Dokter Helmond en zijn vrouw

Chapter 35

Chapter 353,903 wordsPublic domain

"Nog altijd een beetje rancune?" vraagt de majoor wat zachter, terwijl Eva hem toch onwillekeurig terzijde blijft, en men zich langs een smaller pad, tusschen een bosschage van hulsten en andere fijne doornheesters, uit den kring van het gezelschap verwijdert.

"Rancune, o nee majoor, maar...."

"'t Is niet onnatuurlijk mevrouw, en de vriendelijke woorden die ik u straks mocht toespreken zijn niet voldoende geweest. Ik heb schuld; ik had het al vroeger moeten goedmaken. Waarom ben ik niet bij u geweest sedert den avond van dat, voor u zoo onaangename misverstand.... 't Is onvergeeflijk, ik beken het! Maar, een geboren Van Armeloo is allerminst haatdragend of kleingeestig."-- Stilstaande: "Vergeef me mevrouw Helmond. Na al de moeite die ik met liefde had gedaan, werd ik dien avond zoo ge.... ge.... gedesillusioneerd dat ik mij zelf een oogenblik vergat, en ook naderhand besloot om die papieren altemaal weg te doen, te verbranden, want.... Nee nee, pardon, verbrand heb ik ze niet. Ik kwam daarvan terug, en vooral omdat er één stuk bij is, dat zelfs als curiositeit zeker een aardig sommetje waard zou wezen."

"O dat zal het stuk zijn 'twelk bewijst....?"

"Juist; uw papa hecht er niet aan! Enfin, ieder mensch heeft zijn eigenaardige begrippen. Uw papa is een zeer verstandig man, en zal waarschijnlijk zijn goede redenen hebben...."

"Ja dat is zeker; maar u vergist je majoor, als u denkt dat papa omtrent die papieren _heelemaal onverschillig_ zou zijn. Papa zal er.... Nee, hij zal er u wel niet om vragen, maar...."

"Ik zou ze hem in geen geval _aanbieden_, mevrouw Helmond, dat kunt u gemakkelijk begrijpen."

"Nee...." aarzelt Eva, "dat is niet onnatuurlijk." Zich snel in de rede vallend: "Ik geloof anders majoor, dat--indien de zaak wáár is--dat dan het bewijs door iedereen gemakkelijk te leveren is."

"Dit laatste komt niet overeen met hetgeen ik u vroeger verzekerde mevrouw. Als man van eer, als oud-officier, geef ik u de stellige verklaring, dat het van de duizend menschen er nauwelijks één zal gelukken om het stuk te bemachtigen 'twelk ik door mijn bemoeiingen meester werd, en waarvan in deze zaak _alles_ afhangt."

"Dat stuk is....?"

.... "Eenvoudig het document waaruit onwederlegbaar blijkt, dat de bet-overgrootvader van uw vader, en de zoon van den Hollandschen graaf Van Armeloo één en dezelfde persoon is geweest."

Een oogenblik bleef het stil. Dan zegt Eva snel:

"U zoudt mij verplichten met mij dat bewijs te.... zenden majoor."

"O, 't is zeker veel eer: veel...." Eensklaps omziende: "Mij dunkt ik hoor daar roepen: Zoudt ú mij 't genoegen willen doen mij den arm te geven, schoone mevrouw Helmond?"

Weer vliegt Eva het bloed naar de wangen.--Neen, haar arm krijgt hij niet!

"O, u neemt niet kwalijk majoor?" zegt ze snel: "'t Is Helmond die daar roept." IJlings spoedt zij zich nu terug langs het pad, doch.... halt, nu kon ze niet verder.

Helmond met Archibald, freule Marie Narwal en nog een paar jongelieden, bevonden zich aan 't eind van het pad.

"Een Absalome!" roept de luitenant, en vliegt naar de plek, waar Eva eensklaps tot stilstaan werd gedwongen, dewijl ze met haar sortie aan een nijdig takje bleef haken.

't Was maar een kleine scheur. Eva zei dat het niets te beduiden had. Maar Archibald hield een korte potsierlijke toespraak tot den ondeugenden meidoorn, die zich in 't voorjaar met zijn welriekende bloempjes zoo aardig voordoet, maar nu in 't begin van September zoo valsch is als een jaloersche kat.

Kartenglimp bleef op den achtergrond.

En ginds aan den arm van dien jongen luitenant zag hij haar voortzweven.--Welzeker, men wachtte haar in de zaal; de muziek speelde er reeds een Ouverture de Bal; zij zou er dansen, dansen met iedereen, maar voor hem--inweerwil van dat prachtige lokaas, 'twelk hij haar sinds dien avond toch in 't geheel niet meer toonde--voor hém heeft ze zelfs den arm niet over.... dien blanken welgevormden arm!--Maar ha! al wordt het tijd, 't is nog vroeg genoeg, welzeker, nog vroeg genoeg!

Een zeer groot aantal waskaarsen op luchters en kronen, verlicht overvloedig de groote zaal en de twee daaraan grenzende zeer ruime kamers, die door breede nu geheel weggeschoven battans gemeenschap hebben.

De groote zaal is delicieus gecireerd, als een spiegel zoo glad! Enkele paren wandelden daar reeds koutend in 't ronde, doch het meerendeel bevindt zich nog in het groote vóórsalon, waar men in den middag ontvangen werd. Dominee Hoogerberg, bekend met de huiselijke omstandigheden der familie Debecque, brengt er, alvorens de dans zal beginnen, en nú reeds, dewijl hij om gewichtige redenen vroegtijdig naar huis moet, een hartelijken maar korten heildronk aan de gastvrouw die heden verjaart, en aan haar eenigen zoon, die in 't moederland mocht terugkeeren om een _moeder_ gelukkig te maken.

"Dominee, allerliefst! allercharmantst! Dank je, merci, aller-_aller_-hartelijkst!" zegt mijnheer Kippelaan, die aanstonds is vooruitgestoven, en met zijn beide handen de hand van den spreker vermeesterend, ten aanschouwe van al zijn hoorders, steeds karnend, de tolk blijft van aller gevoelens!

Archibald ziet het treffende schouwspel een oogenblik met een kwalijk verborgen glimlach aan, en dan net glas opheffend, zegt hij:

"Terwijl mijn schuld aan onzen hooggeëerden dominee op zoo passende wijze door de welwillende tusschenkomst van mijnheer.... re.....??"

"_Kippelaan_!" helpt de eigenaar van dien naam, terwijl hij met een verheerlijkt gelaat naar den spreker omziet.

"Ah juist, _Kippelaan_; uw naam was mij ontschoten...."

"Jules Janin!

"Straks hoop ik u mede een handdruk te geven _dominee_," zegt Archibald, eensklaps van Kippelaan op Hoogerberg ziende: "om u dank te zeggen voor de goede woorden aan 't adres van mijnheer Kip..... ik meen aan 't adres van mama en van mij; doch met den dronk die nu geen uitstel duldt, maar welke twaalf-twaalfde gedeelten der jonge dames toch hopen dat kort en vooreerst de laatste zal wezen,--omdat de muzikanten anders ongeduldig zouden worden; niewaar dames?--met dit glas dan moet ik den vriend gedenken, zonder wiens trouwe hulp ik misschien--zelfs met den besten wil van de wereld--hier niet als zoon van den huize had kunnen fungeeren.--Maar, ik zie eenige zakdoeken te voorschijn komen. Alzoo denkende aan het heden, en herdenkende "om het half uur een zeer leelijken lepel", maar ook: alle dagen twee- of driemaal een gezicht waarop een hart stond geteekend van goud, neen, een hart vol waarachtige belangstelling! denkende aan een trouwen vriend, die deed wat hij kon om mij voor mijn goede moeder in 't leven te bewaren, _drink_ ik dit glas--de handdrukken mijnheer Kippelaan, zullen mogelijke flaters in mijn oratie goedmaken...'" Kippelaan wilde reeds toesnellen om den zoon van den huize te.... maar hij werd door een der heeren tegengehouden: "drink ik dit glas," herhaalt Archibald met verheffing van stem, "op wat mijn braven dokter liever is dan zijn leven, op haar die hem meer waard moet zijn dan al de schatten dezer, nog al plezierige wereld: op zijn aangebeden vrouw, _mevrouw Helmond, geboren Van Armeloo_!"

Het was bij de levendigheid die er nu onder al de aanwezigen ging heerschen--en waarbij mijnheer Kippelaan letterlijk handen te kort kwam--een zeer vermeldenswaardige bijzonderheid, dat er onder die vele dames, en inzonderheid onder die dames van hooge geboorte, geen enkele te vinden was, bij wie er een gevoel van jaloezie werd opgewekt, door den toost op mevrouw Helmond door den zoon des huizes uitgebracht.

Eva gevoelde zich.... half bedwelmd, als een veder zoo licht, en onuitsprekelijk zalig. De tranen stonden haar in de oogen. O! en toen men haar nu van alle kanten met de liefste woorden overlaadde, en de baron Narwal haar zeide: "Wij hopen de lieve doktersvrouw recht veel met haar echtvriend op Brouwerscate te zien;" en de baronesse Doelemeere haar met zoo'n recht vriendelijk en gemeenzaam knikje de verzekering van haar belangstelling schonk ja, toen zelfs de gravin Van Leeuwen naar haar toekwam en zeide: "Ik vereenig me van harte met de beste wenschen voor uw geluk, lief mevrouwtje,"--toen.... 't was niet om uit te spreken.... ze moest toen den fijn geborduurden zakdoek voor de oogen drukken; de weelde van dat oogenblik was schier al te groot!

Nochtans, toen ze zich nóg eens door diezelfde hooggeboren vrouw zoo innemend hoorde toespreken; en zij tevens uit mevrouw Van Leeuwens prachtige met parelen bewerkte flacon een weinig eau-de-cologne moest nemen, toen kwam er een klein, een bijna onmerkbaar wolkje haar gelaat overtrekken, want, weder waren de oogen der gravin op haar diamanten broche gericht, en zei de oudere dame met wezenlijke zorg: "Je aardig speldje is losgegaan lief mevrouwtje. Voorzichtig, 't zou toch wezenlijk jammer zijn, niewaar?"

En de groote diamanten der gravin blonken en fonkelden met duizend kleuren, en Eva tastend naar "'t speldje", inplaats van het vast te steken, deed het--'t was niet onnatuurlijk, door het eenigszins trillen der vingers, als een gevolg van de aandoening waarin de toost haar gebracht heeft--geheel en al losgaan, zoodat het op den grond viel. En zie, nadat een galant jongheer het aanstonds had opgeraapt en haar weergegeven, verdween "dat kinderachtige sieraad" voorgoed in den zak van haar kleed.

Helmond heeft met een zeer kort maar hartelijk woord, Archibald zijn dank betuigd, en het welzijn van den gastheer gedronken. Helmond gevoelde zich nu wat beter dan straks. Misschien hebben een paar glazen pittigen wijn hem goedgedaan. Een bediende komt reeds voor de vijfde maal met het blad waarop de geurige Côte d'or en Rudesheimer worden aangeboden.

"Dankje!--Eh.... ja toch.--Ziezoo kameraad."

Het bal heeft een aanvang genomen.

't Is een kleine misrekening voor Eva geweest: De baron Debecque heeft niet met háár, maar met mevrouw Van Leeuwen, die nog gaarne een enkel dansje--zoo'n Polonaise bijvoorbeeld--meedoet, het bal geopend. Aan den arm van den baron Narwal gevoelde Eva zich echter spoedig ruimschoots schadeloos gesteld, want mijnheer Narwal was een man nog in de kracht van 't leven, had wel vijf ridderorden, en was kamerheer of iets van dien aard; tenminste "ijselijk hoog!"

Nu de tweede dans zal beginnen en reeds

De dartele snaren Doen tripp'len de paren;

nu hangt Eva in den arm van haar _alles_, van den _eenige_, op wien ze waarlijk zoo trotsch is:

"O, engel!" zegt ze, en drukt hem dien arm zoo innig: "zulk een feest, zóó iets heerlijks heb ik nog nooit beleefd. Die menschen hier.... Och wat zijn ze allen onbeschrijfelijk lief en hartelijk, en zonder eenige distantie.--Eén ding beste August, als het te pas mocht komen, ik zeg _als_, och spreek dan vooral niet tegen dat jij ook van adel bent; 't is me letterlijk al pratend uit den mond gevallen toen ik door dien mallen Kippelaan.... ik weet niet hoe, een beetje in 't nauw raakte. Maar.... onwaarheid sprak ik toch niet; je kunt immers later papa's titel krijgen; niewaar August?"

"Mijn hemel Eva, dat gaat te ver!"

"Ben je boos, mijn lieve man? Nee, dat kun je nu niet wezen, niewaar? Maar luister eens.... ik mag er immers vast op rekenen....? Wel, op _onze_ partij, met mijn jaardag? Och die jonge Hardenborg was zoo galant; ik zei maar even dat ik deze muziek zoo allerliefst vond, en--dadelijk _dadelijk_ is hij toen gaan informeeren of de kapel den acht en twintigsten vrij zou wezen.--En ja zeker, alles is in orde! Natuurlijk moest hij er toen aanstonds beslag op leggen omdat ze zoo moeilijk te krijgen is...."

"Eva, ben je razend!"

"God August! je zoudt me doen schrikken. Freule Marie ziet juist naar ons, zij zal denken dat we woorden hebben. Lach: toe lach."--Eva lachte.--En August? Moest hij dan hier die algemeen gevierde vrouw, en ten aanschouwe van zoo velen, een barsch gelaat toonen, haar, zijn dierbare Eva? Ha, als men dan overal fluistert dat een man, die zulk een vrouw bezit, haar niets weigeren _mag_, dat ze hem meer moet waard zijn dan al de schatten der wereld; ha, waarom zou hij dan ook niet lachen! Waarom zou hij dan ook niet....

--Daar vangt de wals aan.--'t Is alsof de wijn hem eenigszins heeft beneveld. Misschien ook is hij het dansen ontwend:

"Bedaard, bedaard lieve kind; niet te vlug; je weet wel waarom? Ja zeker, heel goeje muziek, fameus in de maat!"

En Eva wielt, al zwevend, als in een hemel aan den arm van haar teerbeminde. En de muziek is krachtig; maar hoor, telkens en hoe langer hoe meer, klinkt er in die sterke bazuintonen bij het geanimeerd en wegsleepend refrein, een enkele noot.... die haar aan woorden, aan vreeselijke woorden herinnert, en ook aan dien droom met den saterlach:

Et--_Satan_ conduit le bal, Et--_Satan_ conduit le bal!

Ik wil wel eens rusten August!--Dit stuk moeten ze bij ons niet spelen, 't Refrein is toch leelijk; al te snerpend. Vin-je óók niet, m'n lieve man?"

Mijnheer Kippelaan voelt zich dezen avond misschien nog gelukkiger dan Eva Helmond. De bijzonderheid dat hij op zulk een partij was gevraagd, heeft hem boven de huizen gebracht.

--'t Scheen wel--dewijl zelfs de candidaat-notaris Piet Lovers met zijn ouderwetsch Marietje was genoodigd--dat de baron Debecque zijn invitaties zoo ver mogelijk had uitgestrekt; maar de eer was toch bijzonder, en hij mocht nu gerust zeggen dat de adel uit den omtrek met alles wat daartoe behoorde _zijn intieme_ vriend was. In den beginne is Kippelaan iets minder op zijn gemak geweest, maar sedert hij het stoute stuk volbracht, en dokter Helmond, zonder dat iemand het zag, de beide banknoten van honderd gulden uit den brief aan Woudberg, met een couvert er om, in den achterrokzak heeft gewerkt, had hij zich zoo onschuldig gevoeld als een pasgeboren zuigeling.

Allerliefst lieve gelegenheid!--In den vooravond bij 't geleide van juffrouw Van Berge naar de groene kamer, heeft hij al iets voelen kloppen, en.... enfin, juffrouw Van Berge heeft hem eensklaps losgelaten, en Mina Lens die vóór haar liep, in den arm genomen.--O dat guitje!--Later had hij gehoord dat juffrouw Van Berge ook waarlijk al met den kantonrechter uit B. geëngageerd was, enfin.--Na 't verblijf in de groene kamer is hij weer zoo.... ja, hij moet het bekennen "zoo ondeugend geworden." Bij 't vuurwerk heeft hij de kleine blanke allerliefste jonge dame, Mietje Lansbroek, het hof gemaakt, en gezegd dat hij "duizendmaal op den rand geweest was, maar nu in háár den afgrond voor zijn hart metterdaad gevonden had." Mietje Lansbroek heeft toen gezegd, dat ze het al te akelig vond, wanneer menheer Kippelaan zijn hart aan zoo'n halsbrekenden toer zou wagen, en heeft hem toen haar "allerliefsten rug" toegedraaid--natuurlijk, volgens Kippelaan, een weinig verlegen over zijn aanzoek en de geestigheid van haar eigen antwoord.--'t Was waar ook, hij had zoo iets hooren spreken van een remonstrantsch proponent. Enfin, allerliefst, geestig! Dansen? Zie 't was jammer, al de dames waren disperaat dat ze hem een dans moesten weigeren.... maar nee, 't is zijn schuld; _zijn_ eigen schuld; hij is niet vroeg genoeg gekomen! ofschoon.... Enfin, 't was allerliefst dat ze hem allen zonder uitzondering beloofden: jawel, als er weer een feest was; ja welzeker.

Op dit oogenblik schept Kippelaan nog even een luchtje, want hij had aan een der buitendeuren staande--iets in 't donker zien verdwijnen, ginder in de richting van de groene kamer, waar nog een enkele gekleurde ballon tusschen het donkere groen hing. En Kippelaan vond het buiten allerheerlijkst....

't Was heelemaal donker, pikdonker in de groene kamer. Daarbinnen klonk een zucht. Bijna gelijktijdig klonk er nog een zucht, meer piano.--Er volgde een plechtige stilte.--Na eenige seconden had de herhaling van het even genoemde diep roerende zuchten plaats.--Toen had men iets kunnen vernemen van een langgerekt geluid zóó bijna als van het theewater alvorens het aan--of van de kook raakt.--Nogmaals nú hartverscheurende zuchten. En dan:

"Och Marietje!"

"Och Piet!"

"O, als ze ons één--één tienduizendste meegaven, dan!"

"Och Piet, dán...."

"Och Marietje!"

"Gud, ik hoor wat!"

Twee personen zijn juist den ingang der groene kamer genaderd, 't Zijn Helmond en de majoor Kartenglimp.

Helmond is er overheen.--Wat drommel wáárom niet! Zijn er dan niet honderdduizend menschen voor één die doen zouden wat hij doet? Geld ter leen vragen als men 't noodig heeft en zeker weet dat men het zal kunnen teruggeven:--_Kunnen_? _zeker_? Ja, ongetwijfeld _zeker_! Als hij den generaal morgen maar eens als vanouds de hand heeft gedrukt, wat, voor den drommel, wat zouden er dan voor haken en oogen kunnen zijn? Zal een man van eer, een man als de generaal zijn woord breken, zonder een bepaald voorval waardoor een brouillerie gewettigd kan heeten? Zou hij zonder eenige kennisgeving de gedane verklaring intrekken, dat August nevens Jacoba zijn erfgenaam zal zijn? Neen, die pleegvader zal dat niet!--Nu, wáárom tobt en treuzelt hij dan, en zit zoo telkens met de handen in 't haar? Is het niet armzalig dat iemand met zulk een erfenis in 't verschiet, hier rondloopt met niet meer in zijn bezit dan de vijf guldens die zijn provisor hem leende!--Zegt het spreekwoord geen waarheid: Met den tijd komt alles terecht!--Wat weerga, al moest zijn leven, zijn heele aanzien, _alles_ er aan opgeofferd worden, men heeft gelijk: Een vrouw zooals de zijne wordt er op de duizend geen gevonden! Zóó een moet boven alle ontbering verheven zijn en schitteren in haar vollen glans. Men moet haar ten volle waardeeren. Dat doet men _hier_, dat doet _iedereen_. Boven al die adellijke vrouwen, zelfs van leeftijd, werd zij verheven, door dien toost van den zoon des huizes. Wat drommel, Eva heeft gelijk, hij is een beroerde zwaarmuts; alles komt terecht.... en.... Neen, het dolle plan om confidentieel met den ouden Debecque te spreken en hém te vragen.... neen, hij heeft het laten varen; 't zou Eva die, nog al wat hoog van alles heeft opgegeven, compromitteeren; en ook.... met al die adellijke kennissen, en later die partij ten zijnen huize.... Neen! Kartenglimp had hem zeer heusch bejegend; den ganschen avond; allerhartelijkst! De man is poltron; tenminste een beetje wars van Vriend Hein was hij zeker; maar anders, noch over het niet terugkomen om zijnentwil uit Parijs, noch over dien onaardigen conferentie-avond heeft hij zich beklaagd.--Helmond weet toch zeker dat notaris Zoutenheer, een gedeelte van het hem verstrekte geld van den majoor heeft gekregen; en, inplaats van iets onaangenaams na die scène te laten blijken, heeft hij laatst zonder eenige pretensie gezegd: dat hij a vijf percent.... onder vrienden....

"U begrijpt majoor, dat ik 't alleen vraag omdat je 't mij zelf presenteerde. Ik vond je voorstel zoo cordiaal: anders zou ik aan Zoutenheer ... maar...."

"Nee nee, wáárom! Zoutenheer moet zes percent hebben, en ik ben er met vier tevreden."

"Vier? Ik meende...."

"Wat bl.... onder vrienden; jij bent een uitmuntende dokter! Apropos, kan zoo'n avondlucht kwaad? Nee hê....?"

"Niemendal majoor. Voor ú is de lucht allerheilzaamst. En dus..."

"Zou jij me niet zoo eens een levensregel kunnen voorschrijven? Zieje, voor gevallen.... Enfin, als ik zoo iets had, dan was ik gerust.-- Wat die drie duizend gulden betreft; accoord! Waarachtig, met alle plezier! Jelui moet het er van nemen. Als de ouwe opstapt dan ben je heelemaal binnen. Een schietgebedje voor zijn tijdige afreis. Hahiehaha!"

"Majoor, op die manier wil ik mijn vrienden niet hooren. Mijn pleegvader heb ik waarachtig lief, en....

"Bravo mijn waarde! Eere hebbe je hart. Maar permitteer me! Ik voor mij vind hem tegenover dokter Helmond en zijn vrouw een vervoerd schrielen compeer.--Praat er niet van! Geeft ie wel eens een zak guldens mee? Pardon, ik heb daar niet mee te maken!-- Enfin, in orde! Kom morgen in den loop van den voormiddag maar bij me. Altijd tot je dienst. Maar wat ik zeggen wil.... ah ja, is je vrouwtje nog een beetje boos op me dokter?"

"Nee majoor; wáárom zou ze....?"

"Dat vraag ik jou m'n vrind.--Weet je wat me, ronduit gezegd, een weinig hinderde?--Zonder er me op te beroemen, ik heb voor dien adel mijn best gedaan, en terwijl dokter Helmond nu vriendschappelijk en wel is, weigert mevrouw Helmond mij bijna een antwoord."

"Maar dat is een opvatting."

"Ik wil het gelooven. Maar zie, dan moest jij haar toch zoo ongemerkt eens zeggen, dat het je plezier zou doen als ze weer een klein beetje vriendelijker tegen me was. Ik ben toch geen monster niewaar?"

"De Hemel beware....!"

"Weet je wat me bijvoorbeeld hinderde? 't Was dat ik in presentie van een paar heeren, zoo maar kortaf moest hooren, dat ze geen dans voor me had."

"Maar dan zal ze er werkelijk...."

"Nee nee m'n vrind, je vrouwtje had er nog wel zes open, omdat ze je beloofde niet veel te zullen dansen. Dit laatste zei ze aan dien luitenant; en--hier zit 'em de voorname grief--toen gaf ze hém een oogenblik later toch een galop, ofschoon hij al tweemaal haar cavalier was.--Dat heer bevalt me niet Helmond."

"Wien bedoelt u majoor?"

"We spraken van dien menheer Archibald niewaar? In jou plaats amice, zou ik hem niet al te veel.... enfin! We kennen die heertjes! Ik ben zelf in Indië geweest, en...."

"Maar majoor, zulk een veronderstelling.... U vergeet dat mijn vrouw...."

Ik vergeet niets niemendal beste vrind! Je vrouw heb ik leeren kennen: 't is het prachtigste karakter dat ik ooit ontmoette. Haar houding, bij die vermeende miskenning van haar vader: o, 't was edel, magnifiek! Maar de listen van zulke heertjes.... waarachtig, daar zijn geen vrouwen tegen gewapend. Zet jij de kloekste vrouw aan den rand van een afgrond; wanneer men haar onverhoeds een stoot geeft, dan zal ze te pletter vallen zonder eenige kans op behoud."

"Archibald is naar mijn innige overtuiging een edele brave jongen."

"Edel en braaf, dat doet al weinig tot de zaak m'n vrind, dat weet jij ook wel. Je kunt kerken en gasthuizen stichten, ja zelfs aan 't hoofd van een asiel voor gevallen meisjes staan en toch op dat punt een zwak oogenblik hebben. Ik heb je gewaarschuwd, hij biologeert ze."

"Majoor..... je liegt het!"

"Ei zoo, is dát onze verhouding dokter! Ik meende dat het een bewijs van oprechte vriendschap was wanneer men waarschuwt voor een mogelijk gevaar. Ik zeg niet voor een _zeker_ maar voor een _mogelijk_ gevaar."

"Majoor, vergeef me dien uitval. Ik heb een paar glazen wijn méér gedronken dan me tegenwoordig inderdaad dienstig is, en...."

"Glad verkeerd dokter; als je helder wilt kijken dan moet je nooit te veel....."

"Ik weet het, en _vergat het nooit_. Maar nu, men is gelukkig, men....."

"Welzeker! Maar als je zoo gelukkig wilt blijven, geef dan--ik herhaal het, aan een pronkjuweel als je vrouw alles, _alles_ wat haar hart begeert, maar zorg dat je haar _alleen_ behoudt. 't Is een verkeerd teeken wanneer een jonge vrouw een man van mijn leeftijd een dans weigert, om hem een oogenblik later aan zoo'n blonden knevel te gunnen.--Nee, agiteer je niet.--'t Is mij volkomen goed dat je dien snaak vertrouwt; maar als vriend was ik verplicht je te raden om een oog in 't zeil te houden, en je onergdenkend vrouwtje een kleinen wenk te geven. Wat mij betreft, ik wensch als vriend alleen het bewijs der waarheid van je bemoedigend woord, dat je _nobele_ vrouw geen rancune tegen me heeft. Zorg jij amice, dat zij het toont door de laatste wals met me te dansen.--Zie dán blijft alles zooals we dat hebben afgesproken.--Heb ik _vier_ of _drie_ percent gezegd? Nu 't maakt niet uit; onder vrienden! Morgen, twee uur. Drie duizend a drie percent; opperbest!"

De partij bij de Debecque's eindigde eerst laat in den nacht. In de pauze van het bal heeft men aan kleine tafels van vier en zes personen gesoupeerd.--Aan Helmonds tafeltje--hij had niet van zijn Hebe kunnen scheiden--zaten behalve Eva, de douairière gravin Van Leeuwen, de baron Debecque, de burgemeestersvrouw en--de majoor Kartenglimp.