Dokter Helmond en zijn vrouw

Chapter 30

Chapter 303,873 wordsPublic domain

"Mij te zeggen wat hij al beproefd had om weder eene fatsoenlijke betrekking, zij het als klerk op een koopmanskantoor, te bekomen, dat wilde hij niet: het scheen wel alsof de mededeeling dat hij in de rechten gestudeerd had--zonder het Mr. voor zijn naam te kunnen plaatsen, en de daarbij gevoegde omstandigheden dat hij getrouwd was, en op een bovenkwartier in de Tuinstraat woonde, de deftige heeren kooplui aanstonds reeds "iemand op 't oog deden hebben, waarmee ze zoo goed als klaar waren", zoodat hij onverrichterzake kon aftrekken.--"Maar geen nood," riep Philip bijna woest; "je moet niet denken Woudberg, dat we gebrek behoeven te lijden. Waarachtig niet! Een valsch begrip van eer; het toegeven aan een dwaas vooroordeel in ons kleine land, maar vooral het besef dat de naam dien ik draag niet mijn uitsluitend eigendom is, dat alles deed mij dralen om gevolg te geven aan een plan, 't welk tot uitvoering zal komen, en waardoor het ons verder aan niets zal ontbreken."

"Om kort te gaan August, wat ik vreesde zal geschieden indien gij 't niet te voorkomen zoekt. Philip wil zich met zijn vrouw bij een tooneelgezelschap laten engageeren. Nochtans hij geloofde niet bij een der grootste theaters te zullen slagen. Ofschoon zijn vrouw er zeer goed uitziet, haar talent--ik heb dit vroeger wel eens meer gehoord--moet niet veel beteekenen. Philip zelf heeft wat gerederijkt, maar de tooneeldirecteurs geven geen eerste emplooi aan menschen zonder eenige reputatie.--Dit laatste komt in ons voordeel, want Philip schijnt bepaald te gelooven dat hij een eerste viool zal moeten spelen."

"Groote God!" zegt Helmond, en terwijl hij met beide handen zijn kloppend hoofd ondersteunt leest hij weer voort:

"Beste August, wij behoeven ons zeker niet te verdiepen in de vragen wat ons Nederlandsch tooneel is, en of de tooneelwereld inderdaad uit het rechte oogpunt wordt beschouwd; we staan hier voor het feit dat de naam van _Helmond_ waarschijnlijk binnenkort zal te vinden zijn op de tooneelbiljetten--zeer waarschijnlijk van een der allerminste gezelschappen in ons land. Nu is het de vraag of dit _kan_ en _mag_ geschieden. Zonder u te hooren, heb ik reeds _neen_ geantwoord. Mij dunkt, acteur mag Philip niet worden; en toch moet hij een kostwinning hebben.--Als uw oudste trouwe vriend, bied ik u gaarne de hand. Maar, er is geld noodig."

"Geld! ha, geld!" zucht Helmond, en drukt de handen vaster tegen het kloppende hoofd.

"Recht gelukkig ben ik August, dat ik waarschijnlijk in de gelegenheid zal zijn om den armen drommel aan een fatsoenlijke positie te helpen. Twee mijner neven hebben het voornemen om een nieuwe brandwaarborgmaatschappij op te richten, en zouden daarin uw broeder tot mede-directeur willen kiezen, indien hij zich bereid verklaarde om het meerendeel der werkzaamheden te verrichten, en minstens tien aandeelen a duizend gulden te nemen of te plaatsen.

"Deze zaak geef ik u alzoo ter overweging. Spoedig hoop ik te hooren hoe gij er over denkt. Philip die de zaak, om de tweede conditie, als een onmogelijke aanstonds verwierp, zou haar gretig aanpakken indien ik hem door mijn _vrienden_--gij verstaat me--die aandeelen bezorgde.

"'t Is dus een affaire van tien duizend gulden. Mij dunkt, indien een man als mijnheer Van Barneveld weet dat hij uw diep ongelukkigen broeder van zulk een stap kan weerhouden, en bovenal dat hij hem een fatsoenlijke betrekking kan bezorgen, waardoor zijn toekomst verzekerd wordt, dan zal hij niet aarzelen om voor een betrekkelijk geringe som aandeelen te nemen in een assurantie-maatschappij die, door een tal onzer eerste families ondersteund, bovendien de beste waarborgen oplevert.

"'t Is dan verder--zooals gij reeds vermoed hebt--mijn voornemen, om Philip, ofschoon werkelijk door de inschrijving van uw oom geholpen, tien andere naamlooze aandeelen te toonen, die reeds door mijn vrienden genomen zijn.

"Bij mijn laatst bezoek, 't welk ik hem gisteren bracht, liet ik de hoop doorschemeren dat ik hem--natuurlijk zonder den steun van u of uw oom--zou kunnen helpen. De arme kerel werd bijna tot tranen geroerd; hij beloofde mij dat tooneeldenkbeeld nog wat uit het hoofd te zullen zetten. Maar.... "de oogenblikkelijke moeielijkheden--?" Nu ja, van mij die zich steeds een oprecht vriend betoonde, en vooral, zooals hij zeide, die steeds aan zijn vrouw de eer had gegeven, welke men haar verschuldigd was--'t is mogelijk dat ik eens bij een ontmoeting op straat, den hoed voor haar heb afgenomen--van zulk een vriend wilde hij nog wel het kleine voorschot van honderd gulden aannemen, 't welk ik hem op kiesche wijze had aangeboden.

"En nu mijn vriend, stel mij niet te leur. Ik wilde onzen braven dolleman er weer zoo gaarne bovenop helpen; hij is het waard, al ware het alleen omdat hij uw broeder is.

"Houd mijn bemoeiingen voor de bewijzen van mijn onveranderlijke vriendschap, en schrijf spoedig aan uw vriend

Everard Woudberg."

Het was dokter Helmond alsof het arme hoofd hem ging bersten. Steeds turend op het schrift, bleef hij in dezelfde houding zitten, met de beide ellebogen op de tafel geleund.

--Ook dit nog!--_Dit_! Welk dit?--Het moest zeker een gevolg van wat koorts zijn, dat hem deze brief zoo loodzwaar op de borst drukte. Had Woudberg dan geen prachtig uitzicht voor Philip geopend? Was het geen heerlijke uitredding voor den armen jongen; geen gelukkige wederoprichting van den naam, dien Philip tot heden maar al te weinig had geteld, en die toch het erfdeel was van een geslacht waaruit, in de laatste twee eeuwen, zelfs zonen tot de hoogste waardigheden mochten opklimmen!

Maar nochtans, terwijl Helmond zoo peinst, klinkt daar telkens een stem, en het dreunt in zijn hoofd: geld, geld, geld, geld!

Opgestaan, zoekt Helmond nu naar het beste geneesmiddel--Het koude water 'twelk hij overvloedig aanwendt, doet hem inderdaad een oogenblik als herleven. Den kletsnatten doek stijf tegen de nekspieren gedrukt, ziet hij nu met verruimden blik de zaken weer in:--Geld is er noodig, veel geld: tien duizend gulden! En het _moet_ er komen. Van oom....? Maar zal het geen vergeefsche moeite zijn om aan oom te vragen, of hij in Philips belang die aandeelen wil nemen! 't Is zoo goed als zeker dat de vroeger zoo nobele man, die langzaam in ongevoeligheid aan een steen gelijk wordt, kortaf zal weigeren.--Ha! nu heeft hij een goeden inval: Woudbergs vrouw zou aan Jacoba als haar oude schoolvriendin kunnen schrijven, met verzoek om haar vader in 't belang der beide oprichters tot het nemen van de aandeelen over te halen.--Ja, wanneer Coba maar geheel op de hoogte is, dan zal ze dat zeker met tact behandelen. De generaal moet niet weten dat hij met zijn geld den armen Philip helpt, zoomin als Philip ooit ontdekken mag dat de hulp van die zijde kwam.

En, Helmond kan aan den aandrang van zijn hart geen weerstand bieden. Aleer hij zich te bed zal begeven moet hij aan 't werk. Spoed is noodzakelijk.--Deze onverwacht schoone uitkomst mag Philip in geen geval door het dralen van zijn broeder ontgaan. Wanneer hij aanstonds schrijft, zoowel naar Amsterdam als naar den Godesberg, dan kon Bus de beide brieven morgen mede zeer in de vroegte bezorgen; en, bij de gerustheid dat August dan deed wat hij kon, behoefde de angst hem niet te kwellen dat hij morgen door ongesteldheid, of door den drang der praktijk--immers hij dient mede reeds vroeg naar _De Schebbelaar_ te gaan--de goede gelegenheid tot schrijven zal missen, die hij nu heeft in het nachtelijk uur. Het water, waarmee de dokter zich gedurig het hoofd verfrischt, heeft hem waarlijk veel verkwikt, althans hij gevoelt geen smart zoolang hij aan zijn lieve pleegzuster schrijft. Het slot van den brief luidde:

"Meer, mijn goede zusje, behoef ik je niet te zeggen. Je vader moet de aandeelen nemen in de meening dat hij er de neven van Woudberg genoegen mee doet.

"De families Woudberg en Van Diense zijn bovendien in Amsterdam als solide bekend, zoodat oom voor zijn geld geene zorg behoeft te hebben.

"Nieuws van belang is hier niet. Meld mij vooral wanneer gij terug denkt te komen, en of het u, lieve Coba, in den vreemde goed gaat en bevalt.

"Hoe ik mij ten opzichte van uw vader voortaan zal moeten gedragen.... 't is mij in al die weken nog niet helder geworden. Ik hoop de kracht te behouden om mijn dankbare liefde voor hem met de innige liefde voor mijn engel te blijven verbinden, 't Heeft mij grooten strijd gekost om uw vader op zijn verjaardag te schrijven, en--in vertrouwen gezegd Coba--Ik geloof niet dat de brief er een van den ouden stempel was.

"Na 'tgeen ik ondervinden en van mijn goeden Van Hake hooren moest--ofschoon hij mij slechts zeer weinig te antwoorden had--was dit niet anders.

"Met een zoen aan mijn lieve zusje, in wier beterschap ik mij zoo recht hartelijk verheugde, en die zich ook nu, naar ik hoop, heel frisch en versterkt zal gevoelen, blijf ik als altijd haar liefhebbende broeder:

August.

Romphuizen van 29 op 30 Aug. 18...."

De pendule met een forsch metalen Minervabeeld erop, sloeg één. Buiten deed de Romphuizer torenklok het haar na.

Helmond zit weer eenige oogenblikken met de beide handen onder 't hoofd. En, zelfs terwijl hij daar schreef was het denkbeeld niet bij hem gerezen, om _zelf_ in 't belang van zijn broeder geld op te nemen. Neen, nu en nooit te voren was hij op die gedachte gekomen, ofschoon hij toch om dit huis.... voor _haar_ te kunnen koopen, met alles wat daarin is--de fraaie pendule op zijn studeerkamer had hem er aan herinnerd--zich niet heeft ontzien schulden te maken, zeer groote schulden!--Hola August, waartoe die zaak zoo gedurig te herkauwen, dat zou je ziek maken; waarachtig dat is tobben; dat is voor een goed deel de oorzaak van je hoofdpijn.--Voort! De brief aan Woudberg moet nog geschreven. 't Geschiedt toch alles in Philips belang. Wie geeft meer, hij die zijn nachtrust opoffert in 't belang van broeder of vriend, of hij die om te helpen geld leent van anderen!?--En Helmond schrijft:

...."Ik twijfel er niet aan beste Woudberg, of uw lieve Emma zal ongetwijfeld die kleine comedie wel mede willen spelen in 't belang van onzen Philip. Op deze wijze--ik ben er haast zeker van--neemt oom het getal aandeelen, en zal Philip kunnen terugkeeren in den stand waartoe hij behoort. Wat uw goedheid voor mijn broeder betreft, ik zal er je steeds erkentelijk voor zijn. Zoo hij mede-directeur der nieuwe verzekeringsmaatschappij wordt, hij heeft het dan alleen aan mijn trouwen Everard te danken.--Wat echter de gelden betreft, die gij aan Philip hebt geleend, ik mag niet toestaan dat de arme jongen in _dit_ opzicht uw schuldenaar blijft. Zeg hem niet dat ik die zaak voor hem vereffende. Gij zelf weet waarom.--Mocht hij u later het geld kunnen geven, welnu, dan ontvang ik het op mijn beurt van u terug. Hiernevens alzoo de...."

Geld! geld! geld! klopt het sterker in Helmonds hoofd. Opstaande trekt hij een paar laden van de prachtige schrijftafel los.--Zie, dat was nog de onbekendheid met de verdeeling of bestemming der laden. _Deze_ is voor de rekeningen. De rekening die bovenop ligt is van den Utrechtschen bloemist. Helmond was die bijna vergeten. En vluchtig leest hij: "Voor UEd. aan heesters en bloemen: driehonderd en dertig gulden" Welnu, 't is immers voor eens, en zoowel voor Eva's serre als voor dien grooten verwilderden tuin is er heel wat noodig geweest. Ah! deze la moet hij hebben. In weinige oogenblikken had Helmond nagezien hoeveel geld aan papier en contanten hij nog voorhanden had. Honderd negentig gulden en eenige stuivers! 't Is een luttele en bovendien een zeer negatieve bezitting, met het oog op den inhoud van de lade, die hij het eerst had geopend. De groote schulden zijn wel alle door de hulp van den notaris kunnen vereffend worden, maar hoeveel is er niet nagekomen, en om zich telkens weder bij den notaris aan te melden, dat stuitte hem tegen de borst.

--Neen de praktijk moet het goedmaken, en langzamerhand zal alles terechtkomen.

--Desnoods kan hij zijn weinige vrije uren aan het schrijven van eenig medisch werk besteden; een populair boek 'twelk men flink honoreeren moet.

--Maar voor het oogenblik?--Aan Woudberg wil hij tweehonderd gulden terugzenden. Woudberg is een beste jongen, maar 't was niet te dulden dat _hij_ het huisgezin van dokter Helmonds broeder onderhouden zal. Tweehonderd gulden!--En het weinige dat daar ligt, al ware het voldoende geweest, kan hij het missen? Wat zou het zijn, geheel zonder geld te zitten in ... een woning met _twee zalen_! En dan, is niet verreweg het grootste deel van dit geld het kwartaal, 'twelk hij morgen volstrekt aan Thomas moet voldoen! Zie, hij had geen onwaarheid gesproken: 't Ligt hier immers klaar in zijn schrijftafel.--Goddank! daar wordt het eensklaps voor zijn starenden blik als brak de dageraad aan: _Donerie's monument_! Een andere kleine lade is ras geopend.--Naast eenige papieren, inteekenlijsten en correspondentiën over het op te richten gedenkteeken--ligt een kleine portefeuille. Helmond, die zich gaarne met het bewaren van de reeds ingekomen gelden heeft belast, neemt haastig de portefeuille en ... Neen, leg neer, dat is misbruik maken van vertrouwen. Dit geld moet tot het bestemde doel onaangeroerd blijven!--Maar is er dan niets, volstrekt niets meer in de roode tasch, waarin hij vroeger als vrijgezel zijn schatten bewaarde?--Hij kan dien ouden getrouwe toch licht nog eens even inzien. Er was links immers zoo'n klein zakje waarvan de voering wat loszat; wie weet of daarachter...? Wie weet?--Neen! de flauwe hoop is reeds in damp verdwenen. Al de zakken en binnenzakjes van de roode tasch, werden doorzocht, maar niets was er te vinden. Deze schatbewaarder van weleer, was, evenals boer Dirksen, nóg rood, maar dood!--Hu! welk een _dwaze_ gedachte was dat! Daar is iets krankzinnigs in zulk een gedachte ... Krankzinnig!--Stil, hij mag zelfs aan dat woord geen plaats geven, 't Is natuurlijk dat hij wat overspannen is. 't Wordt hoog tijd naar bed te gaan. Doch de brief die daar ligt moet voltooid, en aan hetgeen erin staat moet voldaan worden.

--Waarom mag hij dan eigenlijk die tweehonderd gulden niet _leenen_ van de zeshonderd en vijftien, die men reeds voor een eenvoudig gedenkteeken op Donerie's graf bijeen heeft gebracht?--Waarom? Omdat toevertrouwd geld ons heilig moet zijn. 't Is het geld ter vereering van een geliefden afgestorvene.--Geld?--Mag dit doode _bankpapier_ de tolk dier vereering heeten? Neen, 't zal slechts het loon worden voor den arbeid. Het _monument_ zal de vereering dier nagedachtenis wezen. Dit geld kan door ander vervangen worden, indien het maar gereed ligt wanneer men den arbeid betalen moet. Waarom zou hij niet...? Nee! _Nee!_" zegt Helmond eensklaps overluid, en hij schrikt schier van zich zelven. "_Nee!_"

En toch, slechts luttele seconden later heeft hij zijn besluit gewijzigd: Van zich zelven had hij niets te geven, maar wat dáár in geld lag--het geld voor dat monument--immers hij mocht het met recht voor een groot deel het zijne noemen. Zie maar, het gouden repetitie-horloge met den zeer zwaren horlogeketting, waarvan hij zich nu ontdoet, het wordt in de lade gelegd naast die kleine portefeuille waaruit hij twee--neen vier biljetten van honderd gulden genomen heeft. En--geld, geld, geld, bonst weder het hoofd. Maar immers, zijn daad kan zelfs den toets der strikste eerlijkheid doorstaan. Ligt daar geen waarde voor waarde!?

Zooeven had de pendule halftwee geslagen. Helmond schreef weer, en sluit nu zijn brief.--Alles was stil, doodelijk stil.--Een geweldig schellen aan de huisdeur klinkt eensklaps door de holle woning en doet den wakenden dokter hevig ontroeren, 't Verschijnsel dat men in den nacht aan een doktershuis de slapenden komt wakker maken, is zeker niet vreemd, en in denzelfden stond begrijpt Helmond dan ook dat men voor een zieke zijn hulp komt inroepen; doch in deze oogenblikken was het zeker niet onnatuurlijk dat Helmond, bij 't hooren van den hellen klank, is overeind bevlogen met een gevoel, alsof men hem op een misdaad kwam getrappen.

Eerder dan men verwachten kon heeft de dokter zich hersteld. Snel zijn kamer verlatend is hij op het breede bovenportaal naar het raam gegaan 'twelk op 't marktplein uitziet.

Het raam opgeschoven, roept hij naar buiten:

"Wie daar?"

"Ik!" klonk het antwoord, 'twelk zeker het meest voor de hand lag; doch spoedig ook werd die inlichting achtervolgd door de bijvoeging: dat menheer Van Hake liet zeggen of dokter, als hij 't eenigszins kon doen, toch alsjeblieft dadelijk bij vrouw Sturk wou komen, 't Was noodig, en de kuiper ging zoo vreeselijk aan. Als dokter niet kwam dan zou de kuiper gek worden, zeidie, want vrouw Spanning had hij al gedreigd de deur uit te smijten.

--Van Hake! Vrouw Spanning!--Helmond begreep niet wat dit alles beteekenen moest. Maar, duidelijk klonk het naar beneden:

"Zeg dat ik aanstonds zal komen."--En het raam ging weer dicht.

ZEVEN EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

Des anderendaags morgens ging Bus, de nieuwbakken huisknecht--die toch zijn oude functies bleef waarnemen--reeds zeer vroegtijdig naar het nieuwe doktershuis. Het was tegenwoordig halfvijf wanneer hij aan de tuinpoort schelde--niet om de meisjes "die katten" te doen opstaan, maar om ze de rust te gunnen wanneer ze hem maar, inplaats van open te doen, den sleutel van bovenneer toewierpen.

't Zoldervenster werd eenige oogenblikken later geopend, en de nachtmuts van Kaatje, waarin een aardig ondeugend gezicht stak, vertoonde zich in de hoogte, en Kaatje wierp hem den sleutel toe.

"Zoo, ben je daar ouwe palfrenier. Pak aan! Klets.--Da's jammer, 't was op je neus gemunt. Ons roepen om zes uren hoorje! Een kwartiertje erover is ook goed. Zorg dat je water voor onze koffie hebt, taaie! En zie wat er op de lei staat. Bezoer!"

Bus zag wat er op de lei stond:

"Daadelijk die briev in je naamgenoot bezorgen ouwe slaaprok."

--k'Hem!--Bus vond den brief bij de lei liggen. Aan 't adres van mijnheer Debecque. Ja die moest vroeg bezorgd worden, en hij zal hem dan maar 't eerst naar zijn "naamgenoot" brengen--k'hem--maar wat er op die lei staat dát zal nog eerder weg: En Bus veegt de lei schoon.

Toen Kaatje een paar uren later dokter en mevrouw ging "kloppen", toen was mevrouw reeds bij de hand, want ofschoon zij nog geheel in nachttoilet was, aanstonds opende zij de deur der slaapkamer, en gaf Kaatje bevel om het briefje aan mijnheer Debecque, dat dokter gisterenavond gegeven had, nog niet weg te sturen, maar wel de twee brieven, die nu op het portaaltafeltje lagen. Kaatje moest goed toezien, de brief naar Amsterdam moest worden aangeteekend zooals dokter gezegd had.

Voorts zouden de meiden immers wel _heel, heel_ stil zijn, want dokter is bijna den ganschen nacht uit geweest, om vier uren thuis gekomen en nu pas ingeslapen. Mijnheer had ook dit recept voor zich zelf geschreven; Bus moest er dadelijk mee naar mijnheer Van Hake gaan, en dan meebrengen 't geen deze hem geven zou. Tegen acht uren zou hij mede een vigilante bestellen, want dokter moest vroeg naar _De Schebbelaar_. Maar sust! geen leven, en vooral geen geklop meer.

--Wel heerejee, zegt Kaatje bij zich zelve, nu haar mooie mevrouw de deur weer dichtdoet: Zukke kinders! wat al complimenten! Wel heerejee, kun je ook nog meer in één adem een mensch op z'n lijf jagen!--Bon, best, 't zal allemaal plaats hebben; maar als Bus al die viezevazen moet doen, dan kan Kaatje messen slijpen en aardappels schillen en schoenen poetsen. Mersie zeit de Franschman; we kunnen dat luchtje zelf wel scheppen. De brieven da's één; 'en wandelingetje naar Zoethout is twee; 'en viselantje is drie, en--Careltje van den bakker da's vier.

"Waar heb jij dat briefje voor Debek Bus?"

"Al bezorgd Kaatje."

"Domme eend; dat moest niet."

"En 't stond op de lei?"

"Nu taaie, wat is 'en lei! Als 't _schrift_ was; maar leischrift kun je immers uitvlakken."

Bus had Kaatje wel eens eventjes met dien schoenborstel...... maar.....

't Is gelukkig voor Kaatje dat ze er zoo schalks uitziet en zoo'n mooie rooie kleur heeft, want anders: "'t is een dierazie!"

Kaatje vond de morgenlucht allerverkwikkendst. Met den huissleutel boven op de beide brieven; een schoonen boezelaar vóór, en een hagelwit mutsje op, stapt ze zeer langzaam het marktplein over. Wat zou ze _eerst_ doen?--Dat eind naar de post lag uit den weg. Careltje van den bakker stond nu zeker met de mooie forsche armen--zoo natuurlijk--in de bakkerij voor 't open raam aan den wal; niet ver van Zoethout; niet ver van de vieselantes. Zal ze eerst de brieven bezorgen? Maar als Careltje dan eens in dien tijd gedaan had.... Ze zal de brieven 't laatst bezorgen, welzeker, da's sekuurder.

"Goeje morgen vrijster! Kaatje van dokter Helmond niewaar? Iets verloren? Je stondt zoo in gedachten. Toch alles wel thuis?--Zoo vroeg al op 't pad!"

"Wat meen je menheer?" vraagt Kaatje strak.--'t Was de klok.

"'k Zal 't je zeggen. Juist op weg om even bij jelui aan te loopen. Gisteren gehoord, dokter niet heel fiksch was. Watblief? Treurig geval met boer Dirksen niewaar? De heele stad vol van. Je zult er alles van weten."

Kaatje wist van niets; maar van dien gek met z'n spillebeenen begeert ze niets te vernemen.--Careltje kwam toch óók overal en wist evengoed alles.

"Of dokter van nacht al of niet is uitgeweest?" herneemt Kippelaan: "Watblief? 't Is maar eenvoudig een vraag. Vrouw Sturk, je hebt het gehoord; treurig afgeloopen niewaar?"

Kaatje brandt van nieuwsgierigheid om al het nieuws te hooren waarvan ze niets vernam, en waar haar meester zoozeer in betrokken schijnt. Maar van die klok met z'n gewauwel wil ze niets weten. Ze zal 'em in 't riet sturen, en dan als de wind naar Careltje!

"Om je de waarheid te zeggen menheer Kikkelaan...."

"Kippelaan m'n lieve meid! _Kippelaan_, Jules Janin!"

"Juist, ik wou maar zeggen dat de dokter zoo gezond is als 'en visch; dat ie den heelen nacht rustig heeft geslapen, en ook nog in lange geen plan had om op te staan. Nee, in't geheel niet. Nou, als jij, menheer Kikkelaan, zoo'n jonge vrouw hadt, dan... Atjuusjes!"

"Kaatje, m'n lieve.... à propos?"

Kaatje omziende: "Hê, riep je me?"

"Nee, roepen niet. Maar ik zie je den Hoenderveldschen kant opgaan, terwijl je daar brieven voor de post hebt...."

"O wou _jij_ die voor me bezorgen! Jongens ja, dan zou je 'en bolletje zijn."

Kippelaan heeft een sterk bewijs van aarzeling gegeven:

"Bezorgen!--_tuterletu! bezorgen!_ Wát zeg je, _deze_ frankeeren!--ei!--Ja maar m'n lieve Kaatje, je begrijpt...."

Eensklaps, nadat hij vlug de adressen had gelezen--waarom 't hem inderdaad voor 't oogenblik slechts is te doen geweest--neemt hij de brieven met een merkbare gejaagdheid van Kaatje aan; steekt ze zeer haastig in den zijzak van zijn jas die hij aanstonds dichtknoopt, en Kaatje groetend stapt hij haastig voort.

Weinige minuten later bevindt Kippelaan zich met de beide brieven op zijn slaapkamer, die de achterste is der beide bovenvertrekken welke hij bewoont, en onder andere dit verschil heeft met de zitkamer, dat hier slechts twee, en vóór--behalve een kleintje--drie spionnetjes uithangen.

Kippelaan had het onbeschrijfelijk warm. De gordijn voor het venster wordt neergelaten. Ontelbare malen heeft hij van dat venster naar de deur gezien.--Ha! nu was het gevonden! Twee stoelen worden er tegen de goed gesloten deur gezet, en, dwars over die stoelen ligt al spoedig het beddetafeltje, beladen met zooveel wit en blauw aardewerk als er maar voorhanden was en op den zijkant kon geplaatst worden.

In 't sleutelgat der deur zit een watje.