Dokter Helmond en zijn vrouw

Chapter 46

Chapter 463,960 wordsPublic domain

Helmond beschouwt den directeur met een bliksemend oog:

"Ik veracht mijn familie, ja! maar wien men veracht dien _traitert_ men niet; men draait hem den rug toe. Bah!"--Philip heeft de daad bij het woord gevoegd, en zijn vrouw bij de hand vattend wil hij met haar zijn plaats gaan hernemen.

"Wie is dat? Wie staart hem op eenigen afstand van de halfgeopende deur, uit het vrij donkere voorhuis zoo onbeweeglijk aan. Is dat.... August?--Neen, dat moet verbeelding zijn; natuurlijk; dat is....

"Philip! ben jij 'et?" klinkt het fluisterend op bijna angstigen toon.

De jongere Helmond twijfelt niet meer. De hand van Virginie beeft in de zijne. Ook zij heeft gezien, en de stem van Philips broeder herkend. Ja, ze weet het nu zeker; daar staat de man wiens naam men zooeven in het nieuwsblad vermeld vond, en die voor haar man een vervloeking is geworden. Daar staat hij de broeder, van wien Philip, sinds dien morgen in de Tuinstraat, rechtstreeks niets meer vernam; maar die--zooals men verhaalde--in afwachting van mijnheer Van Barnevelds dood, zijn praktijk verwaarloost en de ergerlijkste schulden maakt, alleen ter wille van een ijdele vrouw, waaraan hij zich ter kwader ure verbond.

--Ja, hij was het wel. Ook Philip is er zeker van. Een doodelijk wit overdekt zijn gelaat. Maar, nog eer dokter Helmond nu de deur kon bereiken, heeft de jongere broeder haar dichtgedaan, en keert hij haastig met zijn vrouw naar het straks verlaten tafeltje terug.

De oudere Helmond--uit den fel gezweepten regen en den droevig donkeren October-avond onder een welbekend dak en in "veiligheid" gebracht, mocht bij het staren naar dat bekend gelaat de angstige visioenen, die hem gedurig voor den geest spookten, voor een oogenblik vergeten.

--Dat was Philip, de redder van zijn leven toen ze nog knapen waren; dat was de vurige Philip met zijn snel bruisend bloed; maar ook de trouwe, wiens woord een onverbrekelijk zegel was. Daar stond hij, hand aan hand met de schoone vrouw, die hem op dien morgen zoo roerend heeft gezegd: "Ons kindje slaapt!"

--Stil, stil dan, het kindje slaapt, heeft dokter Helmond onwillekeurig _gefluisterd_, waarna hij--om zich te vergewissen dat hij zich niet bedroog, den geliefden broeder bij zijn naam riep.

--Maar neen, hij kon het niet zijn. Zie, de deur deed hij dicht.--Als het Philip was, dan.....

"Wilt u logeeren menheer?" zegt Piet die voor den patroon de komedielijst uit de sociëteit heeft gehaald, en weer in de gang kwam.

"Ja logeeren. Een kamer achteraf waar niemand komt."

"'t Is ook niet vooraan wat er open is menheer. Veel commis-voyageurs met 't najaar, en de troep van Baars en Kogel. Ga binnen menheer." Piet strekt de hand naar den deurknop uit, maar voelt zich den arm weerhouden.--Neen, die heer wilde liefst niet binnengaan, 't Was daar zoo vol, maar er was toch iemand dien hij spreken moest, in 't geheim; een bleek blond heer--nog jong.

"Philippe....?"

"Ja ja, Philip; ja juist," zegt Helmond met schitterende oogen: "maar zeg hem dat ik hem zeer in 't geheim moet spreken. Hij mag er niemand iets van zeggen. Niemand verstaje.....

De schenker beschouwt den gast een oogenblik met meer opmerkzaamheid, en valt dan uit:

"Sakkerloot, neem me niet kwalijk menheer, heb ik 't plezier dokter Helmond uit Romphuizen te zien? Ik kende u warempel zoo gauw niet."

Helmond is op het oogenblik dat Piet hem zoo aanzag en zijn naam noemde, angstig een schrede achteruitgegaan.... O God! Als men hem herkende. Maar hoor, hoor Goddank!

--Piet zou hem niet verklappen. Piet begreep er alles van.-- Jawel, als dokter hier logeeren wil, zonder dat iemand--behalve die één, jawel, begrepen--er iets van merkte, dan zou hij hem wel helpen. Achter de comediezaal, bij 't koetshuis, daar was nog een net kamertje:

"Kom maar mee dokter," vervolgt de schenker: "ik vat de reden van uw komst wel.--'t Is menheer zijn eigen broer niewaar? Compris!--De patroon en Baars zijn op één hand; natuurlijk! Maar ik kan me begrijpen dat 'et schandaal-maken is.--Ja ik zal wel zorgen dat u hem ongezien te spreken krijgt; laat dat maar aan Piet uit _De Romein_ over."

"Zoo, zul jij zorgen dat niemand, _niemand_ me ziet?" zegt Helmond; en, gedurig rechts en links turend, volgt hij den schenker die met een blaker vooruitgaat, door een zeer lange zijgang, en eindelijk na een plaatsje te zijn overgegaan, en nogmaals een smal gangetje te hebben doorloopen, in een kleine doch nette kamer.

't Was gelukkig voor den armen dokter dat de kleinsteedsche hotelbediende de zaken, zooals hij dat noemde, "altijd zoo juist in hun verband beschouwde." Piet had het aanstonds begrepen.--heelemaal! Dokter Helmond uit Romphuizen heeft gehoord dat zijn broer--die eigenlijk een gemeen sujet is en z'n zelvers bij Baars en Kogel verengageerd heeft--morgen hier zal meespelen. Jawel en nu komt hij hem uit naam van de heele familie bewegen om z'n eigen toch niet te vergooien. Welzeker, de dokter zal slagen als ie bij z'n broer maar over de brug komt; en, Baars zal woedend zijn; maar dat kan Piet niet schelen. Piet heeft er eigenlijk een hekel aan dat zijn patroon den troep van Baars en Kogel in de _Romein_ neemt. 't Was al van 't minste soort; en toch, al die spullen 't gaf een behei en geherrie, waardoor 'en mensch altijd uit zijn gewonen doen raakt.

--Enfin, geen haan zal er naar kraaien dat de dokter Van Romphuizen, met zulk een doel hier is. Piet moet den directeur geen kans laten om dien Philippe door een hooger bod te winnen. Niemand zal tusschen beiden komen, en als morgen die voorstelling fout loopt--omdat Philippe en z'n vrouw niet meespelen--dán, dan lacht Piet in z'n vuistje, want de troep zal dan zeker hier voor het laatst geweest zijn.--Spoed nu, men wacht op de lijst. Maar stil, eerst met een lucifer de kleine kachel aangestoken, waarin reeds wat spaanders met een vuurmaker op de bezielende vonk hebben gewacht. Dokter scheen het zeer koud te hebben; zijn kleeren waren erg nat. De dokter was afgevallen; althans voordeelig zag hij er niet uit,--Of dokter Helmond ook iets gebruiken zou....... een glas warmen grog!?

"Ja ja, dat is goed; maar, noem mijn naam niet; men zal toch hiernaast niet kunnen hooren....?"

"Volstrekt niet dokter; geen de minste nood. Als dokter 't verkiest dan kan hij vertrekken zoo laat en zoo vroeg als hij wil, door 't achterdeurtje naast de concert- en comediezaal. Dit is het zoogenaamde cachet-kamertje dokter, 't ligt heel appart."

Eenige oogenblikken later is Piet in de algemeene logementkamer teruggekeerd, en heeft al spoedig den heer Philippe in 't oor gefluisterd, dat er iemand was die hem noodzakelijk spreken moest; maar in 't geheim; heel dood in 't geheim.

"Ik ben niet te spreken;" heeft Philippe geantwoord.

Piet moest hem toen de duimschroeven aanzetten:

"'t Is uw eigen broeder menheer; dokter Helmond uit Romphuizen."

"Wie zegt jou dat ik anders heet dan er op 't affiche staat?"

"Nou!" zegt Piet, met een zeer vrijmoedigen zijdelingschen ruk van het hoofd, en laat er zachtjes op volgen: "Als u z'n eigen broer niet waart, dan zou die goeje dokter zeker niet door zoo'n heidensch weer heelemaal uit Romphuizen komen om u te spreken. Hij heeft iets heel gewichtigs menheer Philippe, en".... met een knipoogje: "geld als water."

De jongere Helmond ziet den schenker aan alsof hij hem door den grond wilde boren! Die vent is hem geen antwoord waard:

"Geef papier en inkt!" zegt hij gebiedend.

Piet zet groote oogen.

"En inkt....? Asjeblief menheer."

Helmond schrijft:

"Men moest niet vergeten dat Philippe Helmond gewoon is zijn woord te houden. Hij houdt het aan een tooneeldirecteur zoowel als aan de vrouw zijner keuze.

"Men moest begrijpen dat men zich verachtelijk maakt met openlijk eerbied voor trouw en rechtschapenheid te veinzen, en in 't geheim den meineed te komen aanvuren. Men moest zich schamen den steen te werpen op een onervaren kind--wier zonde het was dat ze bouwde op een mannenwoord, terwijl men zelf in verwijfden dommel wordt meegesleurd door een Sirene.

"Men moest zich bloedrood schamen, slechts dán van zich te doen hooren, wanneer men--zelfs badend in de weelde--week wordt voor een oogenblik; of, door eigenbelang gedreven, wél handen vol gelds zou willen wegwerpen om een naam te redden voor 't oog der wereld, maar geen stap zal teruggaan op den weg der verguizing.

"Dokter Helmond zal bemerken dat ik weet waarom hij mij spreken wil, en dat ik begrijp wat hij mij te vragen heeft. Hem te woord te staan doe ik niet, Maar toch dokter, keer blijmoedig naar huis terug: Ofschoon er acteurs zijn en actrices die ik als vrienden de hand druk, _nobele zielen_--nobeler helaas, dan het eerste kind onzer moeder,--wees gerust, ik zal den naam van onzen vader niet huwen aan een kunst zoolang ze nog den cancan in haar wapen voert.--Welaan keer met verruimden zin naar de vetpotten van een godzaligen pleegvader, en de omarming eener welopgevoede vrouw terug. Zelfs _zonder_ dat men hem behoeft om te koopen zal de neef van een generaal en de broer van een hooggeleerden professor misschien, het geheim zien te bewaren dat hij _gemeen_ acteur is.

"Ik eindig.--Philip Helmond bestaat niet meer; maar de acteur Philippe, die geen broeder meer heeft, hij haat den man die al dieper zinkt naarmate hij hooger rijst in de schatting der wereld; hij veracht den man die, misschien uit naam van een grijzen schijnvrome, hem geld komt bieden voor 't breken van zijn woord.

PHILIPPE."

"Lees Virginie," zegt de jongere Helmond, en geeft haar het schrift.

De lange zwarte wimpers der actrice gingen naar beneden. Zij las. Philip bleef haar aanstaren.--Nu zij gelezen heeft zegt ze:

"Die brief mag hem niet onder de oogen komen Philip. _Ik_ kon evengoed de Alma spelen, als _jij_ hem dien brief sturen."

"Wat meen je?"

"Je oordeelt en veroordeelt zonder onderzoek."

"Weet ik dan niet....?"

"Je weet lieve man, dat de dokter _hier_ is, en dat hij je spreken wil: maar, wàt hij te vragen heeft dat weet je _niet_."

"Maar dat spreekt immers van zelf; het heeft geen onderzoek noodig. Ik veracht den afgezant van dien generaal.--Geef me den brief Virginie."

"Als je hem dadelijk wilt verscheuren.... ja, maar anders nee!"

De jongere Helmond ziet zijn vrouw eenige oogenblikken met gefronste wenkbrauwen aan:

"Laat mij den brief nog eens zien Virginie."

"Als je hem verscheuren wilt, anders NEE!"

Na een oogenblik van inwendigen strijd zegt Philip:

"Hij zal hem _niet_ lezen. Geef hier."

Zonder de geringste aarzeling reikt Virginie haar man nu den brief toe, en Philip.... nadat hij het geschrift nog eens vluchtig heeft doorloopen, ziet haar aan met een pijnlijk zoeten glimlach, en--verscheurt den brief.

Nu roept hij den schenker:

"Breng me bij den dokter van Romphuizen. 'k Zal toch den man even spreken." En tot zijn vrouw: "Virginie ga mee, ik breng je dan met een naar onze kamer."

Het gesprek der jonge echtgenooten zou misschien de aandacht der aanwezigen hebben getrokken, indien niet weinige oogenblikken te voren een reiziger ware binnengekomen, die veler belangstelling had opgewekt. In luidruchtige bewoordingen verhaalde de man hoe hij te Romphuizen den laatsten trein was misgeloopen, en--omdat hij volstrekt vóór middernacht in Utrecht moest wezen, er een rijtuig genomen had. Onderweg, met dat noodweer, was men echter met één armzaligen knol zóó bitter langzaam vooruit gekomen, dat hij den kastelein nu dringend moest verzoeken om hem aanstonds van hier een ander rijtuig met een "uitgeslapen tweespan" te geven.

Juist toen Philip en Virginie de gezelschapskamer hebben verlaten, vraagt de kastelein, nadat hij zijn bevelen voor het rijtuig had gegeven, of er dan te Romphuizen in _De Gouden Arend_ geen "goed spul" meer te krijgen was. Daarop heeft de vreemde verhaald dat men in _De Arend_ geen rijtuig had kunnen geven, want de beide vigilantes waren uit. Er was in het stadje een heele opschudding geweest. Een kolonel, of zoo iets, moest heel subiet overleden zijn; en een dokter die hem vermoedelijk bestolen had, zou de vlucht hebben genomen, hij wist er het rechte niet van, maar 't heeft hem ook niet kunnen schelen; morgen stond het toch in alle couranten. Voor 't oogenblik had hij maar één gedachte, namelijk de vrees van te laat in Utrecht te zullen komen.

Dokter Helmond zit in zijn afgelegen vertrekje bij de kleine kachel. Achter hem brandt een bougie op de tafel. Helmonds gelaat, 't welk met een donkerrood is overdekt, valt daardoor weinig te zien. Zijn handen gloeien. Zijn geheele lichaam brandt. Zijn oogen schitteren van koortsvuur.

--O God men komt!--"Wie is daar....!?"

"Hier is mijnheer Philippe;" zegt de schenker, en wil nog eens even wat hout en turf op de kachel doen.... Maar, de jongere Helmond ziet hem aan en.... kijkt hem de deur uit.

"Je woudt me spreken. Wat is er?" zegt Philip.

August Helmond blijft in dezelfde houding bij de kachel neerzitten, en 't klinkt op geheimzinnigen toon:

"Ben jij het Philip? Spreek zacht. Als men ons hoorde...."

"Niemand hoort ons;" antwoordt Philip, en dan terwijl hij naar de deur gaat en die eensklaps weer opendoet, zoodat hij den luisterenden knecht er bijna mee achterover werpt; "En niemand neemt het in zijn hersens om ons te beluisteren."--Dan de deur weer dichtdoende vervolgt hij tot August: "Maar wat je mij te zeggen hebt, 't zal toch taal moeten zijn die iedereen desnoods hooren mag, of anders--zou ik je nog dieper verachten dan ik het nu doe."

August is opgestaan. Bij het schijnsel der kaars kan Philip nu eerst dat gloeiend gelaat en het van koortsgloed fonkelend oog beschouwen.

De jongere Helmond doet een schrede terug.

"Ik zie het wel, je weet het; je schrikt van me niewaar?" fluistert de oudste: "Ja er kleeft bloed aan mijn handen. Daar staat hij, zie zijn oogen puilen uit de kassen.... zie je wel Philip!--O God, en hij heeft ons vervloekt!"

"August, wát.... wát zeg je?" stottert Philip, plotseling doodsbleek geworden: "Is hij dood....? Heb jij, jij...?"

"Ja, zie je dat niet? Zie je dan niet dat ik zijn moordenaar ben!? O God! daar vliegt mijn kind op me aan. Hou tegen, hou tegen! 't Steekt met een mes. O Eva, Jezus! God! O! weg, weg!"

Eer de jongere Helmond zich van de ontzetting kon herstellen, die hem schier aan den grond heeft genageld, was de oudere broeder uit de kamer gevlucht en sloeg de deur met geweld achter zich toe.

't Was een donker portaaltje waarin de vluchteling zich nu bevond. Rechts is de smalle gang die over het plaatsje, nogmaals door een langere gang naar het voorhuis leidt.--Neen, op dezen weg liggen de gerechtsdienaars in hinderlagen. Voort! Ter linkerzij loopt de smalle gang op een achterdeur uit.--'t Is donker! Waar is de knop van die deur?--Wie heeft den sleutel? Wie houdt haar gegrendeld?--O God, daar komen ze. Hoor maar, paardengetrappel.--Hoor!

Nu bonst hij op de deur. "Doe open, doe open!"

Daar wordt aan de buitenzij een grendel verschoven. De deur knarst open.

Een groote stallantaarn die nevens kartuigen aan een haak tegen den wand hangt, werpt een weifelend licht over een oude kapsjees, een paar hooge gele wagens benevens een kar die met de boomen op den grond rust.--Ter rechterzij is het een zwarte massa, waarin het licht slechts grillige en onbestemde figuren teekent, maar toch duidelijk genoeg twee grauwe koppen boven den nu onzichtbaren lijkwagen doet grijnzen. Een hooi en mestlucht vervult de ruimte.--Nabij de groote deur trappelen paarden. Ze zijn voor een vigilante gespannen. Een man die zooeven hielp om de tuigen te gespen, trekt nu in allerijl een jas met drie lange mantelkragen aan; wischt zich het zweet van het voorhoofd, en trekt zich een bonten nachtpet over de ooren.

"Hier Gerrit, geef me de zweep! Vervoerd, dát heet haasten."

"Moet jij naar Utrecht menheer?"

"Ik ja, voort! Om Godswil voort!"

Het portier der vigilante was reeds geopend. Dokter Helmond verdwijnt in het donkere rijtuig.

"Rij maar op Jan!" roept de man die het portier met kracht weer dichtslaat: "D'r zal zeker een goeje fooi op overschieten; er is 'en haast van geweld!"

"Vort poppetjes, vort!" zegt Jan op den bok. De paarden trekken aan. Uit het groote koetshuis van _De Romein_ komt de vigilante in de straat. Jan doet de zweep klappen. En zie de paarden zijn wakker al is het vrij donker daarbuiten; ze schieten in een krassen draf, en verdwijnen al spoedig met het ratelend rijtuig om den hoek der Utrechtsche straat in den stormachtigen nacht.

Binnen de algemeene hotelkamer heerschte weinige minuten later een zeer ongewone opschudding.

't Was onmogelijk om het rijtuig nog in te halen, 't welk door den vreemden reiziger was besteld, doch waarmee de dokter van Romphuizen zich uit de voeten heeft gemaakt.

Na al wat men vernam en 't geen de schenker nu bovendien heeft moeten aan 't licht brengen, is het zoo goed als zeker dat, met den _kolonel_ die, volgens den reiziger, in Romphuizen zou vermoord zijn, de _generaal_ Van Barneveld was bedoeld.--Wat wisten de Romphuizers van 't militair!--En, meer dan zeker was het ook dat zijn pleegzoon, dokter Helmond, de schuldige moest wezen; immers Piet heeft hem onder andere zelf hooren zeggen:, Spreek zacht Philip; als men ons hoorde!" en later heel duidelijk, ofschoon van verre, nog de woorden: "O God!", en "moordenaar."

De reiziger, die zulk een haast had, was woedend, maar zou in allerijl op een andere manier worden geholpen. 't Ergste van alles, zei de kastelein, bleef de ontzettende geschiedenis zelve, waarvan--hoe kon men onschuldig ergens inloopen--het laatste bedrijf nu in het alom geëerde logement _De Romein_ was voorgevallen.

De mannen in de gelagkamer spraken luid met gefronste wenkbrauwen, en schudden het hoofd; de vrouwen luisterden, en zagen bleek.

"'t Is de broer van Philippe. De broer van den nieuwen trotschen confrère;" zoo luidde het onder de acteurs overal.

De commis-voyageurs spitsten de ooren; en die er brieven schreven, stelden postcriptums, waarin ze de ontzettende gebeurtenis vermeldden.

Toen August hem straks alleen liet, en hij, hevig ontsteld, hem een oogenblik later wilde opsporen om hem naar het kamertje terug te brengen, toen spoedde hij zich naar het voorhuis, want aan een achterdeur heeft hij niet gedacht. Doch nergens mocht hij hem vinden.--Philip wist niet dat August reeds buiten de stad was, toen hij in 't eind ook in het koetshuis naar hem kwam onderzoek doen.

--Was dan August Helmond--zijn _broeder_, een moordenaar; de moordenaar van _dien geliefden_ pleegvader!?

--Wondere menschenwereld!

--De lammeren onder hen worden wolven wanneer de nood hen dringt.

--Bloeddorstige doggen leggen zichzelf aan den ketting en lijden gebrek!

--Ja, ik wist dat hij verachtelijk was, ik wist het! Maar zoo!--Ach God, zou het wel waar zijn!

"De commissaris van politie kan met mij meerijden," zegt de vreemde zeer overluid tot den kastelein: "tenminste wanneer hij hier in de sociëteit is. Als hij den moordenaar snapt is zijn fortuin gemaakt.

Tot Philip sprak men niet.--Nu is hij verdwenen.--Hij vliegt naar zijn vrouw, en zegt haar zijn plan, en wat háár te doen staat.

Een klein kwartier later joegen twee vigilantes in den donkeren nog altijd door zware buien verdeelden voornacht, op den straatweg tusschen Briesborg en Utrecht.

In het voorste rijtuig ligt een mensch onbewust dat er een wereld om hem heen is.

In het rijtuig dat volgt, zitten twee mannen die over gruwelijke moorden spreken, en over dokter Helmond en zijn ijdele vrouw.

Op den bok van dat tweede rijtuig zit, naast den koetsier, een man in een glimmende regenjas. Voor een goede fooi heeft de voerman aan dat heerschap vergund om naast hem mee te rijden. Hij spreekt geen woord; maar telkens als de reiziger die vóór twaalven in Utrecht moet wezen, zijn stem verheft en schreeuwt om wat harder te rijden, dan zegt de man in de regenjas, dat men ter wille van een _mensch_ zijn paarden toch niet doodjagen mag. De voerman geeft hem gelijk.

Omstreeks kwart voor twaalven--ongeveer een half uur later dan de eerst uit Briesborg vertrokken vigilante--rijdt de tweede vigilante de grijze Bisschopsstad in.

Teneinde den reiziger, die zulk een haast had, geen oogenblik op te houden en aanstonds te brengen waar hij wezen moest, is men bij het binnenrijden van de stad een geheel anderen weg ingeslagen dan dien naar het kleine logement waar men straks stallen zou, en 't welk de koetsier met de zweep heeft aangewezen.--De man in de regenjas is dáár--en alzoo in de nabijheid van het logement waar het eerste rijtuig zeker reeds was aangekomen--van den bok gesprongen.

Mijnheer Hagel, de commissaris uit Briesborg, is echter in het rijtuig gebleven, om, na den vreemde op de plaats zijner bestemming te hebben gebracht, even bij het politiebureel aan te rijden en er een paar agenten te verzoeken om eens even met hem mee te gaan.

Toen--weinige seconden na de aankomst der tweede vigilante in Utrecht, een heer in een glimmende regenjas het kleine logement is binnengestapt, toen heeft hij op zijn vragen, van een half slapenden schenker ten antwoord gekregen, dat er, jawel, met het rijtuig uit Briesborg een heer was aangekomen, die onderweg zwaar ziek moet zijn geworden, want, zoo wit als een lijk had hij in den wagen gelegen.

De juffrouw-eigenaresse van dit logement had eerst zwarigheid gemaakt om hem op te nemen, maar hij had er zoo akelig en toch zoo goedaardig uitgezien dat zij heeft toegegeven; en nu geloofde de schenker dat er iemand naar 't gasthuis was gegaan om een dokter te halen, hoewel het al op slag van twaalven is.

--Hê!--Of de knecht dan niet begreep dat hij--de man in de regenjas--de dokter zelf was'? Men behoefde niet meer naar 't gasthuis te zenden. Hij heeft geweten dat deze heer hier komen zou.

--O, ahzoo; of dokter dan maar bliefde mee te komen? Hier beneden in het tuinkamertje was de zieke menheer. In nummer drie.

--In de hevigste onrust staat Philip Helmond eenige oogenblikken later bij de kleine sofa, waarop de oudere broeder als wezenloos neerligt.--Philip ziet naar de deur. Hij vergat haar te sluiten. IJlings snelt hij terug naar de deur, luistert, en draait den sleutel om.--Maar nu, wat moet hij beginnen? Slechts door een snelle ademhaling geeft August teekenen van leven; doch, wat Philip ook beproeft om hem te doen ontwaken en hem op de wijze zooals hij zijn plan maakte, tot een spoedige vlucht te bewegen, neen--dat gelukt hem niet.--Kan die ongelukkige dan hier blijven terwijl binnen weinige minuten de commissaris in dit logement het allereerst naar hem zal onderzoek doen!

"August, August! in 's-hemelsnaam, keer toch tot je zelf. Verman je, August. Men zal je vatten. Sta op, ik ondersteun je. 't Zijn geen twintig schreden tot buiten de deur, en dan nog een paar stappen tot om den hoek der straat. August in Godsnaam word wakker!"

Maar 't is vergeefs. Zijn krachten schijnen uitgeput. Een pijnlijke glimlach speelt er om zijn mond.--Doch nu, eensklaps opent hij de oogen, en fluistert met een akelige stem: "Vergif, vergif! Pas op Eva. Voort! weg!"

"Ja waarachtig voort!" zegt Philip.--O mijn God, maar _hoe_ dan! en hij werpt een angstigen blik naar de deur. Immers, hij kan den ongelukkige toch niet door de gang het huis uit _dragen_. Wat zou men denken als men 't zag! Ha, wanneer die kleine glazendeur uitkwam op een tuintje, waarmee men in een achterstraat kon komen....! In een oogwenk is Philip bij die deur. Zij is goed gesloten; hij trekt en wringt. Open _zal_ ze, open _moet_ ze.--Neen neen, hij _kan_ niet--neen!--Ha, den pook bij de kleine kachel!--Hij luistert.--Nadert daar een rijtuig---? Ja, o God, men komt, het is te laat!--Welnu, met dien pook zal hij hem verdedigen; den eerste die de band naar den armen drommel durft uitsteken, dien vermorzelt hij den kop.--Hoor het rijtuig is.... neen.... het rolt voorbij.--Goddank, hij heeft nog tijd.