Chapter 44
--Eva,--stil, zij mag niets weten. Als zij 't wist.... en als zij 't niet wist.... en als de wind tegen den molen blaast dan jagen de wieken elkander als krankzinnigen na, en die vermolmd zijn breken af, en slaan neer en verpletteren het huis met alles wat daarin is.--Waar dacht ik aan?--Ja, ik ben ziek; ik heb koorts. Maar met een vasten wil kan men zich zelf beheerschen. Goddank ik mag weer vrijer ademen. Goddank! nu zal alles vereffend worden, en dan.... Wees kalm Helmond; verontrust nu je zelf en Eva niet. Zie wat te eten. Zij roept je. Hoor:
"Er is gediend August, kom!"
--Krachtig dan, krachtig!
Eva zag wel dat August niet heel fiksch was; dat hij bijna niets gebruikte, en dat er gedurig een vreemde uitdrukking op zijn gelaat kwam, nu eens alsof hij lachte, en dan weer alsof hem de somberste denkbeelden door het brein spookten.
--De goede Helmond is al te gevoelig voor een man, denkt Eva: Hij gaat er _vreeselijk_ onder gebukt dat die oude heer 't commando gaat neerleggen. Enfin, God heeft de wereld geschapen, en den mensch zooals hij is. Maar deze beste overgevoelige mensch werd door _mijn_ toedoen toch zeker nog meer van streek gebracht dan hij 't reeds was. Die voorbarige condoléance van Hardenborg trof hem geweldig. Ja 't was _mijn_ schuld. Misschien kalmeer ik dien goeden man nog het best door mij voor 't oogenblik maar over mijn grieven heen te zetten; 't zal hem hinderen dat ik in 't geheel niet naar dien "dierbaren pleegvader" vraag. Welnu dan:
"Was het zoo heel erg met.... den generaal, August?"
"Erg, ja Eva, ja. Maar spreek er niet van. Als ik niet beter wist, dan zou ik zeggen dat hij dáár zat, dáár naast je. Ik weet het wel beter, maar...." Helmond ziet weer voor zich neer. Hij wist niet wat hij zeggen wilde. Hij weet gedurende een paar oogenblikken zelfs niet recht waar hij zich bevindt, en wie het is die daar zit.--O ja, nu weet hij 't weer, dat is zijn dierbare vrouw, die miskend werd en gescholden door een pleegvader, wiens laatste woorden een vervloeking zijn geweest over 't hoofd van een pleegkind dat hem altijd eerde en liefhad.--_Ellendeling!_
--Wat kijkt hij weer akelig strak, en wat is bij toch bleek; denkt Eva.
Opstaande komt ze hem terzij; zoent hem op het voorhoofd, en zegt dan vleiend:
"Moet men zich dat zóó _vreeselijk_ aantrekken! Hou je dan waarlijk meer van dien zieke, dan van je Eva, mijn beste man?"
"Nee mijn liefste, zekerlijk niet!" zegt Helmond op kalmen toon.--O, die zoete omhelzing deed hem zoo goed. Hij herinnert zich nu weder dat hij in hare tegenwoordigheid onder alle omstandigheden kalm moet blijven. Eva mag niet vermoeden wat er omgaat in zijn binnenste; welke spooksels hem vervolgen, en wat ze hem gedurig al grijnzend toeroepen.
"Dan willen we ons maar altijd vaster aaneensluiten mijn August, en wat ons dan ook ontvalle niewaar, twee en één en nog eentje blijven één, en voor elkander genoeg.--Maar nu, op mijn beurt ga _ik_ nu eens voor dokter spelen. Je bent zenuwachtig en erg vermoeid, en daarom heb je weinig gegeten. Als je nu langer opblijft, dan zul je ziek worden, en dat wou ik om geen tien generaa.... ik meen voor geen geld van de wereld. Kom mijn beste; zie me nu eens even wat vroolijker aan.--Zóó ja,--dat gaat nog al. Zwaarmutserij daar doen we niet meer aan; is 't wel mijn lieve August?--Hé, wat komt daar uit dien zak gluren?
Het hoofd terzij houdend, en het papier uit den borstzak van zijn jas een weinig naar boven schuivend, leest ze luide het gedeelte van den wissel, 't welk nu te voorschijn is gekomen; en dan, dreigend met den vinger:
"Ondeugd! Evertje Zwaarmuts!! Nu moet het er één weer wagen om me met zotte babbelpraatjes aan boord te komen! Over jou, over mijn royalen man!--Kom, van avond geen vertoogjes meer! Gauw tot rust komen mijn lieve; en morgen dan hooren we dat die generaal weer voor zes jaren geteekend heeft. Want--onkruid vergaat niet;" voegt ze er onhoorbaar bij. En weder luide: "En dan ben jij een heel ander, een uitgerust kereltje; en dan heb ik je een heeleboel te vertellen; van iets fataals dat me van avond letterlijk een oogenblik van streek bracht, maar dat we vinden zullen, ook in 't belang van ons schatje, al moet het wezen á force d'argent. Nee nee, geen muizenesten meer! We bepalen dan, bij een helder zonneschijntje, den dag waarop we onze equipage gaan halen--met den trein er naar toe, welzeker--en spreken te Briesborg meteen over de plaatsen in de comedie;--natuurlijk als mijnheer Alexander V. B. weer inhuurt, natuurlijk!"
't Was Helmond bij den woordenstroom van Eva alsof er op zijn gloeiend voorhoofd heete droppelen vielen. Hij weet niet wat hij gehoord heeft....--O ja: _ons schatje_, heeft ze gezegd. Ha! ons schatje! Groote God, is hij toch niet zalig in dezen stond! Zijn gansche wereld van liefde en heil rust aan zijn hart. Eva streelt hem de wang; zij zoent hem op dat moede hoofd; zij dringt hem om nu te gaan slapen; over niets zal ze meer spreken; geen muisje zal zich bewegen in huis; en, zacht den eersten regel van een wiegelied zingend, dwingt ze hem op te staan terwijl ze alvast met haar fijne vingers hem den halsboord losknoopt, want, ze meent te hebben bespeurd dat de drukking ervan hem zooeven benauwde.
NEGEN EN DERTIGSTE HOOFDSTUK.
Buiten sloeg de torenklok acht.
Ofschoon gestadig ten prooi aan de akeligste droomen, heeft Helmond bijna een kwartier geslapen.
Nu komt hij eensklaps overeind in zijn leger, opent ijlings de ledikantgordijnen, en staart naar het donker onder Eva's prachtige linnenkast. Ja zie maar, daar steekt een voet onder uit; daar ligt de kerel; hij houdt zich schuil; hij heeft zich daar verborgen om hem zoo aanstonds wanneer hij weer slapen zal, te overrompelen.
"Wie is daar! Wie!?"
Er komt geen antwoord. Toch--daar wordt gezucht. Hoor, men gromt en zucht geweldig....
"Wie, wie is daar, _wie_!?" roept Helmond weder. Met beide handen bedekt hij nu zijn gelaat.--Neen, daar was niemand. Het zuchten en grommen is het geraas van den wind in den schoorsteen.--Hij roept:
"Eva!"
Zij komt niet.--Eva zal nog beneden zijn.--Indien zij 'twist dat men hem zoekt; indien ze vermoeden kon dat men het huis omsingelt! Hoor maar, de sabels rinkelen;--men fluistert....
--O God, als men Eva dan ook....
Helmond is het bed uitgevlogen. In weinige seconden heeft hij zich aangekleed, gedurig starend naar het donker onder Eva's linnenkast.
--Wat doet hij? Opstaan, waarom? Nu weet hij het weer. Hij moet naar _De Zonsberg_; geen oogenblik mag hij wachten; misschien heeft de oude man reeds een poeder gebruikt, en ligt hij zieltogend neer.--Aan Jacoba zal hij het zeggen. De lijder moet een tegengif hebben?--Spoed Helmond, eer het te laat is!
IJlings, met het blakerlicht in de hand den corridor betredend, ontstelt de dokter hevig. Een lange gedaante trad de deur van zijn kamer uit. Is het een spookse?
"Bus, ben jij het?"
Bus, nog meer dan zijn meester ontsteld, slaat de oogen neer, en antwoordt met trillende stem: "Jawel dokter."
Helmond keert tot zijn volle bewustzijn terug:
"Wat dee je in mijn kamer?"
De arme lange Bus geeft stotterend maar naar waarheid verslag van 'tgeen hij er deed: Sinds den morgen na de partij bij mijnheer Debecque--toen hij dokters rok had schoongemaakt--heeft hij geen rustig uur meer gehad. Och de verzoeking was zoo groot geweest. In den linker-achterrokzak had hij zoo heel toevallig twee banknoten van honderd gulden in een couvert gevonden. Och en als men dan zooveel rijkdom ziet, en mevrouw dan zelve aan den kleermaker zegt dat het geld er niet op aankwam als de livrei maar mooi was; ja, als men dan een arme moeder en twee zusters zoo mager als palingen had, niewaar....? Och, maar God was zijn getuige hoe hij gestreden, en het niet gewaagd heeft om er een cent van uit te geven. Goddank, toen hij van morgen bij het trouwen van Huibert en Geurtje, dominee Hoogerberg zoo roerend hoorde zeggen: "Kinderen, vergeet uw eerste gelofte niet", toen--de arme Bus kon haast niet verder spreken--toen heeft hij zich voorgenomen om de briefjes stilletjes op dokters kamer neer te leggen, en zie, dat had hij nu naar waarheid gedaan.
--Twee banknoten van honderd gulden!--Helmond weet wel dat hij droomt. 't Is een droom dat Bus daar voor hem staat; 't is een droom dat Archibald hem die wissels op Druter en Comp. heeft gegeven.
....Neen toch niet, zie, de wissels steken nog hier in den jaszak.
"Waar heb je dat geld dan gelaten Bus?"
"'t Ligt op m'nheers schrijftafel."
Helmond gaat haastig zijn kamer in: "Wacht daar."--
--Ja zie, het is zoo; hier heeft hij de beide banknoten.
Helmond begrijpt niet vanwaar dat geld kwam. Het allerminst denkt hij nu aan zijn brief aan Woudberg, waarop hij geen antwoord ontving, en waarvan, volgens den Romphuizer postdirecteur bezwaarlijk iets terecht zou komen. 't Was, volgens dien laatste, zeer wel mogelijk geweest dat dokters dienstbode op dien morgen een brief naar Amsterdam _gefrankeerd_ heeft, maar zeer zeker had zij er geen laten _aanteekenen_.
Op dit oogenblik herinnert Helmond zich echter niets van dat alles. Zooals reeds meermalen in de laatste dagen had hij nu een grooten draaienden cirkel voor oogen; en in dien cirkel wierpen zich de negen cijfers; en slingerend vereenigden ze zich, en vormden, in 't ronde en lange, grillige figuren en onnoembare getallen, terwijl dan eensklaps dat alles tezamen smolt tot een bloedroode nul, een _niets_, sissend en sarrend als een uitdruilend vuurrad.
Wàt zijn duizenden! Wat zijn tweehonderd gulden! Helmond weet het niet.--Maar hier die wissels, die duizenden, roepen ze hem niet toe: We zijn een aalmoes!?
--Dwaze man! ijdele lichtzinnige vrouw!
--Ha, wie durft _haar_ beschimpen? Niemand is schuldig dan hij. Hoor, hoor:
"_Als een kind grijpt naar de vlam eener kaars, dan trekt men dat kind terug; denk daaraan, en heb haar lief._"--Wie heeft dat gezegd?
Helmond schrikt achteruit.--Die het gezegd heeft, ligt hij daar niet te worstelen met den dood? Neen, dat is verbeelding. Maar toch, _als het te laat was_! Spoed dan, spoed!
"Riept u dokter?" zegt Bus om den hoek der deur.
Helmond ziet den man eenige oogenblikken met verwondering aan, en zegt dan snel:
"Ja, je vliegt naar _De Arend_, en laat de vigilante inspannen. Binnen vijf minuten zal ik daar zijn; maar," hij ziet geheimzinnig rond: "aan niemand in huis er een woord van zeggen! Je begrijpt wel waarom: Ik moet naar _De Zonsberg_."
Bus beschouwt zijn meester met bekommering. Hij deed zoo vreemd; hij sprak zoo gejaagd.--O, 't was zeker, ofschoon die oude generaal hem in den laatsten tijd niet best moest behandeld hebben, zijn edele natuur streed er toch mee dat hij nu waarschijnlijk ging afreizen. Ach ja, die brave dokter, wat was hij goed, geen enkel hard woord over dat geld komt er zelfs over zijn lippen.
Lange Bus treedt zijn meester nu zeer nabij; vat zijn hand, en met een traan in de oogen zegt hij: "God zal je zegenen dokter, en je behouden wat je lief is. Zie, als de baas van de pannenfabriek me nou weer durft zeggen dat jij dokter, op het geld van den ouden generaal loert, dan, zoo waarachtig als ik Bus heet, dan sla ik hem met een van z'n eigen pannen de hersenpan in.--Ja ja dokter, ik vlieg!"
't Was Helmond gedurende eenige minuten alsof hij een zeereis maakte; hij voelde het slingeren van 't schip, en 't was hem alsof hij door het blinkend want, in een tintelend blauw staarde.--Hij weet niet meer hoe hij op dat denkbeeld kwam. Hoor! Wie zegt daar: "dat hij een bedelaar is, 't geraamte van een edel mensch!"
--Neen, dat is gelogen. Een Helmond wordt geen bedelaar. Welke démon heeft hem er dan toegebracht om zijn hand voor een aalmoes te openen? Hoe kon hij zich zóó vergeten!
In een oogenblik heeft Helmond, met tamelijk vaste hand, de wissels die hij van Hardenborg ontving in een groot couvert gedaan, en bij het adres: "Aan Archibald Hardenborg," de woorden gevoegd: "In dank terug van Helmond."
Dan--ja, hij weet net nu weer.... dat schip!... Nu schrijft bij:
"Eva, ik heb je bedrogen: wij zijn arm! Een som van hoeveel duizenden guldens, ik weet het niet, is mijn schuld. Toch zijn wij rijk! Aan gene zij van den Oceaan zal mijn kracht herleven.--Bij duizenden zal ik ze redden van de gele koorts, al moest ik tienduizendmaal het slachtoffer ervan worden. Neen, jij zult niet zingen in 't publiek; _alleen_ wil ik werken en slaven en zwoegen, omdat ik niet langer zwak en ellendig wil zijn. Maar jij Eva, je zult er het brood kneden, en het bakken in den oven, en het maal bereiden. En dan zul jij, voor mij alleen verstaanbaar, zingen: "Brengt Peter met een kus aan jou...." Je kent het verder. En--dan vervloekt hij mij niet meer. En in 't eind bevrachten wij datzelfde schip, en zenden onzen jongen--je weet wel--naar die oude schuldeischers, en naar den grijzen man die mij vervloekte, en ze zullen zeggen: Hij was dood en is levend geworden, _Nee_ hij was toch waarachtig geen zwak en ellendig man.
"Vaarwel! Je eeuwig liefhebbende:
August."
--Wat is dat? Wie komen daar?
Angstig ziet de arme koortslijder naar den donkersten hoek van het groote vertrek.--Bedriegt hij zich niet?.... Men is daar bezig met boer Dirksen te begraven. En zie, het lijk richt zich eensklaps overeind, en terwijl het hem verachtelijk aanziet, wijst het op hém--Nu zinkt het lijk achterover.--En daar, meer van nabij, daar ziet hij een doodsbleeke vrouw. Ja hij kent haar wel, 't is de vrouw van den kuiper Sturk. Zij slaapt--den eeuwigen slaap. Zie, ook zij richt zich op, en.... Neen, Goddank, Goddank! zij stapt van het leger af; zij lacht hem vriendelijk toe; zij groet hem nog met de hand en.... verdwijnt in de diepe duisternis.--Ja zie, daar roert alweder iets van verre.--Men schreeuwt--O God! aan _dien man_ heeft hij in een paar jaren niet gedacht.... dat is die oude pleegvader. Zie, men heeft zijn lichaam geopend; men onderzoekt zijn ingewanden; zie maar en al de koppen van Rembrandts Ontleedkundige Les ze staren hem aan alsof ze vragen.... "Ben jij de moordenaar....??"--"O mijn God!" roept Helmond als in doodsangst nog eens. Aan dien grijsaard heeft hij straks niet gedacht. Maar, ja, de kleine lamp met de groene kap brandde boven op den lessenaar in de apotheek; en toen.... toen is er een schot gevallen.--Maar, hij zal nog niet dood zijn. O als hij dood was! Neen _neen_, dat kan niet! Voort dan, voort, naar _De Zonsberg_!
Een oogenblik later slaat Helmond de hand aan den deurknop. Hij zal zich uit zijn woning verwijderen zonder dat iemand het bemerkt. Eva zou hem weerhouden.--Maar, _hoe_ komt hij erheen? Ha, hij heeft immers een rijtuig besteld. Ja hij herinnert het zich: Bus was zooeven hier en.... Bus heeft hem tweehonderd gulden gegeven die hij verloren had; en dat geld....--O Goddank, dat hij het zich mede herinnert: _Donerie's monument_! Dat is de eenige smet; dat geld moet nog aangezuiverd, dat moet aanstonds worden afgedaan!
Weinige oogenblikken later heeft Helmond zijn kamer verlaten.
En 't was stil, doodelijk stil in huis.
Eva zit in de Oranjezaal aan haar keurig bewerkte schrijftafel.
Haar besluit was genomen: Zij schrijft:
"Aan den Weledelgestr. Heer Van Dubbe, Kantonrechter alhier.
"Weledelgestr. Heer en Vriend!
"De majoor Kartenglimp vordert van mij familiepapieren terug, vermoedelijk op grond dat hij zich eenige moeite gaf om die van elders te doen komen. Een opvatting tegen mijn echtgenoot, aangezien deze hem na het ongeval op onze partij, niet _zelf_ mee naar huis bracht, 'twelk hem echter als gastheer onmogelijk was, heeft den majoor een zoo hostile houding doen aannemen.--Ik wensch daarin volstrekt geen verandering te zien gebracht. Wie mijn echtgenoot beleedigt door hem het eens geschonken vertrouwen te ontnemen--hij wordt mij een _individu_!
"Intusschen wensch ik van UEdelgestr. te vernemen, of ik geen recht heb om papieren, die mij inderdaad werden _aangeboden_--zij het tegen een belooning--als mijn eigendom te beschouwen.
"Het recht eener familie op haar familiepapieren kan _mijns_ inziens niet twijfelachtig zijn.
"Indien UEdelgestr. mij als rechter en als vriend het bezit der genoemde papieren--liefst zonder openbaarmaking--wildet waarborgen, het zou mij zeer aangenaam wezen. Mocht het noodig zijn daarvoor kosten te maken, dan geef ik u gaarne carte blanche. In de hoop dat gij u in deze zaak voor mij partij zult willen stellen, noem ik mij, enz., enz...."
--Goed zoo! denkt Eva met vergenoegden lach: Ik zal je bij de rechterlijke macht vóórkomen, monstermensch! En, mocht de zaak op den breeden weg moeten, welnu, mijn beste man draagt wissels van duizenden in den zak.
En terwijl zij nu den brief sluit, zingt ze--eerst zeer zacht, maar al spoedig luider:
"Tra lálala! Tra lálala! Daar komt hij de graaf van Tourloyette, Vite donc, chapeaux bas; Vite donc, placez vous là; Daar komt hij de graaf met zijn jeune eega!"
--Chut, chut! schrikt Eva eensklaps van haar eigen zang. Die dwaze roulades mochten eens tot boven doordringen en den armen goeden August wakker maken. Stil, hij is zoo bedroefd; en, ondanks zich zelve zingt ze toch weder, doch nu binnensmonds:
"Tra lálala! Tra lálala! Daar komt hij de graaf van Tourloyette, Vite donc, chapeaux bas; Criez un vif hourah! Daar komt hij de graaf met zijn jeune _Evá_."
--Men zou zich kunnen laten inhalen. Ja, waarom niet!
En Helmond sloop met ingehouden adem door het holle reeds donkere voorhuis; en hij hoorde.... haar zingen.
--Ha! zij zingt.--Goed, zij zingt!
Buiten was de wind koel. Ondanks zijn poging om de deur zeer zachtjes toe te trekken.... ontstelt Eva van een plotselingen slag.
Maar, er was niets in het voorhuis. De wind zal een luik hebben dichtgeslagen.--Foei, hoe kon een onnoozele speling van den wind haar zoo doen ontstellen, foei!--En nu naar den lieven man!
"Tra lálala! Tra lálala! Daar komt hij de graaf van Tourloyette."
Eva verdween in de donkere gang.
Ternauwernood is Helmond buiten gekomen, of een naderend rumoer doet hem zijn haastigen tred verkorten.--Wie komen daar? Wat wil men van hem....? Neen, in de duisternis bemerkt men hem niet. Hoor:
".... Ze zeggen dat ie al dood is; geweldig om zóó aan z'n eind te komen."
"Ga jij naar Biermans, ik loop naar den kantonrechter."
Een benauwde kreet ontsnapt er aan Helmond lippen; maar men hoorde hem niet. De wind speelde met den ijzeren ketting van den lepel aan de stadspomp.
--O God! daar komen ze! De handboeien houden ze gereed. Dood! _dood_! _dood_! _Een lijk_!--Et satan conduit le bal.--Voort! vlucht! Ellendige moordenaar, _vlucht_!--En, Helmond verdwijnt in de donkere straat.
VEERTIGSTE HOOFDSTUK.
Naar den kant van Briesborg aan de westelijke zij van het stadje, wanneer men de laatste boerenhoeve voorbij is, wordt de weg zeer eenzaam. De straatweg klimt dan tot aan het zoogenaamde Romphuizer Hondsbosch, en gaat er vervolgens met een kleine kromming doorheen. Aan gene zij van het bosch ziet men links van den straatweg nog een armoedige hut, ofschoon de voerbak die er vóór staat moet aankondigen, dat men binnen _Het Roode Zoodje_ toch wel eens "opsteken" kan. Is men de hut aan den zoom van het bosch voorbijgegaan, dan heeft men, na het kleine tuintje, met zijn luttele kromgegroeide appel- en pruimeboomen in 't midden van wat kool en andijvieplanten, niets meer te zien dan een eindeloos breede heivlakte. Ter rechter- en linkerzij van den straatweg golft die vlakte voort, hier en daar slechts afgebroken door een kronkelend karrespoor, of een jachtpaal naast een grooten steen met wat braamstruiken, of ginds door een lager gelegen waterplas met de duizenden indruksels van schapepootjes er in 't ronde, terwijl men recht voor zich uit, op een twintig minuten afstands, het zoogenaamde Briesborger Kattenbosch ziet, waarachter het stadje Briesborg zich verschuilt.
Sinds de mist tegen den avond was opgetrokken, hebben er zich in 't Noordwesten zwarte legermachten saamgepakt. Straks zullen ze zich in beweging stellen; legioen voor legioen. Ze zijn reeds in aantocht. Ha, ze zullen vrij spel hebben dezen nacht. Over de breede hei gaat het onverlet op woud en steden los.
Trompetters vooruit! Den aanval geblazen!
Dat was een schrikkelijke bui!
Grauwe Toon uit _Het Roode Zoodje_ zette het geweer, 'twelk hij oppoetste, in een hoek, en keek naar de vuurplaat waarop de hagelsteenen, zoo groot als erwten en bikkels, kletterend neervielen om straks te sissen in 't vuur onder den pot met kokende aardappels.
Met een ruwen vloek zei grauwe Toon, dat Onzelieveheers hagel lang zoo best niet was als de zijne.
De vrouw, die naar de aardappels kwam zien, lachte om de "geestigheid" van Toon, en zei te vreezen dat het morgen met dat ruwe weer een slechte dag voor de jacht zou worden. En dan, eensklaps opziende:
"Ik hoor wat! Ze kloppen aan 't raam. Smijt die hazen en hoenders in 't hok."
Grauwe Toon nam een zestal hazen en eenige patrijzen van den grond en wierp ze in 't aangewezen hok.
"'t Zal Jaap zelf zijn om het zootje van vandaag," zegt hij: "misschien is 't buiten zoo donker dat hij de deur niet kan vinden."
Een vreeselijke stormwind joeg naar binnen toen de man de deur opende om eens even te gaan zien.
"Is daar iemand?" schreeuwde Toon naar buiten in de richting van het raam.
Twee mannen kwamen al spoedig den hoek der hut om.
Zelfs toen ze binnentraden zagen Toon en z'n vrouw niet wie het waren; de wind had de lamp uitgedoofd. Toen de deur gesloten was en de lamp weer brandde, vroeg de man op wat minder ruwen toon dan hij gewoonlijk sprak, wat menheer verlangde, want, ofschoon de menheer er niet erg voornaam uitzag, hij had een knecht in livrei bij zich. Die vreemden kwamen Toon wel bekend voor, maar thuisbrengen kon hij ze niet.
--Ah! nu is hij er achter. En Toon en zijn vrouw geneerden zich niet, ze schaterden van 't lachen:
"Ben jij Bus, de lange pijp drop! O lieve heer, in een apen- en hondenrok! Goeje hemel!" Toon hield zich den buik vast van 't lachen. Het wijf meende te bezwijken, want zie, een pand van die livrei-jas hing als een flard naar beneden.
Bus wreef aan z'n langen neus; de hagelsteenen hadden hem ouwerwets geraakt; 't water droop hem van 't lijf, en hij rilde van kou. Toen hij nu dat lachen hoorde, en zag dat het wijf naar het pand van zijn jas wees, keek hij over den schouder naar beneden en nam het afhangende flard onder den arm.
"Ah zoo" zegt Toon nog lachend: "ben jij Van Hake, de winkelknecht van dien knoeier!"
Bus wist niet wat hij wringen zou, en wrong aan het flard van zijn livrei-jas.
Thomas Van Hake trilt over zijn gansche lichaam; doch, hij houdt zich in; hij begreep dat het parels voor de zwijnen zouden zijn om hier Helmonds eer te gaan verdedigen.
"Ik vraag je Toon, of je ons helpen wilt om den dokter te zoeken? _Je_ kent de wegen in 't bosch."
"Hêt z'n mooie zoetelief 'em de deur uitgeschopt? Wel, óf ze gelijk had; zoo'n domme kinkel! Als ie geen centen had en toch en gebraaien haan wou uithangen, waarom dan niet dien ouwen lands-palfrenier van _De Zonsberg_ goejen nacht gezeid! Nou, alsof jelui er niet _alle dagen_ eenigen voor grof geld naar de eeuwigheid helpt! Als _ik_ het een schraal konijn doe, dan roepen ze moord en brand; maar zoo'n stommen dokter, sakkerhelp! dien laten ze z'n gang maar gaan!"
Van Hakes oogen fonkelden. In een oogenblik was hij nabij den haard, waar Toon straks zijn jachtgeweer heeft neergezet. Hij grijpt het; neemt het met beide handen bij den loop; en dan, de kolf omhoogheffend, roept hij in woede:
"Schelm! trek je woorden in, of in je eigen nest verpletter ik je den grauwen kop!"
Bus liet het pand van zijn jas los en greep naar een stoel.--Toons vrouw gilde weer van 't lachen. De strooper keek vergenoegd. Met zijn kolossale hand vatte hij het jachtgeweer bij de kolf, en--slechts een kleine draai was voldoende om het Thomas uit de hand te wringen.