Chapter 3
In den nacht na dien avond lag Eva in een hevige koorts, en weinige dagen daarna besloot kapitein Armelo om dokter Helmond inweerwil van Biermans' bedreiging, bij zijn kind te ontbieden. Haar behoud ging hem boven de vriendschap van den ouden _plattelandsheelmeester_.
En Helmond is gekomen.
En Eva is beter geworden; al spoedig, zeer spoedig.
En morgen!....
--En _morgen_!? herhaalt Donerie bijna overluid: morgen om dezen tijd dan is de bijl gevallen, die mijn leven voor altijd van het hare scheidt. Dwaas die ik was! Waarom zweeg ik dan terwijl mijn hart gloeide van liefde, terwijl die liefde sterk genoeg zou geweest zijn om haar geluk te verzekeren? Dwaas die ik was! Ik heb haar den tijd gelaten om zich te ontwikkelen in een richting, die ik vreesde dat de zwakste zijde van haar anders zoo beminnelijk karakter worden kon. O, had ik haar reeds vroeg, _zeer vroeg_ een blik gegund in mijn hart! Had ik haar doen gevoelen dat zij haar waarachtig geluk zou hebben gevonden in den nederigen stillen kring, waar ze zich aan mijn zij zou bewegen! Had ik haar gesproken van dien glans en grootheid der wereld die zoo velen aanlokt, maar bij 't nader aanschouwen of 't grijpen ervan geen blijvende voldoening schenkt; had ik haar daarvan gesproken in tegenstelling van den waren rijkdom, dien wij te zamen in onze heerlijke Kunst, in onze Liefde zouden bezeten hebben! Had ik.... Zwijg dan dwaas! uw _verstand_ moest immers de overwinning behalen; zóo hadt ge in uw wijsheid besloten! Een meisje als Eva kon met u niet gelukkig zijn.... of althans op den _duur_ niet gelukkig wezen; gij wist het vooruit.... welnu!....
Onbestemde, maar meestal zeer droeve denkbeelden blijven het kloppende hoofd van den jongen muziekmeester vervullen. 't Is eindelijk alsof het rustiger wordt in zijn fel bewogen gemoed.
--Je hebt het zoo gewild Herman, denkt hij voort terwijl hij nogmaals het portretje beziet: Mor dan niet langer. Zij heeft je dat bittere leed niet berokkend, dat lieve kind! Neen;--Hoe zou ze mij nog straks dat verzoek hebben gedaan wanneer zij er iets van begrepen had. Neen Eva, kleine lieve Eva--_mijn Eva van vijftien jaren_--zóó hard en gevoelloos zou je niet geweest zijn.--Goddank! ik ben ziek; dat zul je nu weten door je vriend, en begrijpen zul je dus ook dat ik het schoonste oogenblik van je leven niet wijden kan door mijn kunst. _Begrijpen_, ha!
--Moedig Herman! peinst hij nog voort na een oogenblik van pijnlijk hoofdschudden, terwijl zijn oog strakker op het aanvallige meisjeskopje staart: moedig nu, dat gezichtje mag zóó niet langer door je beschouwd worden; dat schoone kind, het meisje dat je altijd toelacht, het mag je zóó niet meer aanzien. Iets anders wekt die aanblik bij je op dan hij verwekken mag. Dat kind is nu de bruid, ja haast de vrouw van een ander.--Moedig dan! verscheur dit blaadje karton opdat de aanblik ervan je hart niet meer beroere, en schuldig doe staan voor 't oog van God en je zedelijk gevoel. Weg met de beeltenis van dat schoone kind!---Maar, zij _was_ immers toch je élève! zij zelve gaf je dat blaadje.--Zie, haar naam staat daar--en onder den uwe.--O God! ben ik dan schuldig als ik de beeltenis van het vijftienjarige meisje een enkele maal bezie met een kalmen blik, met de bee voor haar heil in het hart? Neen, ik kan het niet verscheuren, ik _kan_ het niet wegdoen. Mijn God, wat bonst weer dat hoofd. O Eva, Eva! als je wist wat ik lijd!....
TWEEDE HOOFDSTUK.
Dokter Helmond heeft intusschen nog een drietal patiënten bezocht, en aan koster Bik inplaats van het oude roode karpet, het nieuwe Deventer tapijt voor de trouwplechtigheid besteld. Zijn laatste doctorale visite zal hij bij "den majoor" brengen, want de majoor, ofschoon aan de beterhand, is toch de eenige patiënt van wiens ziekte hij nog voor weinige dagen vreesde dat zij een leelijke hinderpaal voor het beraamde reisplan kon worden.
De zieke majoor zit op een weelderig gemeubileerde, zeer warm gestookte kamer, met een rooden Turkschen sjaal over een dicht gesloten chamber-cloak, en een fraaie reisdeken over de beenen, in een voltaire bij het venster.
"Phu majoor, wat een hitte!" zegt Helmond bij 't binnenkomen, en blijft op den drempel staan.
"Er in of er uit dokter, als je blieft!" roept de man met den sjaal: "je zet me op een tocht wie de drommel!"
"Ja, om u de waarheid te zeggen majoor, liever bleef ik er _buiten_ als het u om 't even is."
"Ben je razend dokter, zoo is het niet bedoeld. Maar je zet me op een vreeselijken tocht. Je hebt me aanbevolen om me vooral te ontzien en warm binnenskamers te houden, en moet jij me nu zelf op apegapen zetten! Kom dokter, maak geen gekheid.--Herein als je blieft?"
Helmond komt binnen; doet de deur achter zich dicht; gaat naar het venster 't welk niet door den majoor werd ingenomen; schuift het zoo hoog mogelijk op, en opent daarna de haarddeur terwijl hij de schuif een weinig verzet. Na een kernachtige rede van den patiënt wordt deze eindelijk door zijn dokter overtuigd dat het zóó beter is. Het weer was immers buitengewoon zacht, en de lucht op de kamer--ook ten gevolge van den walm der steenkolen--zeer onaangenaam en ongezond.
--Het consult is afgeloopen.--Met weinige woorden herinnert Helmond nu zijn patiënt dat hij morgen de gelukkige echtgenoot van Eva Armelo hoopt te worden.
"Te henker ja, daar heb ik met m'n zieke karkas niet aan gedacht. Ei ei, gaat morgen de kogel door de kerk, ha ha! 's-Lands wijs, 's-lands eer! Wel _ja_, waarom niet! Mooie vrouw! charmant mooie vrouw, waarachtig!"
"Ik moest u dit alleen herinneren majoor, omdat ik nu een groote veertien dagen vanhuis denk te gaan."
"Wat blief je, vanhuis? Op reis? Jij als dokter op reis? En wou je mij dan in den steek laten? Is mijn corpus je zóóveel waard menheer de dokter? Weet je wel dat ik d...... hard ziek ben geweest?"
"Jawel, u is zeer, zeer...."
"Zeg maar dat ik het voor den dood heb weggehaald."
"Tenminste...."
"Tenminste dat malle schaap van een juffrouw hieronder kwam me dien Zondag-avond heel christelijk overbrieven, dat je bij 't heengaan zeer bedenkelijk de schouders hadt opgehaald."
"Er was reden tot bezorgdheid, maar u is nu zóóveel beter majoor, dat ik gerust...."
"Gerust! jawel, welzeker: jij kunt gerust met je jonge vrouw aan den zwier gaan, dààr is geen gevaar bij; maar als ik hier mocht instorten door kou vatten, door open ramen--ik zou dat raam nu maar dichtdoen, jawel, jawel; we zijn hier in 't kikkerland en niet in Oost-Indië... als je blieft....!"
"Het dient open te blijven totdat de atmosfeer hier wat zuiverder zal zijn. Wat uw vrees voor instorten betreft, daar is niet veel grond voor, tenzij u excesses mocht doen die...."
"Ik ben geen kind menheer Helmond; maar je weet zoo goed als ik, dat een ongeluk in een klein hoekje zit. Dezen nacht voelde ik hier.... zieje _hier_ zoo'n pijn, zoo'n bijzondere drukking, en ik kan je zeggen dat me 't klamme zweet uitbrak, niet omdat ik bang ben voor pijn, maar omdat... in verband zie je... en..."
"Die pijnlijke aandoening staat in geen het minste verband met de ziekte die gelukkig aan 't wijken is; en ik ben er vrij gerust op dat u bij mijn terugkomst weer geheel in orde zult zijn. Met de middelen, die ik u voorschreef, stilletjes voortgaan; matig versterken, en....."
"Ja, dat is nu allemaal tot je dienst; maar waarvoor heb ik een dokter als ie voor zijn plezier reisjes mag maken, en mijn karkas in den steek laat? Nee, ik ben in 't geheel niet beter. Van nacht bijvoorbeeld overviel me een benauwdheid, die zoo iets te beteekenen had: 't nachtlicht was uitgegaan; 't was zoo donker als in de hel, en 'k dacht een oogenblik dat ik levend in de kist lag..."
"Zeker een soort van nachtmerrie majoor. U hebt toen 't licht weer aangestoken?"
"Natuurlijk!"
"En 't ging toen beter nietwaar?"
"Dat is te zeggen toen kreeg ik die pijn. Wàt je me nu ook vertellen moogt, ik heb m'n gevoel; en als ik zoo iets wèèr kreeg dan zou ik m'n dokter willen hebben, zelfs midden in den nacht, want de angst zou iemand..."
"U bent toch niet bang majoor?"
"Ik! te donder, wie zegt dat! Maar als je alleen ligt, je maakt je dan van die zwartgallige voorstellingen, zieje, in één woord...."
"Hoor eens majoor! met 't oog op morgen moet ik mijn bezoek wat bekorten. U weet het: 't is in dezen tijd een bijna algemeene gewoonte dat jonggetrouwden op reis gaan."
"Juist, maar een dokter..."
"Een dokter die geen patiënten heeft wier toestand zijn bijzondere zorgen vereischt; die bovendien zijn praktijk--en voor korten tijd--aan een collega kan overdoen, die dokter maakt van een recht gebruik, dat niemand hem zal betwisten, en het allerminst de patiënt, die van een vrij ernstige ziekte herstellende is."
"Zoodat ik dokter Helmond nog op den koop toe zou moeten bedanken voor de beleefdheid dat hij mijn korpus aan een ouden kwakzalver endosseert. Ik zeg je dat ik me beroerd gevoel, heel beroerd; en als me in dien tusschentijd wat overkwam, jij zoudt het op je geweten hebben; ja waarachtig!" Hij slaat met de vuist op de tafel.
"Er zal u niets overkomen majoor; tenminste als u je niet driftig maakt. U hebt me dikwijls gezegd--misschien zonder er veel bij te denken--dat u "aan een beroerte zoudt heengaan." Maar zóóveel is zeker, dat ik u--behalve een matig leven enzoovoorts enzoovoorts, ten zeerste kalmte moet aanbevelen, of anders...."
"Wat! denkt jij òòk dat ik aanleg voor een be.... be.... roerte heb?--Ik!? Je hebt er altijd om gelachen...."
"In de sociëteit majoor."
"Ja juist in de sociëteit."
"Ik begreep dat het u te doen was om op dat punt een geruststellend advies van een uwer vrienden, misschien wel van uw dokter uit te lokken. Mijnheer Kippelaan bleef dan ook zelden in gebreke met zijn: Kom majoor, ù een beroerte! je wordt honderd jaar oud."
"Maar zou je dan waarachtig denken dat ik...."
"Ik denk majoor, dat u méér vertrouwen in me stelt dan je me straks woudt toonen. Toen u er slecht aan toe waart, toen hebt u gezegd: jij kunt me beter maken dokter; doe alles wat in je vermogen is, dan zal ik.... enfin, die belofte doet niets ter zake. En nu--nù moet ik weer met _zekerheid_ bepalen dat u aan een beroerte...."
"Neen, ben je gek, dat moet je niet met _zekerheid_ bepalen, ik wilde...."
"Mijn besluit is eenvoudig: dat ik mij in het vertrouwen van den majoor mag verheugen; ongetwijfeld zal hij mij dus gaarne een goede reis wenschen, indien ik hem verzeker, dat ik er geen het minste bezwaar in zie om hem voor een veertien dagen te verlaten, vast overtuigd dat hij tegen dien tijd weer geheel en al beter zal zijn."
"Zoo.... is er dan waarachtig geen kwaad bij? En die drukking hè? Kan die niet van invloed wezen op die ber....--Nee, in allen ernst dokter, is daar met zekerheid iets van te zeggen? Zie, een beroerte vind ik nu juist het beroerdste wat er is. Je moet niet denken dat ik bang voor nommer één ben, God beware! maar...."
"Hoor eens majoor, zeer zeker dragen we voor 't meerendeel onzen laatsten vijand van kind afaan met ons. Voordat hij zich echter vertoont, zou het een schermen in 't blinde zijn om hem te willen bevechten, en kon men juist wel eens groot gevaar loopen hem door ontijdig wapengerammel wakker te maken. Weet u majoor, wat de verstandige mensch alleen ten opzichte van dien vijand verplicht is? Mijns inziens moet hij zich oefenen om in den tijd van nood de wapenen te kunnen hanteeren, hij moet _geduld_ leeren oefenen en _zelfbeheersching_; terwijl hij alle vrees voor den dood--een ding, waar hij ten slotte toch niets van gevoelen zal--met kracht als lafhartig moet zoeken te bestrijden. Tot weerziens majoor. Vooreerst nog trouw innemen, en binnen een paar dagen eens de lucht in. Vaarwel!"
Helmond heeft al sprekend het raam weer dichtgeschoven en gaat nu heen.
De majoor hem naziende zegt, met een vuistslag op de tafel en een vloek als tusschenwerpsel:
"Wát! denk jij dat ik een wezel en bang voor den dood ben?"
Helmond omziende:
"De majoor heeft naar mijn opgedane ondervinding nog te veel levenslust om nu al naar den dood te _verlangen_. Ik herhaal dat onthouding en kalmte hem 't meest geraden zijn."
"Ah! tourneer je het zoo. Nou, dat was je geraden. Je moet voor den d.... niet denken...."
Maar dokter Helmond is al vertrokken.
De majoor Kartenglimp blijft een oogenblik met zijn donkerbruine oogen naar de deur staren, en roept dan zoo luid hij kan den vertrekkenden dokter terug. Dewijl Helmond niet verschijnt, grijpt hij de zilveren tafelschel, die voor hem staat, en doet haar geweldig klinken.
Helmond komt niet terug.
Kartenglimp schelt nog eens, en sterker, en zeer langdurig. Eindelijk verschijnt juffrouw Ketel, zijn hospita.
"Zeg, loop jij wie den drommel den dokter na, en zeg hem dat ie hier komt."
"Wel wel majoor, wat een leven en haast! De dokter is...."
"Roep 'em zeg ik je; ik moet 'em nog spreken."
Juffrouw Ketel gehoorzaamt; althans zonder tegenspraak gaat ze naar beneden. Tien minuten later zegt ze aan haar dienstmeid--een heldere deern van vijf en twintig à dertig jaren:
"Ga jij maar naar boven, en zeg dat je den dokter nageloopen maar nergens gezien hebt; en, dat ie ook niet thuis was."
Mietje maakt een knipoogje en brengt de boodschap aan den majoor.
Na weinige seconden stond Kartenglimps gelaat in een geheel andere plooi dan toen de dokter vertrok. Mietje heeft hem vrij knaphandig uit een aangewezen fleschje een goede dosis barnsteendroppels toegediend; straks heeft ze gezegd, dat ze "verachtig naar beneden moest, want dat anders de juffer 't in de mot zou krijgen;" en toen met een bijzondere vrijmoedigheid, terwijl zij zich aan zijn arm onttrekt: "Ei, ik zie wel dat je aan de beterhand bent, maar nou mot ik naar beneden. Atjuus!"
Toen dokter Helmond haastig den weg naar zijn woning vervolgde om er, alvorens naar den generaal te gaan, nog 't een en ander--ook voor zijn patiënten--te bezorgen, toen kwam hem bij 't omslaan van den hoek der Groote Kerk, een "jongmensch" van omstreeks veertig jaren met zeer magere beenen en grooten neus te gemoet, die, met de beide handen naar hem uitgestrekt, al spoedig Helmonds hand omklemde en gedurende zijn gansche, tamelijk radvloeiende en schelluidende toespraak, op 't innigst er mee aan 't karnen bleef.
"Fameus veel plezier dokter, je nog te ontmoeten. 't Doet me almachtig veel genoegen dat je 't zoo treft. Ja niewaar, je treft het bijzonder. Alles wèl niewaar? Je meisje--je bruidje wil ik zeggen, en de familie, en de generaal, en dat heerlijke weer niewaar? _Be sure_ dokter, ik ben jaloersch op je; je hebt een engel van een meisje, van een bruidje wil ik zeggen; reëel 't is een engel! Morgen, enfin, hé? Ik benij je. Ja waarachtig, als jij het niet was dan zou ik je benijen. Ook in de kerk hé? 't Zal zeker vol zijn. Algemeene belangstelling; je hoort van niets anders.--'s-Middags op reis niewaar? Zeker naar Zwitserland? Ja ja, je zult het niet aan de groote klok hangen. Nou, van harte--van harte hoorje, als je, soms iets hebt, in je absentie.... van harte hoorje, van harte!"
"Dankje Kippelaan, 'k ben van je belangstelling en hulpvaardigheid ten volle overtuigd;" zegt Helmond terwijl hij zijn hand uit de dansende klem zoekt los te werken: "Je neemt me niet kwalijk, maar ik heb nog zaken, en dus...." Wuivend met de bevrijde hand: "Tot weerziens, adieu!"
"Och-kom, is die haast zoo groot?" herneemt Kippelaan terwijl hij met een snelle beweging Helmond in den weg treedt: "Vijf minuutjes? toe, vijf minuutjes, daar kun je niet tegen hebben? Je bent hier vlak bij m'n huis. Eventjes inwippen hé? Staandvoets een klein beetje parfait d'amour. _Parfait d'amour_ hé? Watblief? Dat kun je niet weigeren?"
"Nee Kippelaan; waarlijk...."
"Allemaal gekheid, dát kun je niet weigeren: Parfait d'amour!? Op de liefste!? Op morgen?" Hij vat Helmond onder den arm en noodzaakt hem een paar schreden met hem voort te gaan.
"Stellig Kippelaan, ik heb geen tijd; ik hou je parfait d'amour te-goed. Je weet bovendien dat ik nooit...."
"C'est vrai! c'est juste! Maar in m'n keldertje heb ik ook delicieuze pomerans. De majoor zegt dat je ze nergens zoo drinkt. A propos 't gaat beter hé? Ik kreeg tweemaal niet thuis. Een beroerte? Half verlamd hé? Zeg, ga je morgen naar Rotterdam, of zul je over Arnhem langs den Rijn....? Naar Rotterdam hé....?--Jawel, já wel je moet nu even mee binnen."
"Maar ik herhaal je nóg eens dat ik geen tijd heb. Oom wacht me tegen halfzes op _De Zonsberg_ met 't eten. Je zult dus begrijpen...."
"Allemaal gekheid, ik hou je geen twee tellens op. Eventjes, eventjes maar. Je kunt dan, en passant, m'n nieuwe causeuse eens zien. 'k Geef je te raaien. Je zult ze prachtig vinden. Tachtig gulden; massief parole d'h...."
Helmond brengt zijn hand, die opnieuw werd gekerkerd, niet zonder eenig geweld in vrijheid; maakt een afwerende beweging, en zegt haastig: "Die kom ik later eens kijken;" en gaat dan zoo snel mogelijk naar den kant zijner woning.
Nog geen twee schreden ver, daar voelt hij zich bij het pand van zijn jas grijpen, en terzelfder tijd een looden druk op zijn schouder. Weer is hij tot stilstaan gedwongen. Kippelaan mocht hem zóó niet laten vertrekken. Als Helmond dan volstrekt niet binnen wil komen en in geen geval iets gebruiken, dan moest Kippelaan hem toch nog even de hand drukken, en--daar hadt je het lieve leven weer gaande: Helmonds hand dubde nogmaals en sterker dan straks tusschen hemel en aarde:
--"....en Gods allerbesten zegen, hoorje.... en dat je die prachtige engel in alle opzichten.... en gelukkige reis hoor! Maar als je morgen te Rotterdam logeert, ga dan niet in _De Keizer van Marokko_, dat is afzetterij.--_St.-Lucas_!--Ik zie je er al met je beien; delicieuze tafel.--'k Neem 't je niets kwalijk dat je me niet op de partij van eergisteren hebt gevraagd; heusch niet, niemendal, hoor! Je kondt al je vrienden niet vragen. En morgen in _De Gouden Arend_, dat begrijp ik ook best. Maar je ziet me in de kerk.... 'k Zal je een oogknipje geven.--Zeg, tóch een klein dropje....? Eén _heel_ klein droppeltje pomerans?"
Vijf minuten later treedt dokter Helmond, die door een snelle beweging aan vriend Kippelaan is ontkomen, zijn eigen woning binnen.
Het doktershuis is een kleine en lage, maar vriendelijke woning, gelegen aan den buitenkant van het stadje, welke buitenkant door velen de wal of het walletje, door sommigen de singel genoemd wordt.
Het woonhuis met vier ramen in den gevel, een deur in 't midden en een hoog zoldervenster boven die deur, moet ongetwijfeld in de laatste dagen belangrijk zijn opgeknapt. Het witte pleister is zoo blank als verschgevallen sneeuw, terwijl de palissanderhoutkleurige verf der voordeur en de lichtgele of witte tinten van kozijnen en lijstwerk, glimmen dat het een lust is. 't Ligt daar heel aardig dat kleine huis. Een zeer smal tuintje--of liever een paar smalle bloemperken met een klinkerpaadje in 't midden, scheidt het van den wal, die de geliefkoosde wandeling is der Romphuizers, en door fiksche ijpe en lindeboomen wordt overschaduwd. Het eenige dat men jammer kan noemen is, dat men om in de woning van dokter Helmond te komen, drie trapjes in den wal naar beneden moet. 't Huis ligt van den wal gezien wel een weinig in de diepte, en mist ook daardoor voor een goed deel het fraaie uitzicht op _De Zonsberg_ en de bosschen van Hoenderveld, 'tgeen men ten volle zou hebben indien het huis een voet of drie hooger lag.
Nochtans voor dokter is de ligging van zijn huis juist een zeer gewenschte. Zijn woning is de laatste van een--althans voor het stadje--vrij drukke straat die op den wal uitkomt, en ofschoon nu de voorgevel iets te laag is om het fraaie uitzicht te genieten, zoo geeft de rechter-zijmuur het voorrecht dat men door een tweede buitendeur zeer gemakkelijk en zonder den wal op te gaan erbinnen kan komen, terwijl bovendien de ramen in dien zijmuur het gezicht op de straatpassage vergunnen. Wat inzonderheid die zijdeur bijna onmisbaar maakt, is de omstandigheid dat Helmond, zooals dat in dorpen en kleine steden nog altijd gebruik is--zijn eigen apotheek houdt. Nevens die zijdeur dan, en alzoo in het achterhuis, bevindt zich Helmonds apotheek. Wie dokter spreken of uit de apotheek iets hebben moet, komt in de Hoenderveldstraat en niet aan de voordeur op den wal. 't Is aan de klompen, die dikwijls in de straat voor het drempeltje staan, zeer duidelijk te zien dat het doktershuis de zijdeur wel noodig had.
Helmond is van de straatzijde in zijn woning gekomen, en treedt aanstonds rechts de kleine apotheekkamer binnen.
"Is er niets geweest Thomas?" zegt Helmond tot een jonkman met blonde haren, die achter de toonbank aan 't vouwen van poeders is.
"Nee dokter, niemendal;" zegt de jongen terwijl hij merkbaar Helmonds blik zoekt te ontwijken.
"Niemand voor de apotheek Thomas?"
"Nee dokter, geen mensch...."
"'t Ruikt hier zoo sterk naar spiritus nitri...."
"Hé.... o ja, jawel dokter," aarzelt Thomas en bukt zich om iets op te rapen dat er niet ligt: "ja ziet u, ik heb bij vergissing...."
"Kun jij je vergissen Thomas?"
Thomas heft het blauwe oog tot hem op en zegt:
"Och dokter, moe was zoo.... Dokter zal wel begrijpen."
"Zij is toch niet ongesteld?"
"Nee dokter, Goddank nee! Moe is heel wel, en den heelen morgen was zij bezig, maar.... wat zal ik u zeggen: Moe is dezer dagen een beetje van haar stuk.--Ja, eigenlijk van haar stuk," herhaalt de jongen terwijl hij de recepten inziet, die Helmond uit zijn portefeuille genomen en hem stilzwijgend heeft toegereikt: "Och ja dokter, 't kan moe zoo ineens overvallen dat ze.... geen woord meer...." Thomas draait zich plotseling om; kijkt naar de medicijnflesschen, en potten omhoog; pakt er een, zet hem met een zijdelingsche beweging op de toonbank en ziet weer naar de flesschen en potten, doch schijnbaar zonder te kunnen vinden wat hij hebben moet.
Helmond vraagt niet verder. Een oogenblik later zegt hij:
"Thomas, ik reken er nu vast op dat je in mijn afwezigheid alles nauwkeurig volgens afspraak zult behandelen. Zoo dikwijls collega Biermans hier mocht komen, zul je zeker beleefd en vriendelijk tegen hem zijn."
"Alles wat ú verlangt dokter, dat doe ik met liefde; beleefd wil ik tegen dokter Biermans zijn, maar vriendelijk....."
"Nu, je weet wat ik bedoel. Mocht er voor 't overige soms 't een of ander wezen waardoor mijn spoedige thuiskomst noodzakelijk werd--ik bedoel een zeer ernstig ziektegeval met een bepaald verlangen naar mijn persoon, telegrafeer me dan, zooals gezegd is terstond aan een der opgegeven adressen. Ik vertrouw echter Thomas, dat je dit niet dan in werkelijk hoogen nood zult doen."
"Dat spreekt immers vanzelf dokter. Alles zal zeker goed gaan. Ik.... ke...."
"Was er nog iets?"
"Nee dokter, nee; maar...."
"Beter vooruit gevraagd dan naderhand verlegen te zitten Thomas!"
"Nee dokter, toch niet, 't was alleen...."
Helmond krijgt nogmaals het achterhoofd met de blonde haren van zijn provisor te zien.
Thomas tuurt opnieuw naar de etiquetten der potten en flesschen.
"En wát was er dan Thom?"
Na een oogenblik van stilte komt de provisor, niet zonder eenige zelfoverwinning den jongen patroon nabij, en zegt terwijl hij hem met zijn blauwe oogen vriendelijk en trouwhartig ofschoon vluchtig aanziet:
"Dokter, moe en ik, we zouden zoo graag.... we dachten... we..."
"Je goede moeder heeft toch geen oogenblik gedacht dat ik zou heengaan zonder nog eens bij haar te komen! Maar mijn beste jongen, ik kom immers van avond weer thuis en ga morgen niet vóór elven de deur uit. Wel zeer zeker moet ik je moeder nog eens spreken.--Kom, ik wil haar maar aanstonds opzoeken."
Uit de apotheek in de achter- of dwarsgang der woning teruggetreden, gaat Helmond links zijn spreekkamertje voorbij, en klopt dan aan het eind van die korte gang op een deur.
Thomas is den patroon gevolgd, nadat hij even de binnenknip op de straatdeur heeft gedaan.
Nu Thomas in de woonkamer van zijn moeder komt, ziet hij hoe de goede vrouw den jongen dokter met een ongewone trilling van het hoofd te gemoet gaat.