Chapter 39
--Ha! wanneer hij haar met dien eed _vermoorden_ wil op dezen dag!--Helmonds oog wordt schier terzelfder tijd door de morgenwijnen getrokken, die reeds ginder op 't buffet gereedstaan. Nee 't is niet goed; maar toch, één glas port zal geen kwaad doen; hij heeft iets noodig, een kleinen prikkel. Zóó rond te loopen den ganschen dag met die onrust in 't hart en op 't gelaat, te midden van groen en bloemen, aan de zij van een gelukkige vrouw, die hij toch _heden_ zeer zeker sparen moet; neen, zóó rond te loopen dat kon niet. Dat enkele glas port zal zijn stemming wat op helderen. Misschien is hij inderdaad ook wel wat al te zwaartillend. Er zijn zeker menschen genoeg die er om lachen zouden indien ze 't wisten.... Ja, ja, die zijn er _zeker_.
Half in gedachten schenkt Helmond zich een tweede glas in, en ledigt het, strak voor zich heen ziende, in één teug.
--'t Is vreemd, een ander zou hij het afraden, en zelf....! Maar te droes, hij zou immers zulk een engel niet waard zijn indien hij haar eersten jaardag.... als zijn wijfje.... als de aanstaande moeder van zijn kind, kon vieren met een tobberig gezicht.--_Zijn kind_! Ha! Werktuiglijk schenkt Helmond zich nogmaals in; doch,--halt! dat ging zonder nadenken.--Maar ja, waarom niet, dit halve glas kan hij nog drinken. Het fleurt hem op, en--vroolijk moet hij zijn, ja, vroolijk, uitgelaten. Is het dan niet een dubbele schat, dien hij in Eva bezit, een aangebeden vrouw en de moeder van zijn kind!
--Waarachtig, Evert Zwaarmuts, zegt Helmond bijna overluid: waarachtig, je hebt somwijlen iets kleins. Ben je geen zoon van een dapper soldaat die sneuvelde voor zijn vaderland! Tobde die man toen hij twee arme duivels zonder geld in de wereld achterliet?--Wees geen kind August. Al was die heele schuld, alles en alles te zamen een ton.... nee, dat is te gek, een halve.... een kwart ton.... 't Lijkt er niet naar.... ik zeg, enfin _al was 't_ een kwart ton, dan zijn er tien, twintig, honderd, duizend middelen om zooveel geld te krijgen. O, als 't dáárom te doen is: opnemen.... rouge et noir.--Nee nee, dat niet. Debecque wist het: boeken schrijven, populair; honderd duizend middelen zijn er..... voor den professor!
Daar kwam Eva.
"Ha--haha, ben je daar engel, mijn jarige vrouw! Wel wat drommel, zeg jij me nu eens of je 't hier niet een hemel vindt, een hemel vol bloemengeur, en een hemel aan mijn hart!?"
VIER EN DERTIGSTE HOOFDSTUK.
"Waar gaat u heen pa?"
"Ik.....? ik ga uit Coba."
"En 't is al zoo laat."
"'t Weer is van avond zacht."
"'t Was zoel vandaag; ik vrees dat er storm zal komen. Och, blijf maar thuis lieve pa?"
"Nee, ik heb behoefte nog eens de lucht in te gaan; ik wil zien....." het woord stokte Van Barneveld in de keel, en, als wilde hij zich daarover wreken, stootte hij den zwaren rottingstok met kracht op het marmer van de breede gang.
"Pa, ik ga mee."
"Jij gaat _niet_ mee; je blijft thuis."
"Ik wilde...."
"Je wilde.... Ik zeg: _je blijft thuis_."
"Palief, maar ik bid u, u waart dezen middag weer zoo benauwd."
"Dat is nu beter; en juist daarvoor is het goed; ik moet lucht hebben."
Na een oogenblik stilte, terwijl hij zich nu eensklaps naar de zij eener kamerdeur wendt; "Kom eens even hier Jacoba. Ik vergat je te vragen....."
"Wat blieft u pa?" zegt Jacoba die haar vader in de kamer gevolgd is.
Van Barneveld tikt met den gouden knop van zijn stok even op Coba's schouder:
"Jij weet _zeker_ dat hun partij niet doorgaat?"
"Ik?.... Ja, jawel pa, jawel lieve pa, dat weet ik zeker."
"Dat heb je van....?"
"Dat weet ik van dominee Hoogerberg. Jawel pa. Nee ziet u, wat dát betreft dat weet ik _heel zeker_."
"De dokter is ziek niewaar?"
"Juist pa. Ja, de arme August is nog al ziek.... Dominee zei dat hij _anders_ vandaag al stellig zou hier zijn geweest, maar, natuurlijk als men ziek is, niewaar lieve pa?"
"Natuurlijk!--Dáárom wou ik je zeggen Coba, dat ik besloten heb mijn zieken pleegzoon een bezoek te gaan brengen.--Tot straks."
Jacoba gevoelt dat de krachten haar dreigen te ontzinken; maar toch, ze houdt zich goed. Is er dan niets te bedenken....?
--Ha!
"Palief; ik vergat u te zeggen dat ik notaris Zoutenheer heb gesproken; hij zou van avond bij u komen, tenminste...."
"Tenminste....?"
"Tenminste.... hij dacht...."
"Wat dacht hij Jacoba? Dat het nu eindelijk tijd zal worden om het testament te veranderen?--Ik zeg je, hij zal _niet_ komen omdat ik hem _niet_ liet roepen.--Tot straks."
"Maar pa, om Godswil!"
"_Gods wil is niet de leugen_, Coba. Spaar me. Je weet wat ik, sinds ik dat Liederenboek moest vinden, aan mijn eenig kind te vergeven heb, en dagelijks bid dat de Allerhoogste rechter haar vergeven zal.--Laat me gaan.--Nee, weerhoud me nu niet."
"Och papa, mijn lieve papa!"
"God zal je vergeven Coba. Hij trad tusschen beiden door den jonkman weg te nemen. Maar anders, ik zeg je kind, óm dien knaap, óm die passie, zou je bij de geringste tegenkanting van je ouden vader, dien vader hebben _gehaat_. En wie zijn vader of moeder haat...."
--Goede God, heeft zij dan niet altijd, _altijd_ gestreden uit liefde voor dien ouden vader! Een enkele blik, een enkel woord van háár aan dien geliefden Donerie, misschien ware het genoeg geweest om hem.... wie weet!--Maar immers, zelfs tot in die laatste ure heeft zij met kracht gestreden.--Doch nu, zij denkt niet aan zich zelve: Zij beeft slechts bij de gedachte dat haar vader, wanneer hij dien "zieke" bezoeken gaat, het feest zal vinden, dat onzalige feest, in vollen gang:
"Maar beste vader....!"
"Laat mij Coba, nog eens: _laat mij gaan_!"
Geheel Romphuizen was op de been. 't Was een ongewone vertooning: al de ramen van het oud-burgemeestershuis waren opengebleven, en van de markt- en straatzijde kon men, op de teenen staande, van buiten alles precies zoo duidelijk zien alsof men er binnen was.--Wat 'en licht in die kamers! Nog veel meer kaarsen dan in de kerk op ouwejaarsavond! En bloemen! "Nou!" zei er een uit de groep: "as ze dat in Den Haag wisten dan wier d'r beslag op geleid."
"Rijk Oostinje!" zei een ander.
"Baldadigheid zoo'n rikdom!" riep een straatjongen, en sloeg een ondermeester van de armenschool, die zich juist op de toonen verhief, den hoed over de oogen.
't Was een ongewone avond voor de buitenwacht: Gerij en gevlieg. Parade voor de groote lui achter de verlichte glazen. Muziek!--Ja hoor maar, 't schetterde de heele markt over.
"Heerejee," zei slanke Elsje van den molen tegen haar Jan: "we konden hier op 'et plein wel 'en anevandeu slaan." Maar Jan zei, dat ie op klompen was.--Hé, 't leek dan toch prachtig daarbinnen.
--Ja prachtig; en 'en schik dat ze hadden! Zie, zie, daar was de doktersvrouw.
"Wat 'en staatsie!"
"En kiek, dóár is dokter ook."--"Jawel, zie!"--"Kiek, nou drinken ze, kiek! Allemoal sampanje!"
"Geld dat ze hebben!--Tenminste te wachten! Of....!?"
"Stil, dring dan zoo niet!"
Men kon het niet helpen. Aan de linkerzijde van de groep was plotseling een beweging ontstaan. Men wilde zich verplaatsen. Geen wonder. Ginds aan 't einde van 't marktplein bij de Hoenderveldsche straat was een kleine oploop. Men zou alweer wat nieuws zien; en 't stroomde er met troepen heen. Nochtans, de verwachting van velen werd teleurgesteld. Men zou niet zien; slechts vernemen.
Geen vijf minuten geleden was een oud heer, uit de richting van 't nieuwe doktershuis, het plein afgekomen, en terwijl hij hier even stilgestaan en naar het doktershuis had omgezien, was hij plotseling ineengezakt. Op deze zelfde stoep had ie gezeten.--Gelukkig was de man niet heelemaal van z'n montanen geraakt; en Aalbers en Jut hebben hem onder den arm genomen en naar de apotheek van Van Hake gebracht. Spreken kon ie niet, maar hier had ie gelegen of gezeten, hier op _deze eigenste stoep_.
--En wie het geweest was?
--Ja, dat wist men niet met zekerheid te zeggen. Een van de grootheid buiten de stad, dat was zeker, en naar den ouderdom te rekenen kon het menheer van _De Zonsberg_ wel geweest zijn. Alevel, men moest dat weder betwijfelen, want naar alle gedachten zou zoo iemand toch wel bij zijn "naaste bloed wezen als er een vette mond te halen was".
Dirk de slager was echter beter ingelicht. Toen menheer Kippelaan eergisteren lamsbout bij hem bestelde, toen had hij hem in vertrouwen meegedeeld, dat de generaal--die een particuliere vriend van menheer Kippelaan was--schrikkelijk op dokter Helmond moest gebeten zijn, aangezien de generaal het eerst door hém--Kippelaan--had vernomen dat dokter het oud-burgemeestershuis gekocht had. En o jee, er was een heeleboel meer: Dokter hield het op de hand van een broer, die zich slecht gedroeg en gemeen _auteur_ was geworden.--Men ziet dat Kippelaan den brief aan Woudberg wat haastig had gelezen.--En de majoor Kartenglimp had--mede volgens Kippelaan--gezegd, dat ie heel bang was dat het nog eens slecht met den dokter eindigen zou.--Ja, ja, dat alles kwam goed overeen.--'t Was een rare geschiedenis met dien dokter. God wist of ie dat feest niet van gestolen geld gaf; dat ie misschien zoo'n _generaal_ had bestolen; God wist 'et!--Tenminste zooveel licht als daar brandde in die kamers van het doktershuis, dat was overdaad en waarachtig geen pinksterlicht.
De generaal Van Barneveld gevoelt zich--zooals hij zegt--weer geheel beter. Althans hij verlangt nu te vertrekken met de vigilante, die hem tot aan het hek van _De Zonsberg_ zal terugbrengen: Niet verder, want bij vreest zijn dochter onnoodig te doen schrikken.
De oude generaal maakt zoo flink mogelijk een buiging voor mevrouw Van Hake, en zegt te hopen dat hij haar niet te veel derangeerde. Daarna zich tot Thomas wendend, moet hij mijnheer Van Hake nogmaals zeer bepaald verzoeken om dokter Helmond volstrekt niet van dit ongeval te spreken, en, zoo hij door anderen reeds werd ingelicht, hem ten sterkste een belangstellend bezoek te ontraden: "Ik zou je dezen last niet opdragen menheer," besloot de generaal: "wanneer ik voor eenige weken niet bespeurd had dat dokter Helmond u zijn intiemste geheimen toevertrouwt. Zeg hem.... dat ik verandering van lucht behoef, en den notaris dezen avond aan zijn feest moest onttrekken om eenige beschikkingen te maken, mede tot verkoop van _De Zonsberg_."
Mevrouw Van Hake aarzelt, maar treedt dan haastig den vertrekkenden grijsaard terzij: doch, als zij spreken wil, dan blijft hij staan; ziet haar met zijn donkergrijze oogen zeer ernstig aan en zegt beleefd:
"Het zou mij onaangenaam zijn u iets te moeten weigeren mevrouw." En dan, op gestrengen toon: "Er was geen genade bij God voor den man, die door een eerste Eva het Paradijs verloor. God zond Zijn Engel met het vlammende zwaard." En wat zachter: "Ik wensch u toe, vreugde te beleven aan uw eenigen zoon mevrouw.-- Goeden nacht!"
Toen Van Barneveld door Thomas in het rijtuig werd geholpen, klonken de vroolijke walstonen uit het nieuwe doktershuis over het marktplein tot in de Hoenderveldsche straat; en nadat het portier was gesloten en de paarden in vluggen draf den wal opreden, wierp de grijsaard zich achterover in den hoek van het rijtuig, en sloot de oogen, en drukte de hand op het pijnlijk kloppende hart, terwijl hij bij zich zelven de woorden herhaalde: "Goeden nacht! Ja, goeden nacht!"
Eva Helmond had er voor gezorgd dat haar feest niet voor het feest der Debecque's zou onderdoen. Indien zij 't alles op den lieven August had laten aankomen--ja dán; maar, zij heeft gezorgd; in stilte. Men moest met iemand als Helmond--uit de school van "een gulden heeft tweehonderd halve centen"--niet al te veel redeneeren; men kwam dan aan geen eind. Wanneer August vooruit moest zeggen of men bijvoorbeeld bougies van de zes of vier zou nemen, dan was men zeker dat hij de kleinste kaarsen koos. Altijd goed genoeg! Maar later als het licht dan wat te zwak zou zijn, dan voorzeker, dan zou August er misschien nog meer over tobben dan zij. Met de bloemen heeft Eva al gemerkt dat zij maar heel goed heeft gedaan. August had niets gezegd, en scheen zeer tevreden.--Nu ja, 't geen hij besteld had, 't zou ook wat al te armoedig zijn geweest. Zeerzeker, Eva heeft den besten man, die haar nog dezen morgen zoo prachtig verraste--want voor háár berekent hij zoo niet--zij heeft hem heel wat hoofdbrekens bespaard en hem daardoor dezen avond al menig genoeglijke verrassing bezorgd.
--De twee nieuwe kronen in de beide zalen, hij vond ze prachtig. Nu ja, gehuurd, maar als ze er ééns hangen; niewaar--!? En dan de vier ombertafeltjes, en de Oostindische fiesjes-doozen! 't Was immers noodig, want hier, waar geen groot park was, hier wilden de heeren misschien wel graag een partijtje maken, en de beide oude tafeltjes--jawel die zijn uitmuntend voor de gelagkamer in _De Gouden Arend_.
"Allerliefst! dat is à l'instar de Frascati te Amsterdam. Frisch, delicieus!" zegt mevrouw Narwal, en doopt haar fijn geborduurden zakdoek in de kleine eau-de-cologne-fontein, die de bloemist-decorateur zeer smaakvol tusschen de fijnste potbloemen bij een grooten spiegel heeft aangebracht.
"Mevrouw de gravin Van Leeuwen kan nu moeielijk met haar mooie flacon pronken;" fluistert de oudste freule Blankenberge, half lachend maar toch spijtig, terwijl ze behendig het tamelijk groote stopsel van haar ingedoopt zakdoekje voor vlugge oogen onzichtbaar maakt.
--Och die povere Blankenbergjes! denkt Eva die het stopsel gezien heeft.
"Mevrouw Van Leeuwen is stil;" meent een der nabijstaande heeren.
"Ze heeft wat migraine naar ik hoorde;" zegt freule Rosa Narwal, en ziet tegelijk met een spotachtig lachje naar de diamanten broche, waarmee de gastvrouw schittert.
Eva zag in den spiegel dat ze ondanks zich zelve bloosde. Ei! de puissant rijke gravin Van Leeuwen had migraine; ei! Dát moet ze aan August vertellen.--Ha! mevrouw Van Leeuwen is stil en heeft migraine!
"Volstrekt niet comme il faut;" zegt de gravin Van Leeuwen zeer zacht tot den Oostindischen majoor Kartenglimp, die dezen avond in uniform de partij met zijn tegenwoordigheid vereert: "'t Vrouwtje is mooi en jong, maar bijzonder geéduqueerd is ze niet. Als gastvrouw zoekt men niet te schitteren zooals zij."
"Ja!" zegt Kartenglimp met een bijzonderen ophaal: "Ja! wat zal ik u antwoorden mevrouw; ik vrees....."
"U vreest.... majoor?"
"O, niets anders dan 't geen u zooeven bedoelde mevrouw."
"Ik?"
"'t Geen _iedereen_ vreest. Ik beklaag hem. Jawel, iedereen beklaagt hem. Bon homme!--Ze speelde al een rare rol in Den Haag. Naar men zegt, enfin, naar men zegt....!"
"U bedoelt? Ik herinner me niet juist...."
"Ja men haalt die zaken liever niet op, maar...."
"Nee natuurlijk; maar....?"
"Ze moet toen zeer veel geconverseerd hebben met een zekeren jonker Lasure, later getrouwd met een freule Leeuwenhuis. Enfin, juffrouw Armelo kwam toen ziek in Romphuizen terug."
"Ziek....?"
"'t Heette toen tering.--Enfin, als het _kind_ maar een naam heeft."
"U zegt een k....--O, maar dat zou affreus, dat zou... zoo iets kan ik niet gelooven majoor; nee, wat coquette en jong, zeer jong, maar zóó iets, nee, dat moet laster zijn."
Kartenglimp was te ver gegaan. Ofschoon het doktersvrouwtje in de schatting der gravin Van Leeuwen dezen avond zeer gedaald was; ofschoon de gravin migraine had en zich verveelde, zóó iets wilde ze toch van zulk een bevallig vrouwtje niet gelooven. Die majoor begon haar onaangenaam te worden. Een vrouw van geboorte verdraagt net niet dat een vreemde man haar sekse in een ongunstig daglicht plaatst, en vooral niet iemand op wie die sekse heeft roem gedragen, terwijl die iemand nog daarenboven voor het oogenblik haar _gastvrouw_ is.
--Ja, Kartenglimp was te ver gegaan; hij heeft vergeten dat hij, wèl naast een praatgrage misschien wat zeer ijdele vijftigjarige vrouw zat, maar niet onder zijn kornuiten.
--Nu hij echter _a_ heeft gezegd moet hij ook _b_ zeggen. 't Zou onverstandig zijn indien hij dit verzuimde.
En, terwijl de majoor eenige minuten later--nadat hij de nieuwsgierigheid der gravin zeer gevoelig heeft weten te prikkelen--haar in een hoekje terzij van eenige schoone waaiervormige planten heeft gebracht, mag hij haar onbespied een briefje op rosé papier toonen, een geparfumeerd briefje waaronder zeer duidelijk te lezen staat: "Uw Eva Helmond Van Armeloo," en waarvan het adres luidt: "Aan den Majoor Kartenglimp."
"Prachtig! prachtig!" riepen al de gasten als uit één mond: "Bis, bis!" drong men van alle zijden.
Mijnheer Kippelaan wrong zich letterlijk door de heeren en dames heen, en--
--Enfin, hij kwam te laat. Eva had zich reeds bereid verklaard om van de idylle, getiteld; _Peters-wijfje_, nogmaals het slotcouplet te zingen. En, als er weder een ademlooze stilte heerscht, dan klinkt het opnieuw schier betooverend schoon en toch zoo hoogst eenvoudig:
"En bij den zomer-avondglans, Als 't rood nog fonkelt aan den trans. Dan tuurt zijn wijfje. En zie, van verre Daar flikkert spade of zeis als waar' 't een gouden sterre, En roept haar vroolijk toe: Hier komt hij kind, van d'arbeid moe; Zet jij nu fluks de brij maar klaar; En straks, mijn beste brave vrouw, Brengt Peter met een kus aan jou Zijn dank aan God d'Alzegenaar!"
Toen de eerste indruk, dien dat heerlijk welluidend zingen gemaakt had, een weinig voorbij was, toen waren er sommigen die in stilte de keus van dat lied niet bijzonder gelukkig noemden, 't Nederlandsch klonk zoo plat; dat _jou_ bijvoorbeeld en die _brij klaarzetten_, Nee!
"Welzeker, dat zeg ik mijn dochter zoo dikwijls;" zegt mevrouw Armelo op haar innemendsten toon: "Ik hou óók niet van Hollandsche liedjes; die vindt men altijd op de orgels. Maar een mooie stem dat heeft ze. Ja, ik zeg maar mevrouw de barones, als men er bovendien rondom zoo dik inzit als mevrouw mijn dochter, dan....."
Mevrouw de barones Narwal werd juist door Debecque aangesproken, en zag er geen bezwaar in om met een gedistingueerd lachje de moeder der gastvrouw verder aan 't gezelschap van een der freules Van Winteren over te laten.
De laatste zal nu met de meeste welwillendheid vernemen, 't geen de aanstaande gravin Van Armeloo alzoo meer op het hart heeft, en vooral hoe het haar een opoffering is geweest om aan den grooten drang van mevrouw haar dochter te voldoen en de partij bij te wonen, dewijl de kapitein en freule Louise, tot hun onbeschrijfelijk leedwezen door een zeer lichte ongesteldheid zijn verhinderd geworden om mee te gaan: "Och," besloot mevrouw Armelo na een lang vertoog--waarin ook nog vermeld werd dat haar zijden kleed _heelemaal_ uit Parijs was gekomen en _maar eventjes_ vier en een half de el kostte: "Och, mijn dochter liet niet af, en, wat zal ik je zeggen freule Van Winteren,"--Mevrouw drukte haar hand boven den boezem: "Een moeder doet veel, zeer veel voor haar kind!"
"Verrukkelijk! Prachtig!" roept Hardenborg nogmaals vol enthousiasme over den heerlijken zang dien men zooeven hoorde: en terwijl hij Helmonds arm neemt, vervolgt hij: "Weet jij wel amice, dat die stem onbetaalbaar is? Als zoo iets in 't publiek was te hooren men sloeg elkander dood om een plaats."
Eva heeft van terzijde ook _deze_ lofspraak gehoord, maar is daarom niet minder gevoelig voor de eer dat mevrouw Van Leeuwen--die migraine heeft, en--natuurlijk onwillekeurig--den uitgespreiden waaier voor haar buste houd, een zeer vleiend woord spreekt over de allerliefst lieve stem van haar gastvrouw.
Van tijd tot tijd moest Eva zich zelve als met geweld herinneren dat deze schitterende partij inderdaad door _haar_ werd gegeven; dat deze rijkgetooide zalen de hare, en al de gasten--waaronder zoo velen van adel--werkelijk _hare_ gasten zijn.--En toch het is zoo, en onder die allen is er zeker geen enkele, die zich zóó gelukkig gevoelt als zij.--Neen het deert haar zelfs weinig dat mevrouw de gravin met zulk een bijzondere belangstelling naar 't een en ander van vroeger informeert, en straks--met iets zonderlings om de lippen--haar vraagt of haar mama misschien geparenteerd was aan de familie Lyderick van Zevenkerken? Zij meent den naam Lyderick te hebben gehoord. De oude graaf Lyderick had een paar germain nichten gehad, maar...."
"Mama is een geboren freule Lieder," heeft Eva snel met een blosje geantwoord.--Wel ja, waarom niet? 't Was te gek om mama zoo uit te sluiten. Bovendien, in 't Duitsch was _alles Fräulein_. --Mama heeft zeker iets gezegd dat wat vreemd klonk, want dat lachje van mevrouw Van Leeuwen.... enfin, 't heeft Eva slechts een enkel oogenblik gehinderd, want o, zij was meer dan gelukkig. En straks, na het soupee, wanneer het tweede deel van 't balprogramma zal begonnen zijn, dan wordt haar de vreugdebeker ten boorde toe gevuld. Ja, ja zeker, de majoor heeft het haar toegezegd, nog dezen avond zal hij haar, als verjaringsgeschenk, het onwederlegbaar bewijs overhandigen dat Eva is: een geboren gravinne Van Armeloo.
"Ei majoor," zegt Eva, terwijl ze hem nadert met een--misschien wel eenigszins gekunsteld vriendelijk lachje: "ik ben er door vereerd dat u onze eenvoudige soirée in tenue de guerre, ofschoon zeker niet in vijandige stemming hebt willen bijwonen."
"Bekoorlijke gastvrouw, ik had mij voorgenomen geen uniform meer te dragen tenzij ik nogmaals de eer mocht hebben aan 't Hof te worden verzocht.... maar, dezen avond....!"
"Zeer beleefd majoor;" herneemt Eva met een gevoelig neerslaan der oogen, en dan met den blik naar den spiegelgladden vloer: "Het spijt mij dat ge u nog zooveel moeite moet geven. Zou niet een der bedienden... die boodschap naar uw woning kunnen doen?"
De majoor schijnt niet aanstonds te begrijpen wat de vraagster zeggen wil. Hij staart--zooals men dat doen kan--onwillekeurig strak voor zich uit, en heeft er zeker geen erg in dat zijn oog als bij toeval rust op Eva's blanken boezem, die--ofschoon het haar zelf geneerde--veel in 't oog _moest_ vallen, aangezien volgens plechtige verzekering van de Utrechtsche modiste, "het Hof nog tot drie en vier centimeters lager ging."
Echter, dat staren bevalt Eva niet. Zij maakt een zijdelingsche beweging, alsof zij den sleep van haar prachtig lila satijnen kleed wil wenden, en zegt dan snel:
"Ik bedoel dat men die stukken voor u kon halen majoor."
"Ah zoo!" Maar de schoone gastvrouw zou begrijpen dat men zulke papieren van hooge waarde toch niet ter visie van iedereen liet liggen. Om haar genoegen te doen, ontzag hij zich geen moeite, ofschoon deze gering was.--Het bleef bij de afspraak: Onder den tweeden dans, na het soupee, zal hij bij den koepel in den "sierlijk verlichten tuin", haar het begeerde verjaringsgeschenk overhandigen. Ja, natuurlijk aan haar alleen; gansch alleen; want de majoor moet het herhalen: hij is zonder eenige rancune; maar bij zich zelven heeft hij gezworen, dat hij slechts op bepaald verzoek van de beminnelijke doktersvrouw zou kunnen besluiten om aan de kapiteinsfamilie het document te geven, 'twelk men zonder zijn hulp nimmer zou hebben gevonden.
"Waarlijk een prachtige vole;" zegt de gastheer tot een der heeren quadrilleurs, terwijl hij aan den arm van Archibald even bij een der speeltafeltjes stilstaat.
"'t Eerste mooie spel sedert de notaris werd weggehaald;" is het antwoord.
"Ja, dat Romphuizer notariaat is een geldwinning;" zegt mevrouw Lens: "U hebt de lavage mijnheer de kantonrechter."
"Is het tegenwoordig ton dat gastheer en gastvrouw ronddwalen zonder mee te spelen?" vraagt aan een ander tafeltje de oudste juffrouw Van Berge, die voor een ombertje letterlijk "geprest was."
"Welzeker juffrouw," bevestigt de burgemeester: "je bent hier heelemaal _vrij_. Ze noemen dat _partie libre_.--Harten troef. Hij ziet er bleekjes uit."
"Je sans-prendre burgemeester?"
"Nee, ik bedoel onzen gastheer. Beste vent, maar.... Jawel, harten troef.--Juffrouw Lens, aan u alsjeblieft!"
"Zonder eenige quaestie Helmond, 't verjaringsfeest van je prachtige vrouw is mijn jour de gloire. Ja, ik moest je hier hebben, hier in dezen hoek achter die mooie camelia's; eventjes, want ik wou je zeggen...."
"Mag ik je feliciteeren Hardenborg?"