Chapter 6
"Kwalijk genomen?" herneemt Kippelaan met vergoelijkenden lach: "Jawel jawel, u hebt het me kwalijk genomen dat ik u na onze laatste ontmoeting op de receptie niet bezocht. Ja ja, 't is slecht van me, heel slecht. Ik maak het grof met iedereen. Mijn neef de professor in Leiën heeft laatst ook al geklaagd dat ik hem heelemaal negligeerde. Och ziet u, zóó ben ik; maar ik informeer nu allereerst naar juffrouw Van Barneveld. Welvarend niewaar? Ochkom, dat doet me plezier. 't Zou ook jammer zijn voor het feest van morgen. Perfect idee in _De Gouden Arend_. Uitmuntende visch! Zeker half-twee aan tafel? Déjeuner niewaar? Geen muziek zou ik denken? Begrepen! stuitend voor de conversatie, en...."
"Menheer Kippelaan, we zullen maar eens open met elkander praten...."
"Welzeker je excellentie, daar hou ik van. Op een kleine plaats moest men over 't algemeen minder gesloten, en meer joviaal en open zijn. Ziet u, ik zeg wat ik denk; geef me zooals ik ben. Rond, weet u...." Vluchtig opstaande, buigend, en weer plaatsnemend: "Militairement!"
"'t Schijnt dat u de militaire usanties...."
"O zeker, men heeft mij dikwijls gevraagd of ik geen officier was--in politiek weet u; en maçon; ik was op-en-top maçon, want de maçonnerie is alleen jovialiteit: Och dat is het geheele geheim, niets anders. Dikwijls aangezocht om lid te worden; maar excellentie, ik was het zonder dat ik het was. Ziet u, ik hou van _open_, _rond_!"
"Wij beiden hebben onzen dokter te spreken menheer. Wilt u zoo goed zijn mij vóór te gaan.--Wanneer het geheim is August, ga dan in de zaal."
"Duizendmaal excuus! Volstrekt niet. Geheimen in geen geval; en wat vóórgaan betreft je excellentie, indien u haast hebt dan zou ik dokter als we samen terugwandelden niewaar, zeer goed kunnen zeggen 'tgeen ik te zeggen heb niewaar? Ik dank uw excellentie anders wel voor de groote beleefdheid om mij...."
"'t Is geen beleefdheid menheer. Ik maak wat haast omdat we onzen tijd noodig hebben. 't Zijn familiezaken die we moeten afdoen. Wilt u dus zoo goed zijn mijn neef te volgen?"
"Familiezaken! O welzeker je excellentie. Maar wat _ik_ aan mijn vriend Helmond te zeggen heb is wel bepaald in vertrouwen, maar toch--nee nee pardon generaal, pardon, voor u is 't in 't geheel geen geheim. Pardon!--Je moet dan weten Helmond, dat ik van morgen nadat ik 't plezier had je te zien, nog even bij den goeden majoor Kartenglimp ben geweest. Perfect mensch! Onder heeren! Open! O!--Was ijselijk amicaal met me; Kippelaan voor en na. Maar hij gevoelde zich toch zeer ziek. Was fameus met je ingenomen--droppels of poeders daar wil ik afwezen. Enfin, was bang voor een beroerte--_dit_ was het geheim; ziet u excellentie, maar onder ons niewaar? Ook niet plezierig een beroerte. Mijn neef de professor...."
"Heeft de majoor je een commissie voor me opgedragen Kippelaan?"
"Met je verlof, met je verlof dokter; commissies opdragen, zieje, dát is wat kras, maar...."
"Neem me niet kwalijk; heeft hij je verzocht om mij....?"
"Dat juist niet; ik heb de gaaf om--ja hoe mag ik het noemen; te _voelen_. Ziet u excellentie, dat is een voorrecht. Ik weet wat de Lieder ohne Worte zeggen. Dat voel ik! Ik begrijp, en dat doen de minste menschen. Als ik muziek lees dan lees ik een boek. Ja een vers van.... _enfin_ vind ik niet zoo mooi als een blad muziek; een quatre-mains lees ik liever dan een roman."
"Heeft de majoor u verzocht....?"
"Pardon, ik heb begrepen dat hij boos op je was. Ik ben rond dokter. Ja hij was boos op je, heel boos, dat mag ik zeggen; en nu dacht ik: ten bewijze dat ik Helmonds vriend ben, wil ik 't hem zeggen. Nu zei de majoor--'t was à propos van je reis: als ik hem in tijd van nood maar telegrafeeren kon. Dat was _juist_ gezien, niewaar excellentie? Mooie uitvinding: Wil ik iets weten, ik weet iets!--Rondeman gezegd, nu had ik een raad te geven. Schrijf me je adressen op, hê? watblief? Van dag tot dag? Goed idee niewaar? Niemand heeft er mee noodig waar je heengaat: maar als de majoor...."
"Voor 't geval Kippelaan, dat mijn thuiskomst volstrekt noodzakelijk mocht zijn, heb ik maatregels genomen. Van Hake zal in overleg met Biermans schrijven of telegrafeeren."
"Och-kom, Van Hake! zal die....!--Ah, hoe vaart u juffrouw Van Barneveld?" vervolgt Kippelaan tot Jacoba die juist binnenkomt: "Altijd wel geweest? Braaf feestgevierd dezer dagen? Ik ben verrukt over 't mooie uitzicht hier. Magnifique niewaar? Die Rijn!.... die landen _kust_ en _scheurt_ de dijken! 't Heelal verdeelt in ko...."
"Menheer Kippelaan, je zult me vergunnen dat ik me nu met mijn neef absenteer. Als je nog een oogenblik wilt rusten, mijn dochter zal je gaarne een kop thee schenken. Vaarwel."
Toen Kippelaan een groot uur later vertrok, toen was hij bij uitstek voldaan.--O, de ontvangst op _De Zonsberg_ was charmant geweest. Al heeft hij dan tot heden geen rechtstreeksche uitnoodigingen voor familiare diners of soirees gekregen, de ontvangst bewees genoeg dat het een onwillekeurig verzuim, ja misschien wel een groot bewijs van delicatesse geweest is. 't Was hem in den aanvang moeielijk om die delicatesse geheel in overeenstemming te brengen met de handeling van den generaal, toen hij zich met Helmond ging verwijderen, en hem, "ten sterkste animeerde" om alleen met juffrouw Coba te blijven. Maar later, ja, grooter blijk van sympathie en waardeering heeft de generaal niet kunnen geven. Alleen met personen met wie men op een familiaren voet wil zijn, handelt men zooals de generaal heeft gedaan; heelemaal in den geest van hun gesprek.... sans gêne, rond, joviaal!
En juffrouw Jacoba! heeft zij hem een grooter bewijs van.... enfin, kunnen schenken dan juist door die koele, geretireerde houding? 't Mocht dan bij den "burgerlijken stand" en zelfs aan den generaal bekend zijn, dat hij den elfden April zijn vier en veertigste jaar is ingetreden, juffrouw Coba's terughoudendheid heeft hem wel degelijk gezegd, dat ze hem--zooals iedereen--op 't allermeest voor een zes en twintiger hield. O, welk een overheerlijk uur heeft hij gesleten! Zeer timide heeft ze veel naar buiten gezien, enfin in das Blaue hinein! en ze heeft zeer weinig gesproken; natuurlijk pour la première fois! Maar, zoo 't een en ander heeft hij toch uit haar allerliefste korte antwoorden kunnen opmaken; bijvoorbeeld dat zij zich nooit verveelde als zij alleen was; en dat het haar pa zeker bijzonder veel plezier zou doen als hij eens terugkwam wanneer papa geen zaken had. O, o, die invitatie!--Voor het overige is Kippelaan zeer tevreden over zich zelf. Hij heeft de overtuiging dat alleen de "toonnuanceering zijner stem"--waarover men hem dikwijls vol enthousiasme gesproken heeft--ook nu haar uitwerking heeft gehad. Toen hij van 't geluk sprak 'twelk dokter Helmond met zijn geliefde "te gemoet ijlde", in vergelijking van een lijdend herstellen zooals van den majoor Kartenglimp of een doodelijk ziekbed, waaraan--zooals hij vernam--de muziekmeester Donerie gekluisterd was; toen hij die weelde des echtelijken geluks, in tegenstelling van zooveel lijden op dit "werelddeel" had geteekend, toen heeft hij haar zien verbleeken en ontroeren.--O Coba mijn!--Ja, zoo dacht Kippelaan toen hij bij 't heengaan--geheel in gedachten--Hendrik die hem uitliet de hand schudde. Ja, nadat ik een drietal moest bedroeven en teleurstellen, zal deze dan de vervulling der planeet zijn: "De zon zal het zilver beschijnen en hetzelve aan u doen kleven." Zij was "bleekblank als het zilver", en de _Zonsberg_ bescheen haar!
"Atjuus menheer Kippelaan!" zegt Hendrik, en Kippelaan eensklaps uit zijn droomen ontwakend, verbeeldt zich dat hij op _De Zonsberg_ heeft gedineerd; haalt zijn portemonnaie te voorschijn, zoekt en frommelt en tuurt erin, en.... is verplicht Hendrik een gulden te geven, want "de twee kwartjes" hij vond ze niet.
Enfin, Kippelaan heeft het er ruimschoots voor over; en wat dien gulden betrof, als eenmaal het interessante bleeke kind--eenmaal, jawel, generaals zijn ook sterfelijk--dan zouden immers de guldens voor Kippelaan zijn "wat nu het zand was aan den oever der zee; tenminste...."
Kippelaan die in 't schemerdonker vertrok, heeft nog eens even, terzij van het huis een "blikslag" erop geworpen, want hij "kent gaarne iets aan alle kanten".
Schuin in de hoogte ontdekt hij licht. De glimp uit het raam schijnt op het gebladert van den meest vooruitkomenden eiketak. Juist onder dien eik stond Kippelaan, en hij hoorde spreken.
't Was "letterlijk _niet_ te verstaan."--Nu werd het luider. Stil, dat is de stem van den generaal. Hoor:
"Getrouwd.... met Chassé.--Citadel.... twee kinders."
Kippelaan vond het indiscreet; maar hier onder den donkeren eik, wie zag hem! 't Was aller-interessantst! aller.... aller.... interessantst! en hij luisterde, en ving gedurende een groot half uur, misschien een honderdste deel van de woorden op, die er binnen de kamer van den generaal werden gesproken; woorden, waarop men den klemtoon te pas of te onpas gelegd had. Binnen die kamer zelve vervolgt de generaal tot zijn pleegzoon:
"Ja, toen je brave vader doodelijk getroffen in mijn arm den geest gaf, toen beloofde ik hem, zoo ik gespaard bleef, dat ik je beiden zou grootbrengen als mijn eigen kinderen. En heb ik dat niet gedaan August? heb ik _dien andere_ minder liefgehad? 't Is wreed mij aan dien knaap te herinneren, wreeder dan je denkt misschien. Had ik hem dan laten studeeren om aanstonds, toegevend aan een dwaze rederijkersmanie, zich te verslingeren aan een tooneelnimf van het laagste ressort! Had ik hem dáárvoor mijn liefde betoond, om mij.... mij...."
"Beste oom, spreek hierover niet meer;" zegt Helmond dewijl hij ziet hoe de herinnering aan 'tgeen zijn broeder deed, den ouden pleegvader beroert.
"Waarom zijn naam dan genoemd August? Je wist immers dat ik ten strengste verboden had om, in mijn bijzijn, over hem te spreken."
"Oom, Philip is mijn broer, en waarlijk hij had u lief. Slechts in een oogenblik van opgewondenheid...."
"Opgewondenheid! Zwijg August. Dat hij mij zóó iets zeggen kon! Wanneer ik me die woorden herinner; van _hem_ die woorden: "Man, als je één greintje eergevoel in de borst hadt....!" God in den hemel, hij tot mij! Zwijg, _zwijg_ zeg ik je; spreek me van den aterling niet meer."
"Ja oom, 't was zeker schrikkelijk slecht om u, den weldoener...."
"Slecht! er is geen woord voor te vinden!"
"De hartstocht voor dat meisje had hem verblind. Ik wil hem niet voorspreken oom, maar uw woord is mij te zwaar; hem af te snijden als een "rot lid;" hem nooit wat er ook zijn mocht, te mogen bijstaan of helpen; hem te beschouwen als de adder die.... Oom, in godsdienstige begrippen verschillen wij veel, maar als u vasthoudt aan wat geschreven staat, dan moet u Philip niet vervloeken maar vergeven, evenals God...."
Van Barneveld, de altijd waardige man, is nu aan de uiterste grens van zijn geduld. Zich sterk beheerschend, schenkt hij zich met bevende hand een glas water in, en, na een teug te hebben gedronken, herneemt hij--aanvankelijk kalmer:
"Over onze godsdienstige denkbeelden spreken we niet August. Ik wil je alleen herinneren, dat ik aan een heilig, maar niet aan een weekhartig God geloof. Daar is een _verdoemenis_! De bokken zullen van de schapen worden gescheiden. Wie God veracht, gaat verloren; voor eeuwig! Geen Genade!--In Gods geest handelt de krijgsoverste als hij een verrader den kogel geeft; als hij opstand--insubordinatie--straft met den dood.--Het ongedierte vertrap ik vrij met den voet. En, als ik nu den ellendige vervloek dien ik liefhad en wéldeed; de adder die me zeggen durfde: "man, als je één greintje eergevoel...." God in den Hemel!.... zoo iets moest men niet opwekken, zoo iets...."
Bij Van Barnevelds laatste woorden heeft hij de tafel door een hevigen vuistslag doen dreunen. Toen zijn stem bleef stokken, is hij opgestaan, en, zichtbaar fel bewogen, loopt hij een paar malen de kamer op en neer, ofschoon zijn haastig tasten naar de waterkaraf, en het nogmaals drinken--nadat Helmond hem snel heeft ingeschonken--zeer duidelijk verraadt dat hij den storm in zijn borst tot bedaren wil brengen.
"Oom, uw toorn is rechtmatig, ik weet het!"
"Ha zoo, als men dat maar bedenkt."
"Ik vraag u niets voor.... hem. Ik wilde u alleen herinneren, dat hij mijn broer is, en mijn broeder kan ik niet haten oom."
"Ik wil niet over hem spreken. Hem te haten gelast je niemand. Zijn naam wordt in dat stuk niet genoemd."
"Maar de bedoeling ervan....?"
"Is duidelijk genoeg: Nooit meer zal hij iets genieten van 'tgeen mij heeft toebehoord. Ik dacht August, dat je stilzwijgend mijn bedoeling zoudt verstaan en gebillijkt hebben."
August Helmond staart op het schrift, 'twelk de oom hem straks ter onderteekening had aangeboden. Ofschoon men den jongen dokter wel eens andere verwachtingen had voorgespiegeld, wanneer hij zijn keus zou hebben gevestigd en in 't huwelijk ging treden; ofschoon men wel eens heeft gefluisterd dat de generaal aan zijn pleegzoon een ton of minstens een halve ton zou meegeven, zoo moest August erkennen dat de oom het wél had gemaakt; wanneer men namelijk bedacht dat zijn huwelijk met Eva Armelo geenszins Van Barnevelds geheele goedkeuring wegdroeg, en hij zich in den beginne er zelfs met kracht tegen verzet had. 't Was mooi genoeg dat Helmond--die alles wat hij was en bezat aan zijn pleegvader is verschuldigd; die reeds een eigen huis bewoont en van _De Zonsberg_ bij voortduring een stroom van weldaden in het huishouden mag verwachten, dat hij zich van den dag van 't huwelijk afaan, jaarlijks een som van driehonderd gulden zag toegekend--het dubbele van 't geen hij, sedert hij dokter werd, ontving--terwijl den echtgenooten telkens bij de geboorte van een kind, een bedrag van honderd gulden was verzekerd.
Mocht de pleegzoon bij de inzage der gemaakte beschikking ook in den aanvang eenige teleurstelling hebben gevoeld, die teleurstelling heeft bij het verder lezen spoedig voor andere gewaarwordingen moeten plaats maken. Immers, ofschoon de generaal wel meermalen heeft laten doorschemeren dat August mede zijn erfgenaam zou zijn, nooit was daarop zoo rechtstreeks gedoeld als bij de woorden, dat August Helmond aan den _vroegeren huisgenoot_ nimmer iets zou schenken van 'tgeen den pleegvader had toebehoord.--Was hem die meerdere zekerheid voor de toekomst een hoogst aangename, het kon niet missen of de zeer gestrenge bepaling ten opzichte van zijn broeder moest hem pijnlijk treffen.
Nog staarde Helmond eenige oogenblikken op het veelbeteekenend geschrift. Toen zag hij eensklaps zijn pleegvader aan en zei:
"Oom, wij hebben onze moeder niet gekend. Zij was een zachte edele vrouw."
"Is het je plan August, een nieuwe batterij te openen, laat dan dat voornemen varen. Je moeder heb ik--zooals je weet--zeer weinig gekend. Zij stierf twee maanden na den dood van mijn vriend. Zeker moet ze lief en goed zijn geweest, want zij was de oogappel van je vader. Maar August, al stond daar je moeder met "dien ander" voor me, en al kwam zelfs je vader, mijn onvergetelijke Herman, met hem aan de hand om een verzoening tusschen ons te beproeven, ik zou zeggen: Gaat heen, want je weet niet wat je vraagt. Slechts verachting op de wereld, kan misschien nog zijn vrijspraak bewerken voor den troon des Almachtigen."
"Oom! voor u die anders altijd zoo goed voor hem waart, is dat woord.... te hard, te...."
"Spaar mij August; wij menschen zullen eenmaal onze daden moeten verantwoorden. Ik vrees niet dat ik de oogen zal behoeven neer te slaan indien men "den ander" tegen mij over stelt. Nu genoeg hiervan.--Ik wensch je naam onder dat schrift.--Zeer lang heb ik er tegen opgezien om de zaak geheel en al af te doen. Dit moest vóór je huwelijk geschieden. Ik wilde dat je je huwelijksleven zoudt beginnen met eenige zekerheid omtrent mijn plannen. Weiger je deze verbintenis te teekenen, welnu August, dan deed ik wat ik kon en 'tgeen ik verplicht was, maar dan zijn wij elkander voortaan vreemd.... Heb ik me ook in mijn oudsten pleegzoon bedrogen, August?"
"Oom!"
"Ik dacht niet dat je een oogenblik zoudt aarzelen. Je afkeer...."
"Ja oom, hij heeft zich schandelijk aan u vergrepen; maar, om mijn woord te geven dat ik het kind mijner vroeg gestorven ouders, zoo hij hulpbehoevend tot mij kwam, allen bijstand zou moeten weigeren, omdat hij _eens_, door hartstocht en drift vervoerd, vergeten kon wat onze weldoener voor hem deed: Nee, dát kan ik _niet_!"
De generaal, die den spreker met vorschend oog van onder de grijze wimpers heeft aangestaard, valt nu eensklaps half toornig--half met zekere verruiming uit:
"Maar wie eischt dit!? Wie verbiedt of kan je verbieden, om anderen, onverschillig wie ze zijn, bij te staan met het uwe! Wie zou het recht hebben je te binden om met hetgeen je zelf zult verdienen, naar verkiezing te handelen? Ik verzet er mij tegen dat "de ander" ooit iets zal genieten van 't geen _ik thans het mijne noem_. Zou je dan wenschen dat hij nog dieper zonk, en willen meewerken om zijn zedelijk bewustzijn geheel te vernietigen door vurige kolen te hoopen op zijn hoofd! Ik had niet gedacht August dat jij zelf er een oogenblik aan denken zoudt."
"Maar alles wat ik zelfs nú bezit heb ik aan u te danken...."
"Niet je leven; niet je aanleg; niet je intellectueele kracht, die je tot een zelfstandig man heeft gemaakt. Heb je nu de bedoeling van dit geschrift begrepen?"
"Ja, oom.... en ik vergeet het niet."
"Je woord is er mij borg voor. Ja zelfs, ik ontsla je van de onderteekening van een stuk waaruit je toch de rechte zin van mijn wil niet duidelijk gebleken was."
Terwijl Van Barneveld het papier nu in kleine stukken scheurt alvorens het in de scheurmand te werpen, gaat hij naar zijn secretaire; neemt er een portefeuille uit, en telt dan honderdveertig gulden aan klein bankpapier voor Helmond neer.
"Wil je eens nazien August? Hiermede sluit onze rekening.--Wat de partij in _De Gouden Arend_ betreft; nu daartoe besloten werd--misschien omdat men meent wederkeerig tot iets dergelijks verplicht te zijn--nu wil ik niet dat ze daardoor in moeielijkheden zullen komen, en vooral niet dewijl ik er zelf tegenwoordig zal wezen. Jij hebt de zaak met den kapitein al bepraat, niewaar? Zorg nu verder dat ze met _dit_--geheel in orde komt, en zonder dat iemand anders daarvan wete." Dit zeggende heeft de generaal een muntbiljet van vijftig gulden voor Helmond op de tafel gelegd.
"Oom, ik nam het voor _mijne_ rekening, omdat mijn lieve Eva op dat déjeuner gesteld was, en zou dus gaarne, ofschoon incognito, morgen uw gastheer blijven."
"Heel mooi gezegd: maar onze verhouding is van dien aard, niewaar, dat je zonder bedenking aanneemt wat ik je presenteer? Tegenover het publiek staat mijnheer Helmond als zeer verstandig, knap en zelfstandig dokter; tegenover den generaal Van Barneveld als.... zijn volwassen zoon! Is die titel je iets waard, dan neem je dit aan.--En dan," vervolgt Van Barneveld, terwijl hij een paar regels op een couvert schrijft waarin hij terzijde, al pratend, iets uit de portefeuille heeft gestoken: "En dan, ik weet dat een eerste consult niet goedkoop en Parijs nog al duur is. Ziedaar!"
Helmond, die de hem zooeven geschonken vijftig gulden bij de honderdveertig heeft geborgen, leest nu op het couvert: "Tweehonderd gulden voor het eerste consult aan Dr. Helmond."
"Oom, uw goedheid....!"
"Ja dokter, zoo honoreer ik maar ééns, dat begrijp je. Nu, geen dank meer. 't Is wél zoo, heel wel! Je weet dat ik je liefhad als mijn eigen kind. En daarom ook August, vergun het den ouden man dat hij, in naam van je besten vader, je nog eens op dezen avond aan een vroeger gesprek herinnert:
"Ik begrijp u oom...."
"August, ik geloof niet dat het déjeuner in _De Arend_ zou worden gegeven als je mij geheel en al begrepen had...!"
"Wanneer wij maar eens getrouwd zijn beste oom! Uw spreuk bewaar ik als goud: Wijsheid zal ik mengen in mijn liefde. Maar waarlijk, mijn Eva is zoo goed; en ijdel, nee, wat men ijdel noemt dát is ze niet."
"Heb haar lief met wijsheid August!--Zij zag er gisteren prachtig uit."
"Zult u mijn wijfje ook _liefhebben_ oom? Ja, ik weet het. U zult het, evenals Coba; waarlijk, mijn engel verdient het!"
"Wie mijn _zoon_ gelukkig maakt die heb ik lief als een kind.--Komaan, onze zitting heeft al te lang geduurd." Hij drukt hem met warmte de hand.
VIERDE HOOFDSTUK.
Den volgenden dag was het "regen en wind." De tuinman van _De Zonsberg_ heeft het voorspeld. Toen hij gisterenavond langs de aspergebedden ging en hier en daar een pijpekop op een gebarsten plekje zette, toen profeteerde hij, met het oog op een donkere bank aan den zuidelijken horizon, dat er "donder aan de lucht was. De lucht kon nog weinig warmte verdragen; en de twee laatste, Meidagen waren krek balsemiek geweest."
'sNachts heeft het inderdaad een weinig geonweerd; en nu, in plaats van warm, is het guur buiten.
't Is acht uren in den morgen.
Willem de oude koetsier staat op vijf passen van zijn meester in militaire houding diens orders af te wachten."
"Om kwart over tienen vóór Willem."
"Zeer wel generaal. Met de koets?"
"Nee, met de vigilante."
"....Zeer wel generaal.--Toch 't koperen tuig?"
"'t Zwarte regentuig Willem."
"....Alzoo kwart over tienen vóór, generaal.--Nog iets van je orders generaal?"
"Je brengt me eerst met de juffrouw naar 't stadhuis. Van daar rij je naar den wal om dokter Helmond te halen, en brengt hem bij de familie Armelo."
"Zeer wel generaal."
"Je rijdt dan bruid en bruidegom naar 't stadhuis, en wacht daar om later, hen en ons, naar de kerk te brengen. Na afloop van de inzegening rij je ons, in twee toeren, naar _De Gouden Arend_, en dan, stapvoets naar huis."
"Volgens je orders generaal. Nog iets te belasten generaal?"
"Natuurlijk witte handschoenen."
"Natuurlijk generaal.--Met verlof generaal, als het weer nog wat opknapt, neem ik dan de _koets_ en het _koperen_ tuig?"
"De controleur gaat naar veel regen en wind."
"Niets meer van je orders generaal?"
"Zorg tegen twee uur weer met de vigilante aan het logement te zijn, maar met de imperialen er op. Je brengt de jonge menheer en mevrouw dan naar Briesborg aan 't station. Van daar kom je aan _De Arend_ terug, en rijden we weer mee naar _De Zonsberg_."
"Volgens je orders generaal.--Dus in geen geval de koets of.... Opperbest generaal!" Bij de laatste woorden heeft Willem de hand met militair saluut aan het voorhoofd gebracht, en verlaat op den wenk van zijn meester het vertrek.
--De knaap wordt oud, denkt Van Barneveld, terwijl hij den koetsier met zijn zilveren haren en eenigszins krom-stijve beenen de kamer ziet verlaten: dat koperen tuig en die koets, ze hadden hem bijna uit het zaal gelicht.
De regen valt met stroomen uit de grauwe lucht, die slechts hier en daar een zeer klein plekje blauw vertoont. De takken van het akkermaalshout bezijden den straatweg zwaaien, door den sterken wind bewogen, soms als dolzinnigen heen en weer, en vangen het slik op, 't welk het voorbijjagend rijtuig van _De Zonsberg_ doet opspatten.
"August treft het slecht Coba."
"Droevig weer pa."
"'t Was óók zulk een weer toen ik met je lieve moeder naar 't stadhuis reed. Dat is nu drie en twintig jaar geleden...... Bertha hechtte aan goed weer op den trouwdag."
"'t Stemt vroolijker papa."
"Ik hecht er niets aan; maar later heb ik mij toch dikwijls herinnerd dat het op dien Woensdag slecht weer was."
De wind stond op het raampje aan Coba's zijde. Ze kon niet naar buiten zien want de regen biggelde in allerlei slootjes en slangetjes langs het glas naar beneden. 't Was haar alsof ze tranen zag.
"Je hebt immers nog eens ingenomen voordat we uitreden?"
"Ingenomen?" zegt Coba verstrooid: "Ik geloof.... Nee ik heb het vergeten pa."
"Je bent tegenwoordig waarlijk nog al vergeetachtig Coba. Straks moest ik je nog roepen toen Willem al vóór stond; 't was twee minuten over den tijd. 't Is goed dat jij de bruid niet bent, je zoudt misschien zelfs je bruidegom vergeten.--Je gevoelt je toch goed in orde niewaar?"