Chapter 32
"Ja, omdat u een engel van goedheid bent; maar ik weet wel waardoor zijn broodnijd tot broodwraak is geklommen, al zet hij in uw gezelschap een kermisgezicht. Dat u sedert uw huwelijk, geen avondjes meer bij hem komt doorbrengen omdat mevrouw er geen lust in heeft, dat steekt hem. Mevrouw moet eens aan Pietje zijn oudste dochter heel openhartig hebben gezegd: dat ze den toon bij haar ouders aan huis, sinds haar verblijf in Den Haag, niet best meer verdragen kon. Daar zit 'em de angel dokter: en dan uw mooie huis! ja, wat hij u benadeelen kan, dat zal hij niet laten; en och beste _beste_ dokter, dat ik nu dien plattelandsscharrelaar zulk een venijnig wapen in de hand moest geven!--Och dokter," barst Thom nu werkelijk in tranen los: "Och _vergeef_ me,--al ben ik misschien geen wegschoppen waard."
Een groot uur later waren, inweerwil van Thomas' bewogen gemoedsstemming, de recepten klaargemaakt, en trok Bus er de stad mee in.--Bus kreeg dien dag nog meer te slikken dan al het "bocht" 'twelk ie in z'n mand had. Maar Bus kon zwijgen, en als Bus antwoordde dan zei ie eenvoudig:
"Als Onze Lieve Heer trekt, en dokter trekt, wie zou 'et dan winnen hé?" Maar ook een anderen keer:
"Weet jij wát je doen moet? Laat je eerst door Biermans verknoeien, en als je dan "verknooien" en voor de pieren bent, zeg dan aan vader Abraham: complement van Lange Bus, en dat je 'en gek was!"
Toen Helmond de apotheek wilde verlaten, trad mevrouw Van Hake juist uit haar huiskamer de gang in, en verzocht op zeer beleefden, schijnbaar eenigszins kouden toon: of zij dokter even mocht spreken.
Helmond schrok onwillekeurig, 't Was hem--doch slechts een oogenblik--alsof het weer tikte en klopte in 't hoofd zooals gisteravond en in den nacht. Immers 't is nu reeds bijna een maand dat het kwartaal was verschenen. Neen, men zal hem dáárom niet te spreken vragen, ofschoon het geld hier zeker noodig is, maar uit die achterlijkheid kon men licht gevolgtrekkingen maken die hij graag voorkomen zou.
"Mij spreken, met genoegen!" zegt Helmond.
De weduwe laat den dokter voorgaan, en doet dan de deur der huiskamer zachtjes achter zich toe.
Er was iets bijzonder deftigs, ja schier plechtigs in de wijze waarop de weduwe haar jongeren vriend ontving. Haar kleed van eenvoudig zwart merinos was geheel in harmonie met de uitdrukking van haar gelaat. 't Is te raden dat het haar moeite heeft gekost om tot dit onderhoud te besluiten. Thomas weet waarover het loopen zal. Moeder en zoon hadden het afgesproken; ze waren er onherroepelijk vast toe besloten. Wat er gisteren, wat er in den nacht--mede door Thomas' schuld zooals hij blijft volhouden--in dokters praktijk gebeurde, het heeft de schaal geheel naar die zijde doen overslaan.
Mevrouw Van Hake mag niet langer van zooveel goedheid misbruik maken. Haar wonen in dit huis is een jaarlijksche schade voor Helmond van minstens driehonderd gulden. De weduwe van een Van Hake mag dat niet blijven genieten om Godswil, wanneer zij bijna zeker weet dat haar weldoener zich door wat al te groote toegevendheid, in erger moeielijkheden bevindt dan hij toonen wil. --O, had zij vooruit geweten hoe het tusschen den generaal en zijn pleegzoon stond, ze zou den laatste al vroeger als een moeder hebben gesmeekt, om toch niet toe te geven aan de steeds hoogere eischen van zijn schoone maar nooit tevreden vrouw; ze zou hem gewaarschuwd hebben, om geen huis te koopen waartoe hem de middelen ontbraken, en waardoor hij een reuzentred zou vooruitgaan op het pad, 'twelk hem moest voeren tot jammer en ellende.
--Neen, ze heeft het toen niet geweten. Zij had mede geloofd dat dokter toch inderdaad van zichzelf nog al middelen bezat, meer dan hij gewoonlijk blijken liet. Maar Thom heeft het op _De Zonsberg_ anders vernomen, 't Was toen te laat voor die waarschuwende stem. Doch nu, wat men herstellen kan, dat _moet_ geschieden Mevrouw Van Hake zal haar weldoener als vriendin, als moeder toespreken. Raden zal ze hem--maar met groote bescheidenheid. En dan, ze zal hem haar _stellige_ voornemen meedeelen, om met Thom deze woning te verlaten, dewijl ze vast besloten heeft, in een achterstraat zeer goedkoop een paar tamelijk nette kamers te huren. waarin ze een kleine stramien- en wolzaak beginnen wil.--Muurvast zal ze bovendien weigeren om langer voor Thom een honorarium aan te nemen, 'twelk hij waarschijnlijk nergens in't heele land, en althans niet in een apotheek als deze, ter assistentie van een zelfhandelend dokter, zou kunnen bedingen. Zóó moet men tot een zuivere verhouding komen. De omstandigheden gebieden het.
Ofschoon Thomas weet waarover het gesprek moet loopen, zijne moeder heeft het gepaster gevonden dat hij er niet bij tegenwoordig zou zijn, vooral na hetgeen er dezen nacht gebeurd is.
Maar hoor, nadat de weduwe zich reeds een geruimen tijd met haar vriend heeft onderhouden, gaat de deur der huiskamer weer open, en roept mevrouw Van Hake met een van aandoening trillende stem naar de zij der apotheek:--"Thom! Thom! kom eens hier?"
Thomas spoedt zich zoo snel als hij kan naar de huiskamer.
"Thomas," zegt mevrouw Van Hake terwijl ze gedurig met groote moeite haar aandoening bedwingt: "ik ben tegen onzen trouwsten vriend niet opgewassen. Zeg _jij_ eens jongen, dat we vast, _vast_ besloten hadden...."
"Ja dokter, 't kan niet anders. Moe is er nu overheen. Niewaar moe?--U die tegenwoordig zooveel tot uw last hebt, u mogen wij verder niet bezwaren. Nee dokter, zeker niet!"
Helmond is voor 't uiterlijke kalm. Indien hij niet wat bijzonder bleek had gezien dan zou men zeggen--zooals hij rustig te luisteren zit, en nu nog even wacht alvorens te spreken--dat hij daar poseeren kon voor de type van een krachtig en helderdenkend man:
"Straks Thomas, ben je me haast wat al te nederig en smeekend geweest, maar nu val je weer wat te kras in een anderen toon;" zegt Helmond; en dan met gezag: "En mijn antwoord is: Zoolang Thomas, als je bij mij in betrekking bent, zoolang blijven onze condities onveranderd. Ons contract loopt van jaar tot jaar, ingaande met de maand Mei. Wil je van patroon veranderen, dan waarschuw je mij tegen Februari; of, zie je de gelegenheid schoon om ergens op billijke voorwaarden een apotheek over te nemen--je weet wat ik vroeger aan je vader beloofde--we spreken elkander dan nader. Maar tot zóólang geen oproer alsjeblieft; er is helaas genoeg gehaspel in de wereld."
"Dokter!" valt Thomas in: "op gevaar af dat ik u nog grief op den koop toe: Ziedaar, ik moet het u zeggen: Moe en ik we kunnen, nee we _willen_ het brood om Godswil niet langer eten. We willen van iemand als u, die al werk hebt om zelf rond te komen... ja sinds u een vrouw hebt die..."
Mevrouw Van Hake schrikt van Thomas' woorden, en heft--alsof ze een storm wil bezweren--haar beide handen omhoog.
Helmond is opgestaan. Nu is zijn blik zoo gestreng als men dien zelden of nooit van hem ziet.
"Zwijg Thomas! Niet verder! Als je me waarachtig een hart toedraagt, zooals je nog straks hebt gezegd, en ik altijd geloofde, dan komen zulke woorden niet meer over je lippen. _Sinds ik een vrouw heb_ Thom, ben ik voor alle menschen die ik hoogacht en liefheb, zooals voor je brave moeder en voor een trouwen vriend zooals jij, _dezelfde_ gebleven."
"Och dokter, dokter! Mijn jongen meende dat niet!" smeekt mevrouw Van Hake.
Thomas ziet strak naar den grond, 't Is nu alles verloren. O God! Hij is een ezel, een gek! een ellendeling!
"Uw zoon meent het goed, maar hij dient van u nog te leeren mevrouw, dat men niet alles zeggen kan wat men denkt. Kijk niet meer als een arme zondaar Thom!--Hier is mijn hand. O! je hebt van oom Van Barneveld wat al te veel fraais vernomen; ik begrijp het." Met klem: "Maar ik zeg je, dat diezelfde vrouw mij ten stelligste heeft verboden--ofschoon het natuurlijk ook mij nooit in de gedachte zou gekomen zijn--ik zeg: diezelfde vrouw heeft mij _verboden_ om uw lieve moeder, op welke wijze dan ook, zij het zelfs tegen een ruime vergoeding te bewegen tot het verlaten van eene woning, waaraan zij zoozeer gehecht is. Die vrouw, Thomas..."
"Maar dokter, mijn jongen zegt waarlijk niets tot Eva's nadeel; hij is overtuigd, evenals ik, dat zij het hartelijk meent. Wij hebben er de bewijzen van. Hij bedoelde alleen dat uw huishouding zooveel meer kost tegenwoordig; niewaar Thom? dat u zoo _heel_ veel uitgaven hebt, en dus... Spreek dan Thomas, 't Was goed bedoeld niewaar Thom?"
Van Hake antwoordde niet. Hij stond even strak te kijken, en schimpte onhoorbaar met een bijna schreiende nijdigheid op zich zelven:
"Gek! Eigenwijs!--Leg een slot op je tong. Kuiken! Ondankbaar schepsel!"
"Geef mij de hand Thomas, en leer te zwijgen."
Thom staart nog voor zich heen, maar eensklaps den blonden krullebol opheffend, ziet hij den meester met zijn blauwe--nu droefgetinte oogen zoo wonderlijk aan, en zegt op een toon waarvan een ijzeren hart wel aan 't kloppen moest raken:
"Weet u wat ik op dit oogen blik zou wenschen...? Ik zou willen dokter, dat uw vrouw gerust sliep op 't uiterste randje van een afgrond, en dat er dan een paar tijgers aan den eenen kant en een paar hyena's aan den anderen kant tot een sprong gereed stonden. Zie, en dan wou ik dat _ik_ er eens bij was, met een dolk of revolver in de hand! Sakkerloot! tegen dat wild gespuis zou ik 't willen opnemen voor haar; ik zou..."
Nu speelde er weer een glimlach om Helmonds lippen.--Thom zou het doen: hij meende het, de goede kerel!
"Genoeg!" valt hij in, terwijl hij den vriend nu bewogen de hand schudt: "'t Zou Thomas, een vrij kritiek parquet voor je zijn, en hoe hartelijk 't mag wezen, ik zou er mijn wijfje maar liefst niet aan wagen. Ze moest onder jou heldenstuk eens verschrikt ontwaken en van dien rand naar beneden storten. Ziezoo--je sanglante voorstelling Thom, heeft ons weer een beetje vroolijker gestemd, en daar het al laat wordt, eindig ik ons onderhoud. Hoor eens mijn beste mevrouw, weet het nu wel en voor altijd: nooit zullen deze kamers zoolang als ú leeft--en God spare u lang voor ons allen--_nooit_ zullen ze door iemand anders dan door u en Thomas bewoond worden. _Uw zilveren Minerva-beeldje is ons contract geweest._"
Thomas, eensklaps door Helmonds woorden tot de zekerheid gekomen dat zijn aangebeden moeder--'t mocht gaan zooals het wilde--levenslang in dit huis zal blijven, voelt een innige blijdschap zijn borst doorstroomen, en terwijl hij toch aan dat grootste bezwaar denkt, valt hij met een hartstochtelijkheid uit die wel eenigszins in strijd was met den raad dien hij ging voordragen:
"Moe zeg, als je hier, _hier_ dan eens een _mutsenwinkel_ gingt doen!"
En ja, nu moest Helmond wel lachen alsof er vooraf niets anders ware voorgevallen.
"Een mutsenwinkel!" herhaalt hij op eenigszins kluchtigen toon.
"'t Is een grandioos idee van je Thom! Nee voor trotsch m'n vrind, hou je me zeker niet, maar zie, eer ik dulden zou dat _jouw_ moeder, de vrouw van dokter Van Hake, _hier_ een mutsen..... Foei foei, we zouden nog waarlijk aan 't lachen raken.--Basta! Ik moet naar huis.--A propos, we hebben nog een klein misverstand uit den weg te ruimen....." Helmond heeft een portefeuille te voorschijn gehaald, maar laat die vallen, en vervolgt onder 't langzaam oprapen: "Men schijnt dus ook hier wel eens te denken dat ik _boven_ mijn financieele krachten ga. Ik geloof dat men zich daarover niet bezorgd hoeft te maken. Tot heden heb ik nog alles kunnen betalen wat ik schuldig was, en voor 't overige..."
"Maar lieve dokter, wij vragen daar immers niet naar. Straks opperde ik alleen het vermoeden....."
"We komen er nu maar niet op terug lieve mevrouw. Hier Thom zijn twee briefjes van honderd gulden, hier.--Honderd en twintig moet je er afhouden voor het verschenen kwartaal. Heb je niet weerom?"
"Ja maar waarachtig dokter, 't is te veel, 't is..."
"Als je me nu boos wilt maken Thomas, volstrekt...? Nu dan: ik verzoek je mij quitantie van de _tweehonderd gulden ineens_ te geven, de overblijvende tachtig schrijf ik op het volgende kwartaal. Ik hoop dat dit je toonen zal dat men de beste vrienden kan zijn zonder elkander _juist_ te taxeeren."
Thomas hoorde beweging in de gang.--Was de straatdeur open gebleven?--Nu, dat gebeurt overdag wel meer. Hij ziet de gang in.--Neen, er was niemand.
Nadat Helmond weinige minuten later vertrokken was, zag hij Kippelaan op eenigen afstand voor het raam van een komenijwinkel staan, waarachter echter niets bezienswaardigs was uitgestald. Tot Helmonds verbazing, heeft Kippelaan zich haastig omgekeerd zoodra hij den dokter bemerkte, en verdween hij om den hoek van een straatje, zoo snel als zijn spillebeenen hem vervoeren konden.--Och die brief, die waarlijk nog ongeopende brief met de drie lakken, hoe brandde hij hem in den zak. Maar hoe hij 't er mee zou aanleggen!? Och goeje hemel, hij wist het niet. Misschien zou 't toch maar het beste zijn om eens eventjes te zien of de inhoud zooveel angsten inderdaad wel waard was.
Toen Helmond Kartenglimps woning voorbijging, zag hij hem juist de deur uitkomen. Eensklaps gevoelde hij weer dat kloppen in 't hoofd toen de majoor hem groetend terzij trad.
De majoor sprak van niemendal. Noch van het gebeurde op die conferentie gisterenmiddag, noch van een der treurige voorvallen die in Romphuizen een paar weken, of langer misschien, het hoofdgesprek zouden uitmaken, geïllustreerd met allerlei zeer belangrijke maar meest tegenstrijdige berichten omtrent dokter Helmond, zijn relaties, zijn fortuin en niet het minst zijne vrouw. Inderdaad, de majoor was zonder eenige rancune; zeer beleefd; gepast beleefd. Helmond gevoelt inderdaad eenig leed, omdat hij dien man misschien niet altijd juist beoordeelt.--'t Is waarschijnlijk nog steeds een gevolg van dien vroeger ontvangen indruk: au fond poltron!--Nu ja, maar voor nummer één mogen oud-militairen toch óók wel respect hebben.
"Salut! plezierige wandeling majoor;" zegt Helmond bij 't afscheid.
"Bonjour... Eh! wat ik zeggen wou! Altijd tot je dienst hoor!" en Kartenglimp maakt een veelbeteekenend knipoogje: "_altijd_ tot je dienst, 't Zal wel terecht komen, als eindelijk de generaal... begrepen!?... Geen complimenten onder vrienden: a 5 percent. Gerust! Adieu!"
Weinige oogenblikken nadat Helmond straks zijn Eva verlaten had, is Kaatje met een groote doos in de Oranje-zaal gekomen, de boodschap er bijvoegende, dat de menheer uit Utrecht er was, met _dit_--en nog een heelen boel meer.
--Ha! hoe heerlijk trof het dat August nú uit is. Hij vond die dingen zoo licht vervelend. Juist, dit waren najaarsmantels volgens de laatste Gracieuseplaten.--Een fluweelen mantel voor den winter kon ze nu meteen bestellen, en dan--wat trof dat heerlijk--kleinigheden voor Woensdag als men naar de Debecque's zou gaan. --Ja, voor eenige zaakjes in 't belang van 't geheim, daar mag ze ook wel aan denken. O! al ware August zelfs thuis geweest, als ze maar 't eerst van de benoodigdheden voor dat _laatste_ gesproken had, dan zou hij de rest _ook_ wel hebben goedgevonden. 't Was inderdaad zoo'n beste man!
"U zult er dus voor zorgen?--Ja, met kant gegarneerd, eenvoudig maar rijk."
"Zeer goed mevrouw, ik hou me dan maar aan den fluweelen mantel van de gouverneursvrouw, die is bepaald rijk en deftig."
"Goed, in dat genre tenminste.--Overmorgen heb ik m'n jacquette niewaar? We hebben morgen al September."
"We zullen ons best doen mevrouw.--Hoe vindt u dit wit cachemire? Mooi voor sorties!--We maken ze voor al de eerste dames. Heel nieuwe modellen."
Eva beziet de stof.--Haar sortie is nog goed; ja, maar met _rood_; rood is zoo fameus opzichtig; blauw staat veel liever, veel fijner.
"Zou ie _vast stellig_ Dinsdag kunnen thuis zijn?"
"Als 't noodig was morgenavond mevrouw.--Jawel, uw taille _heb_ ik. Dus met _blauw_?"
"Maar als ie er Dinsdag _niet_ is, dan krijg j'em terug."
"Voor onze rekening mevrouw."
"Zijn dat foulards?"
"Och, eenvoudige zijden schortjes mevrouw, meer voor burgermenschen."
"Wacht die twee zal ik nemen; de meiden loopen altijd met zulke verschrikkelijke tafellakens."
"Ja mevrouw, wij zeggen altijd: duurkoop, goedkoop; als de dienstboden dat over 't algemeen begrepen dan zouden ze liever wat méér voor hun goed besteden. Maar...!" De man trekt de schouders op.
"Maak jelui ook manskleeren?"
"In alle soorten mevrouw. We hebben zelfs kamerleden."
"Dus maak je livrei?"
"Zeerzeker mevrouw. Woudt u den knecht....?"
"Ja, dat is te zeggen, hij is nu uit; en 't is toch beter dat je daar later met mijnheer over spreekt. Stuur Dinsdag modellen mee van passement, rood met goud. We kunnen knoopen krijgen met.... met ons wapen er op?"
"Dat is te zeggen, als u ze laat maken, zeerzeker mevrouw."
"Goud met een dwarsbalk en een kroon erboven;" zegt Eva zacht, en onwillekeurig vluchtig blozend.
"'t Zal alles volgens mevrouw haar orders geëffectueerd worden."
"Ja maar dáárover dan een volgenden keer.--Denk aan Dinsdag. De sortie in alle geval!"
Terwijl de reiziger straks, op iets gemeenzamer toon, de dienstmaagden binnen de strijkkamer tot de bewondering van zijn goederen en stalen dwingt, doet hij met de verzekering, dat mevrouw het over de dienstboden geheel met hem eens was--namelijk "dat een meid niet beter haar fatsoen en eer kan ophouden dan door zich wat degelijk en netjes te kleeden"--Kaatje besluiten om "dan maar zoo'n fijne lakensche met al die gitten te nemen--wel ja, ze vroeg toch om opslag als ie 'en graaf was,--en Jaantje de keukenmeid, om er nog bovendien zoo'n "tierlantijn in de lendens op te hangen.--Waarom niet; wat maalde Jaantje om 'en riksdaalder; ze zag immers wel dat ze hier voor 't opscheppen waren."
't Was zonderling, zoo aanstonds heeft Eva aan rijtuig en livrei gedacht, en zie--daar staat het nu werkelijk voor de deur. 't Moet van een der buitenplaatsen zijn; een licht gentil rijtuigje, heerlijk!--Hé! zulk een elegant wagentje met zoo'n paar ranke paarden....! Al mettertijd; wie weet! Men moet met August niet alles opeens begeeren.
Een weinig achter de zware meubelgordijn verscholen, kan Eva de persoon zien die de paarden bestuurde, en nu wacht totdat men den knecht die schelde zal hebben opengedaan.--'t Is een jonkman met een zeer gunstig voorkomen, levendige oogen, donkerblonde haren en een zeer langen lichtblonden knevel. Hij is eenvoudig maar smaakvol gekleed.--Eva kent hem niet.
Met een snelle wending is de jonge vrouw naar de deur gegaan, en zegt om den hoek tot Kaatje die ging opendoen:
"Als er iemand is die mijnheer moet spreken, zeg dan dat dokter zoo aanstonds zal thuis komen."
"Bij u binnenlaten mevrouw?"
"Nee, in de _groote zaal_; en me dan zeggen wie er is."
Eenige oogenblikken later bericht de dienstmeid dat de luitenant Hardenborg, de zoon van den baron van _De Poel,_ gevraagd had of _mevrouw_ niet ontving.
"O! de zoon van menheer Debecque. Verzoek mijnheer hier te komen Kaatje. Als ik schel dan breng je port en fijne glaasjes."
Zeer verdiept in de lectuur van een der prachtwerken, die zij van een kleine tafel heeft genomen, zit Eva in haar fraaien voltaire bij 't raam, nu Archibald Hardenborg binnentreedt.
--Te droes! denkt de jonge luitenant, nu hij door Eva zeer minzaam maar toch eenigszins hoog-elegant wordt verwelkomd: te droes, die dokter mag tevreden zijn. Waarachtig, daar zijn de mooiste Parisiennes niemendal bij. En jawel, voor een dokter woont dat hier in een aardig stulpje! De oud-burgemeester sloeg het deksel van z'n kist stuk, louter van plezier als ie zag hoe prachtig men hier zijn oud foedraal heeft opgeknapt.
"Met schaamte beken ik mevrouw, dat het mij bijzonder lief is u te mogen ontmoeten;" vangt Archibald aan. Hij zet zich op een stoel dien Eva hem aanwees, en vervolgt: "Een onverwacht opgekomen uitstapje naar Parijs, was oorzaak dat ik mijn bezoek--nadat ik u niet thuis mocht vinden--eerst nu hervatten kan. Haastige vrienden hebben geen ooren voor afscheidsvisites. En toch had ik dit vóór ons vertrek, behalve in mijn eigen belang, uit pure dankbaarheid zoo gaarne gedaan, want, zonder de trouwe zorg van dokter Helmond zou ik zeker 't graf van Abélard en Héloïse niet gezien hebben--hetgeen me trouwens zeer zenuwachtig maakte--noch de mooiste vrouw van Europa op één na. Ik dacht dat keizerin Eugénie de mooiste was."
"Ah ja, u hebt een reisje naar Parijs gemaakt. Helmond heeft me dat gezegd..... Lieve stad niewaar?"
"Interessant, fameus! De Notre-Dame, 't Café Riche, de Louvre, Lodewijk XIV op allerlei manieren! De groote Napoleon op de punt van een naald!--_Lief!?_ Jawel bij avond _heel veel liefs_, maar meest doré au feu. 't Valt minder in mijn smaak."
Eva vond het heerlijk over haar ideaal te kunnen spreken met iemand die er pas geweest was, die er zoo vroolijk over kon praten, en van wien ze mede wist dat hij een degelijk jongmensch was.
"Maar op gevaar af wat indiscreet te worden," zegt Archibald ten laatste, niet zonder een weinigje ironie: "wanneer mevrouw Helmond zich waarlijk zoo sterk gevoelt dat ze wel aanstonds opnieuw dat reisje zou kunnen maken, en dokter, zooals u zegt, gemakkelijk wanneer hij 't wilde een week of drie kon uitbreken, dan--neem mij niet kwalijk--dan is het toch wel hard voor de ongelukkige familie Debecque, om te moeten vernemen dat er bij dokter Helmond en zijn lieve vrouw zoo weinig sympathie voor haar partij bestaat."
Eva bloosde vluchtig terwijl ze glimlachend inviel:
"Maar menheer Hardenborg, _wie_ heeft u dat verteld?"
Er volgde een ophelderende verklaring, die den luitenant volkomen bevredigde. Immers aan zooveel vriendelijks als mijnheer Archibald haar achtereenvolgens heeft gezegd, en voornamelijk over haar lieven man, had zij geen weerstand kunnen bieden.--Nu ja, dat briefje was geschreven op een oogenblik toen Helmond nog al hoofdpijn had, maar als hij wist dat het mede een fête zoowat ter zijner eere was, ja dan waagde zij niet te veel om mede uit _zijn_ naam alvast de zeer beleefde uitnoodiging aan te nemen.
Archibald zegt dat hij nu gerust zijn ontslag uit den Nederlandschen dienst kan nemen, want gelukkiger overwinning dan deze zou er toch nooit te behalen zijn. Mevrouw moest weten dat hij geadviseerd had om de heele Romphuizer noblesse--waarmee hij dan later wel eens perceelswijze kon kennismaken--maar stilletjes thuis te laten en het feest in de doos te doen, wanneer "de bloemen die men voorop dacht te zetten er aan moesten ontbreken."
"Ha! ik zie daar Helmond het marktplein opkomen;" zegt Eva, die juist naar buiten zag dewijl ze vreesde dat de overstelpende zaligheid die haar borst doorstroomde, en waarvoor ze geen naam had, misschien wat al te duidelijk op haar gelaat zou te lezen zijn.--De familie Debecque, de eerste uit den omtrek, gaf een partij aan de noblesse van Romphuizen, maar ze zouden die partij _niet laten doorgaan indien dokter Helmond en zijn vrouw daarvoor moesten bedanken_!!!
"Ah juist!" zegt Hardenborg: "'t Doet me recht veel plezier dat ik hem eens weer de hand zal mogen drukken; 't is een juweel van een dokter. Natuurlijk, juweelen behooren bij elkaar. Weet u ook mevrouw, wie de snaak is waar dokter nu afscheid van neemt?"
"Dat is de majoor Kartenglimp;" zegt Eva, terwijl ze opstaat en schellen gaat.
"Kartenglimp! Kartenglimp!? Onbekend! Maar een gezicht dat men meer heeft gezien. Hij lijkt wel wat op den beer in De Jagers en het Melkmeisje, of op den wolf in Roodkapje. Wacht," hij haalt een zakboekje te voorschijn: "Jawel, juist, papa heeft niemand vergeten: _de majoor Kartenglimp_!--Prompt we zullen zijn kennis maken."
"Ha, ha, daar is onze dokter!--Wel hoe gaat het mijn brave clairvoyant. 'k Heb te Parijs alle middagen een extra glaasje op je gezondheid gedronken, en merk dat het je geen kwaad heeft gedaan. Je ziet er best uit, tenminste...."
"O ik ben heel wel luitenant, dankje.--Goed geamuseerd?" zegt Helmond die inmiddels zijn Eva een zoen heeft gegeven.