Chapter 5
Opziende uit het boek waarin hij heeft gelezen, tuurt de generaal een wijle naar het schoone vergezicht, om echter al spoedig een blik op de groote pendule te werpen, die zoo even halfzes heeft geslagen. Van Barneveld haalt zijn horloge te voorschijn en ziet "dat de pendule niet in de war is". De generaal is een man van de klok. Kleine zielen hebben dikwijls dezelfde accuraatheids-manie, en ofschoon die accuratesse alzoo op zich zelve niet veel beteekent, zoo mag men er nu toch uit opmaken dat Van Barneveld gedurende zijn militaire loopbaan zoomin in de lage als hoogere rangen, ooit naar zich wachten liet maar steeds op zijn post was.
De generaal verlaat zijn zitplaats; loopt een paar malen de kamer op en neer; ziet nogmaals naar de pendule, en gaat dan de kamer uit.
De breede gang, waarin hij gekomen is, vormt met de straks genoemde vestibule één geheel, en loopt tot aan den achtermuur van het huis waar voorheen, aan den binnenkant, een gipsen Ceres de nis versierde. Sedert de generaal eigenaar van _De Zonsberg_ is geworden, werd de nis uitgebroken, en kwam er in haar plaats een glazen deur, die nu toegang geeft tot de reeds genoemde zeer smaakvol uitgebouwde serre.
Wanneer men het landhuis binnentreedt ziet men alzoo aan 't eind van de breede gang, door de glazen deur, in Van Barnevelds zoogenaamden wintertuin, die met recht zijn lievelingsverblijf mag heeten.
Op hetzelfde oogenblik dat de generaal er nog even denkt binnen te gaan, omdat hij, in weerwil van het wachten, geen oogenblik zijn goede stemming verliezen wil, komt August Helmond, gevolgd door Van Barnevelds dochter Jacoba, uit de groote zaal in de gang, en drukt de eerste al spoedig den verrast opzienden oom de hand.
"Ahzoo, menheer de bruigom! Ik wist niet dat je al hier waart, en was bang dat Willem wat getreuzeld had. De knaap wordt oud.--Hij heeft je immers gehaald?"
"Jawel, prompt zooals u besteld hadt oom. Ik dank u. De tilbury kwam mij even buiten Romphuizen tegen."
"Hadt je niet begrepen dat ik je zou laten halen?"
"Nee oom."
"Dat spijt me."
"Omdat u zelden...."
"Ik zend geen rijtuig wanneer men van mijn beleefdheid gebruik maakt, maar wel wanneer men mij een beleefdheid bewijst. Ik waardeer het dat je van middag woudt komen August. Is juffrouw Armelo en de familie welvarend?"
"Dank u oom. Ik moet u vriendelijk van haar en mijn aanstaande schoonouders groeten."
De generaal maakt een beweging met de hand, ten teeken dat hij de beleefdheidsformule heeft gehoord.
"Wat dee jelui in de zaal Coba?"
"Pa, ik heb...."
"Coba heeft er mij een nieuw bewijs van haar liefde gegeven oom. Ze vertelde mij dat u ingevolge haar verzoek, wilt terugkomen op uw besluit, en morgen na de trouwplechtigheid het déjeuner zult bijwonen, waarop de familie Armelo u had genoodigd. Coba wilde mij dit goede nieuws mededeelen alvorens aan tafel te gaan."
"Ei zoo ondeugende babbelaarster; moest het daarom over den tijd loopen!"
"Mijnheer, er is gediend;" zegt de huisknecht die uit de eetkamer in de gang komt en front maakt bij de deur.
"Goed Hendrik!"--In het Fransch vervolgt Van Barneveld tot den neef die hem een dankbaren blik had toegeworpen: "Toen Coba mij deed gevoelen dat de familie Armelo mijn weigering aan een dwazen trots zou toeschrijven, toen heb ik fiat gezegd. Als men mij maar vergunnen wil om niets anders dan het zeer gewone te gebruiken, en niet later dan om zes uur naar huis te gaan.--Convenieert dat de familie?"
"U bedoelt oom?"
"Zoo'n déjeuner in _De Gouden Arend_?" antwoordt de generaal terwijl hij den jongelieden een wenk geeft om plaats te nemen.
Helmond kleurt vluchtig; aarzelt, en zegt dan:
"Ik heb die zaak met den ouden heer Armelo besproken en geschikt oom."
"Ah.... zoo" zegt de generaal, en geeft te gelijk een teeken om te bidden.
Ofschoon Hendrik gedurende deze ceremonie in een zeer eerbiedige houding, met het oog op een der landschapvakken die de eetkamer versieren, achter de tafel staat, zoo kan hij toch niet nalaten om eventjes onder de oogwimpers door, een blik op "zijn biddende gasten" te werpen.
--'t Is om er akelig van te worden zooals die lieve juffrouw Coba er uitziet. Ja, als zij de mooie vriendelijke oogen, zooals nu heeft gesloten, dan zou men haast zeggen dat daar een doode in biddende houding zat. De werkmeid heeft gezegd dat het geen wonder is.--En, zou het werkelijk geen wonder wezen? Zou ze waarlijk hoe langer hoe bleeker worden omdat dokter Helmond morgen met dat juffertje van den oud-kapitein Von Habenichts gaat trouwen?--Ja, die neef van den generaal is een knap mensch. Wat een verschil van kleur met juffrouw Coba!--En juffrouw Coba's postuurtje, och lieve hemel, denkt Hendrik terwijl hij nu weer in de straks verlaten richting tuurt--schuinsrechts op het landschapvak met een herder en herderin onder een boom,--och lieve hemel, heel wat anders dan die juffrouw daar met den saamgepersten boezem in het gele keurslijf. Zoo'n wurm!
De gewone diners op _De Zonsberg_ duren niet lang; in een half uur is gewoonlijk alles--van de soep tot den podding, afgeloopen. En, wanneer Hendrik het eenvoudige dessert heeft opgebracht en voorgoed de kamer verlaat, dan wordt het gesprek, 't welk gedurende het eten doorgaans in 't Fransch werd gevoerd, in 't Nederlandsch voortgezet.
"Dus zul je veertien dagen uitblijven?"
"Ja oom, 't kan nu zeer goed geschikt worden; en voor Parijs is veertien dagen niet te veel."
"Ah, dus moest het tóch Parijs wezen."
"We zijn daar nu zeer op gesteld oom."
"Ik meende August, dat jij er minder op gesteld waart;" herneemt de generaal, en meer dan gewoonlijk is er in zijn stem iets van den oud-militair te herkennen.
"Ik geloof pa, dat August's bruidje er nog al heel veel zin in had. Ja, en dat kan ik mij best begrijpen, wanneer men er nooit is geweest en zich zoo gezond en sterk gevoelt als juffrouw Eva; niewaar Helmond?"
August ziet zijn pleegzusje vriendelijk aan, en zegt tot den generaal:
"Toen ik bemerkte oom, dat Eva er zoo bijzonder op gesteld was, werd het ook _mijn_ wensch. Ik geloof dat u de eerste zult zijn om te erkennen, dat het tot de zeer verschoonbare inconsequenties behoort om eigen lusten voor die van onze geliefden op te offeren."
"Welzeker August.... Wil je nog wijn?"
"Dank u oom."
Eenige minuten later wordt er gedankt.
Jacoba verlaat de eetkamer nadat ze een zoen op Van Barnevelds voorhoofd heeft gedrukt.--Hendrik die inmiddels is teruggekomen, presenteert den generaal en diens neef de sigaren. Nadat de heeren hebben opgestoken en Van Barneveld den knecht heeft gelast om het raam te openen, waardoor men evenals in de woonkamer het heerlijke vergezicht over den Rijn geniet, geeft de generaal aan zijn huisknecht een wenk. Deze verwijdert zich en doet de deur zorgvuldig achter zich toe.
"'t Was mijn wensch August, om je op den avond vóór je huwelijk over je belangen te spreken," vangt de generaal aan: "we zullen daartoe na de thee, op mijn kamer gelegenheid hebben. Nu echter moet ik eens even over Coba met je praten." Naar buiten ziende en dan met merkbare zelfoverwinning:
"Ze zag in de laatste dagen naar 't me voorkwam wat bleek."
"Coba is niet sterk oom;" zegt Helmond en ziet den pleegvader belangstellend doch met verwondering aan.
"Omdat ik niet aan den medicijnwinkel hecht August, daarom bevreemdt het je dat ik je over Coba's gezondheid spreek. Wat ik voor me zelf niet zou doen, dat doe ik voor m'n kind; en met het oog op je aanstaande reis vond ik het beter om je 't nu maar eens te vragen.... 't Kon dacht me geen kwaad.--Ze heeft voor een paar dagen iets gehad dat me...." de generaal wendt weer zijn hoofd van Helmond af en naar de zij van het raam: "dat me.... wel niet bezorgd maakt, maar.... toch ook niet beviel.---Zie je die sleepboot wel? Kijk, vier Keulenaars er achter, nee vijf, de verste zat nog achter den eiketop."
"En wat was er dat Coba.... oom?"
"O ja, 't had nu juist niet zoo _heel_ veel te beteekenen, maar.... Eergisteren tegen den avond gaan we samen den berg af; zitten in 't bosch op den beekheuvel; praten over je huwelijk; ze maalt me dat ik om jelui plezier te doen dat déjeuner zal bijwonen, etcetera, etcetera."
"Zij heeft zoo'n lief karakter de goede Coba."
"Het evenbeeld van haar moeder. Om kort te gaan, vroolijk en wél hervatten we onze wandeling; we praten over je toekomst, over je praktijk, ik weet niet wat. Naar huis terugkeerende, onder 't beklimmen van den berg, bespeur ik dat ze sterker dan gewoonlijk begint te hijgen. 'k Zeg nog: wil je hier even op den kant in 't gras gaan zitten--terwijl ik in stilte besloot om op een paar punten een tuinbank te doen plaatsen. O nee pa, zegt ze, en, om me te toonen dat ze heel wél is, begint ze met haar hijgend stemmetje een van haar favoriet-stukjes te zingen.--'k Zeg: Coba ben je mal, dat zingen onder 't klimmen deugt volstrekt niet; maar of ze 't niet hoorde, luider ging zij voort. Achter haar aankomende verbied ik het haar sterker. 't Was juist toen we van den zigzag den laatsten hoek omsloegen, dat ze met zeer veel inspanning de slotwoorden van dat air herhaalde: adieu, adieu of iets van dien aard. Geen twee seconden later zag ze om, zoo wit als een doode. Och pa, papa! riep ze met zwakke stem; en August, als ik haar niet aanstonds in mijn armen had opgevangen dan zou ze zeker achterover zijn gevallen, want, plotseling zakte ze ineen, bijna als iemand die verlamd is, en trok ze zoo raar met de oogen, dat ik niets dan het wit ervan te zien kreeg."
"Was zij buiten kennis oom?"
"Nee in 't geheel niet. Tenminste, ze verstond me best. Bijna dragend heb ik haar toen in huis en op de canapé gekregen. Het hijgen, dat gedurende die.... vapeur een weinig bedaard was, kwam nu sterker terug; later werd ze koud, en haalde den sjaal, waarmee ik haar voeten had bedekt, eenigszins rillend over zich heen;--ze was wel wat luchtig gekleed, zieje, en 't is doorgaans nog geen weer voor die zomertoiletjes.--Enfin, ik stop haar wat toe; ze zal moe zijn dacht ik, en een fiksche toer slapen zal haar goeddoen. Maar jawel, een half uur later, toen ik wat in den Militairen Spectator zat te snuffelen, daar staat me 't ondeugende kind naast m'n stoel; zoent me, en zegt dat ze heelemaal weer beter is.--'t Heeft niets te beteekenen, niewaar? 't Was een natuurlijk gevolg van dat fatale zingen onder 't klimmen; maar ik meende toch dat ik verplicht was je 't eens te zeggen.--Omdat ze niet sterk is moet ze alle zotte _efforts_ vermijden, dat is mijn opinie....?"
"Klaagt Coba nooit over pijn op de borst oom?"
"Nee, ze heeft een delicaat gestel, maar klagen doet ze nooit!"--Weer naar buiten turend: "Je ziet er geen kwaad in, niewaar? Een vapeurtje ten gevolge van die klim- en zingpartij?"
"Zooals ik Coba nog van middag heb gezien, kan ik in die bezwijming juist geen reden tot bezorgdheid vinden; maar...."
Helmonds antwoord heeft den ouden generaal van een grooter zorg bevrijd dan hij zou willen bekennen; ja grooter misschien dan hij zichzelf is bewust geweest. Voor des dokters laatste _maar_ had hij nu geen ooren. Immers die dokter, een _deskundige_, heeft erkend dat in het genoemde verschijnsel op zichzelf geen reden tot bezorgdheid te vinden was. Zulk een verschijnsel is dus niet een erkend uitvloeisel, of een vast bewijs van het aanwezig zijn eener doodelijke kwaal. Dit te weten is hem genoeg. In de geliefkoosde overtuiging dat Jacoba, ofschoon zij niet tot de sterksten behoort, "gezond van harte" is, werd de vader opnieuw en krachtig versterkt. 't Komt uit zooals hij vermoed--of in stilte gehoopt heeft: de overspanning van het oogenblik heeft zijn dochter die "onpasselijkheid" bezorgd, en, zullen die malle kuurtjes zich niet herhalen en alzoo het delicate gestel op den duur niet verzwakken, dan dienen alle sterke inspanningen vermeden te worden, en moet Coba vooral _niet meer zingen_. In den laatsten tijd was ze altijd minder goed wanneer ze gezongen had.
"Je bent het volmaakt met me eens Helmond. Ik wist vooruit dat er geen kwaad bij was, maar, zonder je eens te hebben gepolst, rekende ik mij vis-à-vis Coba niet geheel verantwoord.--Komaan, ze zal ons met de thee wachten; maar--doe jij me nu één plezier en secondeer me als ik haar goeden raad geef. Dat zingen en gillen, waarachtig dat deugt niet--niemendal!"
Helmond kent zijn pleegvader. Hij vindt het onnoodig om hem, en zonder dat hij als dokter iets met zekerheid bepalen kan, de zoo gemakkelijk herwonnen gerustheid opnieuw te benemen. Hij besluit in stilte, om Jacoba aan de theetafel ongemerkt eens wat nauwkeuriger waar te nemen; haar zoo noodig goeden raad te geven, en wanneer er méér reden tot bezorgdheid mocht zijn dan hij nu vermoedt, om haar dan--al moest het ook in stilte wezen--met zorg te behandelen zoodra hij van zijn reisje zal zijn teruggekeerd.
Ternauwernood is de generaal met zijn neef in de huiskamer gekomen, waar Coba voor het tweede venster aan de theetafel zit, of hij zegt terwijl hij even bij haar stilstaat:
"Zie je wel klein ding, August is het heelemaal met me eens. Nietmeer van die kunsten hoor!"
Terwijl Jacoba's bleek gezichtje met een blos wordt gekleurd vraagt ze: "Wat bedoelt u papa?"
"Wel, met dat onbesuisde zingen. Helmond geeft me volmaakt gelijk dat jou persoontje niet voor al die krachtsbetooningen en hooge noten in de wieg is gelegd."
"Maar pa, dat zingen...."
"Ja lieve kind, dat doet je wél kwaad; de heele muziekboel doet je kwaad. Als je zoo'n uur op de piano hebt zitten tamboereeren, en vooral na de les, dan kan ik 't je aanzien dat je moe bent. Laatst nog beefde je hand toen je me 't kopje gaf."
"Dat was na den _Erlkönig_ pa, en dat stuk....!"
"Ja dat is onverstandig kras, ik zeg _bepaald onverstandig_! Hoor eens lieve nachtegaal, August geeft me volmaakt gelijk dat je je versterken en je gestel niet door overmatige inspanning ondermijnen moet. Niewaar August?"
"Zeker Coba, oom heeft me gezegd dat je eergisteren...."
"Ja, ik heb August je kippenkuurtje van Dinsdag eens verteld. 't Kwam zoo ter sprake. 't Was niets niemendal. Maar, een tienponder kan geen kogels van een dertigponder verwerken. De mensch moet leven naar de mate der kracht die hem geschonken is! Zelfs nu nog, als _ik_ den Zonsberg met m'n zeventig jaren beklim, dan behoef ik niet te rusten, maar jij met je constitutie, je moet het driemaal doen. Zie, zoo moet je het in 't generaal aanleggen, indien je komen wilt waar God je voor geschapen heeft, dat wil zeggen tot je ouden dag; en als je dat niet doet, en je nog gaat overschreeuwen erbij, dan, waarachtig, dan ben je je eigen revolver. August denkt er precies zoo over. Niewaar?"
"Ik ben het zeer met oom eens Coba, dat je _niet te veel_ van je krachten moet vergen."
"Maar pa, u hebt zoo dikwijls gezegd dat bijvoorbeeld een soldaat door oefening...."
"Beste kind, in disputeeren heb ik geen lust. Van soldaten spreken we niet. Als je me met je lief gezichtje zoo wijsgeerig aan mijn militair herinnert, dan zou ik 't allereerst op _commando_ en _discipline_ komen, en je weet wel dat ik japonnetjes nooit als soldaten behandel. Ik hoop dat je uit overtuiging en uit liefde voor me doen zult, 'tgeen August volmaakt met me eens is dat je doen _moet_, en als deskundige van je verlangt. Donerie zal vooreerst niet meer komen. Piano en zang dienen een tijd lang te rusten. Voordat August op reis gaat, moest je hem en mij dat beloven. Zul je? Als we dan verder goed versterken; veel de lucht genieten--liefst op de vlakte--dan twijfel ik niet of hij zal bij zijn terugkomst moeten zeggen dat je er beter uitziet. Want ja, een beetje bleek zie je toch wel."
Jacoba is bij de laatste woorden van haar vader beurtelings rood en doodsbleek geworden. Meesttijds weet ze zich zonderling goed te beheerschen. Men zal niet licht bespeuren wat er omgaat in hare ziel indien zij het noodig oordeelt, het voor haar dierbaren te verbergen. Nu echter was het haar een oogenblik te machtig.
"Muziek en zang zijn mijn liefste uitspanningen. Waarom moet ik u en August.... beloven....?" zegt ze op bewogen toon terwijl er tranen blinken in haar zachtblauwe oogen.
Van Barneveld heeft niet geantwoord.
Die kijkers staarden hem aan als van een aangeschoten ree. Dat was den _generaal te machtig_.
"Coba, oom wil je volstrekt je genoegen niet ontnemen; hij vreest alleen dat het je nadeelig zal zijn."
"Als het _beter_ is dat ik niet zing en speel August, en vooral als ik er pa genoegen mee doe, dan kan ik het laten;" zegt Jacoba terwijl ze door een zekere bedrijvigheid bij het inschenken van de thee, den strijd tracht te bedekken dien het bedaard gegeven antwoord haar kost.
"Fiks gesproken Coba!" zegt de generaal.
Weinige oogenblikken daarna verlaat hij de kamer om in de serre een kijkje te nemen, of.... met de heimelijke hoop misschien dat August gedurende zijn afwezigheid, Jacoba nog eens ondervragen en verder goeden raad, ja, zoo het noodig mocht wezen, een "mengsel uit den medicijnwinkel" zal geven. Coba zag toch erg _erg_ bleek, en die kippenkuren konden terugkomen.
Helmond kent zijn pleegvader. Hij ziet hem de kamer verlaten en--straks is de deur weer gesloten.
"Heb je nooit pijn op de borst Coba?"
"Nee August."
"Kun je goed ademhalen. Zóó--diep, _diep_ ophalen? Probeer het eens flink!"
Jacoba voldoet aan Helmonds verlangen, doch met een afgewend gelaat.
"Ja 't is wel vreemd dat ik nu juist op mijn laatsten bruigomsdag hier bijna aan 't praktizeeren zou raken. Tot nu toe was ik zoowat de drop-en-kamille-dokter van 't huis. Maar je zult het ondervinden dat ik heel gemakkelijk voor mijn patiënten ben; en, als ik ze liefheb zooals mijn beste zusje, dan moeten ze in een heel klein poosje weer van zessen klaar zijn. Aan jou Coba, is echter voor 't oogenblik gelukkig niet veel eer te behalen. Oom maakte zich om dat kippenkuurtje eerst wel wat ongerust, en ofschoon er naar 't me voorkomt volstrekt geen kwaad bij is, zoo noem ik het heel verstandig dat je--ook om zijnentwil--een veertien dagen zijn raad wilt volgen.... Mag ik je pols eens eventjes...... Wat de muziek en 't zingen betreft lieve kind, daar zal op den duur volstrekt geen bezwaar tegen zijn." Helmond drukt den pols wat sterker, en vervolgt: "Nu Donerie wat ongesteld is komt het juist goed om je naar papa's wensch te voegen en wat vacantie te nemen."--Hij ziet Coba die zich heeft afgewend, nauwlettend van terzijde aan; laat den pols varen; vat hare hand, en zegt na een oogenblik stilte:
"Vertel me eens heel oprecht beste zusje, is er iets dat je hindert?--Heb je misschien 't een of ander dat je droefgeestig stemt? of...."
"Ik August?--Wel nee!"
"'t Kon wezen Coba. De booien zijn soms onaardig. Weegt het bestier van de huishouding je ook wat zwaar?"
"Nee August, volstrekt niet."
"Toch komt het me voor...."
Jacoba trekt haar hand uit die van Helmond, en zegt op sterker toon dan ze gewoonlijk spreekt:
"Ik heb niets, volstrekt niets dat me hindert August. Alleen maakt het me zenuwachtig als men zooveel notitie van mij neemt. Ik heb laatst wat hard gezongen onder 't klimmen. Als men verdriet heeft dan zingt men zoo niet.--Nu, toen ben ik van overspanning wat raar geworden. Als mijnheer Donerie ziek is dan kan ik vanzelf geen les nemen en is dit, zooals je wél zegt, een geschikte vacantietijd. Is....--Je wilt nog thee?--Is.... se--wat ik wou zeggen, ah--is mijnheer Donerie _ernstig_ ongesteld? 't Zou me niemendal verwonderen als die man eens erg ziek werd. 's-Winters kleedt hij zich onverstandig dun; bijna nooit een overjas aan. Zeker een zwaar gevatte kou....?"
"Ik geloof niet dat het veel te beteekenen had. Hoofdpijn. Wel mogelijk gevatte kou;" antwoordt Helmond zonder er veel bij te denken, want hij meende zeer goed te bespeuren dat Coba naar Donerie's ongesteldheid informeerde terwijl geheel iets anders haar vervult.
"Ik begrijp niet waar pa blijft;" zegt Coba terwijl ze opstaat en met afgewend gelaat zich voortspoedt naar de deur.
"Coba! Jacoba!"
"Is er iets August?"
Hij staat vóór haar; ziet haar fiks in de oogen, en haar fijne vingertjes vattend zegt hij kalm:
"Zusje, als daarbinnen verdriet of hartzeer woelt, dan zijn wij dokters met onze medicijnen niet in staat de kwaal te genezen. Dat _verdriet_ of _hartzeer_ moet worden weggenomen. En wat dunkt je zou ik nu--_zelf_ ten toppunt van geluk--mijn lieve pleegzusje met een vroolijk hart kunnen verlaten terwijl ik vermoed dat zij iets heeft 't welk haar niet gelukkig maakt, of dat haar hindert althans; dat er werkelijk iets anders is 'tgeen haar gestel zou kunnen ondermijnen dan muziek en zang zelfs bij 't bergen klimmen? Coba ik heb je goed bekeken. Men ziet het maar zelden wanneer je iets wat je grieft of smart, verbergen wilt. Maar ik zeg je nu, dat je 't een of ander te onderdrukken zoekt; misschien al sedert lang, en ten koste van je gezondheid. Als de oorzaak van dat verdriet wordt weggenomen Coba, dan zul je waarlijk weer veel flinker zijn. In één woord, zeg me wat je hebt. Straks spreek ik met oom.--In de stemming waarin hij nu is zal hij alles toegeven; ja, al moest hij den ouden Willem of Betje wegjagen indien ze je hier in 't een of ander den voet dwars durven zetten, hij zou het doen. Oom ging naar de stad wonen als ik hem zei dat de stilte je hier onaangenaam werd en kwaaddeed. Dus, beste kind...."
"Ik dank je vriendelijk voor je belangstelling August, maar je hebt het mis. Niemand ter wereld heeft mij eenig verdriet gedaan, en _De Zonsberg_ is het liefste plekje dat ik ken. Zul je pa eens inschenken? Ik moet even naar boven."
"Niet te haastig, niet te haastig die trappen op!" roept de generaal zijn dochter na, en dan binnentredend tot Helmond, alsof hij overluid een straks afgebroken gedachtenloop vervolgt: "Wat me óók zeer waarschijnlijk voorkomt August, het is dat Coba meer dan ze toonen wil gevoel van je huwelijk heeft.--'t Ligt in den aard der zaak dat je niet meer zoo dikwijls zult hier komen en dat ze je dikwijls zal missen. Coba houdt veel van je, August. Bij al wat we nu te observeeren hebben, zal het haar mede goeddoen dat die zaak nu morgen maar afloopt. Ze wil voor geen werelds-geld thuis blijven. 't Zou misschien beter zijn...."
"Dat geloof ik niet oom; afleiding is goed, en ik zal morgen bijtijds een klein fleschje zenden waarvan ze een paar keeren vóórdat u uitrijdt, gebruiken moet."
Hendrik de huisknecht annonceert op dit oogenblik met een ternauwernood onderdrukten glimlach: "Mijnheer Kippelaan!"
"Er is belet Hendrik. Zeg zeer beleefd aan menheer Kippelaan dat ik iemand bij me heb met wien ik moet spreken.... iemand die.... uit de stad moet, die.... Ik kan den man niet ontvangen."
Weinige oogenblikken later komt Hendrik terug, en zegt dat mijnheer Kippelaan juist het allermeest is gekomen om den persoon dien de generaal bij zich heeft: "Hij wilde dokter Helmond zoo bijzonder graag eens eventjes spreken."
"Ben je zijn dokter August?"
"Ik zou bijna zeggen: helaas ja!"
"Laat menheer binnen Hendrik."
Mijnheer Kippelaan struikelt de kamer in; ziet naar den dorpel om, en dan met een buiging:
"Serviteur je excellentie. Nee ik derangeer u niet; nee waarlijk niet; 't was maar om eventjes.... Ah! comment va Helmond; altijd wél geweest sedert ik 't plezier had je van morgen....?"
"Neem even plaats menheer Kippelaan;" zegt Van Barneveld met een aanwijzende beweging der hand, waardoor hij die hand voor een verovering van den bezoeker zoekt te vrijwaren. Doch, Kippelaan heeft zijn prooi reeds bemachtigd en dubt er mee op en neer.
"Pardon, pardon excellentie, ik kan bij deze gelegenheid niet nalaten u nogmaals van harte, van harte...."
"Ik dank je menheer;" zegt Van Barneveld terwijl hij tamelijk militairement zijn hand uit den kerker bevrijdt.