Dokter Helmond en zijn vrouw

Chapter 48

Chapter 484,006 wordsPublic domain

Jacoba zinkt eensklaps voor het ijzeren bed op hare knieën neer; vat de hand van dien grijzen vader, drukt er haar voorhoofd in, en schreit.

--O God, ze schreit; maar toch, een oogenblik zóó zalig als _dit_, ze had het nog niet beleefd.

"Bedaar, bedaar, klein onverstandig meisje. Kom, ga nu gauw wat rusten. Den ganschen nacht heb jij voor je vader gezorgd, maar hij, niewaar mijn goed kind, _hij_ heeft toch ook de _melk gedronken._"

Zoodra de October-zon dien morgen de luiken en blinden binnen Romphuizen voor 't meerendeel heeft doen openen, heerschte er een buitengewone levendigheid op het kantoor van den Rijkstelegraaf. Het gerikketik klonk er bijna zonder ophouden. De metalen draad naar de zij van Briesborg en Utrecht had geen oogenblik rust.

En zeker, het groote Romphuizer Hondsbosch vermoedde niet dat er door den dunnen draad die--den kronkel van den straatweg volgend, langs zijn takken gespannen was, een aantal vragen en antwoorden vlogen, voor 't meerendeel met betrekking tot den man die gisteren in den guren avond tusschen zijn stammen en struiken heeft rondgedwaald.

De beide spreeuwen die zooeven uit het boschje op den grauwen draad waren neergestreken, ze vlogen er nu eensklaps van weg. Hadden zij 't gevoeld dat onder hun teere pootjes de vraag van de Briesborger zijde als een bliksemstraal heenschoot:

"Is generaal Van Barneveld vergiftigd? Reeds overleden? Vermoedens op dokter Helmond?"

Natuurlijk die diertjes gevoelden het niet. Vroolijk in den zonneschijn vlogen ze stoeiend en zwenkend voort.... tot op het dak van _Het Roode Zoodje_, en trippelden daar op het verweerde riet, en gebruikten straks in den voerbak, die voor de deur stond, hun ontbijt, zóó luchtig en opgeruimd, alsof ze 't nu toch werkelijk vermoedden dat daarboven, door dien draad langs de palen, het antwoord gleed:

"Generaal Van Barneveld bijzonder wel. Van vergiftiging in Romphuizen geen sprake. Zekere majoor Kartenglimp dood.--Dokter Helmond vermoedelijk ziek."

't Was misgeschoten. Toen grauwe Toon straks buiten kwam en een vijftal lijsters, die juist de laatste roode bessen aan gindschen hoek van het bosch hadden genuttigd, op den telegraafdraad hun siësta zag houden, toen heeft hij de verzoeking niet kunnen weerstaan, en.... paf! Maar, een ondeelbaar oogenblik te voren was het vijftal den draad ontvloden.... Zou het mogelijk zijn dat het bericht 't welk--rapper dan hun vleugels--onder hen heenvlood hen heeft geschokt:

"Mevrouw Helmond in doodsangst; Zet onderzoek voort in haar belang.--Spoed, Spoed!"

En de dépêches, die in Romphuizen werden aangeboden en moesten bezorgd worden, gunden het personeel aan den Rijkstelegraaf gedurende den ganschen voormiddag geen rustig oogenblik.

"Goddank menheer," zei de besteller tot den telegrafist toen deze in den namiddag het kantoor sloot: "Goddank, dat we nu toch weten dat ie in Amsterdam zit, en--dat het hier beperkte dagdienst is.--O ja, complement van menheer Kippelaan," vervolgde de man: "en of u van avond na sluiting plezier hadt om een kopje thee bij hem te komen drinken?"

DRIE EN VEERTIGSTE HOOFDSTUK.

Op het bovenportaal eener kleine woning aan den Buitenkant te Amsterdam staan twee mannen; de een staat bij de deur der kamer, waaruit hij zooeven gekomen is; de ander op de bovenste trede der steile trap met de hand aan de leuning.

"Ik herhaal je menheer Baars, dat ik in _geen_ geval aan je onbillijken eisch zal voldoen;" zegt de eerste op gedempten toon.

"Onbillijk!" herhaalt de tooneeldirecteur met smadenden lach: "Denk je dan dat we ons dáármee 't hoofd kunnen breken? 't Zou wat moois wezen als de een niet wou spelen omdat z'n neef 'en zinking op 't oog had, of 'en ander omdat z'n zuster aan eksteroogen leed!"

"Die zoutelooze aardigheden zijn ongepast. 't Geldt hier een doodzieken broeder, die al gedurende twee dagen en nachten in gestadige ijlkoortsen ligt, en door niemand dan mij wil geholpen zijn."

"Ja, dat is allemaal tot je dienst, maar daar kan een directeur zich niet om bekreunen. God beware! Toen m'n eigen vader op sterven lag, toen speelde ik 's-avonds wel voor Thomas-Vaer in de Bruiloft van Kloris en Roosje; en toen ik m'n moeder 's-morgens begraven had...."

"Toen hadt je je 's-avonds in je rol moeten ophangen!" snerpt Philip op dof schrillen toon. En dan: "Maak dat je wegkomt!"

"Maar sakkerloot, een acteur moet...."

"Een acteur moet niet vergeten dat hij _mensch_ is. Ik heb nooit begrepen dat dit een eisch was dien men hem stelt. Nog eens: Zoolang ik in zorg ben over mijn broeder speel ik _niet_!"

"Haha, dat is dan die hooggeroemde _trouw_!"

"Wanneer ik onwetend mijn woord gaf voor iets, dat beneden mij is, dan breek ik dat woord. Ga heen! Ik zeg u voor 't laatst dat ik _niet_ spelen zal. Ik _kan_ en _wil_ het niet."

"Dát zullen we zien!" zegt Baars met een dreigend gebaar, en als hij nog wil voortgaan om het "onwillig sujet" op weinig kiesche wijze aan zijn verplichting te herinneren, dan wordt de deur der ziekenkamer haastig maar behoedzaam geopend, en spreekt een zachte stem op bewogen toon:

"Als je een afgetobden lijder een oogenblik van verademing, ja misschien een rustig _sterven_ gunt, doe dan wat mijn man u vraagt menheer Baars, en ga heen."

De directeur van het reizend tooneelgezelschap is een man zonder beschaving en zelfs zonder eenig kunstgevoel. Slechts het "slaan van dubbeltjes" is de kunst die hij liefheeft en beoefent met hart en ziel. Nochtans, toen hij na de woorden van mevrouw Philippe, zacht pruttelend naar beneden ging, toen plooide een rimpel zijn voorhoofd. 't Speet hem eensklaps dat hij die leugen heeft verzonnen om hem over te halen.

Wat moest hij wel denken van iemand, die op zijns vaders sterfdag een klucht ging vertoonen? Nu ja, als het hier zóó erg gesteld was dan.... In 's-hemelsnaam! de Casper Lariefarie moet Lowee dan maar spelen. Men kan geen ijzer met handen breken. Iemand die sterven ging! Enfin, dat doet men maar eens!

Zachtjes op de teenen loopend, is Philip nu met zijn vrouw in de voorkamer teruggetreden, die wel aan de vroeger door hem bewoonde bovenkamer in de Tuinstraat herinnert, doch--ofschoon grooter en niet zoo somber--nu kleiner schijnt door het breede ledikant 'twelk er in 't midden geplaatst is.

"Goddank! hij slaapt," zegt Philip, terwijl hij den doodsbleeken August, met pijnlijk gesloten lippen, schier voor het eerst na zoo vele uren van angstig waken en tobben, naar 't uiterlijke kalm ziet nederliggen: "Ja Virginie, hij slaapt Goddank!" herhaalt de jongere Helmond, en geeft zijn geliefde een zoen. En dan: "Wacht, blijf jij nu even hier; ik moet het oogenblik waarnemen om óók een zoen aan ons ventje te geven."

Philip verlaat nu de kamer en treedt in het kleinere vertrek ernaast. 't Is de slaapkamer der ouders van den kleinen Prits. En ginds zit hij in zijn tafelstoel, de blonde halfjarige guit met zijn groote blauwe oogen. De althea-wortel glijdt weg uit zijn mondje, en de rammelaar aan een blauwzijden lint valt eensklaps uit de kleine hand: Met de poezele armpjes naar den vader uitgestrekt, kraait het jongske van pret.

--Ja 't was ook hard! Met de reis naar Zutfen en Briesborg meegerekend, had het lieve blonde ventje zijn vader in zes dagen zoo goed als in 't geheel niet gezien; die vluchtige keeren in de laatste dagen telden niet mee.--Ja ja, nu zal hij den stoel uit. Ja, nu moet hij weer eens zoo heel hoog naar boven worden getild en dan, ploef, ineens heel laag naar beneden!--Hoor hoor hem eens kraaien vol ongeduldige blijdschap; en, wat de vader het jongske--misschien niet verstandig--alreeds zocht te leeren: het noemen van zijns vaders voornaam, het klinkt nu mede met ongeduldig opspringen in den stoel: "Fiffie, Fiffie!" en, hij kraait en hij springt weer.

--Neen, nu de deur maar dicht is, nu kan de zieke het niet hooren.

"Moest jij er voor lijden mijn arm klein Fribbeltje!" zegt Philip, en neemt het kind uit den stoel, en tilt hem hoog _hoog_ en ploft hem dan tot op den grond; en weer in de hoogte en weer naar beneden, totdat.... Philip werd eensklaps zoo duizelig.--Hij hield den kleinen Frits goed vast, maar staakte het spel, en trok zich terug tot aan het groote ledikant.--Zóó op den rand zittend ging het beter. Fritsje wiegde in zijns vaders armen vóór- en achterover.--De vader wist echter niet wat hij deed.--Fritsje weet niet wat een schommel is, maar hij vond het prettig. Een beetje later is 't hem alsof hij in zijn wiegje ligt. En de vader--hij wist wel wat een schommel was, en meende dat hij met klein Fribbeltje erin zat. Hij hield hem _stevig_ vast.... maar 't ging zóó hoog, zóó hoog, dat hij de oogen moest sluiten; en.... toen liet hij zich glijden, en.... hij weet niet meer wat.

Uitgeput van vermoeienis naar lichaam en geest, is de jongere Helmond in slaap geduizeld; maar het kleine ventje houdt hij toch altijd stevig vast. En Fribbeltje pinkt en dubt met de lange donkere oogwimpers, en.... slaapt dan mede--in de armen van zijn lieven Fiffie!

Virginie Helmond had den wensch van Philip begrepen. Ach ja, nu dokter August wat rustiger is geworden, nu mocht de goede jongen wel een oogenblik tot verademing komen.--Dien tijd kan zij waarnemen om hier in haar woonkamer de schromelijke wanorde een weinig te herstellen, die er, door den toestand, waarin men zoo onverwachts geraakte, wel moest ontstaan.--'t Is onbegrijpelijk hoe die trouwe Philip dat alles, en bijna geheel alleen, heeft beredderd.--Dat gebroken kopje op den vloer, en die groote scheur in het ledikantgordijn, ze bewijzen genoeg dat er vreeselijke momenten zijn geweest. En dan, wat zielsangsten moet de arme Philip hebben doorstaan! In de vaste meening dat dokter August, ten einde raad, zich aan dien ouden generaal had vergrepen, heeft Philip schier het onmogelijke gedaan om den lijder--na hun aankomst in Amsterdam--niets slechts te verzorgen, maar hem ook voor den blik der politie te vrijwaren. Toen eindelijk, door de tusschenkomst van den heer Woudberg, die schrikkelijke verdenking was opgeheven, en Virginie bij haar aankomst nog mede de onwaarheid ervan heeft mogen bevestigen, toen was de blijdschap van Philip zoo groot geweest, dat hij het bijna te kwaad had gekregen.

Het ledikant, 'twelk in allerijl van een voornamen uitdrager was ontboden, moest hier in de nette woonkamer worden opgeslagen--maar zonder levenmaken.--Den eerste die leven maakte smeet hij de trap af!

En uit de diepe kast in de achterkamer, waarin hij den broeder met de uiterste zorg een leger gespreid en tot nu toe verborgen had, heeft hij hem toen naar deze kamer overgebracht. Hier, _hier_ zou hij herstellen; hier zou Philip hem bewaken en verzorgen al moest hij er zelf hij neervallen. Hier zou hij den "armen duivel" liefhebben totdat.... totdat hij weer heelemaal gezond vertrekken kon.

Terwijl Virginie Helmond zonder eenig geraas de orde in de kamer herstelt, blijft het rustig in het groote ouderwetsche ledikant.

--'t Was toch zonderling; dat die voorname zwager daar nu neerlag in _hare_ woning, en geheel alleen overgelaten aan de zorg van den verguisden Philip en zijn verachte vrouw.

--Slaap gerust arme zieke, denkt de jeugdige echtgenoot van den vurigen Helmond, terwijl ze met de hand aan het fijnbesneden gelaat naar de zij van het ledikant tuurt: Slaap gerust! Ik heb verplichting aan u. O! 't geeft een zalig gevoel wanneer men iemand die ons.... wanneer men "iemand als ú", met zorg en liefde omringen kan. En dat gevoel heb ik leeren kennen door mijn eenige, mijn trouwe! O God, als hij het niet zoo dikwijls herhaalde, dat er zonder mij geen geluk voor hem kon bestaan, ja, dán zou ik misschien al gestorven zijn van smart over het lot dat hij door mij te dragen kreeg. Maar stil, was het misschien ook voor hém een bron van stille vreugd, dat hij een arm en onervaren kind aan zich verbond, om haar een trouw te leeren die in haar omgeving helaas, maar al te weinig gevonden wordt.

--O dokter Helmond, je wist niet wat kostelijken schat je in je broeder hebt bezeten, en dat zijn waarachtige trouw vaststaat als een rots in zee. Maar nú dokter, nú zul je het weten, nu zul je dan ondervinden wie mijn Philip is.

Eensklaps ontstelt Virginie geweldig. In gedachten verzonken naar het ledikant turend, ziet ze de oogen van den lijder strak en glinsterend om den hoek der gordijn haar aanstaren.

"Wil je wat drinken dokter?" zegt Virginie, zich herstellend, maar houdt de lange zwarte wimpers toch naar den grond geslagen.

"Neem weg! Grijp weg!" roept de zieke op angstigen toon; en nog eens met verheffing van stem: "Eva grijp weg!--Zie je niet? Dáár! Ze willen hem levend met mij begraven!--Laat vallen die diamanten, laat los; los! Grijpt hem! O God, daar hebben ze ons kind.... O God, en _hij_ heeft het niet gedaan. _Ik_ heb hem vergift gegeven, _ik_! Zie maar, bloed, bloed!" En vreeselijk gillend: "Bloed!"

Philip is reeds toegesneld. Hij waakte al slapend. Een half uur slapens heeft toch zijn krachten verfrischt.--Weinige oogenblikken later is hij er in geslaagd den zieke tot kalmte te brengen. Zijn Virginie geeft hij te drinken, en verzoekt haar dan zich te verwijderen.--Hoor, 't is nu nog treffender dan zooeven. Aanhoudend, zonder een enkel oogenblik rust, klinkt het nu uit zijn mond: "Eva kom, Eva kom!" en altijd weder hetzelfde op dien angstig jagenden toon: "Eva kom, Eva kom!"

Maar Eva kwam niet.

Neen, reeds vier- vijfmalen was Philip naar het venster gegaan, maar telkens reed het rijtuig, 'twelk hij had hooren aankomen voorbij. En toch, wanneer men na 't ontvangen van het laatste telegram--dat Woudberg ter volkomene opheldering naar Romphuizen heeft gezonden--_aanstonds_ vertrokken was, dan had men reeds met den sneltrein kunnen hier zijn. Maar, of een vrouw als Eva Armelo zich zoo bijzonder zou haasten....? Althans Philip ziet alweder naar buiten, doch--Eva komt niet.

En Eva? Ach, van het oogenblik, waarin zij zekerheid bekwam dat Helmond zich te Amsterdam ten huize van haar zwager bevond, was haar opgewonden koortsachtig drijven om te vertrekken zóó sterk geweest, dat haar oude vriendin er ternauwernood in geslaagd was om haar een weinig tot kalmte te brengen, en te doen gevoelen dat men niets won met een paar uren vroeger per rijtuig te vertrekken, indien men toch met geen vroegeren trein te Amsterdam kon aankomen. Toen men in 't einde tot vertrekken gereed was, toen heeft de kapitein Armelo God in stilte gedankt dat mama had besloten maar thuis te blijven.

De "bespottelijke" ingenomenheid van Eva met die weduwe Van Hake, ekskuseerde haar, zooals zij beweerde, om "van de partij te zijn".--"Neen", heeft mama gezegd: "een moeder, die zóó met ondank wordt beloond, kan haar hart geen geweld aandoen, en meegaan om een schoonzoon op te passen, die de heele familie bedrogen en haar kind het hoofd heeft op hol gebracht."

Ja waarlijk, Armelo is blij geweest dat mama tot dat besluit is gekomen.--Eva verstond letterlijk geen rede tenzij die weduwe haar bemoedigde en troostte. Ja, ja zeker, ze luisterde ook wel naar hem als hij haar courage zocht in te spreken, en haar herinnerde hoe hij zelf na 't jaar 40 een pil te slikken kreeg, en de ritmeester Van Disse hém toen getroost heeft met te wijzen op het houten been, waarmee die oude kameraad sedert 30 moest rondspringen; maar hij wist toch al spoedig niet meer wat hij zeggen zou, en Eva werd er ook maar weinig door getroost. Nee die goede mevrouw Van Hake was hem inderdaad een reddende engel; zij had zoo den slag.... ze was zoo bedaard; ze praatte niet _mee_, en toch ook niet _tegen_. Ja, ze was zoo lief voor zijn kind; en dat kind--ach, ze heeft toch zooveel goeds, en is nu wel diep te beklagen.--Wát zal men er van zeggen!? Eigen schuld! _Eigen schuld!?_ Maar wie heeft er _geen_ schuld in de wereld? Eva was zoo jong; zooveel jonger dan hij, Armelo zelf, in den tijd toen mama.... op een kleiner schaal jawel....

"Stil maar Eefje-lief," heeft hij gezegd toen men dan eindelijk in de vigilante zat, die hen naar 't station zou brengen: "stil lieve Eva; vergeet niet dat je een militaire-kind bent. Je moet je in den spoorwagen goedhouden. De sergeant Wagenaar placht te zeggen...."

Maar Eva hoorde hem niet; ze stak het hoofd uit het portier en riep vol onrust:

"Vooruit dan koetsier, vooruit! of we komen te laat aan den trein!"

En Philip Helmond snelt opnieuw naar het raam. Hij heeft weer een rijtuig gehoord. Het kwam nader. Ja zie, de voerman tuurt naar de nummers der huizen.--Philips hart klopt vol onrust. Nu is de vigilante de woning genaderd. Zij houdt stil voor de deur. Zal zij er uitkomen? Zij! de vrouw die hij haat. Zal zij zich hier bevinden, _hier_, binnen weinige seconden....!

"Eva kom, Eva kom!" klinkt het nog altijd van August's lippen, doch nu telkens flauwer en straks nauwelijks hoorbaar.

"Ja kom dan, in Godsnaam, kom!" zegt Philip bij zich zelven, en perst de lippen opeen, en hoort gestommel op de trap, en.... staart naar de deur, maar mist toch de kracht om die te gaan openen.

"Voorzichtig kindlief, niet zoo haastig;" zegt Armelo: "Laat mij nu voorgaan Eva; de trap is steil; en,--ik dien toch te vragen of we hier waarlijk terecht zijn."

Maar Eva heeft niet naar den vader geluisterd. Op een paar treden na is ze reeds boven.--Doch nu, bijna had zij naar evenwicht verloren. De sleep van haar kleed is aan een spijker blijven haken. Met een krachtigen ruk, die een groote scheur in dien sleep maakt, heeft ze zich aan de klem ontworsteld.--Wat, _wát_ geeft ze nu om japonnen met slepen!

Vreeselijk bonst haar het hart terwijl ze nu schier in hetzelfde oogenblik de hand naar gindschen deurknop uitstrekt. Zij voelt, ze weet het, daar, dáár moet hij zijn.

Philip Helmond staat onbeweeglijk. 't Is hem alsof hij versteend is.--Nu zal ze komen.--En, de deur ziet hij opengaan.

Met gejaagden doch onhoorbaren tred, kwam daar een vorstelijk schoone gestalte naar binnen. Nadat zij de kleine voile had opgeslagen, heeft ze hem vluchtig aangezien; en, in hetzelfde oogenblik naar het ledikant wijzend, is ze ijlings zonder te spreken er heengesneld.

--En, dát is ze dan.... dat is dan de ijdele vrouw die de zijne veracht....--Maar hoor--O God, dat moet wel een steen vermurwen; dat perst hem met geweld de tranen in 't oog. Hoor, eensklaps zwijgt het jagend geroep van den armen lijder; een lange zucht glijdt er van zijn lippen; de matte van koortsgloed schitterende oogen slaat hij naar haar op; 't is alsof een glimlach zijn doodsbleek gelaat overtrekt. En zij, uitbarstend in bitter geween, roept weder met nokkende stem:

"Ach ja, mijn August, mijn liefde, mijn alles! Hier hen ik; je Eva!"

Neen, Philip Helmond heeft aan die eerste opwelling toch geen gevolg kunnen geven. Een oogenblik was hij er bijna toe gekomen, om haar terzij te snellen en haar de hand te drukken, vol innigen dank omdat ze gekomen is en den armen broeder dien weemoedigen glimlach op 't lijdend gelaat heeft getooverd. Maar, 't was zóó beter; hij heeft het niet gedaan. De vrouw kan haar man liefhebben, en toch verachtelijk zijn.

De jongere Helmond wordt nu afgeleid. Er waren nog twee personen naar binnen gekomen. Dat moeten haar ouders wezen. Hij spreekt fluisterend met hen, maar, hij zal hun niet toonen dat hij medelijden heeft met hun kind. Dat kind, die dochter, veracht zijn vrouw, _zijn_ schat, en daarom.... Philip staat nu weder alleen. De oude man en die dame in 't zwart zijn naar het ledikant gegaan, en.... Neen, het was te verwachten, de arme August herkende hen niet. Maar ook, helaas, de oogenblikkelijke kalmte, die Eva's komst had bewerkt, is reeds voorbijgegaan.

Op het zien van den ouden kapitein is August eensklaps overeind gerezen, en terwijl hij het hoofd terugtrekt naar de binnenzij van het ledikant, ijlt hij weder:

"Vermoord! dood! vergift! Voor duizend, voor tienduizend gulden vergift!" en in woeste opgewondenheid gaat hij met ijlen voort, en doet de omstanders sidderen, en Eva, marmerwit geworden, terugdeinzen en het gelaat met beide handen bedekkend jammeren:

"O God! o groote God!" Doch, meer te spreken vermag zij niet.

Weinige minuten later ontwaakt Eva uit een korte bezwijming. Zij rust met het hoofd tegen den schouder der jonge vrouw, die ijlings uit de andere kamer was toegeschoten. De man, dien zij bij haar binnentreden het eerst heeft gezien, stond aan haar zij en verfrischte haar met eau-de-cologne. En ofschoon ze eensklaps haar volle bewustzijn herkreeg, ze moet nu de oogen toch sluiten..... Een oogenblik later zegt ze zacht:

"Ik dank u.... 't Is nu voorbij.--Ik zal sterk zijn. Ach, laat mij nu met hem alleen?"

't Sprak vanzelf dat een vermeerdering van drie personen het kleine vertrek wat al te vol deed worden.

De dokter, die den patiënt kwam bezoeken, liet zich met een paar woorden hierover uit. In 't belang van den zieke waren lucht en stilte noodzakelijk. 't Was hier wel wat klein.

Weinige oogenblikken later bevindt Virginie Helmond zich in het benedenhuis, en spreekt er met haar hospita. De hospita schudde eerst geweldig het hoofd om aan te toonen dat de zaak niet te vinden zou zijn; maar toch, haar hart was "plooizaam" wanneer het noodig was, en--ze zou doen wat ze kon.

Nadat Virginie, weder boven gekomen, zeer vluchtig op het portaal met Philip heeft gesproken, treden die beiden de ziekenkamer weer in, terwijl ze nog op den drempel een snellen blik van verstandhouding wisselen.

Mevrouw van Hake, die zooeven een goedkeurend woord van den Amsterdamschen dokter over het aanwenden van een afleidend middel heeft ontvangen, zegt nu fluisterend tot Eva:

"Niet zoo onophoudelijk schreien lieve Eva. 't Is niet goed. Zie, hij ligt nu weer kalm."

"Maar _hoop_! Zou er _hoop_ wezen?"

"Waarom zou die er _niet_ zijn? Maar dan moet ook alles gedaan worden wat in zijn belang noodzakelijk is."

Op dit oogenblik komen Philip en Virginie in de kamer terug. Terwijl de eerste naar Eva ziet, doch op een afstand blijft staan, gaat Virginie naar het venster waar de kapitein Armelo reeds een geruimen tijd stond, en er gedurig eens naar buiten keek.

Het was hem eigenlijk alsof hij droomde terwijl hij daarbeneden die gansch ontwende drukte zag, en, voor zich uit, dat breede spiegelgladde IJ, tintelend in de zon, met al die zeil- en stoomschepen, en de af- en aanvarende roeibootjes er tusschen door. Ja, 't was hem alsof hij droomde. Maar telkens, en altijd weder wanneer hij uit die droomerijen ontwaakte, kwam hem de vraag voor den geest: Is het dan háár schuld; de schuld van dat arme kind? Zie, haar _moeder_ is thuis gebleven, en die _vreemde_ is meegegaan. Haar moeder heeft bij 't afscheid gezegd, dat zij--alles nu daargelaten--ook wel thuis blijven _moest_. Mama zou in Eva's afwezigheid toch het bestier van 't groote huis wel dienen op zich te nemen.

--Maar--zou het dan _moeders_ schuld zijn alleen, en volstrekt niet de _zijne_.....?

Armelo heeft het eensklaps zeer warm gekregen. Ja, hij had daar immers juist het kind weer aangezien, het lieve kind met haar roodgeschreide oogen; en.... phu! de oude polonaise met de nauwe mouwen heeft hij toen wat losgeknoopt. Maar zie, nu de onderjas daardoor aan 't licht kwam, nu werd Armelo's oog onwillekeurig naar beneden getrokken. Wát was dat!--Toen hij zich voor die overhaaste reis naar Amsterdam heeft gekleed, toen moet mama hem--natuurlijk met den meesten spoed, de groote "tiendaagsche ruzie" en de "vijf en twintigjarige" op de reeds wat kaal geworden Zondagsche jas nebben genaaid.

--Goeje hemel, dat hij daar eerder niets van gezien heeft! Is _dit_ nu een gelegenheid.... dit!?

Zoo spoedig mogelijk heeft Armelo zijn pennemes uit den zak gehaald.

Geheel en al afgewend, bijna met hoofd en handen tegen het vensterglas gedrukt, tarnt hij nu die monsterdingen los.

Op het oogenblik dat de kapitein hiermee bezig was, trad Virginie op hem toe. Zoo snel hij kon deed hij nu de polonaise weer dicht, maar kon het niet verhinderen dat de "tiendaagsche ruzie" er onderuit en voor zijn voet op den grond viel.--Dat was hem nog eens gebeurd.--Gelukkig, zij ziet het niet. Armelo zet er haastig den voet op.