Chapter 45
"Waarachtig, jij bevalt me!" grinnikt Toon: "Nou zie ik dat je pit in je ziel hebt, aldat je een pil bent en verkleumd van de kou. Griet, lach niet meer en tap drie borrels klare. De lange heer met z'n bedorven goud op 't lijf is er goed voor.--Ei zeg, en wàt wou je dan nou?"
Toon van _Het Roode Zoodje_ zal niet alles vernemen. De vreeselijke vermoedens die Thomas koesterde, ofschoon hij ze gedurig met kracht van zich afstiet, ze zullen hem niet over de lippen. Zelfs Bus,--ofschoon hij de aanleidende oorzaak is dat men den dokter zoekt op te sporen,--hij zal niet vernemen wat Thomas vreest ofschoon hij 't zelf niet gelooven kan.--Bus weet dat dokter zonderling had gepraat, precies als iemand die.... in de war is. De vigilante, die hij op dokters bevel heeft moeten bestellen, had volgens order aan den stal gewacht; vijf--tien--twintig--dertig minuten; en, toen is men naar 't doktershuis gereden. Nadat men daar een oogenblik was vóór geweest, is Kaatje komen aanhollen met de boodschap, dat ze mevrouw met een papier in de hand, stijf van haar zelve op menheers kamer gevonden heeft, en de dokter was dan ook nergens te zien, ofschoon hij een half uur geleden naar bed was gegaan.
Vliegend is men toen naar Van Hake gereden. De provisor was daarop ijlings met zijn moeder naar het doktershuis gegaan, en heeft Bus met de vigilante naar _De Zonsberg_ gezonden om te zien of dokter dáár soms wezen mocht.--Doch tevergeefs. Een half uur later zat Thom in de vigilante, en Bus naast Jozef uit _De Arend_ op den bok, om dokter Helmond zoo mogelijk in de richting van Briesborg te vinden. Op raad van mevrouw Van Hake, zou men aan het onderzoek de minstmogelijke ruchtbaarheid geven. Men kon immers zeggen niet zeker te weten welken patiënt de dokter nog buitenaf heeft moeten bezoeken, en dat men hem nu een vigilante zond, omdat het weer zoo guur was geworden. Alvorens naar den kant van Briesborg te rijden, was Thomas haastig naar het station gegaan, teneinde, zonder rechtstreeks te vragen, er zich te vergewissen of Helmond niet misschien met den trein--omstreeks een kwartier geleden--vertrokken was. Nadat hij daar bemerken mocht dat men den dokter in 't geheel niet gezien had, werd hij al spoedig overtuigd dat Helmond zich werkelijk in de richting van Briesborg op weg had begeven. Op zijn terugweg, nog even vóór de Zijperbrug, heeft hij Hanna van _De Schebbelaar_ aan den arm van naar vrijer ontmoet. Ach, Hanna had het heel naar gevonden dat dokter in den laten avond, met dat slechte weer, nog zoo ver weg naar een zieke moest. Ja, een minuut of tien geleden was zij hem tegengekomen, en ofschoon dokter erge haast scheen te hebben, hij had háár en Evert toch ieder nog een hand gegeven en vast beloofd dat hij tegen 't voorjaar op hun bruiloft zou komen: "Zoo'n best en zoo'n nederig man!"
Weinige oogenblikken nadat Toon uit _Het Roode Zoodje_ zijn vraag heeft gedaan weet hij in hoofdzaak, wat het geval en waar het om te doen is. Dokter Helmond, die ziek te bed had gelegen, was, waarschijnlijk in een ijlende koorts, opgestaan, en zonder dat iemand het bemerkte, dezen weg opgeloopen. Zoo spoedig mogelijk is men hem met de vigilante nagereden. Op een paar honderd schreden afstands van hier, heeft men--nog even vóór dien geweldigen hagelslag--ondanks de duisternis in 't bosch, een persoon gezien die, bij het vernemen van een naderend rijtuig ijlings ter linkerzijde van den weg het bosch was ingegaan. Bus heeft het voor zeker gehouden dat het de dokter geweest is--"precies zoo'n figuur".--Aanstonds hebben Van Hake en Bus toen het rijtuig verlaten, en den meester en vriend bij zijn naam geroepen zoo hard als ze konden; maar, die vreeselijke bui heeft gewis hun schreeuwen overstemd. Door struiken en bramen heen, hadden ze zich een weg gebaand, en ondanks de duisternis, getracht den zieken man te ontdekken; doch, toen ze eindelijk met gehavende kleeren hier aan den zoom van het boschje zijn gekomen, toen waren ze bitter teleurgesteld; ze hadden niets gevonden, en zoover als hun oog over de hei nog reikte, ook niets bespeurd wat op een menschelijk wezen geleek. Ze hebben hier aangeklopt in de hoop dat Toon, die met de kleinste paadjes in het bosch en op de hei bekend was, hen tegen een goede belooning zou willen behulpzaam zijn, en in alle geval een lantaarn leenen, waaraan men in het bosch de grootste behoefte had.
De zwarte wolken-kolonne, die met vliegende vaandels en donderend gekletter is voorbijgegaan, laat een oogenblik het laatste kwartier der maan in het hagelijs blinken, 'twelk hier en ginds de wijde heivlakte bedekt.
Angstig omziende naar het donkere bosch waarin men "om een moordenaar te vatten van alle zijden is binnengedrongen," daalt Helmond, terwijl hij zich een weg door struik- en braamgewas baant, een kleine helling af, en spoedt zich nu voort op de breede hei. Het vluchtige licht der maan wijst hem een zandweg.--Dien moet hij kiezen, want als hij een anderen weg neemt dan verdwaalt hij in 't duister en overrompelt men hem. O, indien hij maar wist dat ze hem ineens zouden treffen in 't hart, ja, dan zou hij wel terug willen keeren naar dat bosch, waarin ze hem schreeuwend opjaagden als een wild dier. Maar dat doen ze niet: Ze leggen hem handboeien aan, en dan bouwen ze een schavot, en dan.... Hu! wat is dat? Welk een vurig oog flikkert daar achter hem over de hei? O God, het schiet bliksemende stralen uit! Dat is het oog van de slang uit het paradijs; en, drie zwarte wezens verspreiden zich.--Voort dan, voort!
Buiten de deur der hut op een kleine verhevenheid gekomen, heeft Toon de lantaarn in de hoogte gehouden en, over de donkere hei ziende, beweerd, dat hij niets kon ontdekken; maar ook, dat de dokter, als hij met z'n zieke lichaam het bosch was ingegaan, er nóg wel wezen zou.
Van Hake meende echter heel in de verte iets zwarts te hebben gezien.
"Ik zeg je van nee!" beweerde Toon: "hij zit in het bosch."
"En ik wil zekerheid hebben!" riep Van Hake, en greep den forschen man, die daarop niet voorbedacht was, de lantaarn uit de hand, en spoedde zich voort in de richting waar hij meende dat zich iets zwarts had bewogen.
"Jammer dat die kerel 'en pil is!" grinnikte Toon: "Vooruit dan lange livrei-dragonder!" en hij gaf Bus een slag op den schouder zoodat deze hevig schrok, en nog minder plezier in den tocht had dan straks toen hij met den provisor alleen was.
"Wat 'en lucht komt er weer opzetten;" zei Bus, die nog maar half van den schrik was bekomen. En dan, dan ziet hij in de richting van den straatweg, waar Jozef zeker nog op dezelfde plaats in 't bosch met de vigilante zal wachten.--Toen hij straks op dien bok zat, ja toen was hij niemendal bang; maar nu!--Die Toon moest bovendien een slechte vent wezen. Er liep een verhaal dat hier eens een weggevluchte juffrouw uit Briesborg zou verdwenen zijn--spoorloos.--Lieve hemel! En menheer van Hake rende daar de hei op, alsof er geen eenzaamheid en geen nacht en geen gevaar in de wereld was.
"Ben jij bang?" roept Toon die Bus ziet achterblijven.
"Bang! nee nee, volstrekt niet." Maar, Bus was _dubbel_ bang, én voor zich zelf, én voor zijn goeden meester.
Een vreeselijk wolkenheer heeft nogmaals hemel en aarde in een nacht gehuld, zwarter dan het gesloten graf. Met woedend stormgeloei rukte het tweede legioen aan, en spelt dood en vernietiging aan 't rijk van den zomer.--Een ontzettende hagelslag snort door de lucht en rakkelt op de hei, en doet het haas en konijn opschrikken en de lepels spitsen in hun onderaardsche legers.
Geen mensch is instaat om tegen zulk een gezweepten steenregen het hoofd en den schouder te zetten. Toon zegt dat het tempeest hem de baas zou worden; maar niemand hoort hem, want Bus, die het afgescheurde flard nu boven zijn hoofd houdt, bevindt zich reeds op den terugweg in de richting van de hut, en--Van Hakes licht flikkert een gansch eind verder al flauwer en flauwer.... zie, nú is het uit.
"Is daar iemand?" schreeuwt Thomas met geweld, want hij meent op korten afstand iets zwarts te zien bewegen, en 't is hem toch bijna onmogelijk om tegen dien hagelslag in, nog verder te gaan of zich naar eisch te doen hooren.
Een geweldig groote hagelsteen sloeg juist op dat oogenblik een der lantaarnruiten aan stuk, en het flikkerende licht was aanstonds uitgedoofd.--Thom aarzelt. Nu roept hij weder; maar krijgt geen antwoord. Toch wil hij weten of hij zich vergiste. Zóó vóórtgaan kan hij echter niet. IJlings trekt hij de jas uit en bedekt er het hoofd en ten deele het aangezicht mee.
Ach, hoe bitter moest Thoms teleurstelling wezen: Reeds meende hij zich zeker van zijn zaak, toen de zwarte massa, die hij nu werkelijk genaderd was, hem op zeer laconischen toon ten antwoord gaf: dat ie zich vergiste als ie meende dat hier 'en dokter Helmond was. Hij was niks meer als Jochem van den boer van 't Kraaiennest achter Briesborg. Met den mist die 's-middags gevallen was, had hij een jong schaap verloren, en, nu hij "den rakker" hier juist bezijden den plas achter het opschot van wat struikhout heeft teruggevonden, nu wilde hij liefst zoo gauw mogelijk naar huis, "want," zoo besloot hij: "Onze Lieve Heer zal van nacht den duuvel 'en strop um den hals hoalen!"
Blê, riep het schaap, Mêêê! En de man voor Thomas onverstaanbaar: "Stil stil kleine rakker; 'k zal oe kriegen a'j wéér wegloopen durft!"
En naarmate de slang met het bliksemend oog--het schijnsel van Thoms lantaarn--den armen Helmond straks al sterker achtervolgde, ja een paar malen schier op geen honderd schreden afstands was nabijgekomen, klom zijn geestverwarring tot den hoogsten trap: 't Was Satan zelf die hem achtervolgde, en God steenigde hem.--Met een nauwelijks hoorbaren kreet is hij neergezegen op den killen, met hagelijs overdekten grond. Toen viel er een nacht, een korte maar misschien een weldadige nacht over dien vermoeiden geest.
De tweede bui, die de hevigste van dien avond zou wezen, was voorbij.
Het laatste kwartier gluurde weer vluchtig naar beneden, en spiegelde zich even in den kleinen plas, die straks geschuimd heeft terwijl het noodweer hem zweepte en voedde.
En niet verre van daar toont ook somwijlen het maanlicht de plek, waar het bleek gelaat van een slapende de hagelsteenen, die hem ten hoofdkussen strekken, langzaam smelten doet.
.... Hoor, daar schreit een kind. Neen, het lacht en zie, nu speelt het met een blatend schaap.--Eva in een paars katoenen kleed, komt daar de voordeur van het huis aan den wal uit; en ze ziet naar het smalle perk met rozen; en zij plukt een bloem; en roept het kind, en liefkoost en kust hem; en versiert dan het schaapje met de bloem die ze plukte. Maar zie, het jongske trekt de roos weer uit den halsband, en vliegt er mee naar.... hém; ja naar hém; en kust hem, en trekt zijn Ma'tje erbij, en omstrengelt ze beiden, zijn vader en moeder.
En--ginds van verre staat het schaapje en blaat als schreiend: Mê blê, mê blê!
Jochem van 't Kraaiennest was geschrokken.--En "mansmins" voor je voet te vinden op de hei, en in den laten avond, daar zou de "trankielste z'n eigen over verdoen."--Nochtans, hij bracht dien vond al spoedig in verband met de ontmoeting die hij daar straks heeft gehad: 't Was zeker de dokter van Romphuizen die verdwaald moest zijn.
Helmond is wakker geworden, maar, hij weet niet waar hij zich bevindt en wat er met hem is voorgevallen. En terwijl hij eenige oogenblikken later met dien man naar de zij van den straatweg voortgaat, is het hem alsof hij zooeven nabij _De Schebbelaar_ van een paard is gevallen. Maar ofschoon hij een vreeslijke pijn door al zijn leden gevoelt, en bijna niet voort kan,--toch zal hij zich goedhouden; immers hij moet een zieke te Briesborg bezoeken, en den zieke zal hij dood vinden, evenals boer Dirksen met vergif om het leven gebracht, door hém. Stil, niemand mag dat vermoeden, stil!
Weinige oogenblikken later heeft men den dokter op de kleine kar geholpen, waarmee een boerenarbeider den schaapherder op den straatweg heeft gewacht. En als Helmond er neerzit naast het lam, en het voertuig voortboldert over de steenen, dan weet hij niet wat er met hem gebeurt.--Is het de aarde die gestadig dreunt, en, ratelt de donder zonder ophouden voort?
--En, O God, zie.... het lieve kind speelt daar nog altijd voort op de glooiing van den wal met het blanke schaap. Hoor maar, hoor hoe het blaat! "Eva, om Godswil," roept Helmond angstig: "neem ons jongske weg. Eva, voorzichtig, een slang!.... Eva!"
Jochem de scheper, die naast den boerenarbeider op het voorbankje van de stortkar zit, meent dat de dokter iets zegt, en omziende, beweert hij dat menheer het maar goed heeft getroffen; op dat stroo "zat ie naast den kleinen rakker krek als op moeders schoot. De kar stootte wel een beetje maar dat was niets voor de kou. Als het goed was dan zou ie menheer te Briesborg, vlak voor de stad, van het karretje laten, want zóó op een mestkar mee binnen te rijden dat ging toch niet. In alle geval zou ie menheer den raad geven om z'n eigen naar Romphuizen met een rijtuig weerom te laten brengen. 'En mins was net as 'en schoap. 't Gebeurt soms dat ie afdwoalt en 't spoor biester roakt, moar--'en scheper weet 'et te vinden."
EEN EN VEERTIGSTE HOOFDSTUK.
Op het oogenblik dat men Helmond uit de stootende kar hielp, zweepte een nieuwe stormbui een slagregen door de Briesborger straten, zoodat er nu, in den laten avond, geen levend wezen meer te zien was.
Alleen voor de deur van _De Romein_--het Briesborger logement bij uitnemendheid, en bovendien het toevluchtsoord voor wie naar publieke genoegens verlangde--zag men nog leven en beweging.
Twee groote reiswagens werden er juist ontladen; de laatste koffers of kisten draagt men naar binnen, en de dampende paarden die straks, sterk rillend, het tuig deden kletteren, voeren nu de ledige gele gevaarten door de groote koetshuispoort onder dak.
Helmond is bij het afstappen van de kar tot eenig zelfbewustzijn gekomen. Althans hij beseft de noodzakelijkheid om zich niet langer aan dien vreeselijken slagregen te blijven blootstellen. Dat huis aan gene zij van de stadspoort is het logement. Ja; maar niemand zal daar weten wie hij is: "Want de hagel die hem straks in het aangezicht sloeg heeft hem geheel onkenbaar gemaakt."
In de groote gelagkamer van het logement was de kastelein met zijn bediende druk bezig, om een aantal gasten te bedienen, die zooeven met de groote reiswagens waren aangekomen. De meesten hadden het koud en geeuwden.
"Nog al plaatsen genomen kastelein?" vroeg een gezet heer die het erg koud scheen te hebben en daarom zijn lange pelsjas nog aanhield.
"Dat houdt niet over menheer Baars. Van middag waren er geloof ik vier en twintig; maar, de lijst uit de sociëteitskamer is nog dáár.--Hei Piet, ga jij die lijst eens halen."
"Zóó, vier en twintig!" zegt de tooneeldirecteur, en bromt iets tusschen de tanden.--"Dat heb je van die kleine plaatsen," herneemt hij: "ze weten niet wat kunst is. Ze motten de poppenkast zien. Gisteren te Zutfen had ik het huis stampend vol!"
"'t Kan nog bijspijkeren menheer Baars. Morgen worden de meeste plaatsen genomen; en," vervolgt de kastelein nu zachtjes: "voor het bericht in het Briesborger weekblaadje is gezorgd. Mijn neef de schoolmeester heeft er geen inkt aan gespaard. Je nieuwe sujetten heeft ie in de lucht gestoken van belang. 't Zou me niet verwonderen dat er morgen zelfs Romphuizers kwamen. Dat volk is zoo arm dat ze geen lokaal hebben half zoo groot als het mijne. Als het morgen wat beter weer is menheer Baars, dan...."
"Tenminste 't moet heel wat beter worden dan den eersten keer, anders zie je me niet weerom. Laatst kon ik er zestig gulden bij toeleggen; daar sta je geen kou en ellende voor uit."
"Nee zeker niet;" zegt de kastelein, en dan zachtjes, nadat hij den directeur op een bericht in een der groote nieuwsbladen heeft gewezen, met een zijdelingsch knipoogje op een man die met een jonge vrouw ginds aan een tafeltje koffie en brood zit te nuttigen: "Als _die_ bijten wou, hê?"
"Trotsche kerel!" bromt de tooneeldirecteur: "Ja, als _die_ bijten wou!"--Eensklaps zich omwendend tikt hij den zooeven aangeduiden man op den schouder, en zegt terwijl hij hem terzijde wenkt:
"Menheer Philippe, 'en woordje alsjeblieft? Pardon mevrouw, één oogenblik maar!"
Philippe staat op; neemt een stoel; zet dien bij het tafeltje, en zelf weder plaats nemend, zegt hij: "Ga zitten menheer Baars. Voor mijn vrouw heb ik geen geheimen."
"Ja maar, ik wou je even alleen spreken; 't is een delicate vraag."
"Daar wil ik juist dat mijn vrouw van profiteeren zal. Zulke vragen komen zelden voor."
"Je toon menheer Philippe, tegenover je directeur is doorgaans onvriendelijk. Ik weet niet waaraan ik dat verdien."
"Dat verdien je menheer, omdat je mijn vrouw wilt dwingen in een stuk op te treden dat _gemeen_ is. Maar, voor een onmogelijk wulpsch individu als Alma in _De Glorie der Boulevards_ zal ze niet spelen!"
"Tututu mijn beste jongen...."
"Ik ben je _jongen_ niet menheer Baars. Ik heet Philippe. Nog eens, mijn vrouw zal er _niet_ voor spelen. Neem er juffrouw Lelie voor; ze heeft toch bij uw gezelschap den naam van la Puritaine."
"Ik meen menheer Philippe, dat ons contract...."
"Ons contract zal nageleefd worden," valt Philippe in: "maar wanneer de directeur ons onmogelijke rollen geeft, rollen waarin men zich ten aanschouwe van 't publiek naakt uitkleeden of ophangen moet, dan is de acteur die ze aanneemt immoreel of krankzinnig."
"Je overdrijft menheer Philippe. De Alma is een coquette, een...."
"Mijn vrouw speelt die rol _niet_! Dit is nu driemaal gezegd; en ik hoop genoeg."
"We zullen zien, we zullen zien menheer! Ik meende dat het een compliment was aan de schoonheid van mevrouw Philippe, dat ik in overeenstemming met den regisseur, haar een rol gaf waar het publiek bepaald plezier in zal hebben."
"Dan is het publiek verachtelijk! Wie een actrice toejuicht, die zulk een rol speelt, zou ik in 't gezicht willen slaan, 't Is vreemd menheer, dat je als directeur zoo weinig de roeping van het tooneel begrijpt."
"Ja beste jong.... menheer Philippe,--wat zal ik je zeggen: we moeten dubbeltjes slaan. Enfin, we kunnen er wel zoo'n beetje voor zorgen dat je tevreden zult zijn.--Maar à propos--wat ik zeggen wou, 't was mijn plan om je appointement te verhoogen."
"Ei!"
"Je ziet ik voorkom je, ofschoon je weer in Zutfen hebt gemerkt hoe allemachtig slecht de lui opkomen. Ja menheer je bent een acteur die aanmoediging verdient. Ik geef je zeshonderd gulden meer. Ja, jawel; maar op één conditie."
"En die is?"
"Zie, dat had ik nu juist liever onder vier oogen met je behandeld beste jon...."
"Philippe, laat _mij_ dan even...." zegt de jonge vrouw terwijl ze opstaat.
"Wil je liever van _mij_ hooren wat menheer Baars me te vragen heeft? Zooals je wilt Virginie.--Nu, wát is de zaak directeur? Als je zacht spreekt dan zijn we hier onder vier oogen."
"Je bent een man van karakter menheer, ja waarachtig, dat heb ik dadelijk gezegd. Zonder karakter is de kunst niemendal, zonder karakter is een talent mij geen knip voor den neus waard."
"De zaak menheer Baars?"
"Welnu, de zaak: een man van karakter schuilt niet achter een pseudoniem. Dat doe _jij_ beste jongen, ja waarachtig, jij schuilt achter een pseudoniem, dat weet je bl...... goed. Wil _ik_ je wat zeggen: als je je eigen naam op de affiches laat zetten, dan geef ik je zes--ziedaar dan geef ik je samen _achthonderd_ gulden meer."
"Mijn naam _is_ Philippe."
"Jawel juist, zooals mijn naam Leonard is, maar het _Baars_ erbij doet de deur toe. Je naam is _Helmond_; ik weet het; ik wist het al lang. Je moet dat geen liegen heeten mijnheer!"
"Wie zegt je dat ik dat liegen heet: Liegen is laag. Ik verzoek je zoo iets niet te herhalen."
"Maar één ding is toch zeker, óf je schaamt je je naam, óf je schaamt je je betrekking menheer Philippe. Het eerste kan niet waar zijn, dat weet ik. U hebt evenals _ik_, heel wat grootheid in de familie. Maar wat duivel, ik en een ander we komen voor onze namen uit. Ik zeg: _Baars_! 't Gezelschap van _Baars_ en _Kogel_, wáárom niet!"
"Een geslachtsnaam is geen particulier eigendom;" antwoordt Philippe.
"Maar men is toch vrij om zijn naam te noemen waar men wil."
"Wie zijn naam onteert, schandvlekt een heele famile."
"Schandvlekken!" zegt Baars heftig. En dan weer kalmer: "Maar nee, ik wil geen ruzie met je maken. Je hebt je rollen met talent gespeeld; en je vr... mevrouw Philippe, speelt lief, jawel, allerliefst. Maar als het je dan waarachtig ernst met de kunst is, en je waarlijk helpen wilt om ons tooneel te releveeren menheer, waarom onthou je ons dan je besten steun, je _naam_! Als de menschen meer en meer namen als Baars en Helmond onder de oogen krijgen--van Kogel wil ik niet spreken, diens heele paremantatie was figurant--ik zeg, _dán_ zullen ze begrijpen menheer, dat we van één bloed en nieren zijn. Nu, wát zeg je: achthonderd gulden er nog bij; 't Is geen kleintje?"
"Nee ik moet je bedanken, menheer Baars;" zegt de jongere Helmond, strak voor zich heen ziende--want inderdaad, achthonderd gulden méér, 't zou hem in staat stellen zijn lieve vrouw en zijn kind....
--Maar neen, hij herhaalt op stelligen toon: "Ik dank je. _Ik ben en blijf Philippe._"
"Achthonderd gulden!" hengelt de directeur: "Watblief, nog een benefiet voor je vrouwtje erbij; een doorloopende vrijkaart voor je heele familie! Watblief, doe ik niet meer dan ik kan?"
Philip Helmond ziet den directeur eenige oogenblikken stilzwijgend aan.--Een vrijkaart voor zijn heele familie! Ha, kon het anders of een sarkastische glimlach moest een oogenblik die lippen plooien?
--Een vrijkaart voor den generaal Van Barneveld!--Nu is 't genoeg:
"Ik waardeer je goeden wil menheer Baars, maar ik moet weigeren. Wanneer alleen stukken gespeeld werden zonder _slijk_; zonder acties en volzinnen die den man en vooral de vrouw verlagen, ja dan zou ik met een dwaas vooroordeel willen breken, en door het noemen van mijn naam misschien ook anderen uit mijn stand bewegen om ons tooneel te helpen verheffen. Maar nu, nee!"--Eensklaps opstaande, gaat hij naar zijn vrouw die, niet ver van de deur bij een kleine tafel staat, en de courant inziet, welke er zooeven door den kastelein was neergelegd.--Ofschoon het nieuwsblad aan de schoone Virginie weinig belangstelling inboezemt, zoo las zij toch, op het oogenblik dat Philip haar naderde, met de meeste aandacht.
"Ei, zoozeer in de politiek verdiept?" zegt de jongere Helmond.
"Philip, zie eens hier, zie...."
En hij leest; en een blos overdekt zijn gelaat. Het nieuwsblad bevatte het bericht dat Dr. A. Helmond genoemd werd als candidaat voor de vaceerende betrekking van hoogleeraar in de medische faculteit te L.....
"Hij! hij!!" zegt Philip. En dan: "Ha, dat ontbrak er nog aan!"
Eensklaps bemerkend dat de directeur hem terzij is gekomen, herneemt hij, terwijl hij op het bericht wijst en hem streng in de oogen ziet:
"Ha! was het daarom!"
En de directeur zeer kalm:
"Ja, welzeker; dat was tenminste een reden te meer. Dat zou waarschijnlijk wat trekken, de _broer van den professor_! Zeg, wat dunkt je, zullen we er duizend van maken? Duizend meer, duizend blanke guldens boven het tegenwoordige appointement; twee benefieten en drie plaatsen vrij voor menheer den professor....?"
"Zwijg, geen woord meer hierover!" zegt Philip met smadenden lach! "Ik veracht mijn familie; maar ik wil niet dat ze reden zal hebben om het _mij_ te doen. Ik mag haar naam niet blootstellen aan de kans om in één adem met: _De Glorie der Boulevards_ te worden genoemd."
"Des te beter," zegt Baars: "als je familie zoo verachtelijk is, welnu dan traiter je ze 'tmeest met rondeman voor je naam uit te komen."
Baars vergeet dat hij door het geven van dezen raad, wat al te veel laat doorschemeren dat hij met het aanbieden van de vrijkaarten, den schijn heeft willen aannemen, alsof hij werkelijk meende dat Helmonds familie er zich niet in 't minst aan ergeren zou wanneer hij onder zijn waren naam ging optreden.