Dokter Helmond en zijn vrouw

Chapter 31

Chapter 313,900 wordsPublic domain

--Phu! Kippelaan krijgt het waarlijk al te benauwd.--Wil hij kwaad!? Waarachtig niet! 't Is zoo goed als een bestiering. Jawel, een _bestiering_! Praatjes, allemaal praatjes werden er rondgewauweld.--Kippelaan kan dat gewauwel niet velen--en een weldaad zou het voor de familie Helmond en aanverwanten zijn, indien men uit echte bron aan al die praatjes een eind kon maken. En, _twee_ brieven van den dokter zelf zullen alles bevatten wat men te weten noodig heeft. Welzeker, familie-omstandigheden zal men vernemen uit den brief aan juffrouw Van Barneveld--het ideaal enfin,--en financieele zaken uit een brief met drie lakken naar de groote koopstad.

Ofschoon zedelijk verplicht tot de inzage van brieven, die hem "zoo ongezocht in de handen werden bestierd", aarzelt Kippelaan toch, aleer hij tot de voorgenomen operatie besluit, 't Was anders doodeenvoudig; de spiritusvlam onder de bouilloir brandt fiks, en het theewater dat alreeds van de kook was geraakt, begint weer te razen dat het een lust is. En zie, terwijl de brief aan Jacoba, die in een gom-couvert was gesloten, nu reeds op den geopenden ketel ligt, steekt Kippelaan ter ontzegeling van den gelakten brief, een mes in de groote spiritusvlam, meenend dat het hem gemakkelijk zal vallen door middel van een gloeiend mes, de zegels, zonder de stempels te beschadigen, wat los te maken.--Er stond hem zoo iets van voor.

Gedurig naar de gebarricadeerde deur, en een paar malen zelfs naar het donker onder zijn ledikant ziende, heeft Kippelaan nu reeds--ofschoon met eenigszins bevende vingers--den brief van Jacoba uit het losgelaten couvert genomen. En.... hij zal smullen:

"Lieve Jacoba, beste zusje!"

--O God wat is dat!? Men klopt op de deur:

"Hé! Watblief? Wie is daar?"

--Heeft hij goed gehoord, zijn ze daar om de brieven!.... O goeje God!..... Watblief!?"

"Kan ik er niet in; scheelt er wat aan?" roept men van buiten.

"Nee niemendal.... Een beetje ingeslapen!"--Lieve hemel! Het klamme zweet parelt hem onder den neus. Jacoba's brief is reeds tot een bal ineengefrommeld.--Waar blijft hij er mee.....? Ha! In den ketel! Voort, zóó, het deksel er op!

"Maak 'em open menheer!"

--Openmaken! Nee waarachtig niet! Althans hij heeft geen idee gehad om er iets uit te nemen.

"Maak de deur dan eens open menheer!"

"De _deur_! Ahzoo. Jaja! Dadelijk hoorje."

--Nee, dien brief met waarde in den ketel te stoppen, dat ging niet.--In 't bed! onder de matras, tot nader order. Goeje hemel, hij beeft over al zijn leden.

Kippelaans hospita hield er een looper op na "voor zekere gevallen, weet u, dat er een sleutel zoek was. Ze heeft dien looper maar even gebruikt omdat menheer waarschijnlijk iets scheelde. En, terwijl ze nu met fermeteit de deur opent teneinde te zien wat Kippelaan weerhield om den brief aan te nemen dien ze hem brengen kwam, geeft de dikke hospita een gil van ontzetting, want, met een vreeselijken slag, die haar gansche woning deed dreunen, sloegen honderden scherven van glas en aardewerk met beddetafel en stoelen voor de voeten van den rillenden Kippelaan neer.

Intusschen heeft Kaatje, van haar Careltje, die trouwens een groote Carel is, een heeleboel nieuws vernomen. Ten eerste vernam ze "met ijzing" 'tgeen er van _De Schebbelaar_ bekend werd, en hoe er over de handelwijze van haar heer en meester wordt geoordeeld, 't Was God geklaagd om iemand zoo aan z'n eigen over te laten, en willens en wetens met een gerust hart de eeuwigheid in te sturen. Als er zóó met het rijke volk als Dirksen wordt geleefd, zei Careltje, dan kunnen menschen als wij en ons-gelijken wel op de vingers natellen hoeveel we zoo'n dokter waard zijn; hij mag dan zoo knap wezen als de neef van menheer Kippelaan."

"Ja, maar Kippelaan zei al gisterenavond dat ie 't vak voor z'n pleizier dee;" verzekert de molenaar die mede aan de bakkerij was gekomen.

"Maar dat is juist het gemeene;" herneemt Careltje, en wrijft met zijn "natuurlijken arm" een kruimel deeg van de wang: "Als dat dan waar is--zooals gisterenavond de smid ook al gehoord had--dat ie namelijk een vondeling en 't kind van een schatrijken graaf zou wezen, dan zeg _ik_ dat zoo'n man d'r uit moest scheien met tongen te bekijken en de menschen naar de eeuwigheid te helpen."

"Een graaf!" zegt Kaatje, vuurrood geworden: "Is hij een graaf! Ben ik bij een.....?"

"Jawel, dat zeggen ze allemaal. 'En mooi ding! 'En graaf met 'en apetheek. 't Is schande!"

"Voor vier duiten drop!" grinnikt de molenaar.

"Nee maar gekheid is gekheid;" herneemt Careltje die geen gekheid verstaat: "Ze hebben--niewaar Kaatje--gisterenavond visite gehad?"--Kaatje knikt--"Zie-je, gesmuld en gebrast! En dan intusschen iemand te laten doodkrimpen die, zooals ze zeggen, Godsterwereld niks mankeerde, en dat omdat meseu de dokter z'n eigen liever op zijn gemak zet."

"Nee Careltje, gemakzuchtig is ie niet, da's niewaar. Ik zie 'em tegenwoordig dikwijls heen en weer draven naar dien wal dat ie d'r bleek van wordt. En dat moet ie om die aptheek. Ik zei: as ie 'm in z'n huis nam; zoo'n kazerne van 'en huis! maar daar heeft mevrouw geen zin in. Nee gemakzuchtig, nee!"

"Maar ik zeg," valt Careltje in, terwijl hij, om Kaatje niet af te stooten, haar met den natuurlijken arm om den hals pakt: "ik zeg dat jij gelijk kunt hebben, maar dat ik gelijk heb ook; of zou je me willen aanpraten om ooit weer 'en dokter te roepen die, God beter't, binnen ééne twaalfuur tweemaal naar zich fluiten laat?"

"Tweemaal?"

"Ja waarachtig meid;" valt de molenaar in: "Weet je dát nog niet? Vrouw Sturk heeft ze van morgen tegen halfdrie ook al genacht gezeid.--Verknoeid! 't Was niet alles in orde. Van Hake de bediende--je weet wel--had verteld dat z'n baas ziek was, en geraden om vrouw Spanning te halen..... Maar jawel, 't is verschrikkelijk! Toen dokter dan eindelijk toch om 'en uur of twee was komen aansukkelen, toen had de kuiper juist in woede vrouw Spanning de deur uitgesmeten.

"Heere beware!" zegt Kaatje.

"Ja, en wat het ergste was: van de kunst was er geen heil meer te wachten. Gekonfiskeerd! 't Mot er toen gerookt hebben van belang, en ze zeien dat Sturk hem een pak slaag had gegeven, niet gering!"

"Nee, da's gelogen!" valt Careltje in: "Menheer Kippelaan, die voor een half uurtje hier even aan 't raam was, wist alles precies van Mie de schoonmaakster: Sturk zou dokter zeker aan 't huis zijn gekomen, maar menheer Van Hake had hem tegengehouden, en een oogenblik later gelegenheid gevonden met den dokter door een zijdeur te ontkomen. Van Hake moet nog een leelijken veeg hebben gekregen. Maar 't was ook meer dan erg! Zoo'n wurm van een vrouw......!"

"Nee maar 't is gruwelijk! 't is helsch zeg ik," herneemt de molenaar: "'en leelijken naam hêt ie ook: _Hel-mond_!"

"Ja Dores, daar heb je wel gelijk aan, al 'en heel gemeene!" bevestigt Careltje.

"Maar als de dokter dan toch ziek was!" zegt een bakkersknechtje, die met een langen stok waaraan de natte ovendoek zit, het groepje in de deur der bakkerij was genaderd.

"Ziek! wát ziek!" zegt Careltje: "als je ziek wilt wezen dan moet je geen anderen willen gezond maken!"

"Maar hij was niet ziek," roept Kaatje, half in den waan dat ze dokter, met wien ze toch medelij heeft, door die verzekering nog eenigszins in zijn eer zal herstellen: "Hij is gisterenavond zoowat om half elf in huis gekomen; heeft--omdat mevrouw al naar bed was--op z'n kantoor smakelijk een boterham gegeten, en is toen doodbedaard brieven gaan zitten schrijven, blijkens dat er van morgen _drie_ waren om naar de post te brengen...." Kaatje heeft bij deze laatste mededeeling eensklaps een kleur gekregen; maar men bemerkt het niet.

"Wat heb ik gezeid!? wát!" valt Careltje uit: "Zie je wel dat ie niet ziek was! De meid van Sturk die den dokter om twee uur ging halen wou het liegen heeten; maar d'r was _licht op 't kantoor_! Menheer Kippelaan had het van Hent den klepperman zelf gehoord; en _ik_ zeg: d'r brandt geen licht om twee uur op 'en kantoor of d'r moet iemand óp zijn!"

"Nee nee," stemt het uit aller mond: "dat spreekt vanzelf; dát is bewezen! 't Is schandelijk! Wie zou zoo'n dokter vertrouwen!"

ACHT EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

Toen Helmond door zijn Eva, te circa halfacht, met een zoen werd wakker gemaakt, en ze hem daarna met haar welluidend: goeden morgen! een geurigen kop thee met beschuit toereikte, toen gevoelde hij slechts weinig meer van 'tgeen hem, toen hij eindelijk ter ruste ging, voor slapeloosheid en zeer waarschijnlijk voor een ziekte deed vreezen.--Al zijn de uren die hij sliep slechts weinig in getal geweest, ze hebben hem zonderling verkwikt. Neen, ofschoon hij zijn hoofd rechts en links keert, de pijn is geheel verdwenen. De sombere voorstellingen die hem door het brein spookten toen hij zich bevend van overspanning tot slapen heeft gelegd, al die sombere visioenen zijn voorbijgegaan.

--En zie, zijn Eva, de schoone Hebe in haar gracieus morgenkleed, ze staat daar als een toonbeeld van zorgende liefde.--O goede God! nu ziet hij eerst hoe innig lief dat prachtige kind hem heeft. Zij is in zorg geweest, over hém! Ze heeft gevreesd dat hij te vroeg zou wakker worden. Ja dáárom hield zij de vensterblinden ter halverwege gesloten ofschoon ze de ramen heeft opengezet, dewijl hij daar zeer op gesteld is.

En zie, daar kwam ze nu zelve met den verkwikkenden drank:

"Eva!"

"Lieve August, gaat het beter? Waarlijk beter?"

Helmond knikt, maar antwoordt niet. Hij ziet haar slechts in de schoone oogen; drukt haar fijne hand, en dan haastig den blik van haar afgekeerd naar de binnenzij van het ledikant, verdringt hij iets, 'twelk hem uit het hart naar het oog is gevloeid. Goede God, was er voor haar dan niets beters weggelegd dan de vrouw te worden van een eenvoudigen dokter! Zie, daar is wat hoogers, iets vorstelijks in die vrouw; en ja, bij al die gaven van schoonheid en talent, toont ze, in de liefde voor vader en echtgenoot, een engel te zijn.

"Eva!"

"Wat is er dan beste?"

"Ik ben zoo gelukkig Eva."

"Nu lieve man, dat klinkt me waarlijk als muziek in de ooren. Ik heb van nacht den heelen tijd allerlei gekheden gedroomd, en ook dat je heel boos op me werdt; en je grijnsde me zoo akelig aan.--Ja ik weet het zelf niet meer: ik droomde dat we te Parijs waren, en dat we meespeelden toen ze de Faust gaven. Eerst was jij Faust en toen.... ik weet niet, toen werdt je eensklaps Mephisto, en, toen schreeuwde je me zoo akelig toe: "Et Satan conduit le bal," o zoo akelig. Zie, 't is allemaal gekheid, dat weet ik wel; eerstens beduidt het niets, en tweedens hecht ik niemendal aan droomen; maar zoo'n gezicht blijft je 's-anderendaags soms zoo bij. Toen je van nacht met hoofdpijn heel onplezierig thuis kwaamt, toen dacht ik, daar heb je 't al met dien naren droom; als hij nu maar niet ziek wordt!--Ik heb er je niets van gezegd, hoewel ik er erg vervuld mee was. Maar mijn lieve man, nu kun je ook best begrijpen hoe heerlijk ik het vind om je, bij 't wakkerworden 't allereerst te hooren zeggen: Eva, ik ben zoo gelukkig!--Komaan mon cher monsieur le comte--nu wacht maar, ik geef den moed nog niet verloren, al was papa er wat tegen,--komaan, we zullen aan geen akelige droomen meer denken; peuzel jij die beschuitjes nu maar op, dan zal _ik_ je eens laten kijken hoe heerlijk vandaag het zonnetje schijnt, 't is een lust!"--Eva opent nu de vensterblinden, en, aanheffend zingt ze tevens met haar klankvolle stem, zoodat men zich in den zonneschijn zou wanen al zag men den regen ook stroomen:

"O Sonnenschein, o Sonnenschein, "Wie scheinst du mir in's Herz hinein. "Weckst drinnen lauter Liebeslust, "Dass mir so enge wird die Brust! "Dass mir so enge wird die Brust!"

Een kwartier later is Helmond gekleed.

Ofschoon hij zich wel iets minder frisch gevoelt dan bij zijn allereerst ontwaken, toch moet hij bekennen dat het oneindig beter met hem is dan hij heeft kunnen verwachten. Daar komt zijn lieve vrouw alweder met een kop thee in het slaapvertrek.

"Eva, mijn eenige schat, mijn zonneschijn!" zegt Helmond en sluit haar in zijn armen; en dan, dan hoort hij ook van háár een schier nog welluidender toon dan daareven; want ook zij heeft gezegd: dat ze nu zoo _recht gelukkig_ is.

En Eva had waarlijk reden om zich gelukkig te gevoelen. Nu ze haar woning had, en er alles zoo heerlijk was ingericht, nu waren voor 't oogenblik haar liefste wenschen vervuld. De kleine katastrophe van gisterenavond zou zeker geen gevolgen hebben, en, als zij het maar eens van de rechte zijde aanpakt, dan zal papa wel meer zwak op dien adel krijgen. Het voornaamste, waar het op aankwam, bleef toch het _bewijs_ dat men aanspraak op dien titel had, en dat bewijs was reeds in handen van den majoor. Welnu, een klein beetje geduld; en dan, wanneer zij _èn_ Helmond er maar op blijven aandringen en zich dankbaar betoonen, dan zal de majoor --tegen restitutie van onkosten, natuurlijk omdat hij aan al die stukken en bewijzen met zooveel moeite gekomen is,--ze wel aan _hen_ afstaan.

Ja, Eva voelt zich recht gelukkig, want ofschoon het briefje aan de Debecque's toch al verzonden was--omdat Bus beter hard draven dan dienen kan--ze heeft nu alle hoop dat August, wanneer hij zich zooals hij zeide wèl blijft gevoelen, ten genoegen van zijn vrouwtje nog een tweede briefje zal schrijven om die uitnoodiging tóch maar aan te nemen.--O die goede August! hij heeft immers voor 't grootste deel uit zorg voor háár bedankt.

--Nu, dat behoefde waarlijk niet, haar hoofdpijn van gisterenavond heeft niets te beduiden gehad, en August zelf--waarlijk ze is er zoo blij om--hij voelt zich weer heelemaal fiks. Hoor, hij vraagt haar zelfs om nog eens dat lied: _Natuur is mild_ te zingen!--Wat ziet hij haar tevreden aan! Ja als ze het nu wilde doordrijven.... van die groote partij hier aan huis tegen haar jaardag --ja, ze weet dan zeker dat hij toe zou stemmen. Maar 't is nog niet noodig; en als men maar eerst bij de Debecque's is geweest, dan komt die partij op haar jaardag vanzelf. Ze weet nu immers zeker dat die hooggeprezen zuinigheid iets is, waar men voortaan maar zonder veel woorden overheen moet glijden; 't is een zwak dat het mannetje zich graag wat armoedigjes voordoet. Nu, in zulke scholen maakt men zulke leerlingen. Maar _gierig_, nee gierig is hij niet. Wat die nachtpraktijk betreft, daar _moet_ hij van afstappen, dáárdoor alleen is hij met zoo'n dolle hoofdpijn en zoo laat naar bed gegaan. Mettertijd, als het gelukt met dat overbrengen van papa's titel op hem--en waarom niet--dan moet hij de heele praktijk maar neerleggen. Iemand die bezigheid wil hebben kan ze altijd wel vinden. Men behoeft daarvoor niet de slaaf van iedereen, ja van je minste plebs te wezen. Hoe heerlijk al, dat men tenminste hier van die aptheeklucht bevrijd is. Bah! zoo'n aptheek!

O voorzeker, Eva voelt zich nu recht gelukkig; alles, _alles_ lacht haar weer toe; en zie maar, het allermeest haar lieve August.

Doch Eva weet niet dat Helmonds glimlach, nu hij de vigilante ziet voorkomen en haar straks een zoen tot afscheid geeft, een zeer gekunstelde wordt; neen, want hij heeft haar niets gezegd, niets van zijn val, niets van het gebeurde op _De Schebbelaar_, en niets van den nacht aleer hij--Goddank, een weinig mocht slapen.--Waartoe haar onnoodig zijn leed te klagen; immers hij had haar vroeger vermaand dat de praktijk alleen voor den dokter is.

't Was reeds laat in den voormiddag toen dokter Helmond aan zijn woning terugkwam.

Eva meende te bemerken dat hij wat somber gestemd was.

Of hij zich weer minder wel gevoelde....?

"Nee Eva, nee; ik heb wat heel veel zieken bezocht, en er zijn er die van een dokter meer verlangen dan redelijk is."

"'t Is een nare betrekking August, ik heb dat altijd gezegd. Geen oogenblik ben je zeker van je tijd; dag en nacht altijd voor Jan en alleman te moeten klaarstaan, en misschien nog heel dikwijls ondank voor zorg en moeite tot loon te krijgen!"

Er was veel waars in 't geen Eva zeide.

"Ja 't is jammer kindlief, dat het onverstand der menschen ons zoo dikwijls moet bedroeven. Waarlijk er is geen edeler werkkring dan de mijne. Maar, als men het onmogelijke eischt...!"

"Heeft men dat nú gedaan August?"

"Och--nú, en alle dagen. Maar wij zetten er ons overheen.... wij...."

"Welzeker," valt Eva in: "in jouw plaats beste man, zou ik nooit naar eenig praatje van het wauwelig gemeen luisteren, dáárvoor sta je te hoog èn als dokter én door je.... andere maatschappelijke positie.--Als ik in je plaats was August, weet je wat ik dan deed?"

"Hé?" vraagt Helmond in gedachten.

En Eva zegt fier:

"Wel, den eerste die mij een woord durfde tegenwerpen of zich aanmatigen om mij in mijn praktijk de wet te stellen, dien zou ik _bedanken_ en verzoeken een anderen dokter te nemen."

--Bedanken!--August geeft met een pijnlijk glimlachje een antwoord 'twelk zijn vrouw--evenals dat glimlachje zelf--op rekening van zijn "eenig gebrek" stelt. Immers: "Waar zou de schoorsteen van rooken, als wij niet wat geduld oefenden?" heeft hij gezegd terwijl hij zich gereedmaakte om nu--na het koffiedrinken, --weer zoo spoedig mogelijk naar die nare aptheek te gaan.

--_Bedanken_! heeft August in zich zelven herhaald, terwijl hij buiten de kamer en op weg naar het huis aan den wal, een paar malen de hand aan het hoofd bracht--aan dat hoofd waarin het alweer niet heelemaal pluis is.

--_Bedanken_!--Neen zulke ruwe scènes heeft hij nooit te voren gehad; ze moeten eenig zijn in eens dokters praktijk. Op _De Schebbelaar_ gekomen, heeft boer Geurtsen--de aanstaande toeziende voogd der tien minderjarige kinderen--hem zoo mogelijk nog brutaler dan den vorigen avond onder de oogen gezien, en gevraagd, of hij niet begrepen had dat hij op _De Schebbelaar_ had uitgediend, en niet zoo "leep was om te vatten, dat de heele perementasie van de Dirksens en Geurtsens--over meer dan achttien hofsteden verdeeld--voortaan d'r eigen wel zou wachten om 'en dokter te nemen die zijn patiënten aan d'r eigen zelvers overliet, en onverlet den adem liet uitblazen?"

--_Bedanken_! herhaalt Helmond met dien droeven glimlach. Ha! zoo moet het maar gaan. Het rijkste deel mijner praktijk te verliezen, door.... Neen, de oorzaak had evengoed een andere kunnen zijn.--Maar toch, 't klinkt op dit oogenblik zeker uit _haar_ mond al zonderling: _bedanken_!--Mijn obstetrische praktijk schijnt door de omstandigheid bij Sturk nog bovendien een gevoeligen knak te zullen krijgen.

--Bedanken! in _mijne_ omstandigheden....? Een pleegvader die zich misschien reeds heeft voorgenomen om zijn hand voor nu en de toekomst geheel van ons af te trekken. Een woning te bezitten waarvan geen steen ons eigendom is; een huis dat aan zijn bewoners steeds grootere weelde en altijd en altijd meer _geld_ zal vragen. Schulden hier en schulden daar; niet onoverkomelijk, neen, maar slechts aflosbaar bij een toenemen van praktijk en inkomsten.--Bovendien een broeder die gebrek lijdt, en die, ofschoon er hoop op een goede uitkomst bestaat--bij een weigering van den pleegvader, toch maar alleen van den broeder hulp kan verwachten.--En dat huis aan den wal 'twelk reeds tweemaal, doch slechts _in zijn geheel_ is kunnen verhuurd worden, 't blijft nog altijd renteloos, dewijl ik immers mijn woord gaf dat de arme doktersvrouw het niet zou verlaten, en ook, ja, omdat Eva gezegd heeft, geen aptheek in haar nieuwe woning te dulden.....

Zoo denkende treedt Helmond de apotheek binnen.

"Al bezig Thom; dat is goed. Ik kwam Bus tegen, en gaf hem de recepten vast mee.--Je zult gemerkt hebben dat er een vijftal minder is dan waar ik je gisteren op prepareerde.--Boer Dirksens dood, zal collega Biermans voortaan weer wat minder rust gunnen. Nu, de man heeft nog ambitie genoeg, en--een groot gezin. Wat zoek je Thom?"

Thomas, die Helmond bij 't binnenkomen ternauwernood had kunnen groeten, is "op stikken af". Den lessenaar--terzij van de toonbank--heeft hij geopend, en terwijl hij deed alsof hij daarbinnen iets zocht, verborg hij zijn aangezicht voor den blik van zijn meester.

"Wat zoek je toch Thom?" vraagt Helmond nog eens. En dan--dan slaat de lessenaar neer met een slag, en bedekt Thomas zijn gelaat met beide handen, en... Nee, 't is hem onmogelijk! hij kan niet spreken. De keel is hem als toegenepen, en de oogen schieten weer vol tranen.--Och God, hij had het zoo goed gemeend!

Helmond is zijn jongen vriend nabijgekomen, en legt hem de hand op den schouder.

"Nu Thomas, wat is er? Zeg, heb je weer 't een en ander moeten hooren dat je om mijnentwil bedroeft?--Ik zal er je maar ineens doorhelpen mijn jongen, 't Is niet plezierig, zeker; maar zulke zaken komt men te boven. Nu ik zelf hier en daar zooveel overdrevens moest hooren, nu ben ik al meer getroost dan gisteravond. Thom, wat er gebeurd is, het spijt me, maar mijn geweten zegt me dat ik niet willens een patiënt heb verzuimd. In een kleine plaats worden zulke zaken schrikkelijk uitgemeten; in den beginne zal mijn praktijk er een beetje onder lijden, maar dan..."

"Och dokter!" valt Thomas nu bijna schreiende in: "och, als u eens wist hoe ik er kapot van ben; zooveel geschimp en geblaas tegen u, en mede door _mijn_ toedoen, door mijn eigendunkelijk handelen! Och lieve God! ik meende het toch zoo goed!"

"Thomas, wees verstandig; al kan ik niet goedkeuren wat je hebt gedaan; dat je trouw hart het je heeft ingegeven daar ben ik zeker van. Komaan Thom, jij met je prettige natuur, je moest me vandaag wat opfleuren, maar geen gezicht zetten alsof Polen totaal verloren was."

"Och dokter, hoe zal men lachen als men zich zelf zou willen afranselen en op water en brood zetten. U, aan wien ik alles ben verschuldigd, ú heb ik door mijn eigenwijsheid schandelijk benadeeld. Jawel, die Sturk is een wraakzuchtige vent. Wat boer Geurtsen nog zal zwijgen, dat strooit hij uit met een helsch pleizier."

"Ho ho, dat kan toch zooveel niet wezen, 't Was zeker veel beter geweest wanneer ik er aanstonds had kunnen zijn; maar vrouw Spanning heeft niets bedorven, en de ongelukkige afloop dier bevalling was een gevolg van omstandigheden, die geen mensch kon voorzien of verhoeden."

"Hij heeft Biermans gehaald, en deze moet hem hebben toegestemd dat een tijdige en betere hulp haar zeker gered had. O, 't is om te vertwijfelen dokter!"

"Ik geloof niet Thom, dat Biermans dat gezegd heeft."

"Jawel dokter. Juffrouw Sillemond die zooeven hier was, en haar dochter, de vrouw van Winkelaar, kwam _afzeggen_--zoo'n feeks, alsof een dokter een barbier was!--diezelfde tang had Biermans zelf gesproken, en op haar vragen moet hij met een heel twijfelachtig gezicht de schouders hebben opgehaald."

"Ei, is juffrouw Sillemond haar dochter komen afzeggen ... ei!" zegt Helmond terwijl hij even pijnlijk glimlacht; maar aanstonds vervolgt hij op luchtigen toon: "Ik wou wel eens weten Thom, wat _twijfelachtige gezichten_ zijn. Bovendien, iemand die twijfelt weet niet, en iemand die er nog op den koop toe de schouders bij ophaalt, bekent tweemaal niet te weten.--Zwijg nu hierover Thomas. Gedane zaken nemen geen keer."

"Nee maar die Biermans, die te hard en te schriel was om mij, toen vader al begon te sukkelen, een beetje met m'n Latijn en scheikunde voort te helpen, zoo'n kerel moet ú niet benadeelen door z'n leelijk gezicht tot een beschuldigend vraagteeken te verwerken."

"Bedaar Thomas. Biermans is altijd heel wel met me geweest."