigen, zijn kleeding, de totale absentie van andere leden zijner familie dan de houterige ofschoon goedaardige Jacoba--terwijl juist _twee dagen later_ een zuster van den generaal zou komen logeeren--dat alles, maar inzonderheid zijn indigne uitdrukkingen in die kosterskamer, ze hebben haar immers ten volle overtuigd, dat ze recht heeft om dien zoogenaamden hoogstverstandigen en degelijken man, een bekrompen despoot en haar vijand te noemen. Niemand, niemand weet het wat het haar gekost heeft om zich goed te houden; schijnbaar vroolijk, lachend en tevreden te zijn, ter wille van dien braven August--die nochtans voor de lompheden van zijn oom gesloten oogen en een bijna aan zwakheid grenzend geduld heeft gehad.
Deze overspanning nu was de hoofdbron van Eva's overvloedige tranen.
Of er misschien in haar binnenste nog iets anders roerde dan het gevoel van miskenning, waardoor haar het zoet van den schoonsten feestdag was vergald....? Zooveel is zeker, toen Eva straks haar prachtig trouwkleed voor haar net eenvoudig reisgewaad had verwisseld, toen voelde ze zich als van een drukkenden last ontheven.
Tegen den avond van dienzelfden dag, terwijl de trein het laatste station vóór Amsterdam verliet, was het noodweer bedaard. De maan "had het opgetrokken", en de natuur was tot haar vroegere kalmte teruggekeerd.
Binnen een compartiment van de eerste klasse zaten twee personen zeer dicht naast elkaar, met de handen vast ineengesloten, slechts bespied door het vriendelijk-stralende aangezicht 'twelk zooveel onstuimigs had naar boven gehaald.
"Ja August, oom Van Barneveld wil ik achten en liefhebben. Ja, ik ben een dwaas kind geweest. Was ik ijdel misschien? Maar op zulk een dag! Och August, als ik slecht of niet lief ben, zeg het mij gerust; over oom zal ik anders spreken, dat beloof ik je mijn beste man!"
Nu dokter Helmond zonder eenig geweld zulk een schitterende overwinning heeft behaald, nu wil hij zijn triumf op die aangebedene niet vieren, en in deze oogenblikken het allerminst. Vaster klemt hij haar aan het hart, en dan, in schier overspannen verrukking:
"Ja Eva, oom zal je kennen en waardeeren. Waarachtig hij zal mij nog jaloersch maken met zijn liefde voor mijn engel!"
"Die arme oom!"
"Hij moet erkennen dat mijn liefste, de nederigheid zelve is, waar ze bij haar vollen rijkdom van schoonheid en talenten nog wil aanzien en goedvinden wat buiten haar ligt: als ze zelfs één éénig wezen wil zijn met den eenvoudigen kleinsteedschen medicus."
"Hoe dan.... als jij nu dwepen gaat!" fluistert Eva na een lange omhelzing: "Heb ik niet juist mijn _dokter_ genomen omdat hij uitblonk, omdat ik met hem schitteren zou. Mijn lieve _professor_!"
Toen Eva zich bij deze woorden alweder de liefdetolken op het gelaat voelde drukken, en, naar buiten ziende, de bleeke maan achter een voorbijschuivend wolkje verdwijnen zag, toen--ze wist niet hoe het kwam--toen dacht ze vluchtig aan Donerie; en ze hoorde hem zeggen--dat hij haar liefhad; maar.... ze weet niet wat ze geantwoord heeft.
De vigilante, die Helmond en zijn jonge vrouw in de groote Amstelstad, sluis op- sluis af, naar hun hotel bracht, had er geen weet van welk een bijzondere vracht ze reed. De eerste schenker in _Het Keizershof_ had er al spoedig het zijne van. Oogknipjes aan confraters, en bijzondere beleefdheid voor _mevrouw_, zeiden genoeg. Maar, de beleefdheid zou niet van langen duur zijn. Toen hij had boven gebracht 'tgeen Helmond heeft besteld, toen verlangde men niets meer, niets niemendal, en hoorde de schenker na 't verlaten der kamer nog maar alleen--dat de deur van binnen ofschoon tamelijk zachtjes, op het slot werd gedaan.
ZEVENDE HOOFDSTUK.
Ook te Romphuizen had de maan haar welwillende taak volbracht, en 's anderendaags was het evenals eergisteren een prachtige Meidag.
Op de bovenvoorkamer van den majoor Kartenglimp is heden geen vuur aangelegd, en het raam staat er open.
Zooals de majoor daar in zijn voltaire aan de ontbijttafel zit, is hij bijna niet te herkennen. Toen zijn dokter hem de laatste maal bezocht, toen scheen hij, met zijn rooden sjaal op den chambercloak, en zijn reisdeken over de beenen, met de wanordelijk gekamde haren en den ongeschoren baard, een man van ruim vijftig jaren voor 't minst; thans echter zal men hem niet meer dan hoogstens veertig geven. Ja, nu de majoor wat meer werk van zijn toilet heeft gemaakt, nu moet men erkennen--hoewel 't hem is aan te zien dat hij ziek is geweest--dat hij in vele opzichten een gunstig voorkomen heeft.--Kartenglimp, ofschoon drie en veertig jaren oud, gaat dan ook nog gaarne voor een "dikken dertiger" door; en, mogen er sommigen zijn die hem _juist_ taxeeren, er zijn er ook die hem inderdaad voor eenige jaren jonger houden dan hij is, en het wel een bewijs achten van zijn militaire verdiensten, dat hij op zulk een leeftijd reeds als gepensioneerd Oostindisch hoofdofficier in 't Moederland op zijn lauweren rust.
Voor het overige weet men in Romphuizen zeer weinig met zekerheid aangaande Kartenglimps afkomst en familie te vertellen. In 't laatste najaar is hij uit den Haag naar Romphuizen gekomen, omdat hij, zooals hij gezegd heeft: van een amicale sociëteit hield, en de "Haagsche witte" zoo stijf als een hark was. Dat dit echter de ware reden zou zijn waarom een nog betrekkelijk jong, bemiddeld en gepensioneerd hoofdofficier, een provinciestad als Romphuizen boven de residentie verkoos, liet zich niet zoo spoedig verklaren, doch de meeste Romphuizers gevoelden zich door die gulhartig gegeven verzekering gestreeld, en waren nu over 't algemeen met hem ingenomen, te meer dewijl men hem in den afgeloopen winter als een getrouw en uitmuntend quadrilleur, commerceur en domineur had leeren kennen.
't Was mede wel wat zonderling, meenden sommige Romphuizers, dat Kartenglimp--een man in de kracht van 't leven--zich geen vrouw uit hun midden koos. Ze hadden toch lieve dochters niewaar; en er waren ook jonge weeuwtjes die haar tijd behoorlijk hadden uitgerouwd en steeds de oogen moesten neerslaan als de majoor haar met zijn donkerbruine kijkers had aangezien. Maar, de jongelingschap die altijd een uurtje later in de "Socie" bleef, ze begreep al spoedig dat de majoor "te bescheiden was om zich aan zooveel schoons of bevalligs--en voor haar geheele leven--te willen opdringen!" Kartenglimp kon zoo "onder ons, nog al aardig doorslaan." Als de papa's er niet bij waren, dan had hij vooral van die avontuurtjes uit de Oost--enfin.... 't Was soms fameus pikant. En--zoo redeneerde reeds een groot deel der Romphuizer jongelingschap: au fond had de majoor met zijn principes gelijk: Het huwelijk was een allerliefst en alleraardigst ding, vooral hier in het bloedlooze Holland; maar als men vertellen wilde dat het een instelling Gods was; bah! de heele natuur leerde integendeel dat slechts menschelijke kortzichtigheid zulk een zotte overeenkomst tusschen één man en één vrouw kon hebben in 't leven geroepen. Ja waarlijk, als je den majoor er over hoorde, dan moest je zeggen dat hij volmaakt gelijk had. Indien het huwelijk een normale toestand voor de beide echtgenooten moet zijn, vanwaar komt het dan dat slechts het geluk der zes eerste weken spreekwoordelijk bekend is? De bekendheid van dat eerste geluk, maakt dat der volgende huwelijksjaren zeer verdacht, en--is het dan ook geen feit dat er van de honderd huwelijken nauwelijks tien middelmatig en misschien maar één volmaakt gelukkig mag heeten?--Waarachtig, de majoor had altemaal zeer gewone bewijzen, maar des te treffender waren ze: Wat een ontrouw zag men overal; maar die ontrouw--door zulk een onzinnig huwelijksverbond den armen geketende als schande toegerekend--wat is die inderdaad anders dan de roepstem der natuur en der liefde? Nota bene, welk wijs wetgever zal zijn landgenooten, indien ze reizen willen, verplichten om nooit verder te gaan dan tot de naaste stad; ten eerste: om de families wat meer bijeen te houden; ten tweede: om te waken dat men de zijnen niet in den steek laat, en ten derde: opdat men zich niet te zeer vermoeie of te veel geld vertere.--'t Was alleraardigst zooals de majoor er over redeneerde, en, nóg eens, de kerel had gelijk: al die stijve idees van den vroegeren tijd hadden uitgediend. Een leventje zooals de majoor scheen geleid te hebben, daar zou een jonge Romphuizer wel van watertanden, en de man zag er kapitaal uit, kapitaal!
De majoor zit smakelijk te ontbijten. De geruststellende verzekeringen van dokter Helmond hebben hem meer goedgedaan dan hij zou willen bekennen. Hij gevoelt zich inderdaad geheel en al hersteld, en sedert Helmonds laatste bezoek, letterlijk een ander mensch. In den aanvang ja, toen had het hem wel pijnlijk getroffen dat Helmond stilzwijgend heeft toegestemd dat hij aanleg voor een beroerte had; maar--redeneerde Kartenglimp--als men die zaak toch goed bezag, dan moest men al spoedig bekennen dat het nog beter was aanleg voor een beroerte, dan bijvoorbeeld voor pokken of cholera of typhus te hebben. Bij de minste epidemie zat je dan in 't nauw en terwijl het in de eerste plaats nog niet bewezen is dat iemand die aanleg voor beroertes heeft er een zal krijgen, zoo kan men bovendien tegen dien vijand een beetje op zijn hoede zijn, al moge een voorloopige bestrijding dan onvoorzichtig wezen.
"Matig versterken," heeft Helmond gezegd. Alzoo zal nu een tweede kievitseitje geen kwaad doen; maar, den port zal hij in 't vervolg menageeren; dat goed is te zwaar, waarachtig! En dan kalm houden. Welzeker!--Nu ja, de oogenblikken kunnen er naar wezen. Maar aan 't partijtje is hij altijd de kalmte in eigen persoon; dat kunnen die grasgroene Romphuizers getuigen!
Ofschoon er zich over Kartenglimps gelaat een vreemde--men zou schier zeggen een satanische lach verspreidt, zoo schijnt hem toch schier tegelijk een onaangename herinnering te treffen, want boven zijn koolzwarte wenkbrauwen vertoonen zich breede rimpels. Werktuiglijk schenkt hij zich een glas port in, en eerst wanneer hij het in één teug heeft geledigd, komt hij tot de bezinning dat dat goed "de pest" is, en hij Mietje zal zeggen die karaf--althans 's morgens--nooit meer op tafel te zetten.
Helmonds patiënt had buiten zijn ziekte en krachten gerekend. In zijn gevoel van geheele beterschap, is hij dezen morgen meer dan een uur op de been geweest om zich te kleeden en te "adoniseeren". Daarmee gereed, heeft hij tamelijk overvloedig ontbeten en een vol glas portwijn gedronken. Nu hij opstaat om een sigaar te rooken, nu.... wat er nu aan hapert dat weet hij waarachtig niet. Hij is zoo lam in de beenen alsof hij drie dagen en nachten aan den rol is geweest, en terwijl zijn hoofd begint te gloeien is het hem alsof een vuurgloed door zijn aderen stroomt.... alsof de raamkozijnen en behangselstrepen slangen worden, en het plafond golft en hem tusschen het insgelijks golvend tapijt te smoren dreigt.
Kartenglimp moet zich aan de tafel vasthouden. Wat duivel, wat is dat!? Van één glas port kan een mensch zoo beroerd toch niet worden. Als hij zes grogjes had gedronken, dan, nee dan zou hij nóg niet gevoelen wat hij nu gevoelt.--Het klamme zweet breekt den majoor de leden uit. Een vreeselijke vloek rolt van zijn lippen. Dat moet de voorbode van een naderende beroerte zijn, indien het niet werkelijk.... Nee nee, een beroerte.... nee....!
Een paar uren later stond Thomas Van Hake reeds voor de tweede maal aan 't bed van den majoor Kartenglimp. Kartenglimp heeft de boete voor zijn onverstandig doorgebrachten morgen betaald; slaap en koud water hebben hem in een gewenschten toestand teruggebracht.
"....En u zult dus zelf moeten bekennen majoor, dat er volstrekt geen reden bestaat om dokter Helmond te telegrafeeren."
"Dat beken ik je in 't geheel niet mannetje. Jij met al je wijsheid, je kunt net zooveel weten wat me gescheeld heeft als die _beddekwast_. Ik weet dat ik heel wel was, _heel wél_, en dan zou dat ontbijt met één glaasje port...."
"Na uw ziekte majoor!"
"Ziekte of geen ziekte, ik zeg je dat ik niet naar Romphuizen ben gekomen om me voor m'n tijd te laten kapot maken. Die ouwe Bierton met z'n wauwelarij daar pas ik voor; ik zou 'em m'n kat niet toevertrouwen; en voor jou pillenkennis heb ik zooveel respect als voor m'n ouwe laars. Ik zeg je dat je zult telegrafeeren, terstond, en zoo uitvoerig als 't maar kan, met bepaald verzoek dat de dokter thuis komt.... Zwijg, want je maakt me nog gek."
"Maar waarachtig majoor, er is niets geen kwaad bij. U bent nu wat overspannen omdat...."
Met een vreeselijken vloek valt de majoor den provisor in de rede. Van Hake moest niet denken dat hij een kind voor zich had. Kartenglimp heeft--zooals hij zegt--duizendmaal den dood onder de oogen gezien, maar hij verkiest niet door de brutale onverschilligheid van een pil, en plezierreisjes van een dokter, die zijn plicht moest kennen, vóór zijn tijd in de kist te liggen.--Bij deze woorden brak den reconvalescent, die zich heden te veel heeft gewaagd en nu nog driftig erbij is geworden, opnieuw het klamme zweet de leden uit. Zijn tanden klapperden en een doodelijk wit had zijn gelaat overdekt.
Van Hake, hoezeer hij er tegen geijverd heeft, hij gevoelde zich ten slotte niet gerechtigd om geen gevolg te geven aan het verlangen van den majoor. Ofschoon overtuigd dat onnoodige vrees den man zoo onhandelbaar maakte, en met innig leedgevoel dat hij zijn geliefden weldoener nu reeds in den vollen glans van zijn geluk moest komen storen, beloofde hij aan Kartenglimps wensch te zullen voldoen. Nochtans Van Hake nam zich voor om de zaak geheel naar waarheid en zeer duidelijk--natuurlijk op kosten van den majoor--over te seinen, en het telegram zóó in te richten dat Helmond--ofschoon de provisor zich niet verantwoordelijk mocht stellen--overvloedige vrijheid zou vinden om zijn reis te vervolgen, wanneer hij--dit moest Helmond tusschen de regels lezen--slechts ter bevrediging van den geagiteerden majoor een eenvoudig calmeerend receptje er bij zond.
't Was halfdrie in den middag toen mijnheer en mevrouw Helmond zich op hun kamer in het Amsterdamsche hotel gereed maakten om uit te gaan, want de vigilante stond voor de deur. Op het oogenblik, dat zij de kamer zullen verlaten, wordt Helmond door een schenker het telegram van Van Hake overhandigd.
Eva verneemt dat het telegram niets verontrustends behelst, 't Is over zaken. August moest even antwoorden. Als het vrouwtje een oogenblik wachten wil? hij is aanstonds gereed.
Eva nam de Haarlemsche Courant nog eens op, waarin haar huwelijk reeds vermeld stond, en sloeg bij 't doelloos inzien ervan, telkens een zijdelingschen blik in den grooten spiegel om zich te overtuigen of het wit neteldoeksch kleed met groene bloempjes haar wel waarlijk kleurde, en goed stond bij haar fijn kanten hoedje met lila brides.
De hotelbediende, die op het telegram wachtte, zag die mooie mevrouw op den rug, en mocht, zoo in stilte, haar élégance bewonderen, toen hij eensklaps ontstelde, want, die "levendige pas getrouwde oogen" hadden onwillekeurig de zijne in den spiegel ontmoet.
--Wat kijkt hij mal die jongen, denkt Eva, maar zonder te weten waardoor, werd ze nu eensklaps geheel overtuigd dat dit toilet haar goed stond.--Nu gaat ze naar het venster en ziet uit de hoogte in de drukke straat.
En Helmond schreef zijn telegram:
"T. Van Hake, Romphuizen,
Majoor kan gerust zijn. Gevolg van te veel inspanning en gebruik. Nù terugkeeren onmogelijk en geheel onnoodig.
Het telegram werd ingevolge van Hakes wensch met een recept besloten, en, straks in een omslag, aan den schenker ter verdere bezorging gegeven.
Weinige seconden later reden Helmond en Eva naar een der eerste gedeelten van de Prinsengracht. De naam van den advocaat Mr. E. Woudberg stond op de deur, en de koetsier behoefde niet te zoeken.
Nu de jonggehuwden om bijzondere redenen hun reisje over Amsterdam hadden genomen, en er nagenoeg een dag stil waren, nu zou het onvergeeflijk zijn geweest indien August zijn jonge vrouw niet aan dien goeden Everard en zijn Emma gepresenteerd had. Met Everard had hij te Leiden gestudeerd, en ze waren er vrienden van den echten stempel geweest om het voor altijd te blijven, terwijl Emma bovendien een kostschoolvriendin van Helmonds pleegzusje Coba geweest is.
Eva, met de vrienden Woudberg onbekend, gevoelde er zich, op dezen eersten dag na haar huwelijk, niet recht prettig. Mevrouwtje Woudberg, een vroolijk klein ding, met drie spruitjes, waarvan de jongste in een berceau binnen de kamer sliep, mevrouw Woudberg vond die nieuw aangekomene in Hymens tempel prachtig mooi maar, wel wat stijf--misschien een weinig gegeneerd--en trachtte haar door velerlei verhalen van guitenstreekjes der kleinen een weinig "op haar gemak te zetten."