Chapter 49
"Watblieft u mevrouw?"
Terwijl Virginie Helmond den kapitein verzoekt om--voor zoolang als hij hier zal blijven--van een der beide benedenvertrekjes die haar hospita wil inruimen, gebruik te maken, is Eva--na een aarzeling--opgestaan, en, tot Philip genaderd, zegt ze fluisterend met neergeslagen blik:
"Ik wilde u iets vragen. Het betreft...."
Ofschoon Philip bij deze onverwachte toespraak eensklaps zeer bleek is geworden, zoo bespeurt Eva echter zijn ontroering niet, en, zich aanstonds herstellend, opent hij de deur van het kleinere achtervertrek en zegt:
"Ga in deze kamer mevrouw. Hij mocht ons hooren misschien."
En daar staan ze nu tegenover elkander. Eva is zeer gejaagd. Bij haar diepe smart pijnigt haar niets zoo geweldig als de gedachte, dat ze zich nu in de woning van dien Philip en zijn vrouw bevindt, en van hunne weldaden en hun genade afhankelijk is. Bovendien, in den laatsten tijd zeer aan ruime vertrekken gewoon, is het haar hier onmogelijk klein en benauwd. Met den sleep van haar kleed vult ze bijna de geheele ruimte van dit hokje.
't Is toch alsof dat gevoel haar nog uit een andere oorzaak hindert. Eensklaps vat zij de overvloedige ruimte van haar japon en trekt die naar boven.
"Wat wenscht u mevrouw?" zegt Philip en zijn stem klinkt ongevoelig.
--Is dat dezelfde man die haar straks met zijn hulp heeft terzij gestaan! Maar toch, dien toon kan zij nu beter verdragen: Koudwater dient haar; hoe killer hoe liever.
"Wij zijn u tot last," vangt ze aan terwijl ze--nog bezig met dien sleep van haar kleed--de oogen steeds naar omlaag houdt: "Uw woning bestaat uit deze twee kamers niewaar?"
Philip geeft geen antwoord. Eva vervolgt:
"De dokter heeft gezegd dat de voorkamer, met het oog op mijn lieven zieke, wel wat klein is. 't Zal hem kwaad doen als wij daar gedurig tezamen zijn.... Ik wenschte.... Ik zal in het dichtstbijgelegen logement een paar ruime kamers bestellen, en dan...."
Eva zwijgt.--Philip zwijgt mede; doch, na eenige oogenblikken van stilte ziet hij haar met gefronste wenkbrauwen aan, en herhaalt op vragenden toon hare laatste woorden: "En dan....?"
"Dan wilde ik Helmond erheen laten brengen," herneemt Eva: "tenminste wanneer de dokter het goedvindt. Natuurlijk met alle voorzorg; in een welgesloten rijtuig. En...."
Eva zwijgt weder.
"En....?" herhaalt Philip.
"Ja, en ik zou u dan hartelijk.... willen.... dankzeggen, voor..."
"Voor....?" vraagt Philip even koud.
"Voor alles wat u deedt in 't belang van mijn lieven man; en u verzoeken...."
Droefheid en verlegenheid werken samen tot het te voorschijn roepen der tranen die Eva weer snikkende schreit. Philip komt haar een schrede nader:
"Mevrouw," zegt hij zeer bedaard: "op dit oogenblik treffen uw tranen mij minder dan ik wenschen zou. Vergeef mij, ik kan niet altijd zwijgen, 't is mijn gebrek. Maar 't was toch mijn plan niet u hard te vallen. Tegen uw wil en tegen den mijne kwaamt u in deze woning. Geloof me, ik zal de wetten der gastvrijheid--en nú vooral--geen oogenblik schenden. Er is voor gezorgd dat uw vader en de doktersweduwe met u in deze woning kunnen blijven zoolang als zij 't verkiezen. Voor wie bij August moet waken zal mede op de voorkamer een bed worden gespreid. Niet meer dan één of twee personen tegelijk behoeven bij den zieke te zijn. Ik vrees geen oogenblik dat een verblijf hem hier, op die wijze, nadeelig zou kunnen worden. De lucht is hier frisch aan het IJ.--Ik bid u laat mij uitspreken: Mijn vrouw en ik, we beschouwen u van dit oogenblik afaan als meesteresse in die voorkamer, dáár. Wat u noodig hebt 't zal er wezen. Ik ben een zeer rijk man op dit oogenblik mevrouw. Maar," vervolgt hij zacht doch met klem: "tenzij de _dokter_ gebood dat August in 't belang zijner herstelling naar elders moest vervoerd worden--'tgeen ik voor onmogelijk houd--zal ik niet toestaan dat hij ergens anders dan in deze woning herstelt of.... sterft. Ik herhaal u, _dat zal ik niet toestaan_. Misschien kent u beter dan ik de oorzaken mevrouw, die hem een _rijke_ woning deden ontvluchten."
Eva sidderde.--Moest zij zoo iets hooren, zoo iets van hem! Waar is haar vader; waar blijven ze dan om haar te beschermen! O, nu hij haar hier _alleen_ heeft, nu durft de man, die haar straks voor 't oog van anderen zoo liefdevol bijstond, haar wel waarheden zeggen die.... Hoe! Eva beeft nog sterker.--Heeft hij haar _waarheden_ gezegd!? O God! Haar ontroering zal ze nu toch verbergen. Moet ze het dan hooren, van die lippen, dat ze zelve.... Neen, hoor:
"Maar naar die oorzaken vraag ik niet. Ik wilde u slechts zeggen, dat ik August op mijn weg heb ontmoet. Van zijn onschuld was ik niet overtuigd. 't Sprak vanzelf dat ik hem in bescherming nam, en een eed zwoer dat men den armen zieke _niet_ vatten zou. Ha, daar was een middel!" vervolgt Philip, en zijn oogen glinsteren ofschoon hij dat middel niet noemt. Goddank, 't was onnoodig geweest zich inplaats van zijn broeder, den vluchteling te noemen: "Maar noodig was 't wèl dat ik hem hier bracht: Zijn eenige "trouwe vriend" kon hem niet opnemen. 't Was om de "lieve kleinen" zei Woudbergs vrouw; men vreesde voor een epidemische ziekte.--Nú is hij hier: 't zal u vrijstaan mevrouw, te blijven of te vertrekken naar goedvinden; maar, ik zeg 't u nóg eens: hier zal hij beter worden of--sterven!--En, als er niemand mocht zijn om hem te verzorgen, al moest het ook weken en maanden lang duren"--Philips stem bekwam eensklaps iets trillends, iets onbeschrijfelijk roerends: "dan, zie,--dan zouden wij hem toch terzij blijven, _mijn vrouw_ en _ik_; en aan niets, nee, zoo waarachtig als hier een hart klopt, aan niets zou het hem ontbreken, al moest het laatste stuk uit ons huis, ja, al moest de wieg waar ons kind in slaapt, er voor verkocht worden."
--O God, die tranen in dat oog.... Eva weerstaat ze niet.
"Philip!" zegt ze en grijpt de hand van dien vurigen man; en weder: "Philip!"
En hij?--O, dat klinkt als muziek.--Maar neen, dat heeft hij niet bedoeld; niet gewild; en.... Ha, gelukkig, een zachte kreet van den ontwakenden kleine geeft hem het recht om snel zijn hand uit die van Eva terug te trekken. Nu spoedt hij zich voort naar de wieg. Zie, het wakker geworden jongske, met zijn frissche koontjes door den slaap gekleurd, het lacht en kraait zijn lieven vader weer toe.
"Sust sust Fritsje, stil! geen leven maken mijn kleine man!" zegt Philip, en neemt het blondkopje uit de wieg, dien lieven kleinen mol! En als hij nu zijn lippen op die lachende koontjes drukt, dan strekt het kind de kleine poezele handjes naar Eva uit, en wiegt onrustig met het lijfje naar die zij; en ziet haar aan met zijn lokkende blauwe kijkers.
--O welk een engelachtig kind! Zie, zie, hoe het haar toelacht. Met een snelle beweging wischt Eva zich de tranen af; en--als ze het kind, dat zich al meer en meer naar haar vooroverbuigt en bijna het evenwicht zou verliezen, nu met de beide handen heeft opgevangen, dan zegt ze zacht:
"Dat is je zoontje, niewaar Philip?"
"Ja," klinkt het op zonderlingen toon: "_en het kindje van Virginie_."
Terwijl Eva het jongske zoent, heft ze haar schoone oogen tot den broeder op, en dan.... dan wil ze iets vragen....
Maar 't was niet noodig. Terwijl het in de voorkamer rustig bleef, scheen de moeder te hebben gevoeld dat haar kind was ontwaakt.
Virginie kwam zachtjes den hoek der deur om, in het achtervertrek. Ze zag haar Fritsje in Eva's armen. En:
"Virginie.... zuster!" zegt Eva met bevende stem. Meer zeide ze niet. Maar 't was genoeg.
En, als het spartelende jongske een oogenblik later op den arm der moeder zijn Fiffie, Fiffie! roept, dan heeft Eva den strijd gestreden. Ze had op de bleeke wang dier moeder een zoen gedrukt, een zoen van dankbare liefde.
't Was nu omstreeks een half jaar geleden. Aan Philips eisch was voldaan: August had _zijn vrouw geroepen_ en--hun jongske heeft _nú_ niet _geslapen_.
VIER EN VEERTIGTSE HOOFDSTUK.
Slechts voor weinige oogenblikken mocht een weldadig gevoel Eva's borst doorstroomen. Droeve hulpkreten klonken er weer uit de aangrenzende kamer. Eva's hoop, straks door Helmonds kalmer neerliggen gewekt, en de zoete gewaarwording der overwinning die zij op zich zelve behaalde, ze waren eensklaps vergeten.
Het innigst medelijden met dien lijder moest nu wel het ongevoeligste hart vervullen.--Eva was radeloos.--'t Werd onmogelijk dat zij langer in de ziekenkamer bleef. Slechts mannenkrachten waren instaat om den armen zieke te beteugelen. Zijn ijlende waanzin uitte zich het allermeest door het denkbeeldig beschermen van een kind tegen duizenden moordenaars, die het van een schaap wilden wegtronen, hem lokkend met gansche snoeren van diamant; en dan weder, zoo mogelijk nog sterker, door in doodsangst te willen ontvluchten aan de handen van bloeddorstige beulen die hem aangrijnsden omdat--zie maar, omdat daar het lijk lag van den generaal, den pleegvader, door hem vergiftigd, door hem vermoord.
De dokter, die tegen den avond nog eens terugkwam, heeft het niet tegengesproken dat het misschien weldadig op den patiënt zou kunnen werken, indien mijnheer Van Barneveld zich spoedig aan hem kon vertoonen:
"Ja zeker mevrouw, toen hij ú zag, toen werd hij óók kalmer. Welzeker!"
"Indien ik dan aanstonds schreef?"
"Ja, dat zou niet kwaad zijn.--Van harte 't beste! Tot morgen. Als ik van nacht soms noodig mocht zijn dan...."
"O God, dokter, u vreest toch niet....? Nee! mijn beste Helmond zal immers beter worden?"
"We zullen doen wat we kunnen mevrouw. Zoolang er geen zekerheid voor een droevig einde is, geven we de hoop niet verloren. In uw beider belang moet ik u echter bepaald ontraden om vooreerst weer bij hem te gaan. Wanneer hij morgen rustiger is.... Ja, dán, welzeker!"
--O, is er een vreeselijker toestand te bedenken!? Hier in het benedenhuis, in een benauwd en somber vertrekje, hier moet ze werkeloos toeven en verteren van angst, terwijl daarboven een aangebeden man door anderen wordt geholpen.... Eva vliegt overeind.
"Lieve kind, blijf toch wat kalm," zegt mevrouw van Hake: "Papa is immers óók boven. En hoor maar.... 't is nu weer rustig."
"Maar hier, hier is de onrust onbeschrijfelijk!" roept Eva, en drukt de hand met geweld op de borst. "O God, _als_ hij stierf.... ik zou krankzinnig worden, want.... Maar nee, _ik_ heb het niet gedaan. Nee, nee!" klaagt en schreit ze voort: "nee, ik heb hem zoo lief, zoo waarachtig lief.--Die vrek is de hoofdschuldige. En hij moet hier komen; hij _zal_! O schrijf hem, lieve engelachtige vrouw; schrijf hem dat August zal sterven als hij niet _aanstonds_ hier komt. Nee ik, _ik_ kan het niet."
Mevrouw Van Hake is tot schrijven bereid.--Maar dan--zou een brief er niet te laat komen, en zal die gestrenge man gevolg geven aan het dringend verzoek indien Eva het niet zelve vraagt?
--Ja zeker, de brief zal te laat komen, meent Eva, en, waar is het ook, indien zij 't niet zelve vraagt dan zal hij spotten met haar droefheid en angst.--In Godsnaam! Als zij dan kruipen moet, dan zal zij 't nú doen ter wille van dien eenigen vriend!--'t Zal een telegram zijn,--Goed, zij schrijft met trillende hand:
"Generaal!"
--Neen, dat kan niet blijven. Weder schrijft ze:
"De pleegvader van dokter Helmond wordt dringend verzocht..."
--Neen, alweder neen! Zóó weigert hij.--Opnieuw:
"Geachte oom!"--O welk een leugen! "Indien gij nog eenig gevoel voor uw pleegkind hebt...."
--Maar is zij dan krankzinnig! Al ware die stijl geschikt voor een telegram, op dien toon zal zij hem zeker niet bewegen om in allerijl naar hier te komen.
Eva staart voor zich heen. En, 't is haar eensklaps alsof ze den grijsaard dáár zag. Zij spreekt hem aan; zij verzoekt hem dringend dat hij August zal gaan zien en tot kalmte brengen.--Hij weigert.-- "Lieve oom!"--Hij schudt met dat grijze.... toch wel eerwaardige hoofd.--"Oom, beste oom, ik bid, ik smeek u!"--Hij ziet haar aan, maar zwijgt.--"Lieve oom.... ik heb schuld; ja wij zullen terugkeeren van dien weg.... beste oom, maar om Godswil.... ga dan ook mee?"
--Zie, nu wenkt hij haar toe.
Eva drukt vluchtig de hand voor de oogen. Een oogenblik later schrijft ze opnieuw. Eerst het adres, en dan:
"Beste oom. In bitteren zielsangst smeek ik u, kom Helmond _aanstonds_ zien. Hij roept u. Hij zal sterven indien u wegblijft. Eeuwig dankbaar zal u zijn uw
Amsterdam, Buitenkant 103. Eva Helmond,
Armelo."
Het telegram werd verzonden.
En--er volgde een lange en droevige nacht.
Des anderendaags tegen den namiddag, bevonden zich onder de aangekomen reizigers met den sneltrein uit Utrecht, een deftig oud heer benevens een tengere jonge dame. Een oude knecht in eenvoudige livrei, met een valies in de hand, is hen reeds vooruitgegaan, en helpt straks met de meeste zorgvuldigheid den grijsaard en diens bleeke dochter in de vigilante, welke hij spoedig als de beste heeft uitgezocht.
"Naar de Keizerskroon Willem;" beveelt de oude heer.
"Best generaal;" zegt Willem, en slaat even aan, alvorens hij zich naast den huurkoetsier op den bok zet.
"Niet zoo hard rijden;" zegt Willem tot den voerman: "De generaal is niet al te wel, en hard rijden op de steenen zou hem kwaad kunnen doen."
"Zoo, is dat een generaal?" zegt de aangesprokene: "Ik dacht wel dat het een hooge van 't volk was. Nou hier in Amsterdam malen we daar weinig om."
Willem zweeg, maar op gevaar af van een "standje" met dien huurkoetsier te krijgen, greep hij als man van 't vak, naar de leidsels, want, dat vreeselijk gehots op die keien 't moest den generaal zeer zeker hinderen.
Ja, Van Barneveld was inderdaad zeer vermoeid toen hij aankwam. 't Was volstrekt noodzakelijk dat hij eerst in 't logement een half uurtje uitrustte.
De eerste vraag van Jacoba aan den opperschenker in het logement, was, om haar aanstonds een kopje en wat melk te bezorgen. Nog met haar handschoenen aan, maakte ze voor den lieven vader weer een van de poeders klaar die den zieke zoo heilzaam zijn geweest; en--in geen geval zou ze het anders doen dan dokter August Helmond had voorgeschreven.
"Over een half uur de vigilante;" beval Van Barneveld: "Buitenkant, nummer honderddrie."
Aan dien Buitenkant Nº. 103 stond het dokterskoetsje voor de deur. De dokter sprak in een der benedenkamertjes nog even met mevrouw van Hake. 't Was heel goed dat mevrouw Helmond nu maar boven bij hem was. Neen, kwaad kon het volstrekt niet; och nee.--Over een paar uren hoopte hij nog even aan te rijden, want.....
Mevrouw Van Hake vernam verder de laatste woorden in de gang, en zag daarna het koetsje wegrijden.
O welk een onbeschrijfelijk zalig oogenblik is het geweest, toen die schrikkelijke nacht was voorbijgegaan en de afgetobde lijder, na eenige uren van rust, de oogen heeft geopend, en kalm en zacht heeft gevraagd;
"Is Eva niet hier?"
--Ach, wáár zou ze nu anders wezen! Ja ja, hier was ze:
"August! eeuwig dierbare, lieve August! Och je kent me dan weer?"
"Ja, ja juist, ik wist wel dat je komen zoudt."--Hij ziet haar aan: "Goddank dat je er bent mijn lieve.--Ik ben erg ziek Eva; heel ziek."
"Ja mijn beste, maar nu ben je beter."
"Beter?--Toch niet _heelemaal_ beter Eva. Ik voel.... Luister eens.... Hier.... Geef me die hand.... Zoo.... Wacht even.... 'k Ben moe.... heel moe...."
"Lieve beste August, als het je vermoeit, spreek dan niet; word dan eerst weer sterk en gezond."
"Ja, maar dan zou het te laat kunnen zijn;" zegt Helmond weder na een korte pauze en nu op zeer duidelijken toon: "Zoo, ja met die lieve hand op mijn hoofd dat is goed.--Eva, zeg, zijn wij alleen? Is daar nog iemand?"
"Ja beste, hier is papa; en Philip is daar ook. Je trouwe brave Philip die je in zijn woning verzorgt."
"Ik weet het; ik heb dat alles gehoord.--Goeje jongen! Onverdiend!"--Hij roept luider: "Philip!"
De jongere Helmond staat nu bij het ledikant. 't Is hem onmogelijk om een woord te spreken, nu hij de trillende broederhand vat die hem werd toegestoken, terwijl die afgetobde blauwe oogen hem zoo onverklaarbaar gevoelvol aanstaren.
"Papa ook;" herneemt August: "Brave man! Hier blijven allebei Mevrouw Van Hake....--_Virginie_!" zegt hij weer luider.
"Och Philip, roep je vrouw; hij wil haar zien;" zegt Eva snel:--O hoe helder spreekt hij nu. "Lieve eenige August!--Goddank, Goddank dat alles voorbij is!"
Een oogenblik bleef het stil.
"Ja, alles is voorbij...." herneemt Helmond, en vervolgt, somtijds zwakker doch ook telkens weer met heldere stem: "Voorbij!.....'t Was een korte dag. De morgen was wel schoon, maar de avond is vroeg gevallen; een leelijke mist had den dag verdonkerd...."
"Het ijlen begint weer;" fluistert Armelo bijna onhoorbaar tot mevrouw Van Hake; "Dan moet Eva weg. Volstrekt!"
"Ja Eva, ja, mijn zwakheid heeft dien korten dag in een mist gehuld...."
"August, mijn lieve August, spreek daar niet van."
Helmond slaat vluchtig de oogen tot haar op:
"Ik heb vreeselijke droomen gehad Eva."
"Och, die zijn nu voorbij," zegt Eva weder, en zoent hem op de ingevallen wang.
"Zóó, dat wilde ik juist vragen," herneemt de zieke zeer luid: "een _zoen_! Ik wist wel dat je hem geven zoudt, mijn _mooi lief kind_, mijn _nachtegaal_!"
Eva blijft hem zoenen met vuur, totdat de stem eener zorgvolle, vriendin haar in 't oor fluistert:
"Spaar hem. 't Is niet goed lieve Eva!"
"Laat haar, brave vrouw;" zegt Helmond weder, en heeft nu de oogen der doktersweduwe ontmoet: "Zij wil het doen voor u allen: mij mijn schuld vergeven." En dan nog luider: "Ja, _mijn schuld mij vergeven, mijn zondige zwakheid, mijn ellendige zwakheid_!"
Het moede hoofd viel terzij. Zóó kon hij niet voortgaan, maar toch vernam men nog met bijna onhoorbare klanken: "Als een kind grijpt naar de vlam eener kaars, dan.... weerhoudt men dat kind...."
't Gaf Eva na de oogenblikken van stille blijdschap over die merkbare beterschap--waardoor ze als 't ware in den zoeten dommel van 't verleden was teruggevoerd--een vreeselijken schok toen Helmonds laatste, misschien alleen voor haar verstaanbare woorden, haar zoo ontzettend diep in de ziel zijn gedrongen.
--Nu weet zij het weer; ja, alles ineens:
--Door háár, door háár alleen, is die brave goede man al dieper en dieper gezonken.
--Door hare schuld, o God, was er in zijn reine ziel waarschijnlijk voor een oogenblik--een _ondeelbaar_ oogenblik--de _gedachte_ opgerezen dat het geneesmiddel voor den grijzen pleegvader in een grooter hoeveelheid toegediend, het middel ter uitredding in den nijpenden geldnood zou kunnen worden.--Ja, Eva weet het nu alles: Wat zij niet zelve heeft begrepen, dat heeft die trouwe vriendin haar op 't zachtst en 't liefderijkst doen gevoelen.
"Och August!" barst Eva nu bitter schreiende los: "Moet ik, _ik_ vergeven, ik, ongevoelig ijdel schepsel, _ik_!" Zij verbergt haar schoon gelaat in de beide handen, en dan, voorover vallend op zijn kussen, schreit ze nokkend voort: "_Ik_ ben schuldig, _ik_ heel alleen. O wát geef ik om _alle_ schatten ter wereld als _hij_ maar leeft. Och goede God!"
De oudere Helmond heeft het hoofd weer naar Eva's zij gewend: hij doet een poging om zijn hand op haar hoofd te leggen.
Mevrouw Van Hake ziet het, en is hem behulpzaam. Hij dankt haar met dat moede goedaardige oog. De weduwe verwijdert zich van het ledikant, 't Kon iemand te machtig worden. Helaas! zij weet dat er maar zeer weinig hoop op beterschap is.
"Eva niet schreien;" herneemt nu Helmond. En na een oogenblik stilte: "Wij hebben elkander te zwak.... maar toch zeer liefgehad, Eva.... _zeer_! En, nu zullen wij scheiden lieve kind."
't Was dokter Helmond aan te zien dat hij zich nog in deze laatste ure beheerschen kon. Hij heeft Eva de naderende scheiding zelf willen aankondigen. Hij had zich voorbereid op de uitwerking van dien vreeselijken schok. Het moest zoo wezen, in aller belang.
En, na een akeligen wanhoopskreet van Eva, en een uitbarsting van haar hevig beangst gemoed, terwijl ze schier in vertwijfeling God en menschen om redding smeekt voor hem die haar zoo lief is, slaat Helmond met alle krachtsinspanning den arm om haar hals, en zegt met heldere stem:
"Toon dan nog eens Eva, dat je mij waarlijk liefhebt, en schrei niet zoo hevig lieve; dat schreien maakt mij het sterven _bang_!"
Zie, die woorden wekken haar op. Ja zij vermant zich.--Moet zij hem dan ook het sterven nog bang maken. _Zij_!
"O, maar God zal het niet gedoogen! Nee August! Nee, nee, _niet_ sterven, mijn lieve _lieve_ man! In een hut wil ik wonen als je maar bij mij blijft; met brood en water zal ik tevreden zijn. O, voor wie, _voor wie_ zou ik leven, als jij, mijn eenige, me ontvallen moest!"
En Helmond fluistert met trillende stem:
"Voor ons kindje Eva. Als God wil dan zie je mij in ons kindje weer.... Wees sterk, en leef voor hem lieve vrouw...." En dan bijna onhoorbaar: _Als een kind grijpt naar de vlam eener kaars_...."
"Mijn engel, mijn eenige!" nokt Eva aan zijn oor: "Zoo waar als God leeft, ik zal sterk zijn en goed. Maar jij zult bij mij blijven; jij zult _hem_ leeren, en mij steunen; ja August, ja!"
"Ik heb het wel vurig gewenscht.... lieve vrouw. Ik zou hem zoo graag.... op den arm hebben gedragen.... en gekust op dat lieve kopje, maar, dat zal niet zoo zijn." En zich afwendend, onhoorbaar: "Nee, niet zoo zijn. Ik heb het niet verdiend!"
In het uur dat volgde kwam de dokter weder. Hij schudde het hoofd. Maar gelukkig, de zieke was nu zeer kalm; en de liefde van allen die hem omringden spreidde zijn peluw zacht.
Daareven was het een treffend oogenblik geweest. Met de vervlogen hoop om ooit het kindje te zullen zien waarnaar hij zoo vurig verlangde, heeft hij, waarschijnlijk teneinde zich nog even in de aanschouwing van een kleinen Helmond te verheugen, de namen van Virginie en Fritsje genoemd. En, ijlings is toen de moeder heengesneld en met haar jongske teruggekomen. Ja, ofschoon August onmiddellijk na het roepen van die namen heeft gestameld, dat men hem het kindje toch liever niet brengen moest--immers de vrienden Woudberg waren misschien met eenig recht bezorgd voor hun kroost geweest,--die moeder, die ouders _hier_, ze hebben geen oogenblik berekend.
Ach zie, met Fritsjes kleine warme handje, streelt nu die moeder nog zijn kille wang.--O God, dat deed hem zoo onbeschrijfelijk goed, en hij heeft gestameld:
"Philip, Virginie.... Eva, lieve vrouw, onze kinderen zullen, als God wil.... vrienden zijn, _trouwe brave vrienden_!"
Slechts twee wenschen, die de lijder een paar malen heeft geuit, schenen niet vervuld te zullen worden. De generaal Van Barneveld was nog niet gekomen, ofschoon hij desnoods reeds in den voormiddag te Amsterdam had kunnen zijn.--Mevrouw Van Hake bedroefde dit, misschien het allermeest in _Eva's belang_. Maar, innig deed het haar tevens goed, dat Helmonds tweede wensch--ofschoon die bezwaarlijk zou kunnen vervuld worden--haar besten Thomas gold. Helaas, het zou zeker te laat zijn al wilde men hem nú nog ontbieden, maar--Thom zou het weten, en levenslang zal hij den geliefden dokter er voor zegenen, dat hij nog in zijn laatste uren tot driemaal toe naar zijn "braven Thom" heeft gevraagd.
Een weldadig gevoel mocht mede de goede vrouw vervullen, toen zij weinige oogenblikken later het papier kon toevouwen, 'twelk een zeer kort afscheidswoord van dokter Helmond aan zijn pleegvader bevatte, een vaarwel, 'twelk hij haar met zwakke stem gedicteerd had, en daarna, ofschoon met onvaste hand toch zeer goed leesbaar, met zijn voornaam heeft onderteekend.--Dat afscheid luidde:
"Oprecht geliefde pleegvader!
"Heb dank voor alles. Laat mijn sterven de zoen zijn voor het leed, dat wij u hebben aangedaan.--Ik beveel u de vrouw aan, die ik te zwak heb bemind, en het kindje waarvoor zij leven wil. Mijn vertrouwen staat vast dat mijn weldoener grootmoedig mijn schuldeischers voldoen, en mij bovenal de schuld mijner zwakheid zal vergeven. Groet mijn zusje met een kus. Vaarwel!
Uw stervende
August."