Chapter 38
Maar zie hoe men tóch denken kan met een steeds sterker bonzend hoofd.--Ja, zij _zal_ er blij en geheel vrijwillig heengaan! O, die verzoening zal schoon zijn. Zie, zóó moet het gebeuren: Het fraaiste stel diamanten zal Eva als een verrassing ontvangen, en August zal haar doen gelooven dat diezelfde "schriele oom" het haar toegezonden heeft. Maar natuurlijk, zij mag den generaal dan niet spreken over zijn geschenk. En, met te dieper gevoel zal zij den grijzen weldoener bij dat morgenbezoek in de armen snellen, teruggekomen van haar onbillijk oordeel, en met de stilzwijgende verklaring van dankbare liefde.--O, en de warmte waarmee zij den oom--en geheel vanzelf--zal tegemoet ijlen en omhelzen, zij zal weldadiger werken op dat hart dan duizend verklarende woorden. Het stel diamanten zal zeker nooit door Eva vergeten worden.....
Zooeven had de huisschel geklonken, en dewijl men nu de kamerdeur naderde, liep Helmond zachtjes naar de deur, opende haar zonder gedruisch, en begaf zich al spoedig naar de spreekkamer, waar hem iemand wachtte, die hem noodzakelijk alleen wilde spreken. Bij de kleine lamp, die in de spreekkamer was neergezet, stond een aardig burgermeisje van zestien jaren omtrent.
--Wat ze verlangde?--Nee, zieken waren er gelukkig niet, maar dokter moest niet kwalijk nemen; ze was zooveel als Grietje van Wulters den huisschilder.
"Ah zoo!" Helmond voelde eensklaps iets zeer beklemds: "En.... ?"
"Ja dokter," vervolgt het meisje: "vader was een beetje opzichtig om u zelvers lastig te vallen, nadat u gezegd hadt van over drie maanden; en.... Maar ziet u, vader had ook al die inslagen van glas en behangselpapier moeten doen, en dáárom: en ook omdat vader zoozeer geen krediet heeft in Amsterdam, ziet u, nou zou vader een wissel krijgen, en dacht moe dat we maar zoo vrijpostig moesten zijn om u.... ja ziet u dokter, 't is een heeleboel geld, maar zulke mooie papieren, en het blommenhuis en al dat dure glas zei vader en.... vader heeft er ook hard voor moeten werken dokter."
Helmond heeft de kwitantie a zeshonderd en tien gulden, van het eenigszins bevende Grietje aangenomen en ingezien.
Groote getallen spreekt men zoo gemakkelijk uit. 't Was een slagveld met tienduizend of--daar wil ik afwezen--van honderdduizend lijken, zegt iemand, en de hoorder fronst bij beide getallen schier even zwaar het voorhoofd. Over het kleine verschil van _negentigduizend_ lijken stapt hij gemakkelijk heen.
De betrekkelijk kleine sommen, die telkens en telkens het geld hadden verslonden, 'twelk de dokter extra heeft moeten opnemen, herinnerden hem gedurig en ook nu, hoe hij in den laatsten tijd maar zelden goed heeft doorgedacht, dat, om duizend gulden te kunnen betalen, men _tienmaal honderd gulden_ moet bezitten.
--Doch waarom nú het arme hoofd daarmee gebroken! Kon hij dan een oogenblik vergeten dat hij juist morgen.... Goddank! van allen last zal ontheven zijn? Zal oom niet morgen stilzwijgend zijn schulden vereffenen....?
"Kindlief, als vader verlegen is dan zal ik hem graag voldoen. Wanneer zou die wissel vervallen?"
"Vader zei dat ik maar zeggen moet _morgen_ dokter, maar als ik goed heb gehoord, dan spraken va en moe van Dinsdag, da's overmorgen dokter. Ziet u, ik wil niet buiten mijn hart spreken dokter."
"Doe jij dat nooit lief kind. Nooit!" zegt Helmond en drukt weer de hand op het hoofd: "Ga nu naar huis, en zeg aan vader dat hij er vast op rekenen kan overmorgen zijn geld te zullen krijgen."
"Bestig, alsjeblief dokter.--O, zou ik dat papiertje weer meenemen dokter.--Och, 't was in goeje handen."
Geen tien minuten later had Helmond een geheel ander bezoek.
't Was Archibald Hardenborg, die met een ongewone bedruktheid op 't gelaat, kwam informeeren of het waar was 'tgeen hij dezen middag van den generaal van _De Zonsberg_ meende verstaan te hebben, namelijk dat de verjaringspartij morgen waarschijnlijk niet doorging?
Nog een oogenblik wacht Helmond en aarzelt een antwoord te geven. Maar dan:
"Nee amice, daar is geen quaestie van. Oom zal bedoeld hebben dat hij waarschijnlijk zelf niet komen zou. Oom is dezer dagen niet zoo heel fiksch.--Hoe.... hoe von-je dat hij er uitzag?"
Na een uitroep van blijde verruiming vervolgt Archibald:
"Hoe de generaal er uitzag? Ja om je de waarheid te zeggen, ik weet wel dat ie z'n degen en epauletten niet aanhad, maar voor de rest heb ik meer naar het fijne popje gekeken. Lief bleekneusje! Verduiveld, mijn trouwe reparateur, ik ben in de laatste dagen in zoo'n fragile positie. 'k Stond den dood uit dat je feest niet zou doorgaan." Geheimzinnig: "_De Zonsberg_--_uit_! finaal, totaal! Bij dat laatste bezoek dezen middag begon ik waarachtig een oogenblik sympathie voor _bleek_ te krijgen. Enfin, ik geef het gesprek zoo'n polsenden draai,--je begrijpt dat--en verneem zoo en passant van een paar heel bleeke lipjes, dat het, volgens de overtuiging van die lipjes, groote zonde is wanneer een zwak en dikwijls sukkelend meisje haar hand schenkt aan.... Enfin, 't kwam er zoo'n beetje gevoileerd uit, maar 't wou toch zeggen: Als je er ooit aan denken mocht om me te vragen, reken er op dat je een heel mal figuur zoudt slaan."
"Ik dacht Archibald, dat freule Marie Narwal...."
"Stil stil: papa had een drietal geformeerd, en immers een oogenblik begon ik bleek nog al interessant te vinden, 't Is in zooverre niet ongemakkelijk indien candidaten zich terugtrekken.--Vin-je me pedant? Waarachtig, papa zou het me maken. Maar amice, er is er toch maar ééne, die ik van het eerste oogenblik afaan.... Zieje, en daarom werd ik drommels benauwd dat je partij niet zou doorgaan. Begrepen? Ik droom geregeld van dat engelachtige kind.--Apropos, komt Ronner, die poesbaard ook op het feest?"
"Wie zeg je, _Ronner_?"
"O sapperloot, ik meen Kattenglimp."
"De majoor Kartenglimp? Jawel."
"Zeg, vin-je dat au fond geen fameus gemeene type?"
"Gemeen!?--Dat is te zeggen, nobel is anders, maar gemeen...."
"Enfin, 't komt zeker door die frappante gelijkenis; 'k had hem maar eens gezien, op de ree van Batavia toen hij scheep ging; ik spreek van dien Ronner--maar, als twee droppels water! Grooter schoelje en poltron heeft er nooit een degen gedragen. Alleen ter wille van zijn moeder liet men hem loopen.--Maar ik zie het, ik hou je op.... jawel, je zult nog 't een en ander te bestieren hebben. Je charmant lief vrouwtje is zeker ook zoo'n beetje in de weer; men kan niet alles aan de domestieken overlaten. 'k Heb daarom met voordacht alleen naar mijn cordialen dokter gevraagd. Wat zul je morgen gelukkig wezen! 'k Zei gisteren aan papa: als Helmond voor zoo'n vrouw folieës deed, ik zou hem waarachtig de bon coeur mijn compliment maken."
"Helmond, Helmond! waar ben je?!" klinkt het luide in 't voorhuis. --Verrast den luitenant bij haar echtvriend te vinden, blijft Eva een oogenblik later op den drempel van het spreekkamertje staan. Ze was nog wat licht in 't hoofd van de flauwte, die haar na dien vreeselijken schok bezwijmen deed. Bij 't ontwaken wist ze in den aanvang niet of ze gewaakt of gedroomd had. Maar toen, toen moest en zou ze het weten. En nú, o Goddank! hoor maar, 't was alles _alles_ een droom. August stemt immers dien luitenant zonder eenige terughouding toe, dat zijn vrouwtje morgen de schoonste feestkoningin zal zijn, die er ooit op aarde bevelen gaf. Hij ziet er volstrekt geen bezwaar in dat Hardenborg haar engageert voor een enkelen dans. Hij spreekt het niet tegen dat hij zijn vrouwtje morgen en haar gansche leven verwennen zal. Goddank! 't was dus een droom.... of neen, toch niet: het is een zinsverwarring, een misverstand geweest. Die dwaze brief van den "uitgedienden generaal" heeft August straks voor een oogenblik op 't sterkst in zijn gewone tobberij doen vervallen. Neen, men was niet arm.... Hoor maar, hoor, hij stemt het weer toe: Morgen, ja zeker, morgen zal het gansche huis één enkele feestbouquet zijn ter eere van Helmonds "engelachtig vrouwtje".
DRIE EN DERTIGSTE HOOFDSTUK.
Reeds in den vroegen morgen van den 28sten September heerschte er een buitengewone, maar nochtans een fluisterende, en op de teenen loopende levendigheid in het prachtige doktershuis. De groote schuit met kostelijke bloemen, sierpotten en guirlandes, de Utrechtsche schuit, waarin zich mede een menigte groote en kleinere ruikers bevonden, was aangekomen, en, onder het oppertoezicht van dokter Helmond zelf, haastte men zich nu om werkelijk zijn nieuwe woning voor een goed deel in een lusthof te herscheppen.
Het kon niet anders of het hart moest wel feestelijk kloppen wanneer men de vroege herfstzon, na een avond en nacht van regen en wind, zoo vroolijk zag blinken op de heerlijke heester- en bloemgroepen, die met zooveel smaak in de zalen en kleinere vertrekken van het deftige doch riante doktershuis waren gerangschikt.
De Utrechtsche bloemist, die het laatste woord over de aanstaande partij in stilte met _mevrouw_ Helmond had gewisseld, heeft toen gezegd, dat mevrouw het nu alsjeblieft maar eens aan hém moest overlaten. Helmond, die daarvan niets vernomen had, moet nu in stilte erkennen dat de bloemist meer gedaan heeft dan hij had durven verwachten, en de feestelijke geur in zijn woning--waartoe de geraniums en oranjebloesems, de reseda's en heliotropen, ja zelfs tot in het breede marmeren voorhuis, de guirlandes van fijne dennetakjes samenwerkten--werd er in zijn schatting nog door verhoogd.
Eva dient nog een weinig geduld te hebben. De serre die voor het orkest werd ingericht, moet nog eerst met de oranjeboomen en de kleinere heesters aan de binnenzij gemaskeerd worden. Hoe netter alles in orde is vóórdat ze beneden komt, hoe gelukkiger ze wezen zal, en ook--hoe eer ze te bewegen zal zijn om nu zoo spoedig mogelijk aan den wensch van haar man te voldoen en oom Van Barneveld een hartelijken zoen te gaan geven. Meer is er niet noodig; August gelooft het zeker: met dien enkelen zoen koopt ze ooms liefde, en herstelt ze wat anders _niet te herstellen_ zou zijn.--Maar wacht, nu wordt het ook tijd dat hij doet wat _vooral_ noodzakelijk is.
Haastig naar zijn kamer gegaan, staat Helmond eenige oogenblikken later met twee bijouteriedoozen in de hand, terwijl hij den inhoud ervan nauwkeurig beschouwt. 't Zijn de twee stel diamanten die men hem ter keuze voor een paar dagen heeft willen toevertrouwen.
--Niet langer gedraald, denkt Helmond in 't eind: Het verschil in prijs staat niet in evenredigheid tot het onderscheid der beide garnituren. 't Zou immers mogelijk kunnen zijn dat die kleine broche haar toch niet voldeed. Mevrouw Van Leeuwen is de maatstaf, en ik geloof dat de broche der gravin.... Nee, de indruk dient ineens beslissend te zijn. Oom moet in haar oog een halve verkwister worden. En inderdaad, wat maakt dit bagatel op het geheel! Het garnituur zal betaald worden van hetgeen ik nog bezit, en dan, in 's hemelsnaam, oom zal dan herstellen wat ik vooreerst bezwaarlijk goedmaken kan.--Komaan, deze laatste dwaasheid zal dienen om terug te komen op den weg van 't verstand.
Alvorens nu haastig de doos met het fraaiste garnituur in papieren te wikkelen en er een pakje van te maken, haalt Helmond eenigszins gejaagd--alsof hij bevreesd was dat men hem bespieden zou--een klein apothekersdoosje uit den zak, en neemt er een drietal pillen uit, die hij even haastig gebruikt.--Goddank, hij blijft toch tamelijk wel, en zijn ziekenbezoeken, die echter in den laatsten tijd nog al zeer zijn verminderd, kon hij dagelijks waarnemen; maar toch, daar woelt iets vanbinnen dat niet goed is.
--Doch heden, welzeker! wie zou er in zijn plaats niet fiksch en blij zijn; blij vooral dewijl het de feestdag is van een vrouwtje:
Als een gazelle rank; Als teedre lelies blank; Met kluistrend alvermogen In haar blij lachende oogen; En in haar rozenmond Die hem haar min verkondt: Een hemelsch reinen klank! O Eva mijn engel! Ja, eindloos meer Dan een schitterend leven, vol roem en eer, Dan de kronen der wereld, dan de schatten der aard Zijt gij, zoete _duive_, mij lief en waard.
Neen, een dichter is Helmond niet; maar met zulk een bekoorlijk wezen, dat men het zijne mag noemen, met een vrouw zoo vol smaak, gevoel en talent, ja dan moest men wel van steen zijn indien men niet somwijlen warm werd en zong. Nochtans 't was geen verjaarsgedicht, 't was al eenige weken geleden dat hij zijn hart zoo eens lucht gaf.
Nu is het kleine pakje, waarin geen letter schrift was te vinden, gereed. Op de bovenzij schrijft Helmond, terwijl hij in zijn schrift eenige overeenkomst met de hand van den generaal zoekt te leggen:
"Aan Mevrouw E. Helmond,
Armelo.
Op haar verjaardag."
Met het pakje in den zak begeeft Helmond zich nu naar beneden. Eenige oogenblikken dwaalt hij in den tuin--die straks door den Utrechtschen bloemist voor het feest van dezen avond zal ingericht worden--en begeeft zich dan in de kleine straat waar de tuin in uitkomt.
Al spoedig daarna wordt er door een knaap aan de voordeur van het doktershuis gescheld.
Bus, die de potaarde van de handen slaat, neemt het pakje aan en vraagt:
"Van wie kumt dat, manneke?"
"Ja dat mocht ik niet zeggen. 'k Gleuf van _De Zonsberg_."
"Zoo! bestig!"
In de kleine ontbijtkamer aan den tuin stond Helmond, met een groote maar fijne bouquet in de hand, op zijn jarige vrouw te wachten. Hij heeft haar doen weten dat alles gereed was.
En zie, daar vliegt Eva met een blos van verrukking op het gelaat, de feestelijk getooide ontbijtkamer binnen en haar glimlachenden echtvriend tegemoet:
"O _lieve beste_ August!" roept ze, nog voordat hij spreken kan, bijna schreiend van vreugde, terwijl ze zich in zijn armen stort: "Dat is te veel! Ja waarlijk al te veel! O beste heerlijke man, wat ben je toch goed! 't Is meer dan ik had durven denken!"
"Ei lieve kind, wanneer alles zoo naar je zin is dan ben ik dubbel tevreden; maar je bent nu heusch wat al te haastig; je gunt me geen tijd lieve wijfje, om je eerst behoorlijk van harte.... ja van ganscher harte...." Helmond had in dezen stond geen woorden meer. Maar waartoe was het ook noodig? Hij sloot haar in zijn armen en zoende haar. O hij zoende haar zoo lang en zoo teer. En als hij haar niet meer zoent, dan sluit hij haar nóg vaster en nog inniger aan 't hart alsof.... Neen 't was kinderachtig, ze zijn immers beiden gezond; welzeker gezond en blij. En zie, de zon schijnt vroolijk op haar feest, en.... Doch die bruine beuk daar in 't pad, staat somber, ja die beuk geeft een te groote schaduw, die beuk moet daar weg. Waarom trof hem nu juist die bruine beuk?--Maar August dacht dit; hij sprak er niet van, hij kon niet spreken.
Welnu, daar behoefden ook waarlijk geen wenschen of woorden meer bij.
"'t Is zoo prachtig mijn beste hartelijke man!" zegt Eva weder.
"We zijn ook al vroeg aan 't werk geweest mijn jarig wijfje; maar je hadt eigenlijk nog niets mogen zien."
"Nog niets mogen zien van de versieringen in huis, meenje? Maar manlief! dat deed ik ook niet. Nee, trouw aan m'n woord!" Met klimmende en innige verrukking: "Maar het heerlijk prachtige cadeau van mijn arm lief mannetje, dat, dát mocht ik toch wel zien niewaar, zooals het me gezonden werd in mijn wachtende eenzaamheid? O, engel van 'en man, 't garnituur is zelfs oneindig veel mooier dan dat van mevrouw Van Leeuwen: _Oneindig_! 'k zag het dadelijk. Die groote brillanten...."
"Maar kindlief, wat meen je? Een garnituur? Ik, nee! Wat ik je geven wou; ziehier: 't is een kleinigheid; een medaillon, zie je wel Eva, met mijn portret."
Eva heeft het medaillon vluchtig bezien.
"Och August, als je me bederven gaat dan moetje zelf er den last van dragen; nu dat aardige dingetje ook nog, en met je goeje oogen er in. Dankje schat van 'en man. Maar dit...." en zij haalt het étui uit haar zak te voorschijn: "dit overheerlijke stel, dat is nu juist.... ja zie, dat is nu letterlijk het eenige wat ik begeerde, en dus...."
"Maar Eva, je vergist je; dat garnituur kwam niet van mij."
"Watbliefje.... niet van....?"
"Nee nee kind, da's een abuis."
"Abuis! August wát zeg je? Zou 't bij abuis.... op bezien....?"
Helmond zag Eva bleek worden.
"Nee, zóó meen ik het niet. 't Zal je zeker wel door iemand gegeven zijn, tenminste als het je werd gezonden. Is dat het papier waarin het gezeten heeft? Ei, zie dan maar: Aan Mevrouw E. Helmond, Armelo. Op haar verjaardag."--Eva haalde weer adem.
"Maar die hand is me bekend Eva. Welzeker."
"Geen wonder August; 'k vergis me niet: ik hou die hand op 't oogenblik in de mijne."
"Maar Eva, als ik je nu verzeker dat je je bedriegt."
"Ja lieverdje, dan bedrieg je me _zeker_, maar uit liefde en met de voortreffelijkste bedoeling. Het beste _arme_ doktertje kan zóó iets niet geven...."
Eensklaps hem nogmaals om den hals vliegend:
"Maar nee, foei, foei! dat verdien je niet mijn _alles_! Dank August hartelijk dank! O ik ben zoo gelukkig!"
"Eva, maar waarlijk, dat present zou _ik_ je niet gegeven hebben; het moet van iemand anders komen. Het is...."
"Och August, schei daar nu mee uit. Van wien zou zóó iets nu kunnen komen! Ik bid je van wien!"
"Ja kind, ik weet het niet; maar, als ik dat adres heel goed bezie.... Ja, mij dunkt, 't is zoo goed als zeker, dan...."
"Dan....?"
"Zeer mogelijk, _zeer_ mogelijk!" herhaalt Helmond terwijl hij schijnbaar met aandacht het adres blijft beschouwen: "Dat moet van hèm zijn; van _De Zonsberg_. Ik houd het er bepaald voor. Jawel een verrassing van oom."
"O goeje hemel August! Schei uit!" roept Eva, terwijl ze eensklaps in een vroolijk schaterlachen uitbarst, waarbij ze de handen omhoog en ineenslaat: "O hemel August.... dat idee!.... 't is om te stikken. Van oom, van dien schrielen com.... p....peer!" en nogmaals en telkens weder uitproestend in een welluidenden schaterlach: "Een verrassing van oom! Groote hemel August, hoe kon je 't verzinnen!"
Dokter Helmond stond als verslagen. Wat scheelt hem dan, dat hij niet meer heeft kunnen doordenken! De mogelijkheid dezer wending heeft hij niet eens voorzien; en toch ze was zoo hoogstnatuurlijk.--Wat moet hij doen? Haar tot bedaren brengen, haar met zekeren ernst herhalen dat hij die onderstelling gansch niet belachelijk vindt; haar misleiden door de verzekering dat zoo iets juist in het karakter van oom ligt?--Ja, dit alles--helaas ook het laatste--hij beproeft het, maar tevergeefs.
't Is Eva volstrekt onmogelijk om zulk een kostbaar verjaarsgeschenk een oogenblik "vast te knoopen aan het _telwoord Van Barneveld_".--Nee, August moest nu heusch niet langer zoo droog komiek zijn. Zij is dol- en overgelukkig, want ze weet dat ze dit heerlijke geschenk van den eenige heeft van wien ze het gaarne ontvangt, van hem, die door het haar te geven nu reeds voor de honderdste maal heeft getoond dat al die tobberijen inderdaad geen grond hadden; Goddank, dat het slechts _tobberijen_ waren, want tot schriele handelingen was haar lieve trouwe man nog nooit vervallen en ook niet instaat.
--Nee stil; hij mocht nu niet verder spreken; als August het schitterend effect van zijn verrassing niet bederven wil, dan moet hij althans van dien somberen _Zonsberg_ zwijgen; hij moet....
"Maar Eva," zegt Helmond terwijl zijn hoop--op dien valschen grond gebouwd, hem ten eenenmale ontzinkt: "_gesteld_ dan eens dat het van oom was, zeg, zou je dán niet....?"
"Dan zou ik denken dat de steenen valsch waren, en, valsch of niet, ik zond ze terug!"
Helmond verkeert in de grootste spanning:
"Eva, ik moet openhartig met je spreken.--Oom heeft.... ja hij heeft me instaat gesteld om dat cadeau voor je te koopen, want ik, waarachtig _ik_ kon het niet. Maar daarom bid ik je, doe nu ook wat mij, wat ons allen gelukkig kan maken: Ga mee naar _De Zonsberg_; geef oom Van Barneveld een zoen, een hartelijken zoen.... Eva, het feest zal wel doorgaan dezen avond. Ja zeker, maar doe dan ook wat ik wensch.... mijn Eva?"
De doktersvrouw ziet haar echtvriend een oogenblik stilzwijgend aan:
"Voor een man, beste August, ben je al te weekhartig. Ik zeg _weekhartig_ August, met een anderen naam wil ik het niet bestempelen. Jij bent te goed. Wie jou slaat op de linkerwang, dien zou jij letterlijk de rechter toedraaien. Zie, da's heel mooi in theorie, maar in de praktijk heel lastig. Jij bent vandaag _gelukkig_ evenals ik, en nu zou je de heele wereld wel aan je hart willen drukken, ja zelfs den man die je als een kwajongen behandelt.--Stil, _ik_ ben jarig, en mag dus wel spreken: Wat jij nu zoudt willen drukken lieve man, omdat je al te goed bent, dat moet jij weten; maar dat je van zoo'n slecht en ijdel individu als je vrouw is, zulk een tour de force zoudt verlangen, dat is onmogelijk. Jij met je goed gezicht, je zoudt misschien al dadelijk neus aan neus met Herrn General aan 't ombertje gaan zitten; maar ik--dankje; onmogelijk! Ik zou z'n excellentie--brave beste man, ik weet het, garde d'honneur geweest--'k zou 'em zeggen: Eerst hebben we samen een appeltje te schillen ouwe heer. Ga jij daar eens zitten: "_Wijven_ en _onbeschaamde feeksen_" wonen in achterbuurten; maar de vrouw van een man, dien men reeds een paar malen met den rang van professor doodverfde; die--zooals ik pas onlangs mocht hooren, voor zijn doctorale promotie een dissertatie schreef, welke als een meesterstuk moet geroemd zijn, een werk waar de heele wereld van spreekt behalve die talentvolle schrijver alleen...."
"Eva waartoe dit alles?"
Eva vervolgt: "Die vrouw is veel te trotsch om, niet alleen zichzelve, en haar familie die een gravenkroon kan voeren, te zien minachten; maar vooral om hem, dien ze als een afgod vereert,"--zij nadert Helmond snel en slaat haar armen half schreiend om zijn hals--"als een kind, als een nul te zien behandelen, om hem de les te zien lezen, zooals men 't nog gisteren met dat zotte ultimatum gedaan heeft.--Zulk een brief bewijst in _mijn_ oog dat de schrijver...."
"Eva, dat schrijven was misschien niet geheel doordacht, maar toch...." Eensklaps laat Eva haar August los; gaat een paar schreden achteruit, en dan dreigend met den vinger, half lachend half schreiend:
"0 ondeugd, ondeugd! 'k Heb het al meer gezegd: knap ben je, een professor, ja, maar voor de comedie deug je niet. Ei ei, baasjelief, dat potsierlijk geschrift kwam _óók_ van _De Zonsberg_; jawel, precies, maar op dezelfde manier als dat stel diamanten! Kom, als je me nu wéér zulke guitenstreekjes uithaalt, dan zou ik nog moeten denken dat je me maar half gunt wat je me goeds geeft. Stil ventje, stil! dat ultimatum kwam van jou, ja ondeugd van _jou_!"
Helmond kon niet verder gaan. Al ware Eva niet ter regeling van eenige huiselijke aangelegenheden op dit oogenblik buiten de kamer geroepen en ijlings heengesneld, Helmond zou nu toch geen woorden hebben gevonden om haar op gepaste wijze zulk een onzinnig denkbeeld te ontnemen.
--Hij _zelf_, _hij_ Helmond, zou dien brief geschreven hebben!--O God, waar moet het heen indien Eva niet toestemt! Ach, zal ze dan in haar dankbare stemming volstrekt niet willen voldoen aan zijn vurigsten wensch tot haar eigen heil? Hij wil, ja hij zal....
"Is mevrouw niet hier Antje?" vraagt hij eenige oogenblikken later, bij 't binnentreden van de feestelijk getooide en heerlijk geurende oranje-zaal, aan de dienstbode die hem tegenkwam.--Mevrouw was er niet. In gepeins blijft Helmond staan.--Maar wat zal het baten, zoo denkt hij: Indien ze al hier ware, zou ze juist _hier_ ooren hebben voor zijn--straks reeds zoo kras door haar verworpen voorstel! Zal ze toegeven, tenzij hij haar terzelfder tijd wil _bezweren_ dat hij zwak was, ellendig zwak, en heden dwazer dan ooit; dat hij armer is dan de bedelaar, die de aalmoes zijn eigendom kan noemen?