Dokter Helmond en zijn vrouw

Chapter 50

Chapter 503,713 wordsPublic domain

Onder 't schrijven heeft mevrouw Van Hake op een schier gebiedenden wenk van Philip den volzin weggelaten, dien August er bij gedicteerd had: "Vergeef ook den trouwen Philip; zijn vrouw is zijn leven en kroon!"

Neen neen! Philips oogen hebben gefonkeld: Dat nooit; dat in der eeuwigheid niet!

Papa Armelo, die in het benedenvoorkamertje een brief aan mama en Louise schrijft, ziet eensklaps op. Onder den bril door, naar buiten turend, meent hij dat zijn oude oogen hem bedriegen. Daar ginds, dicht bij den waterkant zag hij een blond jongmensch die, terwijl hij zich het zweet van het aangezicht wischte, aan een sjouwerman eenige inlichtingen scheen te vragen.

En die jonkman was.... Maar een rijtuig is er eensklaps tusschen in gereden.--Het hield stil; hier, juist hier voor de deur.

--Is het Willem van _De Zonsberg_, de oude koetsier, die daar van den bok springt? Is het de generaal die.. .?

Armelo weet niet of hij waakt of droomt. Hij schreef daar juist aan mama en Louise dat die generaal toch zeer koud en hardvochtig was, want, dat Eva gisteren een telegram had gezonden en.... Maar nu, in een oogenblik heeft de oud-kapitein zijn onvoltooiden brief van de tafel weggegrepen en, ineengefrommeld, in den jaszak gestoken. Nu heeft hij de deur van het kamertje geopend. De generaal Van Barneveld is binnengetreden.

Hij ziet er zeer slecht uit, en is nog bleeker dan zijn dochter die achter hem aankomt.

De grijsaard kan ternauwernood spreken.

Armelo is een weinig verlegen, en neemt daardoor onwillekeurig een eenigszins militaire houding aan, terwijl hij in zijn woorden een paar rrs meer dan gewoonlijk gebruikt.

"Ja 't is zeer zeer erg generaal! Ik vrees.... Tenminste...."

Van Barneveld ziet op.

Tenminste.... kapitein?--Dus er is nog hoop?"

"Volgens den dokter _niet_, generaal. Hij heeft ontzettend geleden."

"Wij weten dat alles kapitein;" valt Jacoba zeer haastig in, en even snel vervolgt ze: "Is de familie van Helmond óók bij hem? Ik meen zijn broer en zuster?" en terwijl zij dat vraagt, wenkt zij den man dat hij ontkennend zal antwoorden. Maar de goede Armelo is de jaren van mimiek en taal der oogen voorbij. Hij heeft het niet begrepen.

"Jawel juffrouw, tenminste nog voor weinig minuten waren ze er allebei.--O generaal, uw komst is een waarachtige zegen van God. Wat heeft die arme Helmond om u geroepen en naar u verlangd." Armelo werd stouter: "'t Is braaf, 't is edel generaal, dat u gekomen bent. Ik zal ze boven met uw komst gaan bekend maken."

"Kapitein!" roept Van Barneveld hem na. Maar, of de oudedag Armelo soms al wat hardhoorig maakte, althans hij keert niet terug.

't Was een vreemde verschijning voor den generaal en zijn dochter, toen ze inplaats van Armelo, daar eensklaps Thomas Van Hake, zoo rood als scharlaken zagen binnenkomen.

Thom heeft in één adem gezegd wat hij op 't hart had: Dezen morgen, juist tien minuten voor 't vertrek van den sneltrein, heeft hij dezen grooten verzegelden brief aan 't adres van zijn goeden meester ontvangen. In verband met courantenberichten, en een paar woorden die de dokter zich in den laatsten tijd, zeer in vertrouwen, heeft laten ontvallen--als zou men hem namelijk over iets zeer gewichtige gepolst hebben,--in verband met dit alles heeft het aanstonds bij hem vastgestaan dat deze brief dokters benoeming tot professor bevatte. Terstond heeft hij Bus verzocht om voor dezen enkelen dag het huis te bewaren, en is hij zelf, zonder oponthoud naar het station gevlogen, waar de sneltrein juist het sein tot vertrekken gaf, toen hij bijna ademloos in een derde-klasse-waggon is neergevallen. Bij aankomst te Amsterdam heeft men hem eerst naar een geheel verkeerden Buitenkant gezonden; maar nu, hier zijnde, nu dankte hij den goeden God, dat hij--zooals de kapitein hem reeds in de gang heeft gezegd--zijn lieven meester nog in leven vindt om hem _zelf_ dit schrift te kunnen geven, en, nog eens de hand te mogen drukken van den vriend, die zich zoo liefderijk over een arme weduwe en haar kind had ontfermd.

Van Barneveld scheen zeer getroffen.--Hij aarzelde een oogenblik, en sprak toen schijnbaar kalm:

"Je ijver prijs ik jongmensch; maar wat je doen wilt, keur ik af. Zulk een stuk moet den man niet meer onder de oogen komen, die binnenkort voor den rechterstoel van God zal verschijnen. Geef mij dien brief menheer Van Hake, en spreek er niet van."

"Maar generaal, maar...." stottert Thomas onthutst.

"Ik verzoek dat je mij dat stuk geeft menheer Van Hake!"

"Nee generaal, nee! Neem mij niet kwalijk, maar dat, _dat is_ te erg. Om mijn besten dokter die laatste eer.... die...." Thomas ziet eensklaps Jacoba's angstig smeekenden blik. Hij weet niet wat het haar heeft gekost om den vader tot deze reis, en vooral tot het bezoeken van den stervende _in de woning van Philip Helmond_ te bewegen; neen, Thomas weet het niet; maar die blik van Jacoba doet hem plotseling de waarheid vermoeden; en.... zou hij haar smeekend vragen weerstaan? Mag hij dien al te gestrengen man, hier--nog eer hij den dorpel van dat ziekenvertrek overschrijdt--door een vermetele tegenspraak ontstemmen, en daardoor misschien veel meer bederven dan honderd zulke stukken kunnen goedmaken?

"O vergeef mij generaal" valt hij nu zich zelven in de rede: "ik wil mij aan uw wijzer oordeel onderwerpen. Ik dacht maar dat het iemands sterven verlichten kon, wanneer hij _de zorg aan zijn jeugd besteed_, nog in 't laatst zoo krachtig gewaardeerd zag."

Een half uur later zat de oude generaal aan het sterfbed van zijn pleegzoon.

Mevrouw Van Hake heeft het reeds gezegd: 't kon iemand soms te machtig worden. Ook dien grijsaard werd het te machtig toen het reeds mat geworden oog hem voor 't laatst zoo smeekend aanzag, en zijn woorden nog bijna onhoorbaar klonken:

"Dank vader! Uw vloek.... gold de zonde! Uw gestrengheid was liefde.... _Onnut_ en _zwak_.... mijn leven.... _Verzoening_ mijn _sterven_.... O, voor allen vergiffenis vader?"

En de oude generaal? Er gleden dikke tranen langs zijn grijzen knevel neer; en hij drukte de magere hand van dien.... ja, van dien geliefden, dien meest geliefden pleegzoon; en, hij wilde nog spreken, maar neen, neen, die hand kan hij nog drukken, maar spreken, o God der genade, spreken, dat kon hij niet.

Maar hoor, daar klonk al schreiend en bevend toch een welluidende stem. 't Was die van Jacoba:

"Nee mijn goede August: _onnut_ was je leven niet, nee! Dat mijn beste vader nog hier kon wezen, hij dankt het, naast God, aan de hulp van mijn lieven broeder!"

Thom kan niet zwijgen in dezen stond. Neen, goede God, hij _kon_ het niet!--Als een doode zoo wit, grijpt hij de hand van zijn vriend, en zie zie,--er zweeft voor 't laatst een glimlach over Helmonds gelaat.

Heeft hij 't verstaan, heeft hij 't begrepen dat men hém, "den ellendig _zwakken_, den verder voor _dit_ leven _onmogelijken_ mensch"--zooals hij straks zich zelf had genoemd--nog den schoonsten en hoogsten titel als man der wetenschap heeft waardig gekeurd?

Sinds de generaal en Jacoba waren binnengekomen, heeft Eva zich met alle kracht beheerscht.

Bijna onveranderlijk is zij in dezelfde houding gebleven; met den arm om het hoofd van haar dierbaren man geslagen, want o, dát was hem zoo _goed_, heeft hij gefluisterd--en, ofschoon zij nog altijd op herstelling en leven hoopte, ach! als het dan anders wezen _moest_, neen, dan zou ze hem die ure toch niet bang maken, maar voor 't laatst nog toonen dat ze hem wel innig en waarachtig liefheeft.

--Maar--o God, wat is dat! Met een kreet van ontzetting vliegt ze eensklaps overeind:

"Eva!" heeft hij nog eens al stervend gefluisterd. En toen, toen is zijn laatste adem gevloden.--Helmond, haar dierbare, haar eenige Helmond; hij was niet meer.

Aan den avond van den volgenden dag kwam er van den kant der Nieuwe-Stadsherberg een trekschuit langzaam aangevaren.

Juist tegenover het huis nº. 103 aan den Buitenkant, zag men het vaartuig aan wal komen, en de schipper met zijn knecht wachtte er totdat de avond geheel was gevallen en de torenklok van de Oude Kerk zes had geslagen.

Weinige minuten later heerschte er een buitengewoon gestommel in het kleine voorkamertje der genoemde woning. Een agent van politie stond buiten, en hield een nieuwsgierige menigte terzij, die al spoedig een langwerpig voorwerp met een zwart laken overdekt door een achttal mannen ter deure uit en dwars over de straat zag dragen, terwijl het daarna met alle behoedzaamheid in het ruim der schuit geborgen werd.

Toen het vaartuig eenige minuten later van den wal was losgemaakt, gleed het weer langzaam heen.

In den stuurstoel stond, met het hoofd voorover, een reeds bejaarde man in eenvoudige livrei. Men kon het hem duidelijk aanzien dat hij een oud-gediende was.

Bij het wegvaren sloeg de oude nog eens de oogen op dat smalle hooge Amsterdamsche huis.

--In die woning was dan de brave pleegzoon van zijn meester, zoo jong, nog zoo bitter jong, gestorven!

De gaslantaarn, die juist was opgestoken, verlichtte inzonderheid het nummer der kleine woning. De oude Willem gaf er zich geen rekenschap van hoe hem nu eensklaps de woorden vol droeve waarheid zoo levendig voor den geest kwamen:

"Gelijk het gras is ons kortstondig leven, Gelijk een bloem die, op het veld verheven, Wel sierlijk pronkt, maar krachtloos is en teer. Wanneer de wind zich over 't land laat hooren, Dan...."

"Ach, zoo jong, zoo in de kracht van 't leven!" herhaalt de oude nog eens; en, het oogenblik kwam hem weer levendig voor den geest, toen hij--nog zoo kort geleden, dien goeden dokter als bruigom, met bloemen en linten aan 't tuig, mocht rijden, en hem benijdde omdat hij al spoedig het graf zou zien van den grooten Keizer die de heele wereld verwon....

Willem de grijze koetsier weet niet hoe het komt, maar 'tgeen hij nú gevoelde, dat heeft hij nog nooit gevoeld.--Hij zou niet weten wát te antwoorden indien men hem vroeg of hij nóg gaarne zou meegaan om het graf van dien grooten Keizer te zien. 't Zou hem nu zijn alsof....--De oude schudde het hoofd, en staarde vóór zich in het zwarte water, en streek den traan weg, die hem in den grijzen knevel gebiggeld was.

Thomas Van Hake is reeds in den morgen met Armelo naar Romphuizen vertrokken, om er den kapitein, met hetgeen er voor de begrafenis te regelen viel, behulpzaam te zijn.

De generaal die gisteren, na zooveel aandoening, weer minder wel was geworden, zal eerst morgen naar Romphuizen terugkeeren.

Op dit oogenblik, terwijl de pendule in de ruime hotelkamer halfzeven wijst, zegt hij tot Jacoba die juist weer een der poeders, waarop ze zooveel vertrouwen heeft, voor hem gereedmaakte:

"De schuit kan al twintig minuten weg zijn. 't Verwondert me dat ze nog niet komen."

"Misschien gaan de klokken hier niet zoo goed als op _De Zonsberg_ lieve papa;" antwoordt Jacoba en geeft hem de medicijn.

De vader gebruikt die stilzwijgend, en zijn oog rust weder op het schrift, waaronder August met reeds stervende hand zijn naam had geschreven, en waarvan de inhoud hem telkens herinnert aan die smeekende woorden van den gestorven pleegzoon: "Verzoening, vergiffenis."

Van Barneveld weet niet dat er, op Philips uitdrukkelijk verlangen, een paar regels uit dien laatsten brief zijn weggebleven.

Maar, evenmin weet hij dat Jacoba's hart, bij al de droefheid en zorg--waarin ze schier wonderdadig tot de vervulling van haar moeielijke kindertaak werd gesterkt--nog onrustiger klopt dewijl het aanstonds zal uitkomen, dat zij zich alweder, uit waarachtige liefde, aan een klein bedrog heeft schuldig gemaakt. Van Barneveld weet het niet dat Jacoba een paar woorden heeft gevoegd bij de weinige regels, die de vader haar verzocht heeft aan Eva te schrijven, en die toen aanstonds naar het huis aan den Buitenkant zijn gezonden.

Alvorens Amsterdam te verlaten, heeft de oude generaal zijn jongsten pleegzoon doen weten: dat hij hem ter wille van dien afgestorven broeder, vergiffenis wilde schenken, wanneer hij waarachtig berouw gevoelde over de vreeselijke woorden, die hij vroeger gesproken had.

Jacoba heeft moeten schrijven:

"Indien Philip alzoo gezind is Eva, laat hij dan met u meekomen." En, Jacoba heeft er uit zich zelve bijgevoegd: "Natuurlijk, Philip _èn Virginie, zijne vrouw_."

Jacoba wordt eensklaps nog bleeker dan zij gewoonlijk is. Op dit oogenblik heeft er een rijtuig voor de Keizerskroon stilgehouden.

Was het een wreedaardig spel van het lot, dat die jonge moegeschreide weduwe in dezen stond den drempel van hetzelfde hotel moest betreden, waar ze aan de zij van haar geliefden vriend, den avond van haar eersten huwelijksdag was binnengegaan!

Zij wankelde op dien drempel.

--Maar Goddank, nog altijd was de trouwe vriendin haar terzij, die haar telkens dat woord van den eenige herhaalde: "Wees sterk, en leef voor ons kind lieve vrouw."

Van Barneveld zag bij het zwakke licht der beide bougies niet aanstonds dat er vier personen waren binnengekomen.

Jacoba beefde.

De grijsaard is opgestaan. Zijn oogen waren vochtig.

--Goddank! juicht het tengere meisje in stilte: Hij is zeer bewogen.

"God plaagt niet uit lust tot plagen!" zegt Van Barneveld terwijl hij Eva's hand vat: "Wij hebben veel verloren, maar het _betere_ zeker gewonnen Eva."

Ach, hoe kon zij dit toestemmen in dezen stond!

Eva schreide bitter.

"Wij hebben hem beiden liefgehad," herneemt Van Barneveld: "maar ieder op een andere wijze. Voortaan--zoolang als God mij het leven schenkt, zullen wij elkander liefhebben Eva, als vader en dochter.--Je hebt nu geleerd dat het geluk niet uit weelde en overdaad wordt geboren, terwijl de handen er werkeloos bij neerhangen."

--O God, wat klinken die woorden hard, vreeselijk hard in zulke uren van bitteren rouw!

"Maar ik spreek geen verwijt;" herneemt de generaal: "Ik heb mijn ongelukkig pleegkind beloofd dat ik voor je zou waken en zorgen. Berust in den wil van God. Leer met weinig tevreden zijn, en geloof dat ook _ik_ aan 't eind van mijn leven zwaar ben geslagen, want ik had hem lief Eva, zeer _zeer_ lief!"

Terwijl zijn handen beven, en de tranen hem over de wangen rollen, geeft hij Eva een zoen.--En zij....?

Ze wil spreken; doch, zij kan het niet. Een oogenblik nog, en dan,--dan ziet ze hem aan en zegt op vasten toon:

"Ik wil u liefhebben oom, want mijn August had u lief. Uw raad wil ik hooren, en uw lessen opvolgen, maar," en nu trilt hare stem "_Ik zal voor mij zelve zorgen, want_...." In een hevig snikken barst zij uit, en de woorden er bijvoegen kon ze niet: Want van úw weldaden te leven, dat zou mij _onmogelijk_ zijn.

O Goddank, dat zij die laatste woorden terug heeft gehouden. Die eersten, ze hebben den grijsaard zoo innig goedgedaan, ja gegrepen in 't hart.--Weet die oude man, dat men hem soms van bekrompenheid of zelfs van gierigheid beschuldigt? Weet hij dat zijn gestrengheid en zijn strijden voor wat hij recht en goed acht, inderdaad wel eens hardheid wordt?--Maar nu, o, nú wordt zijn hart zoo warm als een zomer-zonnestraal, en die gloed blonk hem uit de oogen; en zijn beide armen naar Eva uitstrekkend, zegt hij op onbeschrijfelijk en roerenden toon:

"Goed zoo kind! lieve kind! goed zóó!--Ach God, wáárom is nú mijn arme jongen er niet!"

"Oom, is er dan nog geen jongen die u wil liefhebben?" zegt Philip, eensklaps naderbij komend, en vat de hand van den trillenden grijsaard die Eva nu vast aan het hart hield gedrukt: "Oom, de arme August heeft verzoening gewild; en, ú hebt ons de hand toegereikt. Nú, weldoener van mijn jeugd, is het aan mij om u vergiffenis te vragen voor dat onzinnige woord in blinde drift gesproken. Ik moest het toen geweten hebben dat uw toorn alleen mijn stap van onbedachtzaamheid gold: uw rein gevoel, uw _diep gevoel van eer_ kon immers nooit op den duur het lieve meegesleepte kind verstooten, aan wie uw wilde jongen zijn woord van trouw had gegeven."

Door Jacoba onmerkbaar vooruitgestuwd, is Virginie Helmond nu mede, ofschoon schoorvoetend en met neergeslagen blik, den grijzen generaal genaderd. Philip grijpt haar hand en vervolgt:

"Oom, hier staan we nu beiden. U hebt ons geroepen. U wilt vergeven; en wij, wij zullen u eeren en liefhebben. Ja, door duizend vuren zou ik voor u vliegen omdat u haar, mijn _alles_, hebt erkend; en zij, mijn schat, ze vloog met me mee, want, oom, we zijn één, in alles _één_!"

Verrassing en verbazing hebben eensklaps Van Barnevelds gelaat geteekend, toen hij Philips vrouw, zoo geheel onverwacht, heeft voor zich gezien.--Wat moest dat beduiden!--Heeft hij, _hij zelf_ haar geroepen, _hij_! Is het dan noodig dat men ook _die vrouw_....? Maar hoor:

"O, wij zijn al vriendinnen, niewaar lieve zuster!" roept Jacoba; en inwendig bevend slaat ze den arm om Virginie's hals, en geeft haar voor 't oog van den vader, een teederen zoen.

En de oude generaal?

O, indien men de sterkste vesting wel veroveren kan, hoeveel te eer zal men dan het hart overrompelen van een bewogen grijsaard, aan den eindpaal van het leven.

"Virginie!" zegt de oude man; en ofschoon hij de hand op dat overrompelde hart moet drukken, hij voldoet toch geheel aan dokter Helmonds uitersten wil, en geeft ook een zoen aan de schoone maar tevens goedaardige vrouw van zijn jongsten pleegzoon.

En de najaarsstormen hebben gewoed; en de winter heeft ijsbloemen op de vensterglazen geteekend, schoone maar koude bloemen.--En de eerste groene scheutjes en blaadjes en veldbloempjes zijn toen te voorschijn gekomen, en, evenals zij, ook de vogels met hun luid getjilp en gefluit vooral 's-morgens vroeg op de daken.

't Was in die zeer koude dagen, toen de ijsbloemen niet van de glazen wilden wijken, dat Eva Helmond aan een vaderloos jongske het leven schonk.

Maar met de eerste bloemen en zangen der lente, toen ook de eerste kraaiende lachjes van het onschuldige wicht die arme moeder hebben verkwikt, toen was het haar mede alsof ze tot een nieuw leven ontwaakt was. 't Moest een leven worden ten nutte van dat lieve kind, en een leven ten nutte van anderen bovendien.

De generaal Van Barneveld heeft er voor gezorgd.

Het groote huis op de markt, 'twelk hij van mevrouw de weduwe Helmond ondershands heeft gekocht, en betaald met een som waardoor alle schuld kon vereffend worden, het groote voormalige burgemeesters- en doktershuis is--het _doktershuis_ gebleven. Zie, die steen in den gevel moet het aanduiden; daarop staat gegriffeld: HELMONDS-STICHTING.

Ofschoon van alle meubelsieraad ontdaan, is het gebouw in- noch uitwendig belangrijk veranderd.

't Was een kostbaar geschenk, 'twelk de stad Romphuizen, met deze langgewenschte stichting, van den generaal had ontvangen. En, _wie_ zou men nu eerder tot beschermvrouw van dat prachtige _Weeshuis_ hebben gekozen, dan de weduwe van den man wiens naam de stichting droeg, en die voorzeker zooveel ze kon, haar kracht eraan zou willen wijden!

Maar nog een ander monument mocht de stad Romphuizen in datzelfde voorjaar ontvangen.

't Was het monument op Donerie's graf.

Aan den avond van den dag toen de plechtige onthulling ervan heeft plaats gehad, en de cantate nogmaals was gezongen en besloten met dat roerend:

"Slaap zacht, tot den morgen die u wacht!"

aan den avond van dien dag hield er een rijtuig voor het kerkhof stil. Twee jonge vrouwen in rouwgewaad stapten eruit. Ze werden geholpen door den tuinman van _De Zonsberg_, die naast den ouden Willem op den bok heeft gezeten.

"Hierheen Eva!" fluistert Jacoba, en gaat haar voor op een welbekend pad.

En ja, aan 't eind van den doodenhof, waar het kleine doch smaakvolle gedenkteeken verrees, daar moesten ze zijn.

Jacoba's oogen glinsterden terwijl ze er beiden nu sprakeloos stonden.

"En die steen.... dat is....?" zuchtte Eva.

"Ja dat is ons nieuwe graf;" bevestigde Coba: "Daar rust nu die goede August, in de schaduw van Donerie's monument."

Eva sprak niet.--O, dat woord moest haar ziel wel treffen: "_In de schaduw van Donerie's monument!_"

Jacoba zweeg mede.--Zij had haar doel bereikt. Op die stille plek naast het gedenkteeken, heeft haar vader den nieuwen grafkelder moeten koopen. Jacoba had het zoo besloten: _zijzelve_ wilde er eenmaal rusten, naast de groeve van den eenige, dien ze zoo diep in haar ziel heeft liefgehad.

En Eva en Jacoba ze bleven daar sprakeloos nog een geruimen tijd staan. Beider oog was nu voor 'tmeerendeel op den tuinman gevestigd, die aan 't boveneind van de nieuwe blauwe zerk zijn arbeid verrichtte.

Wat hij er doet?--Hij plant er het takje van den meidoorn, 'twelk Eva, op den laatsten middag van haar zaligen bruidstijd, aan den geliefden bruigom heeft gegeven.

Pas kort geleden heeft Eva vernomen wat er met dat takje gebeurd is:

Met een schoonere bloem voor oogen, die hij den volgenden dag de zijne zou noemen, had August het reeds verflensende meidoornbloempje dien avond op _De Zonsberg_ achtergelaten. En de oom die het takje vond, had er bloem en blaadjes en de kleine zijtakjes afgedaan, en--om eens te zien wat er nog van komen kon, heeft hij het binnen de serre in een pot met aarde gestoken. Zóó was het takje, wèl verzorgd, aan 't botten gegaan, totdat.... totdat op een lateren droeven morgen de tuinbaas het "wegwerpen zou".

Maar de tuinman heeft dat niet gedaan. Hij heeft den pot met het takje erin, bewaard. Immers Willem de oude koetsier wist heel zeker dat dokter Helmond op dien middag een takje rooden meidoorn in het knoopsgat heeft gedragen, en--'t was toch aardig, ja, en nú aandoenlijk erbij--dat de oude generaal het _zelf_ gepoot en _zelf_ gekweekt had.

En zie, nu staat het daar; en 't zal mettertijd een struik worden, een boom misschien, en de roode meidoornbloempjes zullen vallen op Helmonds graf, dat ook eenmaal Eva's graf zal zijn.

NASCHRIFT.

Wie voorts van vriend of vijand in Romphuizen nog iets meer zou willen vernemen; van den man die door een _schot los kruit_ aan zijn eind kwam; of van de huwelijksplannen van den jongen Hardenborg; of van de gronden misschien waarop het engagement van den apotheker Van Hake met Louise Armelo rust; die zal zeker het best doen om zich in persoon te vervoegen bij den heer Jules Janin Kippelaan. Althans, er bestaat geen twijfel: wie zich bij hem aanmeldt, dien zal hij--met de beide handen vooruit--welkom heeten als zijn besten vriend, en hem alles meedeelen wat hij maar weten wil. Wel is waar zal Kippelaan moeten bekennen dat het hem nooit heel duidelijk werd hoe mijnheer Philip Helmond van "_gemeen acteur, assuradeur_" is geworden; maar zeer zeker zal hij steeds besluiten met de verklaring: dat hij altijd de intieme vriend was van dokter Helmond en zijn vrouw.

Den Haag 1869.

End of Project Gutenberg's Dokter Helmond en zijn vrouw, by J. J. Cremer