Dokter Helmond en zijn vrouw

Chapter 34

Chapter 343,845 wordsPublic domain

"Zoo, is dát nu de zaak Louisje-lief?" zegt Eva met kwalijk bedekten spijt: "Meenen sommige menschen dat _ik_ den goeden dokter aanzet om hooger te vliegen dan wij kunnen--ik gebruik je eigen woorden, je hoort het.--Weet je wat? doe jij dan lieve kind, het compliment aan die menschen terug, en zeg hun dat Eva Helmond verstandig genoeg is om te weten wát haar convenieert; maar vooral ook: dat de allerknapste en allerverstandigste man uit dit heele babbelnesterige Romphuizen, zeker wel weten zal wát hij doen en wát hij laten moet."

"Maar Eva, 't is immers toch mogelijk dat Helmond om je genoegen te doen, niet alles zegt; en dewijl hij--zooals je zelve bekend hebt--telkens bezwaren heeft, inderdaad _veel_ meer uitgeeft dan hij in redelijkheid zou mogen en kunnen."

"Nee kind, dat is _niet_ mogelijk. Een jong meisje zooals jij, die zoowat niets van de wereld heeft gezien,--nee 't is je schuld niet, maar zoo iemand meet alles naar zich zelve af. Een man zooals de dokter, is geen Louise Armelo. Wat zulk een man zegt, dat _is_ zoo, en wat hij doet dat moet men in Romphuizen niet blieven te bevitten of.... te _misgunnen_, voilà le mot! Ik zeg dat niet op jou, kind.--Maar brisons!--Wie heeft je met al die wijsheid hierheen gezonden?"

"Eva dat doet er niet toe. Maar als--ik zeg _als_ het nu eens waar was, en Helmond reeds diep in de schulden zat, _hoe_ zou hij er uit kunnen raken? Ik zeg: _gesteld eens_!"

"Och kind, je verveelt me. Is dit een moment voor al dat gebeuzel!"

"Eva, ik vraag je: wie zou in zulk een geval de eenige zijn van wien hij hulp zou kunnen verwachten?--Van wien anders dan van zijn pleegvader? En--die pleegvader is ziek teruggekomen.--Bij de verwijdering die er tusschen ulieden moet bestaan--terwijl je die ongesteldheid had moeten aangrijpen om je te verzoenen door een spoedig en hartelijk bezoek,--zal de generaal nu straks vernemen dat gijlieden, op 't prachtigst uitgedost, _De Zonsberg_ voorbijrijdt zonder je om hem te bekreunen, terwijl je op _De Poel_ een vroolijke partij gaat bijwonen."

"Waarlijk, ik maak je mijn compliment! Dat is in ons belang allerliefst door je berekend Louise. Je hebt een speculatieven geest. Uit vrees voor een mogelijke onterving, moeten we bij dat oude potstuk gaan opzitten en pootjes geven niewaar? Weet je wat die generaal is? Die man is een trotsch, een onverdraaglijk hoogmoedig despoot. Wil je weten wat ik hoop kind? Ik hoop dat menheer de generaal--die mij schandelijk durfde beleedigen en blijft beleedigen --dat hij zich straks zóó wel gevoelt dat hij, zonder vrees voor instorten--je ziet ik wensch den man van harte beterschap--enfin, zóó wel, dat hij voor 't open raam aan den straatweg zal kunnen zitten om ons "zoo prachtig uitgedost" eens ter dege te kunnen opnemen, wanneer we hem in de mooie open fourgon uit _De Gouden Arend_, triomfantelijk voorbijrijden!"

Louise moet het uiterste wagen:

"Eva, als ik nu eens zeker, eens _heel_ zeker wist dat je Helmond op dit oogenblik met niets gelukkiger zoudt kunnen maken dan met het besluit, om, inplaats van naar _De Poel_, met hem naar _De Zonsberg_ te gaan...."

"Zeg eens, zeer belangstellend zusje, ben je ook soms een _heel klein beetje_ jaloersch dat Louise Armelo _niet_, en Eva Helmond wél naar dat feest gaat? Maar stel je gerust, tegen mijn jaardag kindlief, zullen we het hier eens heldertjes overdoen, en, al bedanken papa en mama dan óók weer uit een bespottelijke mesquinerie, we zullen zorgen dat jij er bij komt. Met mijn zijden ruit--nog van Den Haag--zul je een heele parade maken. Men denk er dan aan zusje: naaistertjes ja zelfs _naaistertjes in het geheim_, ze wonen op den duur geen feesten bij in den hoogeren stand."

Louise was te vol, zij kon niet meer spreken. Zij moest het wel opgeven Eva tot betere gedachten te brengen.--En dan, telkens gegriefd te worden! O het deed haar zoo zeer. Maar toch, het antwoord op Eva's laatste woorden, 'twelk zoo voor de hand lag, zij mocht het alleen _onhoorbaar_ uitspreken: "Maar, naaistertjes in het geheim, ze mogen wel vijftig zuur verdiende guldens betalen aan een huwelijksdiner, voor een zuster _uit den hoogeren stand_!"

DERTIGSTE HOOFDSTUK.

't Was inderdaad een prachtig feest, 'twelk de Debecque's ter eere van hun in het moederland teruggekeerden zoon Archibald gaven, en waarvan die zoon de eer--zooals reeds vernomen werd--recht hoffelijk op dokter Helmond en zijn vrouw heeft overgedragen.

Van halfzes tot zes uren ongeveer, hebben de koetsen aanhoudend gerold. Voor 't meerendeel in gala-costuum, zijn de gasten in een der ruime benedensalons ontvangen. Nadat de genoodigden, op een paar heeren na, voltallig waren, werd men beleefdelijk verzocht zich mee naar buiten, naar "de groene kamer" te begeven.

De groene kamer was een groote rotonde, onder zwaar eiken- en beukenhout, tusschen de stammen dichtgegroeid met acacia- kamperfoelie en jasmijnstruiken, zoodat men binnen die rotonde--waarheen een klein slingerpad leidde--geheel in 't groen, en onbespied zat. Een aantal gemakkelijke tuinbanken--voor deze gelegenheid alle met kussens bedekt--stonden meerendeels in 't ronde der groene kamer, terwijl aan de eene zijde een groote tafel was geplaatst, waarop zich een menigte benoodigdheden van porselein en zilver bevond, zoowel voor de thee, die hier zal gebruikt worden, als voor de vele versnaperingen die er mede gereed staan. Echte havanna's en manilla's ontbreken er mede niet, en--"'t Is zeker een groot voorrecht om in zulk een groene kamer thee te drinken," zegt Archibald terwijl hij den heeren een sigaar presenteert: "want juffrouw Natuur heeft hier behoorlijk voor ventilatie gezorgd."

Niemand, die de schaar der gasten opmerkzaam beschouwt zal, durven ontkennen dat mevrouw Helmond, zoo niet de jongste dan toch zeker de schoonste is van de vele oudere en jonge dames, die de groene kamer binnen haar suizende en geurende wanden vereenigd ziet. Eva is niet ijdel op haar schoonheid--althans ze gelooft niet dat ze dááraan ooit voedsel heeft gegeven; maar nu, in haar prachtig blauw damastzijden kleed, met de witte camelia in de haren; de witte kanten berthe langs de blanke schouders waarover de zwarte lokken wiegen; zonder eenig ander versiersel dan het stel kleine diamanten, 'twelk August haar te Parijs had gekocht; zooals zij daar zit, naast mevrouw de gravin Van Leeuwen die zeer besproeteld en tamelijk corpulent is, en naast de burgemeestersvrouw die vijf en veertig jaren telt; nu zij, schuin tegen haar over, de schichtige gastvrouw ziet, met een heel mooie muts op de peper-en-zoutkleurige boucles, en twee geagiteerde kleurtjes op de wangen; nu zij daar, overal verspreid, de leden van haar sekse opmerkt, in 't rood en 't wit, in 't havanna en korenblauw, in 't neteldoek en barège--nu ze eindelijk opstaat omdat ze een paar heeren die haar in beslag hadden genomen, wel kwijt wil wezen, en zegt dat ze mevrouw Debecque eens even wil toespreken ja--nu zij, gracelijk knikkend, de gedesoeuvreerde aansprekers voorbijgaande, in haar ruischend kleed de rotonde, ten aanschouwe van zoo velen, doorschrijdt, nu gevoelt Eva iets _vorstelijks_, iets 'twelk haar het hoofd wat fierder doet opheffen, en glimlachen.... enfin zooals een geboren _gravin Van Armeloo_ zou hebben geglimlacht.

Archibald Hardenborg heeft aan papa Debecque beloofd, te zullen zorgen dat de partij niet stijf werd. Er is dan ook geen quaestie van. In de groene kamer heerscht al spoedig een drukte en beweeglijkheid van plaatsverwisseling--om elkander eens toe te spreken--dat er maar al te weinig wordt gelet op de waarlijk schoone muziek der *** kapel, die, aan de buitenzijde der groene kamer geplaatst, haar welluidende tonen deed hooren.--De echte muziekliefhebbers, of ook de paartjes, die eens naar een rustiger kout verlangden, zelfs heeren die nog wel voor 't vallen van den avond een kijkje in de plaats willen nemen, ze verlieten al van lieverlee de kamer, waarin --zooals dominee Hoogerberg aan zijn vriend den burgemeester verzekerde: "het zeker overheerlijk moest wezen, om op een schoonen zomerzondagmorgen nog eens in alle stilte een preek te kunnen nazien;" en waarin--zooals Piet Lovers, de bleeke candidaat-notaris, die al acht jaar geëngageerd is, zijn Marietje toefluistert: "waarin hij 's avonds vooral bij maneschijn, wel zoo eens heelemaal met haar alleen zou willen zitten." 't Was een verschrikkelijk vak dat notariaat!--En Marietje nadenkend met een zucht:

"Zou je niet kunnen uitvinden om bijvoorbeeld papier van boombast te maken Piet?"

"Marietje-lief dat is al uitgevonden; 'k las het immers laatst in de krant."

"Och heer!" zegt Marietje en later: "Maar Piet dan iets anders, zoo iets in dien geest?"

"Toch niet ernstig die ongesteldheid, dokter?" vraagt de gastheer: "'t Was een _groote_ teleurstelling dat de generaal liet bedanken. Ja, onder ons gezegd, indien de partij een nadere kennismaking met Archibald.... Begrepen!? Allerliefst kind, Jacoba, allerliefst! Wat scheelt den generaal?"

Helmond is schijnbaar afgetrokken.

"Pardon..... ik zag daar; ik meende..... Die ongesteldheid? Och, dat beteekent niet veel, tenminste ...."

"'k Dacht het wel! Al te bang voor uitgaan!" Roepend: "Archibald! --Zieje, 't heeft niets te beteekenen die ongesteldheid."

"Watblief, ongesteldheid? Ben je niet fiks mijn brave Aesculaap? Wat bedoelt u papa?"

"Ik meen van _De Zonsberg_."

"Ja .... ja, dat is treurig; maar wat er aan te doen! 'k Heb het plezier gehad haar eens te zien; bleek lief! Ah ja, we spraken van den generaal; dus niet gevaarlijk? Komaan!--Zeg dokter, in vertrouwen--Papa _niet_ luisteren--ben je niet in den derden hemel? Mijn goeje deugd, wat een prachtige vrouw! Als ze van avond geschaakt is, telegrafeer dan maar op mijn signalement! A propos, is dat die majoor Kartenglimp? Die man is later gekomen hé? Hij is een intieme van je, niewaar?"

"H'm, intiem!" zegt Helmond.

"O, ik dacht 't, omdat je straks zoo'n heelen tijd met hem wandelde....?"

"Ja wel, hij is een patiënt van me;" zegt Helmond schijnbaar kalm doch met inwendige ontroering, want hij had er bij kunnen voegen: Eigenlijk ben ik er nú een van hem.

"Allemachtig bekend gezicht! Wil je me eens eventjes aan hem voorstellen?--.... Ha zoo, 't plezier den majoor Kartenglimp te zien?--Nee majoor, pardon, dat is van middag al meer gebeurd, een Debecque ben ik niet. Mama heeft me lager bij den weg gehouden. Mijn vader heette Hardenborg, om je te dienen. U bent ook in Indië geweest niewaar?"

't Was goed dat op ditzelfde oogenblik een snel voorbijvliegend dametje--wij gelooven niet uit ondeugd--den majoor zóó tegen den arm stiet, dat het kopje 'twelk hij in de hand hield op den grond viel, en de thee over het neteldoeksch kleed van het dametje werd uitgestort.

Ja, dat was een zeer gelukkig intermezzo, want bij Archibalds meedeeling en vraag, is het Kartenglimp geweest alsof hem "de dood op den rug sprong". Op gezag van mijnheer Kippelaan,--mijnheer Kippelaan had het van den horlogemaker, die wekelijks klokken en pendules bij den baron Debecque ging opwinden, _wie_ kon het dus beter weten--op gezag van Kippelaan heeft hij in de stellige meening verkeerd, dat de jonge luitenant: _Debecque_ heette, en zee-officier op non-actief was.

Tusschen het vliegende dametje en den majoor worden nu eenige verontschuldigingen gewisseld. Aller oogen zijn natuurlijk op het met thee gekleurde japonnetje gevestigd, en _niet_ op het vuurrood, 'twelk het gelaat van den majoor had bedekt, maar dat--zoo het al gezien werd, in alle geval op rekening van het ongeluk moest gesteld worden.

Kartenglimp sprak met een paar dames over uitwasschen en 't vreeselijke _jammer_ van een dameskleed zoo geheel onwillekeurig te hebben bezoedeld; terwijl hij intusschen den zoon des huizes geheel vergeten scheen.

"'t Is ongelooflijk" fluisterde Archibald tot Helmond: "zooals die majoor op een vent lijkt dien ik eens, drie jaren geleden, in Indië heb gezien; maar dat was er een die minder verlegen was op 't punt van damesjaponnen. 't Is vreemd! En vijf jaar is hij in 't land niewaar?"

"De majoor woont ruim twee jaar hier, maar een allervleiendst vaarwel van zijn mede-officieren, toen hij Indië verliet, 't welk ik lezen mocht, was gedagteekend: Juni 18.. nu ruim zes jaar geleden."

"Ei 't is zonderling! Men zegt wel eens dat Onze Lieve Heer geen twee blaadjes eender gemaakt heeft, maar die majoor en de kapitein Ronner, dat gemeen individu, ze mogen dan voor de blaadjes niets bewijzen, voor de menschen gooien ze de stelling totaal op straat.--Ah ha! mijn lieve freules!" vervolgt hij, zich eensklaps terzijde wendend, tot de dochters van den baron Narwal--een zeer vermogend edelman, wiens buitengoed omstreeks een uur van _De Poel_ lag: "'t wordt al wat donker voor de groene kamer niewaar? Nu moeten de dames mij eens het groote voorrecht gunnen om zóó, ziezoo, bras-dessous bras-dessous, de vijvers met haar rond te wandelen. Papa had ze voor deze gelegenheid willen laten droogmalen om ze dan met Rijn-wijn te vullen, maar de snoeken hebben dat afgestemd, hé!--Ah zie, onze brave lampenisten zijn al met de verlichting bezig.--Freule Marie,--al geëngageerd voor de eerste wals..... Freule Rosa,--voor de eerste quadrille....? Welzeker, 't bal zal binnen zijn!--'t Was eerst plan om buiten te dansen, maar, van een concurrentie met de muggen hebben we afgezien.--Geen eerste wals meer? O, dat is verschrikkelijk! De galopade....? Ai, dat is jammer, de eerste galopade heeft mij mevrouw Helmond al toegezegd."

"Ah zoo, dan heeft mijnheer Debecque de mooie doktersvrouw zeker vooruit gevraagd, want al vroeg hoorde ik haar tot dien majoor zeggen dat ze geen dans meer open had."

"Abuis schoone freule: menheer _Debecque_ heeft niemand vooruit gevraagd," zegt Hardenborg, en meent het aardige freuletje, in 't lila satijn, zóó wel een beetje te mogen foppen: "Een lief gezichtje die doktersvrouw;" voegt hij er bij, op dien halfvragenden toon, om--casu quo--niet nóg eens zeer te doen.

"Lief! ik vind haar bepaald prachtig!" zegt freule Marie; "'t Is een ware beauté."

"Ja ik kan haar niet genoeg aankijken;" zegt Rosa.

"Ze heeft compleet iets vorstelijks," herneemt Marie: "mij dunkt ik heb nooit zooveel charmes bijeen gezien."

"En naar ik hoor moet ze zoo prachtig zingen. Je kunt je haast niet begrijpen mijnheer Debecque, dat zoo'n mensch van geen geboorte is. 't Schijnt wel alsof er altijd iets aan ontbreken moet."

"Fameus jammer!" zegt Hardenborg, die nu vis-à-vis freule _Rosa_ vooreerst maar een _Debecque_ zal blijven.

"O, dat idee heeft me geen oogenblik gehinderd;" valt Marie in: "Nee, weet u wát me hinderde .... Hé dat is mooi die verlichting à giorno, mooi in het water;--het choqueerde me geweldig zooals die oude majoor Katten- of Kartenglimp haar het hof stond te maken. Die man heeft een leelijk gezicht."

"Hé, vindt u freule?"

"Pardon, 't is misschien een vriend?"

"Foei Marie, je zegt ook maar alles!"

"Ja 't is onverstandig. Ik denk wat al te dikwijls overluid. U neemt het niet kwalijk luitenant?"

"O volstrekt niet! Om je de waarheid te zeggen freule, ik ben het volmaakt met je eens; de manier waarop die majoor straks het mooie vrouwtje courtiseerde 't was...."

"A-bas!" zegt freule Marie.

"Au fond commun;" stemt Rosa.

Hardenborg werd zeer warm van binnen,--Harmonie!--Mooie muziek!--Hij sloot die beide, hem anders heelemaal onbekende armpjes wat vaster,--vooral dat armpje links aan de zij van het hart;--niewaar, 't pad werd zoo smal, en.... 't Was nu jammer dat die kleine van _De Zonsberg_ er niet bij was. Dan--dán kon men misschien ineens besluiten: voor 't oogenblik: Links, nominatie nummer één!--En avant!

Juist tegenover de plek, waar het vuurwerk zou worden ontstoken, was een groote cantine geplaatst, waar wijn, limonade en sorbets benevens allerlei fijne gebakken werden aangeboden.

Reeds een groot aantal gasten bevond zich daar koutend en genietend bijeen.

"Een allerliefste avond;" zegt een der heeren.

"Wel iets bijzonders voor ons kalme Romphuizen;" antwoordt juffrouw Lansveld.

"En de feesten zullen elkander zoo spoedig opvolgen," zegt mevrouw Lens, terwijl zij de keurige met wit dons omzette sortie, door Louise Armelo gemaakt, een weinig lager laat zakken: "Tenminste ik heb mijn woord al moeten passeeren aan mevrouw Helmond voor--ik meen den acht en twintigsten September."

"Ja juist. Ik ben ook gevraagd!" klinkt het hier en daar.

"Allerliefst!"

"Prachtige gelegenheid in 't nieuwe doktershuis!"

"Recht lieve menschen!"

"Puissant rijk!"

"Hé puissant?" Zeer zachtjes: "Ik dacht dat het veel uiterlijk was. De praktijk verloopt bepaald!"

"O geen wonder menheer: heelemaal liefhebberij."

"Och-kom, dus zoudt u denken dat men bijvoorbeeld zoo'n rekening niet behoeft te....?"

"Nee quant à cela, heelemaal niet, maar een gracieus cadeau of cadeautje. U begrijpt--de generaal!--Puissant!"

"Ah zoo juffrouw Van Berge, zult u den acht en twintigsten September ook van de partij zijn?"

"Om u te dienen notaris. We stonden zoo bij elkaar, en toen heeft mevrouw Helmond ons, allerliefst, in massa geïnviteerd."

"Vin-jij dat Helmond er vroolijk uitziet?" vraagt de burgemeester aan den notaris.

"Vroolijk? Jawel; tenminste het tegendeel is me niet opgevallen."

"Hij ziet bleek."

"Wie, ik?" roept Hardenborg, die nu met zijn beide aardige freuletjes aan het buffet is gekomen, en zorgen zal dat ze op 't vlugst en op 't allerbeste bediend worden--door het zelf te doen: "Bleek, ja dat komt van zulk een zachte illuminatie aan weerskanten;" en, de freules Narwal loslatend, buigt hij galant rechts en links, en ziet meteen dat ze beiden bepaald allerliefst zijn, maar freule Marie..... ja waarachtig, freule Marie is lampion nummer één, en krijgt dan ook het eerst een glas punch à la Romaine en het eerst een roomhoorntje à la vanille.

"Eindelijk zal Eva haar lieven man dan eens te spreken krijgen," zegt de jonge vrouw, en neemt den arm van haar vriend, en slaat een zijpad met hem in, terwijl ze bijna iets zwevends in haar tred heeft, nu de kapel, Von Weber's geanimeerde _Invitation_ à la _Valse_ doet ruischen en zwellen.

"Kalm, kalm vrouwtjelief; je hebt al wat te veel kleur. Ik bid je, dans nu straks niet te druk. Ik moest het je eigenlijk heelemaal verbieden, maar....."

"Dan zou je zelf geen beurt krijgen niewaar? O beste man, als ik nog denk dat je me dit avondje bijna ontkaapt hadt. 't Is hier déli, ik amuseer me dol! En de menschen zijn allemaal even charmant en lief. De baronesse Doelemeere heeft wel een half uur met me gepraat, en de familie Narwal van Brouwerscate die fêteert me haast al te veel. Heb je 't niet gezien?--Guns August, die Kippelaan is toch een malle vent; ofschoon ik eigenlijk geloof dat hij de gravin Van Leeuwen even weinig kent als mij, zoo presenteerde hij mij aan haar, en wel als: Mevrouw Helmond geboren gravin van Armeloo.--O je kunt niet gelooven wat dat dadelijk een gemakkelijkheid gaf; ik heb toen ook maar de stoute schoenen aangetrokken en haar op een invitatie voor den acht en twintigsten geprepareerd. Dadelijk nam zij het zeer gracieus aan."

"Maar Eva, 't is onverstandig om die menschen al zoo lang vooruit te vragen; bedenk toch....."

"Bedenk toch, niewaar Evertje z. m., dat we dan _allang dood en begraven kunnen zijn_. Boe boe! kan het nog somberder?" En dan, half luide neuriënd, zingt ze de Invitation à la Valse na. Eensklaps houdt Eva stil: "Weet je August, wat me _alleen_ hindert van avond--als jij tenminste heel lief en aardig bent--'t is, dat ik eigenlijk vis-à-vis mevrouw Narwal en vooral tegenover mevrouw Van Leeuwen een bespottelijk figuur maak. Ja, met m'n doodonschuldige diamantjes.--Zeker, ze zijn heel lief, en ik vond het alleraardigst van je, toen je ze mij, je weet wel, voor een vergoeding hebt gekocht; maar heusch, de schapen maken hier een allerzotste vertooning. Mevrouw Van Leeuwen had letterlijk geen oog van m'n broche af toen ze met me sprak, en ik kon zoo zien dat ze me den heelen tijd haar prachtige, o! over-_over_-prachtige broche wou laten opmerken, want, dan trok ze zoo met dien hals en zette de borst vooruit, van belang!"

"Mijn hemel Eva, hoe kun jij nu over een broche denken als je bij zoo'n vijftigjarige, eer leelijke dan mooie vrouw staat. Jij bent, bij haar vergeleken, _heelemaal_ een diamant."

"Ja mannetjelief, zoo'n discours hebben we geloof ik nog eens gehad, op een achtermiddag; toen vond je--als ik me wel herinner --geslepen glas even mooi.--Maar neem me niet kwalijk, een man kan onmogelijk begrijpen wat het is, als men, enfin, nog al gekleed en dan niet zoo heelemaal een nul in 't cijfer, tegenover een dame staat die je letterlijk uitlacht omdat je bespottelijk kleine diamanten aanhebt."

"Heeft mevrouw Van Leeuwen _jou_ uitgelachen Eva?"

"Ja! 't Was nu juist geen gillen, maar ja, ja zeker, ik kon heel goed zien dat ze--als ze 't gedurfd had--me zou hebben uitgelachen; en ik herhaal dat ik dat alles behalve plezierig vind. Zeg lieve kereltje, krijg ik tegen den acht en twintigsten....? Nee, chut! geen overijlde antwoorden, 't Is ook indiscreet misschien om zoo zelve te vragen; maar toch.... ik hoop....!"

"Nee _nee_ Eva! _nee_!!!" En in zich zelven: Mijn God, waar moet dat heen!

"August!" zegt Eva verschrikt: "vraag ik te veel? Och, neem 't me dan niet kwalijk. Je weet wel dat ik niet 't beste, het allermeeste wil: wat jij doet en wilt dat is me altijd goed geweest. Was het niet, lieve beste August? Zeg dan, ben ik niet óvertevreden tegenwoordig? Heb ik dat niet bijna elken dag, ja nog zooeven gezegd?--August, ben ik niet je trouwe lieve vrouwtje? Zeg? Spreek dan; ben je boos omdat ik een beetje op mijn jaardag vooruitliep?"

Eva ziet rond of daar ook iemand wezen mocht; en dan, dan legt ze haastig haar poezelen arm om zijn hals en----een zoen als uit den zaligen bruidstijd, steekt Helmond opnieuw het hart in gloed!

Het vuurwerk was voor een particuliere partij inderdaad schitterend. Nu eens stond het schilderachtig gelegen landgoed met al zijn genoode en ongenoode gasten, in een tooverachtig rood of blauw of paars licht, waardoor men zich in een droom verplaatst gevoelde, en dan weer....

"Hé, dat is oorverdoovend!" zegt een der juffrouwtjes Lens, en trekt "voorzichtigheidshalve" het hoofd wat terug.

"'t Zou niet kwaad zijn menheer Debecque--o, 't is waar, menheer _Hardenborg_--als er nooit op een andere manier met kruit werd gewerkt;" zegt freule Marie Narwal, die _toevallig_ weer naast Archibald stond.

"Dus zoudt u _mij_ met de heele militaire macht zoo maar zonder complimenten op straat willen zetten? Foei foei freule Marie."

"Ik hoop niet dat mijnheer Hardenborg zich, bij gelegenheid, over de gastvrijheid op Brouwerscate zal te beklagen hebben;" is het antwoord, 't welk schalks wordt gegeven; en dan ernstig; "Maar ja, als ik wist dat u bijvoorbeeld iemand in den oorlog.... ja, hadt _doodgemaakt_, dan.... dan zou ik er misschien toe kunnen komen. Ik vind het afschuwelijk dat menschen elkander zoo koelbloedig vermoorden."

"Wel freule, wat ik vroeger wel eens mijn ongeluk heb genoemd, dat zou ik nu haast m'n geluk willen heeten: de ondergeteekende, ofschoon hij flink--ik moet het bekennen--op dat fanatieke Indische goedje heeft laten inblazen, hij is nooit zelf in de gelegenheid geweest om er een--althans zooveel hem bekend is--voorgoed de bajonet te doen afslaan." En dan zich terzij tot Kartenglimp wendend: "Hebt u ook nog met die vroolijke Bandjareezen kennis gemaakt majoor, als ik u vragen mag?"

"Nee, toen was ik al in Holland."

"O ja, dat meen ik gehoord te hebben. Ik denk wanneer ik u zie gedurig aan iemand die wat jonger was, hé, maar anders fameus op u geleek."

"Ei!--Mooi dat rad hé. Vin-je niet mevrouw Helmond? Fameus mooi!--Magnifique partij niewaar?--Ik geloof dat dat de "bouquet final" geweest is. Ha zie, nog een vuurpijl, pour la bonne bouche. Mag ik 't genoegen hebben u den arm....?"

"O dank u majoor; ik heb.... ik zoek...."