Chapter 43
Maar aan haar besten August denkt ze. Sedert zij straks naar beneden ging, moest zij--na dien curieusen droom--den _heelen tijd_ aan hem denken. Zij heeft somwijlen een gevoel alsof het mooie plafond op haar zal neerkomen als het bovendeksel van een kist. Aan haar toestand mag ze het toeschrijven dat ze zulke nare droomen heeft. Straks had ze ook erg voorover gezeten terwijl ze sliep.--'t Was een mooie scène: Onze Lieve Heer boven een _bal masqué_! Hoe komt men aan zulke zotte profane droomen? En de hand, die den Elfenkoning zoo onbarmhartig wegnam, wat was die hand onbegrijpelijk groot, en toch precies een gewone hand; ja zelfs, in den vorm, was het de hand van papa....--Papa heeft haar gisteren zeer zonderling ontvangen, en gezegd.... Nu ja, maar papa is geen evangelie. Papa is onaangenaam, en Louise is een malle zottin. Als Eva dan zelve uit goedhartigheid bijna al de heerlijke overblijfsels van zoo'n feest naar haar ouders huis brengt, dan is het onaardig dat men iemand tot dank met allerlei onnoodige predikatiën verveelt, en halsstarrig weigeren blijft om van al die onbekende heerlijkheden iets te gebruiken.--Bah! wat gaat het _haar_ aan; maar verwijtingen uit jaloezie, uit....
--_Als het waar_ was! Maar het is _niet_ waar. Men kan mij toch niet opdringen dat wit zwart is....--Zwart!--Waarom heb ik een zwarte japon aan vandaag? 't Is een doodsche kleur. Ik wil niet in 't zwart zijn als Helmond thuiskomt. De rose barège ziet hij zoo graag. Ja, en dan zal ik hem vragen ....
Er wordt geklopt. Eva ontving weder een briefje.
Onder het lezen ervan betrok haar gelaat. Mevrouw Helmond werd beleefdelijk verzocht om de familie-papieren der graven Van Armeloo, "die zij zich had toegeëigend", nog dezen avond terug te zenden, zullende anders de zaak in handen van den kantonrechter worden gesteld.... Het briefje was met een _K_ onderteekend.
Dat waren _de_ laatste krachtelooze sprongen van een geketend monster.
Van uur tot uur was Ronner-Kartenglimp er sedert dien avond op bedacht geweest om zich te wreken. De zoete prooi was hem ontgaan, helaas door eigen schuld!--Waarom is men toch altijd onvoorzichtig wanneer een doel, waar de wereld niet mee van noode heeft, moet bereikt worden, al zal men ook dagen en weken lang zijn plan hebben gewikt en gewogen? Was het geen verregaande roekeloosheid, om haar op den avond van het feest in dien koepel te lokken? Neen, dronken van genot en glorie, zoo heeft hij berekend, zal ze het willigst den prijs betalen voor de grootste eer en de schitterendste toekomst. Ha, die schoone vrouw! Ha!! Maar alles is voorbij. De begoocheling is nu verdwenen. Inplaats van de zaligste genietingen, waren zeer benauwde oogenblikken het loon geworden voor al zijn moeite tot het spannen van een "zekeren strik", en het oefenen van een geduld, waartoe hij vroeger onmachtig zou geweest zijn, maar nu, door zijn vurige "liefde" instaat was gesteld.
--En nu wát wil de "blancbec" die hier ter kwader ure uit Indië kwam overwaaien? Ronner heeft het wèl verstaan: die melkmuil zal zijn instructiën vragen. En dan....? Maar tot zóólang kan niemand hem deren.--Hij beval hem van die ontmoeting in den koepel te zwijgen.--Nu, dat zou hij doen; 't mocht toch maar ten zijnen nadeele worden uitgelegd. 't Was een charade; welzeker, een charade; haha!--Maar die dwang om zich ziek te houden, of althans zich nergens te vertoonen? Wat vermeet zich die kwajongen, die indringer; om een _majoor_ daartoe te durven dwingen! Op dat oogenblik in den koepel, en later hier op zijn eigen kamer, was hij te zeer onder den indruk van die teleurstelling om zich te kunnen toonen; welzeker! Maar nu, voor den d.... als hij nú hier was, hij zou hem een anderen toon leeren aanslaan; hij zou hem, ha! een degen door 't karkas jagen, en dan uitlachen om al zijn heldenmoed!--Nochtans, dewijl kalmte voor zijn gestel hoogstnoodzakelijk is, heeft Ronner toch besloten om zich in den eersten tijd bedaard te houden. Waartoe noodelooze opspraak te verwekken? Aan Kippelaan en een paar andere bekenden, die hem een bezoek brachten, heeft hij wel bemerkt dat er niets van die scène is uitgelekt. Den tijd, dien hij nu beschikbaar heeft, kan hij niet beter gebruiken dan zich te vermaken met het schrijven van eenige briefjes; ze zullen dan toch bewerken dat dien edelen braven dokter, aan de zij van dat prachtige vrouwtje, het angstzweet zal uitbreken, en dat die weerspannige zelve in 't eind.... hahihaha!
Op dit oogenblik verlangde Ronner naar iemand dien hij inderdaad veracht, ofschoon die persoon hem--onbewust--reeds dikwijls een dienst heeft bewezen.--En zie, nu men hem hebben wilde, nu kwam hij niet. Ronner wil weten hoe de zaken staan; welke uitdrukking er zich op Helmonds gelaat teekende toen Kippelaan hem dat briefje overhandigde. Hij wil weten hoe het met dien ouden generaal is; of de notaris er reeds een testament heeft gemaakt; hij wil weten of de jonge doktersvrouw.... Ha! wat gloeit hem weer eensklaps het hoofd; hij wil weten of zij nu, ja nú thuis is.... _alleen_. Wat raakt het hem of hij zijn woord aan dien jongen gaf. Zal een gepensioneerd majoor zich laten ringelooren door zulk een individu; door een.... die hem de epaulet.... Stil, dat weet niemand; dat raakt niemand.--O! indien hij bij die vrouw nog herstellen kon wat hij bedierf. Hij zal haar zeggen dat hij al de schulden van haar man wil vereffenen; dat hij haar voor die gewaande vrouweneer de hoogste eer zal doen geworden.--Zou hij lafhartig zijn en op 't bevel van dien kwajongen nog langer arrest houden! Hardenborg is toch 's-avonds niet in de stad en niemand weet van dat,--uit overspanning, maar al te gewillig aanvaard arrest.
--Voort, het brandt hem vanbinnen. Voort!
Terwijl de avond viel was de mist van lieverlede verdwenen. 't Was guur weer geworden, zeer guur. De Romphuizer straten verkeerden zoo goed als in volslagen duisternis, want men verwachtte over een half uur--volgens den almanak--de maan.
En, in den omtrek van het groote doktershuis zwierf onbespied een zwarte gedaante rond.
--'t Is wel zeker dat ze zich daarbeneden, in die zijkamer, moet bevinden, denkt hij, terwijl hij onder de boomen van het marktplein staande, naar een venster tuurt, waarvan de blinden nog niet vast zijn gesloten, zoodat er in 't midden een groote lichtstreep naar buiten glanst.--Is ze daar? Alleen?--Ronner doet een paar schreden terzij, en, schrikt dan geweldig. Onwillekeurig had hij de hand tegen den killen ijzeren slinger van een stadspomp gestooten.--'t Is niet goed voor zijn gestel zoo alleen in 't duister. Men kon schrikken; er zou iets kunnen gebeuren. Maar als zij dan dáár alleen is! Immers die brave man zal wel weer naar _De Zonsberg_ zijn,--haha, nu het er op aankomt!
--Ja, als zij dan daar werkelijk geheel alleen was....
Ronner staat nu voor het raam, en houdt de hand boven de oogen.--Hij ziet haar door den kier. Zeker is zij alleen, want ze tuurt en staart voor zich uit. Wat is ze schoon, wat is ze betooverend schoon! Voort dan!
Reeds heeft hij de stoep beklommen, en.... Wat hoort hij? Komt er een rijtuig van de Hoenderveldsche straatzijde? Ja, twee glimmende oogen grijnzen hem van verre aan: 't zijn de lantarens. Het rijtuig nadert naar deze zijde. Terug Ronner, wanneer het die Indiër ware. Terug!
Zoo snel 't hem mogelijk is, spoedt hij zich de stoep weer af, en gaat den hoek van het huis om.--Toch moet hij zien of hij zich niet bedroog.--Het rijtuig houdt stil voor de stoep. Men schelt. Zie, hij wipt de wagentree af. Het schijnsel uit de opengaande deur verlicht voor een oogenblik zijn gelaat. Ja, hij is het. Vervloekt, hij is het! Zou die blancbec inderdaad bij haar....? Ja, ja, natuurlijk!
--Ha! is _alle_ vrouwendeugd bedrog, dan is het _zeker_ de deugd van zulk een ijdel wezen! Ah zoo, ze heeft dan voortreffelijk haar rol in dien koepel gespeeld! Maar ha, nú zal ze het boeten, nú zal hij zich wreken op die allen tegelijk.--Spoed Ronner, ze zullen nu allen tezamen boeten. Voort!
Ronner heeft zijn plan in hetzelfde oogenblik gevormd: Twee regels zal hij schrijven aan dien goedaardigen echtgenoot. Twee regels: "Ga naar huis en vind uw geliefde in de armen van een dapperen huichelaar!"
Dát, en niets meer; maar 't zal genoeg zijn. Voor een paar kwartjes is Hannes de harddraver die aan den wal woont, zeker gemakkelijk te vinden om den dokter, binnen een kwartier--'t zij aan de apotheek waar hij moet geweest zijn, 't zij op _De Zonsberg_--het bericht in handen te spelen. Hannes kon zwijgen; Hannes is iemand op wien men vertrouwen kan. Ronner weet het bij ondervinding.
Met het voornemen om dat briefje ter bespoediging maar even in Hannes' woning te schrijven, spoedt de majoor zich nu haastig naar den wal. Hannes woonde daar niet ver van de Hoenderveldsche Poort of brug, en zijn woning lag, evenals het oude doktershuis, een weinig in de diepte.
Het kleine huisje is wel te vinden. Ronner kent het. Op den wal was het toch iets lichter dan onder de boomen op de markt. En, ofschoon de wind onaangenaam koud is en de duisternis hem weinig bevalt, Ronner heeft weldra het eind der straat bereikt.--Zoo, dezen hoek om; nu de glooiing op. Dit is de wal; rechts en links zijn boomen. Daar, in dat huisje, waar nog licht brandt, moet hij wezen.
--Wat is dat?--Welk woest rumoer en getier nadert van gindsche zijde? Wat wil men? Heeft die luitenant hem gezocht misschien--op zijn kamers, bij Helmond, overal, en niet gevonden? Komt hij nu met een ganschen drom....?
--Nee, stil; vrees is kinderachtig. 't Zijn vroolijke menschen. Hoor, zij zingen.--Ze maken muziek.--Maar toch, zij komen naar dezen kant. Dat volk is dikwijls dronken; men kan niet weten....! Als ze hem hier in de duisternis zoo alleen zien, dan zullen ze denken dat hij iets kwaads in 't zin had. Ze zouden hem in hun overmoed of dolle dronkenschap een onheil kunnen toebrengen. Hij wil hen uit den weg gaan. Als hij zich achter dien dikken lindeboom verschuilt, dan gaat de troep hem voorbij zonder hem te bemerken....
Hij klemt zich vast aan den boom, want de walkant is glibberig nat.--Hoor, ze komen al nader. Hoor, ze zingen:
"Nooit geen nood, Nooit geen nood. Zoetelief trouw, tot in den dood."
En de dansende stoet kwam al nader:
"Daar niet van, Daar niet van, Allevrouw pakt 'er eigen man.
"Nooit geen rouw, Nooit geen rouw, Alleman zoent z'n eigen vrouw."
Ze komen al nader. Ze zullen hem zien; en als ze hem zien, hier achter dien boom, dan zal men nog eerder denken dat hij iets kwaads in 't zin had. Maar toch, hij durft niet zoo eensklaps van achter den boom te voorschijn komen.
En al dichterbij klinkt het:
"Nooit geen nood, Nooit geen nood, Werken trouw voor 't daaglijksch brood.
"Hop hop hop, Hop hop hop, Schelmen trappen ze op den kop; Schelmen smijten ze uit de deur; Albeneur, Albeneur!"
De stoet, is op een paar schreden afstands, den boom genaderd. De majoor Ronner trilt over al zijn leden. Hij duikt een weinig naar omlaag. Maar zie, een vurige tong vloog op hem af. Een vreeselijke knal dreunde hem in 't oor; en....
--O God wat is dat! Wat kreet heeft zich daar met het pistoolschot van Careltje, en een blij hoezee der bruiloftsgasten vermengd? Wat plofte daar van den tamelijk steilen wal in de nauwe half droge gracht? Wat zou het wezen?
"Kom, niemendal; een dood stuk hout," riep er een.
"Wat raakt het ons!" zei een ander. En opdat de feestvreugde niet zou verstoord worden, blaast Peter luider en scheller op de klarinet, en roert Dirk de harmonica nog sterker, en op een paar enkelen na die hier 't ergste vreezen, trekt de feeststoet verder, weer zingend met klem:
"Hop hop hop, Hop hop hop, Schelmen trappen ze op den kop."
ACHT EN DERTIGSTE HOOFDSTUK
't Verwonderde Eva dat de jonge Hardenborg, nadat hij over Helmonds afwezigheid zijn leedwezen had te kennen gegeven, zoo afgemeten was. Met geen enkel woord herdenkt hij de partij, die toch waarlijk niet voor het feest op _De Poel_ heeft ondergedaan.--Maar, hoe kon ze 't een oogenblik vergeten: 't zou niet kiesch zijn indien hij ervan sprak. Immers hij was Helmond in die nare oogenblikken te hulp gekomen. Doch waartoe? Zou het inderdaad niet delicater geweest zijn wanneer hij buiten den koepel was gebleven? En dan, hoe kwam hij zoo toevallig achter in den tuin? Had hij haar misschien bespied toen zij zich voortspoedde? Heeft hij haar van ontrouw durven verdenken....?
--Weg, weg met die dwaze gedachten! Zij weet wel beter. Helmond heeft haar meermalen gezegd dat Archibald Hardenborg een brave edele jongen was.
--Voorzeker, hij heeft op dien avond de waarheid gegist. Hij kende dien Kartenglimp. Later werkte hij er krachtig toe mee, om dien vreeselijken man niet slechts uit hun huis te verwijderen, maar ook om te zorgen dat hij haar goeden naam niet door leugenachtige uitstrooisels in gevaar bracht.
--'t Was kiesch van Hardenborg dat hij niet van den feestavond sprak.--Maar nu.... zou ze hem eens om raad vragen! Zal ze hem den inhoud van dat pas ontvangen briefje meedeelen? Onder den indruk ervan is ze zelve minder spraakzaam; ze gevoelt het.--'t Zal haar misschien een goed denkbeeld geven, en tegelijk het gesprek beter doen vlotten:
"Ik wil het u niet verbergen luitenant.... daareven kreeg ik...."--Neen neen! toch niet, ze spreekt er niet van: "Ik kreeg...."
"Slechte tijding misschien van _De Zonsberg_ mevrouw?"
--'t Is ook waar, Kaatje is haar, weinige oogenblikken voor Hardenborgs komst, met een bedenkelijk gezicht komen vertellen dat de generaal, volgens Bus, er slecht aan toe was.
"Ja, ja juist, _heel_ slechte tijding;" zegt Eva snel.
"Toch niet reeds....?"
Eva wist niet hoe het kwam; maar toen hij haar aanzag met een gelaat, waarop zooveel vraagteekens geschreven stonden, toen kon ze 't niet laten om reeds als _zeker_ te stellen 'tgeen toch zeer wel _mogelijk_ was. Ze vond er een zonderling genoegen in om al vast eens te toonen "hoe ontzettend diep dat verlies haar zou schokken...."
"De generaal overleden?" zegt Archibald, en de gewoonlijk zoo vroolijke uitdrukking van zijn prettig gelaat is nu geheel verdwenen.
--Eva kon 't niet helpen. Zij heeft letterlijk geen tijd gehad om een reserve te maken. Ofschoon ze slechts door een gelaatsuitdrukking het antwoord heeft gegeven, het speet haar nu reeds dat ze een onwaarheid sprak. En--Maar nee, ze kon niet zoo aanstonds terug.
"Die fiksche oude man!" zegt Hardenborg: "Helmond zal zeer bedroefd zijn. Hij hield veel van den generaal."
"O ja.... tenminste...." zegt Eva. En dan; ze wil nu toch zeggen dat de luitenant haar verkeerd heeft begrepen. 't Is te dwaas dat zij "den ridder van _De Zonsberg_ reeds van zijn aardsche schatten losmaakte, terwijl hij misschien nog bestemd was om als een tweede Harpagon op het wereldtooneel te schitteren". Ze wil hem zeggen bovendien, dat Helmond noch zij, veel reden zouden hebben om zich een mogelijk overlijden van den generaal bijzonder aan te trekken.
--Wanneer de luitenant soms door infame praatjes in de meening was gebracht, dat men op een erfenis van Helmonds "edelen pleegvader" hoopte, dan kon ze hem verzekeren dat dit een allerliefst misverstand was. Men achtte het beneden zich om aan zoo iets te denken, en gevoelde zich veel te hoog, en van te edele afkomst, om nog op een handvol goud te speculeeren terwijl men, door zelf fortuin te bezitten, dat armzalig gepotte geld gelukkig niet noodig had. Zij wil....
Doch zie, daar wordt de deur geopend.--Is het Helmond wel die binnentreedt? Eva schrikt. Wat ziet hij bleek. Wat staan zijn oogen strak. Misschien is hij naar _De Zonsberg_ geweest, en....
Snel vliegt zij haar August tegemoet, en omhelst en kust hem alsof er geen vreemde bij was.
Archibald is mede getroffen door Helmonds voorkomen. Hij steekt hem de hand toe en zegt:
"Mijn beste Helmond, ik kan me je smart begrijpen. 't Is hard den ouden boom te zien vallen wanneer men als kind onder zijn lommer mocht spelen, 't Zal je een droom zijn. Men wist ternauwernood dat hij ernstig ziek was: en--nu al _dood_!"
't Was Helmond alsof een ijzeren vuist hem inwendig samenwrong.
Roerloos stond hij daar en zag den luitenant aan met een blik, waaruit deze echter niet las dan een poging om zijn felle smart te bedwingen.
"_Dood!_ Wie meen je? Wat? _Wie_ is dood?"
Eva, hevig ontsteld, bekent met een schaamteblos dat er een misverstand is. Mijnheer Hardenborg heeft zeker straks uit haar woorden of houding opgemaakt dat de generaal reeds overleden zou zijn. Eva weet niet meer wat zij gezegd heeft; maar juist had ze den luitenant beter willen inlichten, toen Helmond is binnengekomen. Het spijt haar dat zij onwillekeurig mijnheer Hardenborg in een dwaling en Helmond aan 't schrikken heeft gebracht. Maar Helmond zelf zou het immers beter weten, want, zij kan het hem aanzien dat hij--al te goedaardig--er weer is heen geweest, en er waarschijnlijk zeer onaangename oogenblikken heeft doorgebracht.
--En ja, Helmond wist het beter.... Althans....? Maar hij moet zich nu goedhouden. Ofschoon hij bij 't binnentreden niet op zulk een nieuwen schok was voorbereid, hij zal de kracht niet missen om zijn gewone kalmte ook nu te bewaren.--Schokken zijn voor Eva in hare omstandigheden hoogstgevaarlijk. Zij heeft een teeder gestel.
"Ja, ik schrok ervan Eva; maar gelukkig, ik wist het beter.... tenminste....!" En dan, alsof hij zich aan een sombere droomerij, waarin hij opnieuw dreigt te vervallen, ontrukken wil: "Hoe gaat het op _De Poel_, en--op _Brouwerscate_?"
Archibald zou er bijna toe gekomen zijn om, naar aanleiding van die laatste vraag, weer op wat vroolijker toon te beginnen; maar, Helmonds krachtige poging om zich goed te houden ontging hem niet.
Er zijn oogenblikken dat een vroolijke toon klinkt als hondengejank te midden van een plechtig adagio. Er zullen er altijd zijn die _lachen_, maar wie gevoel voor muziek heeft dien snijdt het door de ziel.
Hardenborg herinnert zich nu het doel van zijn komst, en, dewijl hij bovendien vernam dat men nog dineeren moest, zou het zeer onbescheiden zijn geweest indien hij de echtgenooten langer bleef ophouden.
Met de beste wenschen neemt Archibald afscheid. Alvorens echter de kamer te verlaten--hij rekent erop dat Helmond hem zal uitgeleide doen--moet hij, tegen zijn zin, de schoone Eva nog een oogenblik tot raadsman dienen. Zij zegt hem, dat hij immers wel gaarne zal toestemmen dat Helmond zich zelven en ook háár kwaad doet, met zich den loop der wereldsche zaken zoo aan te trekken. Hardenborg moet beloven, vast beloven, dat hij haar lieven man dikwijls zal komen opzoeken. Men kon dan meteen eens over een plannetje spreken, dat ze--als alles wèl blijft--gevormd heeft; namelijk, om samen dezen winter partij te maken en wekelijks naar Briesborg te gaan als er comedie zou zijn. Ze heeft dezen morgen juist in het Romphuizer blaadje gezien, dat de troep die er speelde door _aanwinst_ van een nieuw acteur en actrice zoo bijzonder zal voldoen.
"Niewaar luitenant," besluit Eva: "een dokter die later uit ambitie maar dokteren blijft, ofschoon hij er niet tegen kan--nee, wie zich alles zoo aantrekt _kan_ er niet tegen--die dokter moet een contrepoids in afleiding zoeken?"
"Wel mogelijk mevrouw;" zegt Archibald: "Maar over dit alles later; ik mag u niet ophouden. Bonsoir!" En, met een buiging verlaat hij de kamer.
Archibald vond Eva lang zoo schoon niet als bij vroegere gelegenheden. Maar, hij verkeert onder een indruk. Nu zal hij zekerheid krijgen en zich verruimen meteen:
"Nee nee, eventjes moet je met me in je spreekkamer, mijn brave reparateur. Noodzakelijk!"
Helmond volgt. 't Bevreemdt hem niet dat Hardenborg hem iets te zeggen heeft. Hij zou zich op dit oogenblik over niets hebben verwonderd. Wanneer men hem gezegd had dat hij niet bestond, en dat de heele wereld een _niets_ was, hij zou het niet vreemd hebben gevonden. Já, de heele wereld een ledig _niets_!
Zie, nu luistert hij toch. Ja zelfs aandachtig. Wat is dat? Fonkelen zijn oogen van blijde verrukking; glinstert daar een traan....
"Dat is nu alles wat ik je te zeggen heb," besluit Archibald: "Of de som wat grooter of kleiner is, mijn beste vrind, dat doet er niet toe. Grootpapa Fontayn heeft indertijd zulke goede zaakjes gemaakt, dat men op een enkel briefje van duizend gulden niet behoeft te zien. Komaan Helmond, bedenk je geen oogenblik: als ik raak heb geslagen dan zal het zoo zijn, en beschouw dan de geheele geschiedenis als een herhaalde dankzegging van iemand die blij is dat ie nog leeft.--O wat zou mijn engel hebben aangevangen in de wijde wereld zonder haar dierbaren luitenant op nonactief!"
Nu 't pak hem van 't hart is ademt Hardenborg weer ruimer.--Had hij vroeger zoo iets kunnen vermoeden, goede hemel, hij zou in overleg met le bon papa al lang die narigheid uit de wereld hebben geholpen. Maar eerst sedert gisteren vernam hij van alle zijden dat de arme vriend zoo rondom in de schuld zat. Begrepen! Het teleurgestelde monster, dat de zwakke zij der schoone vrouw, ter bereiking van zijn lage oogmerk, heeft weten te streelen, nam _toch_ zijn wraak.
--Ha, begrijpt de laffe domoor dan niet dat Archibald Hardenborg terstond heeft doorzien van wien het ongeteekend schrijven kwam, 'twelk men bij de familie Narwal, als waarschuwing tegen den "tot over de ooren in de schuld stekenden Helmond", had ontvangen? Moest hij zóó woord houden die zwarte blanke, en inweerwil van de ontvangen krasse waarschuwing!--'t Besluit was aanstonds in stilte genomen: Als papa zou toestemmen, dan reed hij invliegende vaart naar den vriend, om hem, zoo 't noodig mocht zijn, carte blanche te geven; en vervolgens naar dien "talentvollen acteur" om hem nóg eens te zeggen--maar onbeschrijfelijk kort--wáár 't op stond tusschen hem en den tweeden luitenant.
En nu, 't is jammer, _jammer_ dat de fielt geen onwaarheid heeft geschreven. De arme Helmond! Maar Goddank, Goddank! dat hij em helpen kan.--Archibald krijgt het warm, zeer warm. Hij voelt zich de hand vatten, die drukken met vuur, en.... Neen, woorden verneemt hij niet. Dat is pijnlijk, verdord! Dat is.... Hij zou geen "schouder geweer!" kunnen roepen als 't noodig was.
"Ben je gek Helmond; je drukt me die hand veel te hard. Weet je wat: je stopt dus, met wat wissels op onzen Amsterdamschen kassier, de scheuren maar heelemaal toe. Met dominees en dokters daar kun je zoo van die grappen mee hebben, zei le bon papa: die beste vrinden repareeren je van binnen en van buiten zoo goed als voor niemendal.--Kom, ben je gek vent; je trekt me de hand uit het lid."
"Archibald, ik ben op dit oogenblik niet instaat...."
"Nee dat hoeft ook volstrekt niet."
"Hardenborg, ik _mag_ en _kan_...."
"_Mogen_ daar denken we niet aan, _kunnen_ da's iets anders; maar om 't je wat gemakkelijk te maken, heeft papa alvast een stuk of wat van die dingen meegegeven. Zieje, hier. Jij vult van de blanco's de cijfers maar in, enz. enz. Aan de achterzij je naam. Nu dat is toch zoo'n heksenwerk niet. Tot weerziens; adieu!"
Toen Helmond opzag was hij alleen. De voordeur hoorde hij dichtslaan; en, een rijtuig ratelde langs het marktplein voort.
--Heeft hij 't gedroomd!? Toont hem weer een grijnzende sater een schotel vol goud? Neen, hier, hier liggen ze.... de bewijzen. Zie maar. Hahaha, hahaha!!--Stil, dat lachen klinkt akelig; 't doet hem pijn, ja pijn, pijn overal! Maar toch, hij zou nog eens kunnen lachen.
"O God, ik dank u! mijn naam; mijn kind! mijn Eva!"