Dokter Helmond en zijn vrouw

Chapter 4

Chapter 43,993 wordsPublic domain

Zij geeft hem de hand; zegt eenige bijna onverstaanbare woorden, en barst dan eensklaps in een zenuwachtig snikken los.

"Stil moeder, stil! Foei, dat is nu weer kinderachtig. Wat moet dokter daar nu van maken! Als dokter niet wist dat je erg zenuwachtig waart dan zou hij wel kunnen denken dat we ons niet verheugden in zijn geluk. Stil moedertje, stil!"

"Laat moeder maar eerst eens uithuilen Thom. De zenuwen willen zoomin gecommandeerd als beklaagd worden. Ik weet immers te goed hoe je brave moeder zich in mijn geluk verheugt."

Mevrouw Van Hake drukt Helmonds hand, en dan zich vermannend, zegt ze op bewogen toon:

"Daaraan heeft mijn weldoener nooit getwijfeld, dat weet ik zeker; maar.... er zijn oogenblikken...."

"Geef je moeder een glas water Thomas.--Ziezoo, drink maar eens ferm mevrouw. Flink zoo. En nu ook verder geen lange aanspraken niewaar? 't Is _alles_ uitmuntend goedgemeend, daarvan heb ik de doorslaandste bewijzen. Werd mijn slaap- en zitkamer gedurende de bruidsdagen niet telkens als met frissche bloemen bezaaid, en wat meer zegt, heeft mijn lieve bruidje niet zelf er over geroepen zoo keurig als alles door mevrouw werd in orde gebracht? Zij verbeeldde zich dat ze verrukt zou zijn als we bij onze terugkomst, de overgordijnen voor de glazen en alles geheel in orde zouden vinden."

Mevrouw Van Hake heeft zich hersteld. Zij wischt zich de tranen uit de oogen, en zegt zacht op bewogen toon:

"Wat u aan de arme doktersweduwe en haar kind hebt gedaan, beste mijnheer Helmond, dat kan ik u nooit vergelden, maar...."

"Och lieve mevrouw, daar moet u niet van spreken; wat ik deed geschiedde werkelijk het allermeest uit een welbegrepen eigenbelang."

"Het schoonste eigenbelang! Het was om de voldoening te smaken bedroefden te hebben getroost en welgedaan."

"Mevrouw Van Hake, als twee menschen zich tegenover elkander gelijkelijk verplicht gevoelen, dan doen zij 't best elkaar stilzwijgend de hand te drukken, en die handdruk zegt dan mede genoeg voor de toekomst."

"O u bent zoo goed mijnheer Helmond, maar juist de toekomst is het die mij met droeve gedachten vervult. Toen Van Hake na al onze rampen en zijn langdurig ziekbed gestorven was, en u in zijn plaats als dokter te Romphuizen kwaamt, toen was het uw liefde die....."

"Beste mevrouw, waarvoor toch dat alles? Wij weten immers wel....."

"Maar dokter, laat moeder nu toch alsjeblieft uitspreken. Moe wordt altijd zenuwachtig als men haar in de rede valt. Ga jij je gang maar moedertjelief: je woudt zeggen dat dokter ons toen hier in huis heeft laten blijven, niewaar?"

"Ja kind, en ik zou van alles willen ophalen, en vooral hoe dokter je zelf zooveel heeft geleerd dat je zoo'n goed examen als apotheker kondt doen; en van alles en alles wat hij meer deed om ons onze smart te verlichten, terwijl anderen...."

"Zoo'n pruik als Biermans bijvoorbeeld!" valt Thomas uit: "zoo'n schrok, die...."

"Hoor eens Thomas, het is me niet aangenaam om mij ten koste van een oud en achtenswaardig man te hooren verheffen. Biermans heeft een zwaar huishouden en wilde zijn tweeden zoon immers zelf graag apotheker zien worden. En nu, ronduit gezegd beste vrienden, het zou me plezier doen indien we het zonder meer woorden bij een handdruk konden laten. Mocht er echter iets zijn dat mijn moederlijke vriendin voor de toekomst met zorg vervult, dan luister ik heel graag en met belangstelling; doch, raakt het punten van huishoudelijken aard, zijn het woon- of--vergun mij het woord--zijn het telkens weer _keuken_bezwaren, laat dan mijn verzekering mede uit naam van mijn lieve Eva, u voldoende zijn, dat het tot ons wezenlijk geluk zal bijdragen indien alles tusschen ons blijft op den ouden voet--uitgezonderd die kleine menage-verandering, zooals ze u is voorgesteld."

"Och, dat u mij toch begrijpen woudt lieve dokter," herneemt mevrouw Van Hake: "juist wat u met zooveel goedheid mijn woon- en keukenbezwaren noemt, ze zijn van zeer overwegenden aard. Toen u als vrijgezel onze woning kocht, toen was het behoud der drie kamers in het achterhuis niet van zoo heel veel belang voor u--daargelaten het geldelijk voordeel, dat er door u van zou zijn te trekken geweest."

Vriendelijk maar toch eenigszins verstoord zegt Helmond:

"Voor die kamers had ik dan toch al uwe zorgen, al uw huishoudelijke bemoeiingen, niewaar?"

"Juist, mijn lieve mijnheer Helmond; maar gesteld eens dat die laatste opwogen tegen alles, _alles_ wat u voor mij en mijn Thomas hebt gedaan, is dan de toekomst voor mij geen pijnlijke toekomst terwijl ik weet dat het eenige wat ik u in ruil voor uwe weldaden kon geven, nu geheel moet ophouden? Met uw huwelijk dokter, neemt uw vrouwtje natuurlijk het huishoudelijk beheer in handen. Zal zij in den aanvang misschien nog een enkele maal zoo vriendelijk wezen om de oudere in jaren over 't een of ander te raadplegen, allengs zal zij, geheel berekend voor hare taak, mij niet meer behoeven, en ik in uw dienst geen nuttige hulp, maar steeds meer en meer een groote lastpost zijn."

"Mevrouw Van Hake is nimmer in mijn _dienst_ geweest!" zegt Helmond half verdrietig: "en, als dat ooit door iemand als zoodanig is beschouwd, dan wordt het hoog tijd dat daar een eind aan komt. Vergeef me lieve mevrouw, dat ik een oogenblik wat knorrig werd, maar ik acht u te hoog dan dat ik u zóó over u zelve kan hooren spreken. Wilt u dat ik je even klaar en zuiver onze verhouding voor oogen stel, luister dan: Toen ik indertijd aan oom Van Barneveld mijn wensch te kennen gaf, dat ik u en Thomas de achterkamers wilde doen behouden, toen vond hij dat denkbeeld zoo aardig dat hij 't huis voor mij kocht. De beleefdheid komt dus van oom, en uw blijven in die kamers is alzoo een conditie voor mijn eigendomsrecht. U hebt _recht_. Zie, dat is nommer één!"

Mevrouw Van Hake, terwijl ze een traan uit het oog wischt, schudt half glimlachend het hoofd.

"Nommer twee is: dat ik u veertig gulden in de maand betaal."

Mevrouw Van Hake knikt als wil zij zeggen dat dit nu de hoofdquaestie wordt.

"Prompt," vervolgt Helmond: "wat ik daarvoor al _genoot_ aan zorge en vriendschap, daarvan spreek ik niet meer; ik vraag nu eens heel zakelijk wat ik daarvoor genieten zal: Ten eerste mevrouw, de geheele hulp van Thomas, 't geen hoe langer hoe meer van beteekenis wordt, zoodat ik al gedacht heb of hij het daarvoor wel lang meer zal volhouden."

"Dokter," valt Thomas in: "er is misschien in 't heele land geen provisor die zóó betaald wordt; maar moeder staat er bij, en God hoort het me zeggen: al moest ik dag en nacht om niemendal voor u werken, ziedaar, ik zou...."

"Hoor eens mijn beste Thomas, al meen je het nog zoo goed, nu spreek je in allen geval voor je beurt," zegt Helmond en klopt Thom op den schouder: "ik was aan mijn berekening: Ten eerste heb ik dan voor mijn veertig gulden de geheele hulp van Thomas, en ten andere de volkomen overtuiging dat er onder mijn dak twee zielen wonen, op wier geheele liefde ik rekenen kan en aan wie mijn gansche bezitting beter dan aan mij zelven is toevertrouwd. Voor die ellendige veertig gulden--indien ik dáár nog van spreken moet--heb ik dan bovendien, bij mijn veelvuldige afwezigheid, voor mijn vrouwtje een lief en moederlijk gezelschap, en voor mij zelven de zekerheid dat zij, wanneer ik vanhuis ben, ten allen tijde raad en hulp zal vinden en, wat er ook gebeure, nooit verlaten is. Ik heb.... Maar genoeg, méér dan genoeg! Al wat ik daar 't laatst in rekening durfde brengen is een "naar ons toe rekenen" geweest. Alzoo resumeer ik, en, neem nu mijn woord als dat van een man die het eerlijk meent; wanneer u hier blijft op den voet zooals ik 't u heb voorgesteld, dan maakt u gebruik van uw recht, en handelt geheel naar den wensch van mijn braven oom, die mij met dat doel dit huis heeft gegeven. Maar bovenal, u toont erdoor aan mijne--ja ik mag het zeggen, ook aan Eva's liefde, te gelooven, en tevens dat het u mede niet onverschillig is om den band onzer vriendschap door een gestadigen omgang zoo mogelijk nog te versterken."

"Och beste mijnheer Helmond, zooals u het voorstelt, ja.... maar.... Ach, men kan niet alles zoo uitspreken."

"Geen maren meer goede mevrouw; 't zal misschien noodig zijn dat ik u later mijn woorden eens duidelijker op schrift geef. Wat geschreven staat, heeft dikwijls meer waarde ter overtuiging."

Moeder en zoon hebben onder Helmonds laatste woorden teekenen van ja en neen gewisseld.

"Jawel moelief, jawel!--Niet....? Dan zal _ik_ het zeggen."

"Nee Thomas, nee!"

"Jawel, jawel moe; dokter moet het weten. Ziet u dokter, moe tobt er maar over dat ú wel in alles en alles--ziet u.... maar...."

"Och Thom, hoe kun je nu.... Dokter zal denken...."

"Nee moe, dokter zal het niet verkeerd opvatten. Ik.... wilde zeggen...."

"Komaan Thomas, wind er geen doekjes om. Misschien raad ik al aanstonds wat het wezen moet. Er is vrees misschien dat dokters vrouwtje de zienswijze en gevoelens van haar man niet geheel zal deelen, en dat de tusschen ons bepaalde overeenkomst door _haar_ minder wenschelijk wordt gekeurd."

Thomas staart met groote oogen naar den grond terwijl hij verscheidene malen ter bevestiging met het hoofd knikt. Mevrouw Van Hake heeft het gelaat van den spreker afgewend en fluistert:

"Och Thom, dat was het toch niet;.... tenminste...."

"'t Is goed dat men de zaken maar bij haar naam noemt mevrouw, want als dit werkelijk een punt van vrees bij u uitmaakt, dan ben ik in staat om u volkomen gerust te stellen en van het tegendeel uwer vrees te overtuigen. In de eerste plaats heeft Eva nadat zij u leerde kennen, mij gezegd dat ze u zoo _heel lief_ vond--ja het moet er nu uit--en dat ze hoopte recht veel van u te leeren. Bovendien waren het haar eigen woorden: 't Is zoo'n gezellig idee dat mevrouw Van Hake en haar zoon bij ons inwonen; wij zullen ze dikwijls zien, en als je mij zooveel alleen moet laten dan zal de goede vrouw nog last van me krijgen."--Is er nu meer noodig om u gerust te stellen en te doen gelooven dat de nabijheid uwer moederlijke zorg en liefde ons geluk moet verhoogen, terwijl uw inwoning--ik herhaal het alweer--toch steeds als een _recht_ door u moet beschouwd worden?"

Ofschoon aangenaam door Helmonds woorden getroffen, zoo is de doktersweduwe nog geenszins overtuigd dat haar vrees voor de toekomst zoo geheel zonder grond is. Nochtans, indien zij na de verklaring van haar weldoener daarvan blijk gaf, het zou al zeer weinig kieschheid verraden, aangezien door haar vasthouden aan den twijfel, zoo al niet de oprechtheid van Eva's karakter, dan toch haar goed doorzicht in verdenking werd gebracht, 'tgeen den man die haar uit de volheid van zijn hart beminde, ja schier aanbad, zeerzeker moest grieven.

Thomas echter heeft zich voorgesteld om de zaak geheel in 't reine te brengen. Wat moeder verzwijgen wil, kan hij niet verkroppen.

"Ja dokter," valt hij uit: "'t is waar, juffrouw Armelo was ook heel vriendelijk en niemendal grootsch; maar...."

"Dacht je dat ze _grootsch_ was Thomas?"

"Foei Thom, hoe kun je zoo raar spreken."

"Nee ziet u dokter, dat dacht ik niet, want ik zeg immers dat zij het niemendal is;" herneemt Thomas een weinig verlegen: "Maar weet u waar moeder niet overheen kan.... Jawel moeder, laat me nou spreken, je tobt er over. Jawel! Zie dokter...."

Mevrouw Van Hake bevreesd dat Thomas door een onbedachtzaam woord haar edelen vriend nogmaals zal kwetsen, valt haar zoon in de rede en vervolgt:

"Wat Thomas u zeggen wil komt eenvoudig hierop neer, menheer Helmond, dat ik vóór uw verklaring van daareven, een weinig grond meende te hebben om te onderstellen dat uw lief bruidje ons inwonen op den duur minder aangenaam zou zijn. Toen zij den laatsten keer met u hier was, toen zei ze--zonder er waarschijnlijk zelve zoo heel veel bij te denken: dat er van onze beide achterkamers links, en uw beide voorkamers aan dezelfde zij van het huis, een prachtige suite zou kunnen gemaakt worden als men de muren doorsloeg. Zie, beste menheer Helmond, nu Thomas mij tot spreken dwingt, nu moet ik eerlijk zeggen dat ik bij mij zelve dacht: als de jonge mevrouw Helmond met zulk een verbouwingsdenkbeeld haar nieuwe woning betrekt, dan zou ik èn haar èn haar braven man toch werkelijk tot grooten overlast wezen, en, met al mijn "_recht_", hen niet weinig in den weg staan. Dokter weet genoeg hoe menschen en plannen doorgaans geprikkeld worden, indien er zich bezwaren opdoen die echter niet onoverkomelijk zijn."

"Is dat nu alles, lieve mevrouw?"

"Och ja dokter, het was kinderachtig misschien."

"Is er niemendal méér Thomas?"

"Nee--niewaar moe?--Moe was eigenlijk bang dat we u toch _te veel_ zouden zijn."

Helmond vat de hand van zijn oude vriendin:

"Mevrouw, in herhalingen treed ik niet. Wat ik u zeide was alles waar en van harte gemeend. Maar luister nu: wanneer een jong meisje haar aanstaande woning beziet, dan is het niet vreemd dat ze--in een tijd dat men schier geheel illusie is--zich nog meer illusies schept. Toen mijn lieve Eva die opmerking maakte, toen moest ik in stilte om mijn aardig bouwmeestertje lachen. 't Zou een mooie pijpenla worden die prachtige suite! Maar ik liet haar 't genot van haar bouwkundige opinie, geheel overtuigd dat zij aan zoo iets evenmin ernstig dacht als aan haar schertsend woord om in onzen _voortuin_ een goudvisch-vijver te doen graven. Eva heeft het zonder eenig nadenken of misschien zelfs--zooals dat laatste--gekscherend gezegd. Zij was het volkomen met mij eens dat we aan onze flinke drie benedenkamers en één ruime bovenkamer met haar heerlijk uitzicht, ruimschoots genoeg hebben; dat méér overdaad zou zijn, en ik houd mij dus overtuigd dat u in alle opzichten zonder verdere schrikbeelden het jonggetrouwde paar in uwe of onze gezamenlijke woning zult kunnen ontvangen."

Liefdetranen besproeien Helmonds hand. Thomas valt zijn moeder om den hals en fluistert:

"Zie moedertjelief, ik wist het wel!" En dan zachter, op geheimzinnigen toon: "Nu maar doen hê?"

Mevrouw Van Hake geeft haar jongen een toestemmenden wenk, en terwijl nu Thomas naar een hoektafeltje gaat en een zwartzijden foulaard van een hoogopstaand voorwerp neemt, vermant zich de weduwe, en zegt met een aanduiding van het genoemde voorwerp:

"Lieve dokter, niemand weet beter dan u hoever het vermogen van Van Hake's weduwe reikt. Wat anderen u konden schenken, daartoe was ik niet in staat; maar u aan te bieden wat ik nog behouden mocht en voor mij een hooge waarde heeft, dat is mij en mijn jongen een wezenlijk genot en een behoefte van het hart. Neem den inktkoker met het zilveren Minerva-beeldje als een blijk onzer warme liefde, beste dokter, en zoo dikwijls als gij de woorden op het voetstuk: "Aan Dr. J. Van Hake, den schranderen Aesculaap," zult lezen, lees er dan bij 'tgeen Thomas zelf er onder graveerde: "Van zijn weduwe en zoon aan Dr. A. Helmond, den edelen menschenvriend."

"Maar mevrouw! die prachtige inktkoker! die herinnering aan uw waardigen echtgenoot! het stuk dat ge vol weemoed wel eens uw afgodsbeeld hebt genoemd; zou ik....?"

"Beken maar dokter, dat het heel goed is, wanneer men zich van zijn afgodsbeelden ontdoet. Och weerstreef ons niet. Iets anders konden wij u niet schenken zonder dat het uw rechtmatig misnoegen zou hebben opgewekt.--Zie, het is ons nu zoo aangenaam te weten, dat het stuk, waar Van Hake zoo innig gelukkig mee was, en waar hij in die vier laatste jaren vol rampspoed en ellende, ondanks onzen hoogen nood, niet van scheiden kon, dat het nu aan den man behoort waarop hij, naast God, voor vrouw en kind zijn hoop had gebouwd, den mensch--zooals hij op zijn sterfbed zeide--die ongetwijfeld als een trooster zou komen in onze droefenis."

"Mevrouw Van Hake, ik dank je; ik dank je met een vol en bewogen gemoed! Over de waarde van uw geschenk spreek ik niet meer. Dat u 't mij geven woudt, het treft me diep.... zeer diep. Hoe zou ik het kunnen weigeren terwijl Thomas zelf onze namen erop vereenigd heeft. Ja, welzeker, de Van Hakes en Helmonds zijn door onverbreekbare banden van vriendschap aan elkaar verbonden. Nogmaals dank mevrouw.... hartelijk dank! Hier Thomas, verwerk jij dien handdruk nu eens tot een zoen voor je beste moeder.... Of nee, nee Thomas, nog een handdruk voor _jou_, maar den zoen dien mag ik haar zelf wel geven."

En het was dokter Helmond alsof hij een eigen moeder omhelsde, en het was die weduwe alsof een oudste teerbeminde zoon haar den zoen had gegeven.

DERDE HOOFDSTUK.

Nadat Helmond nog 't een en ander met het oog op morgen en de aanstaande reis heeft in orde gebracht, verlaat hij omstreeks vijf uren zijn woning, teneinde vooral niet te laat bij den generaal op _De Zonsberg_ te komen.

Nauwelijks is hij den wal ten einde- en links de kleine stadsbrug overgegaan--welke brug nog altijd den naam van Hoenderveldsche poort draagt, ofschoon de poort sinds jaren verdween--ternauwernood betreedt hij den golvenden straatweg, die hem tot aan het landgoed van den generaal wel heerlijke vergezichten maar weinig lommer zal bieden, of hij ziet bij de eerste kromming van den weg een rijtuig van achter het frischgroene akkermaalshout te voorschijn komen, en bemerkt terstond dat het de tilbury van _De Zonsberg_ is.

In weinige seconden was het rijtuig hem nabij gekomen. De grijze koetsier houdt den schimmel in, en terwijl hij Helmond zeer militairement met de zweep salueert, zegt hij:

"Ik zal maar eventjes keeren menheer;" door welk wenden Helmond nu beter kan opmerken hoe, zoowel Willems zweep als het hoofdstel van den schimmel, met kleine maar allerliefste bouquetjes versierd is.

Een oogenblik later zit Helmond naast den koetsier, en terwijl de schimmel in gestrekten draf den terugtocht naar de _De Zonsberg_ aanvaardt, zegt Willem:

"Ik had orders van den generaal om precies tien minuten over vijven op den wal bij dokter vóór te zijn."

"'t Maakt niet uit Willem. Ik wist niet dat oom mij zou laten halen, en ben maar opgestapt toen ik klaar was. Jongens, wat heb je Zampa mooi opgesierd."

"Dat is op order van juffrouw Coba menheer; de bouquetjes heeft zij gemaakt, en den baas gelast ze er aan te binden."

"'t Is een lief en hartelijk meisje."

"Ja menheer, dat zeggen we dikwijls; maar jammer dat ze zoo uit den aard slaat."

"Hoe meen je?"

"Ik meen vanwegens d'r.... postuur zal ik maar zeggen.--Als je de juffrouw bij den generaal ziet dan zou je niet veronderstellen dat ze een militairekind was. D'r zit zoo geen kommiesbrood in de juffrouw."

"Als ik me goed herinner dan had tante ook een bleek en ziekelijk voorkomen; 't staat me zoo flauw voor den geest."

"Jawel precies dokter. Mevrouw's portret dat boven 't schrijfbureau van den generaal hangt is nog veel te rond en te mooi. 't Was een braaf en zachtzinnig mensch, maar ziekelijk en bleek. Toen de kolonel haar op zijn acht en veertigste jaar tot vrouw nam, toen dacht ik al dadelijk dat ze niet lang onder z'n kommando zou dienen. 't Was jammer, een groot jaar nadat ik haar met witte handschoenen had gereden, reed ik haar met zwarte. Nee, dan denk ik dat dokter d'r langer plezier van zal hebben."

"Tenminste mijn aanstaande is heel gezond Willem."

"God geve dat menheer tot in lengte van dagen met haar gelukkig zal zijn." Na een oogenblik stilte terwijl hij met de zweep een paardenvlieg van schimmels hals heeft weggetikt:

"Als ik alles zoo bedenk dan zou ik u--met verlof--kunnen benijen dokter."

"Ei zoo Willem?"

"Ja menheer, ik heb op mijn jaren bij den braven generaal alles wat m'n hart kan begeeren, en ik dank er God voor; maar toch--toch wou ik dat ik van morgen afaan, voor een dag of wat in menheer z'n plaats was."

De ernst, die er op het gelaat van den ouden krijgsman is te lezen en die zich mede in den toon van zijn stem heeft geopenbaard, deed al spoedig den glimlach verdwijnen, die voor een oogenblik den gelukkigen bruidegom om de lippen speelde.

"En waarom benij je me Willem?"

"Naar ik in de keuken vernam zal menheer morgen met de jonge mevrouw naar Parijs gaan;" zegt de grijze snorrebaard terwijl hij vluchtig van terzijde een vragenden blik op den dokter werpt.

"Als men het in de keuken zegt dan zal het wel waar zijn."

"Menheer weet wel dat ik niet nieuwsgierig ben; maar ik spreek ervan omdat menheer als hij werkelijk naar Parijs gaat, een gezicht zal zien, waar ik om zoo te spreken m'n laatste eindje leven voor zou overhebben."

"Je bedoelt....?"

"Wat ik bedoel menheer? Wel, wat zou ik er anders willen zien dan de plaats waar de groote Keizer rust. Ja dokter, dat u met de jonge mevrouw die plek met je eigen oogen zult bezichtigen, dat kan ik je benijen. Zie, ik was nog maar een jongen van veertien jaar toen ik als pijper in dienst kwam, maar tweemaal heb ik hem toch gezien; op zijn paard, ons toewuivend met den steek; en, zie dokter, dát vergeet je je leven niet!--Komaan Zampa, het hek in."

"Als _oom_ er nog eens naar toe ging Willem."

"'t Zal niet gebeuren menheer.--Ho Zampa!--Voorzichtig dokter.--Hoe laat verkiest u dat ik weer vóór kom?"

"Heeft oom gezegd dat je me ook zoudt terugrijden?"

"De generaal heeft me gelast u te halen en te brengen."

"Dan om negen uur Willem."

De grijze koetsier buigt, en salueert met de zweep.

't Is een klein maar heerlijk gelegen landgoed, dat door den gepensioneerden generaal Van Barneveld als eigenaar wordt bewoond. Van den straatweg ziet men langs den oprit--die om het breede middelgazon naar de woning voert, ter linker- en rechterzijde prachtige boomen en sierlijke heestergroepen.

De woning op zichzelve is er een van die solide gebouwde, zeer deftige en nochtans vriendelijke soort, waarin de tijdgeest echter niet veel behagen heeft.

Een deftig _stadshuis_ zou men zeggen. Behalve de onderwoning, is het twee verdiepingen hoog; acht ramen heeft het in den voorgevel, uitgenomen nog de beide, even hooge, maar zeer smalle ramen der vestibule waartoe een fiksche deur met sierlijk lofwerk den toegang verleent, nadat men eerst een vrij hooge en breede hardsteenen stoep heeft moeten beklimmen.

Den goeden naam, dien het landgoed met betrekking tot zijn ligging geniet, dankt het bovenal aan 'tgeen van de straatwegzijde verborgen blijft. De achtergevel van het gebouw--naar het zuiden gekeerd--staat op de helling van den berg die aan het buitenverblijf zijn naam schonk. Is men onder de zware takken van eiken en beuken ter weerszijden van het landhuis doorgegaan, dan ziet men--behalve de bloemen aan zijn voet--het groen van heesters en boomtoppen die oprijzen uit de diepte. En tusschen die openingen door, geniet men weder het prachtigst uitzicht over een heerlijk Geldersch landschap: 'twelk zich verliest in een dommelig verschiet, en waardoor de grijze Rijn--nu eens blinkend in den glans van een doorvallend zonlicht en dan weder grauw gedekt door een voortjagende wolkschaduw, zich voorspoedt naar het verre welbekende duin.

Vooral bij een stoombootvaart op den Rijn, levert het wit gepleisterde huis met zijn fraai uitgebouwde _serre_ aan de zuidzijde--zooals het daar in de hoogte telkens achter het geboomte wegschuilt--een recht vriendelijk pittoresken aanblik op. Men zou dan aan wal willen stappen om te dolen in het bosch aan den voet van den berg, waar de klare beek over blanke kiezels murmelt men zou de meestal steile paden van den fiks begroeiden _Zonsberg_ willen beklimmen, om eindelijk in dat hooggelegen landhuis--als het zoo wezen mocht--een weinig te kunnen uitrusten, met het oog over den schoonen voorgrond in het heerlijke verschiet.

Voor het hoogopgeschoven raam van een ruim vertrek zit de generaal Van Barneveld in een gewonen leunstoel. De generaal is een man van bijna zeventig jaren. Zijn zilverwitte haren en forsche grijze knevels verhoogen het mannelijk schoon van zijn edel gelaat. Het hooge voorhoofd en de helderbruine oogen spreken van verstand en doorzicht, terwijl de eenigszins gebogen neus en fijnbesneden mond, kloekheid van inborst verraden en reinen zin.