Chapter 29
Misschien heeft dat karretje, aan de hoofdpijn, die hij op _De Schebbelaar_ het eerst gevoelde, geen goed gedaan, althans zij is er niet beter op geworden, en, nu hij een oogenblik in mevrouw Van Hakes huiskamer op de ouderwetsche doch gemakkelijke sofa zit, nu gevoelt hij dat die rust hem goeddoet. Ja, 't een en ander had hem van streek gebracht. O wat zou hij niet willen geven indien hij slechts een uur vroeger bij Dirksen ware geweest, al had de afloop dan ook dezelfde moeten zijn.
"Ja zeker Thom, dikwijls _moet_ men wel uren laten voorbijgaan eer men een zieke bezoeken kan; maar nú, om een niets!"
"U hadt visite. De familie. Mij dunkt dus....."
"Jij bent een goeje kerel Thom; maar weet je waar mijn "onverbiddelijke" zit? Niet? Hier, _hier_ zit ie; hier vanbinnen. Die is crimineel."
"Ja maar dokterlief," zegt mevrouw Van Hake: "men moet zoo iets toch niet te sterk trekken. Mijn trouwe man was de braafheid en ijver in eigen persoon, maar bij een geval als dit zou hij het hoofd hebben gebogen en gezegd: "Hier misgunde de dood den dokter zijn brood." Een geval als met boer Dirksen behoort tot de zeldzaamheden."
Helmond knikte haar vriendelijk toe, maar antwoordde niet. Het glas frambozenazijn, 't welk de goede vrouw hem intusschen gereedmaakte, nam hij dankbaar aan, en dronk het met lange teugen, doch, starend naar den grond en zonder inderdaad goed te proeven wát men hem ter verfrissching geschonken had.
Thom met zijn volle liefde voor den braven meester, heeft Helmond een wijle in stilte gadegeslagen, en oppert nu aarzelend het vermoeden dat dokter door dien val toch meer van streek is dan hij bekennen wil.
Maar neen, waarlijk, de goede jongen moest daarvoor geen zorg hebben; de pijn aan het been was al beter, en 't hoofd zou na een goeden nacht, morgen wel heelemaal in orde zijn. Thom kon toch wel begrijpen, dat de omstandigheid op zich zelve reeds genoeg was......
"Om u wat onplezierig te stemmen. Ja zeker," valt Thomas in: "maar als u dan reeds aan die goede Hanna hebt kunnen zien hoe een onbevooroordeeld mensch de zaak zal opnemen, dan moet u er waarlijk niet zelf zoo'n gewicht aan hechten. Als mevrouw u zóó zag thuiskomen...."
"Wat zeg je Thom, zie ik er uit dat mijn vrouw zal schrikken wanneer ze mij ziet?"
"Wel heere nee!" vallen moeder en zoon schier gelijktijdig uit: "'t is maar alleen als u zoo ernstig kijkt!" En mevrouw Van Hake, die nu begrijpt dat men dokter maar liefst over geheel wat anders moet spreken, laat er schier onmiddellijk op volgen: "Ik geloof dat Eva toch bijzonder met het huis blijft ingenomen," en dan half lachend: "beter dan met Bus als huisknecht."
Thomas die zijn moeder verstaat, valt nu mede half lachend in:
"Ja, Bus zei van avond, dat ie z'n eigen blind keek op z'n eigen als ie zoo'n lichte jas aanhad, en dat ie, vooral met die jonge meiden, er genoeg van kreeg."
Of moeder en zoon de rechte snaar niet hebben getroffen, althans Helmond antwoordde ook nú niet; maar, eensklaps zich vermannend en opziende alsof hem iets inviel, zegt hij:
"Thom, jij bent niet om je kwartaal gekomen; 't is waar, ik had het je kunnen meebrengen, maar...."
Onwillekeurig hebben moeder en zoon elkander vluchtig aangezien. Thomas kreeg een kleur. Ze hebben er niet om willen vragen; en toch....
"O, wat dat betreft dokter," zegt hij met eenige aarzeling: "dat zou wel terechtkomen. We begrepen heel goed dat u met al die drukten van verhuizen en allerlei, zoo iets gemakkelijk vergeten kondt."
"Natuurlijk," valt de weduwe in: "vooral ook omdat u hier niet meer in huis woont. Ja zeker, men kan dat begrijpen."
Helmond die was opgestaan met het besluit om zich krachtig te toonen, is onwillekeurig nogmaals in de oude sofa neergevallen, en, met het hoofd in de hand geleund, zegt hij nu op een toon waardoor moeder en zoon opnieuw tot het wisselen van een snellen blik worden gedwongen:
"Ja, ik heb wat veel aan het hoofd.--'t Liep wat druk in den laatsten tijd."--Eensklaps opziende, met iets luchtigs in den toon alsof hij bevreesd is dat men hem zekere zorgen zal toeschrijven; "Wat je kwartaal betreft Thom, 't ligt klaar in mijn schrijftafel." En dan weder opstaande: "Komaan, nu zal ik 't wijfje eens gaan opzoeken. Ze had wat hoofdpijn van avond."
Met leedwezen vernemen Thom en zijn moeder dat mevrouw Helmond ongesteld is. Maar gelukkig volgens dokter heeft het niet veel te beteekenen. Ze had zelfs van middag nog prachtig gezongen: "Ja dat moet u toch eens komen hooren mevrouw; 't klinkt heerlijk in onze groote kamer. U zult zelve toestemmen dat Eva gelijk had toen ze _hier_ niet spelen of zingen wilde. 't Was hier te laag, veel te laag."
"Zeker, dat scheelt nog al," zegt mevrouw Van Hake: "maar anders, och dokter, dit huis...."
Thom, die bij zijn moeders laatste woorden door allerlei gebaren tevergeefs heeft getracht haar opmerkzaamheid tot zich te trekken, valt nu haastig in:
"Moe wil zeggen dat de herinneringen haar dit huis zoo lief maken. Maar moe begrijpt natuurlijk dat mevrouw.... niewaar moe....?"
"O ja Thom, jawel; wie zou dat niet begrijpen; voor een jonge vrouw met zulk een talent en zooveel smaak! zeker, als men het _hebben_ en _doen kan_--dat weet dokter ook wel, dan...."
Thom, onzichtbaar voor Helmond, staat te schudden met het hoofd en bijt zich fel in de lippen. Nee, _nee_! Moeder moest nu vooral niets doen blijken. Och, hij weet wel dat ze zeggen moeten 'tgeen hun op het hart ligt, maar niet dezen avond. Immers, Thom zweeg al zoo lang, ofschoon het hem dikwijls strijd heeft gekost. Maar had hij dan ook aan dien goeden meester de harde woorden van den pleegvader kunnen overbrengen? 't Was al erg genoeg dat hij hem, na zijn bezoek op _De Zonsberg_, heeft moeten zeggen dat de oude generaal wel wat verstoord was over den koop van het oud-burgemeestershuis, en dat hij dokter nu in geen geval meer ontvangen kon, aangezien hij morgen naar een badplaats ging.--Thomas heeft gezwegen, want, moeder had immers mede gezegd dat die oude man het wel wat _al_ te ver trok. Dokter mocht dan wat erg toegeeflijk--ja soms wat zwak zijn ten opzichte van zijn jonge vrouw, hij was toch zeker zoo onverstandig niet, meer te doen dan hij verantwoorden kon.--Maar ach, in den laatsten tijd heeft men toch wel eens gevreesd dat de trouwe vriend inderdaad meer deed dan.... Doch stil, stil! nu geen woord. Ha! moeder heeft hem begrepen;--zij wenkt het hem zijdelings toe. Nu zal men zwijgen, maar later spreken; ja, want er moet een eind aan komen, in aller belang.
Helmond heeft den hoed opgezet.
--Nee, waarvoor zou Thom met hem meegaan? Dan zat bovendien zijn moeder alleen.--Of hij duizelig is?--"Nee goeje vent," zegt Helmond zoo vroolijk als hij kan: "duizelig ben ik in 't geheel niet. Ik dacht dat mijn handschoen gevallen was. Enfin, wil je me volstrekt een klein eindje brengen? Komaan dan maar. Goeden avond lieve mevrouw. Thom is hier aanstonds terug.--Nee, we zullen over boer Dirksen niet te veel tobben, al blijft het me leed doen.--Slaap wel!--Komaan m'n vrind, je arm! Jawel, jawel, nú moet ik er alles van hebben."
Toen Van Hake zijn goeden beschermer had thuisgebracht, en naar huis terugkeerde, toen kwam hem een vrouw tegemoet die bijzonder veel haast had, en hem vroeg: of dokter Helmond tegenwoordig niet dáár in dat groote huis woonde?"
"Ja. Moet dokter ergens komen?"
"'t Is voor de vrouw van den kuiper Sturk;" klonk het antwoord: "Zooals men meende zou 't er op aanloopen. 't Was volgens berekening een veertien dagen te vroeg, maar 't schijnt zoo te willen."
"Dokter is ongesteld."
"Ja dat kun jij wel zeggen, maar hij _moet_ mee. Hij heeft haar aangenomen; en ik zeg: 't is wel om 'en _kind_ te doen, maar daarom niet _kinderachtig_."
Thom verkeert in den grootsten tweestrijd. Helmond was volstrekt niet fiksch bij 't naar huis gaan; hij gelooft zeker dat dokter wat koorts had; inderdaad vertrouwde hij wel dat dokter na een rustigen nacht morgen veel beter zal wezen, maar, indien hij nu zulk een vermoeiende nachtwake hebben moest, dan--God wist, of de lieve, de al te goede vriend, niet zelf erg ziek zal worden; en, waar moest het dan heen! Neen, wanneer de toestand waarin vrouw Sturk verkeert aan dokter bekend wordt, dan is het zeker dat hij zich geen oogenblik zal bedenken, maar er aanstonds zal heengaan, zonder voor zich zelven de gevolgen te berekenen.
--Maar, dat mag en zal niet gebeuren!
"Ik zeg je dat dokter ziek is; dokter ging met koorts naar bed. Doe geen vergeefsche moeite, hij kan toch onmogelijk meekomen."
"Maar kristene-zielen, moet 'en mensch in zulke omstandigheden....!"
"Stil vrouwtje, we zijn hier niet zonder hulp. Ik ben de provisor van dokter Helmond; we zullen aanstonds naar vrouw Spanning gaan. Jawel, dat mensch is knap genoeg, daar sta ik je borg voor. Wat mij betreft, _ik_ zal bij Sturk blijven, en mocht er iets wezen.... welnu, nood breekt wet, dan kunnen we altijd dokter Helmond nog halen."
De vrouw, overtuigd dat mijnheer Van Hake zóó niet spreken zou als zijn patroon niet werkelijk ziek was, moest toestemmen dat het dan zoo maar 't beste zou zijn, want menheer had gelijk: nood breekt wet, en baas Sturk had 'en hekel aan dokter _Biermans_, omdat Biermans z'n regenton door 'n knoeier als Govers had laten maken; en: "Gauw dan maar, want Sturk heeft gejaagd van belang."
Thomas Van Hake handelde met de beste bedoeling, en toch, of hij goed deed? De tijd moet het leeren. Zooveel is echter zeker, dat dokter Helmond een gansch anderen nacht zal doorbrengen dan de goede Thom hem denkt te bezorgen.
Thuisgekomen ging Helmond het allereerst naar de kamer, waar hij zijn geliefde zou vinden. En, ja, toen zijn Eva daar kalm en rustig slapende vond, toen gevoelde hij voor het eerst sedert dien langen namiddag, iets weldadigs zijn borst doorstroomen, iets dankbaars, dat hem persoonlijk met zulk een val geen ernstig ongeluk was geschied; dat hij gespaard bleef voor háár.
--Wat ligt ze daar lief, denkt Helmond bijna overluid, terwijl hij de zwaar damasten gordijn een weinig terzijde houdt, en Eva bij het zachte schijnsel der groote moderateurlamp die op het beddetafeltje brandt, eenige oogenblikken beschouwt: Wat lag ze daar lief; wat slaapt ze gerust!--Het mondje half geopend alsof het zoo de welluidendste tonen zal doen hooren. Zie, die heerlijke golf van haar losgevallen haar, wat teekent hij nu vooral de blanke fijnheid van haar huid. Wat ligt ze daar rustig en schoon; met dat edele voorhoofd, met dat regelmatig bewegen der kleine neusvleugels, met dat telkens dubben der lange oogwimpers als zullen die oogen zich zoo aanstonds openen en hem liefdevol aanzien; met dat geregeld golven van den boezem onder het dekkleed, waardoor mede schier onmerkbaar de blanke en kunstvaardige handen worden bewogen die er nu zoo rustig op nederliggen.
--Wat is ze schoon en wat slaapt ze kalm! Op gevaar af dat hij haar wakker zal maken, drukt Helmond een teederen zoen, eerst op haar voorhoofd en dan op haar zachte wang.... en.... Neen, ze wordt niet wakker; zie, ze slaapt nog voort: een vriendelijk lachje plooit haren mond.--Droomt ze van hem, van August, van haar geliefde? Ziet ze hem in haar zoeten sluimer zooals hij daar werkelijk voor haar staat met den blik vol innige liefde op haar gevestigd; een blik waarin ze zou kunnen lezen: Engel, om uwentwil heb ik het leven lief, om uwentwil blijft de wereld mijn lust; een graf zou ze zijn wanneer de ademtocht, dien ik nu verneem, moest verstommen, wanneer die dubbende oogwimpers eens niet meer opengingen....? Mijn engel!
Of ze van hem droomde? hij moet het weten, want bij die laatste gedachte werd het hem eensklaps zoo angstig, zoo vreeselijk angstig om het hart.
"Eva! lieve! hier ben ik!"
Zij glimlachte weder. En die schoone oogwimpers gaan nu vluchtig naar boven; en hoor:
"Mon ami!" lispt ze met nog sterkeren glimlach; en dan, zooals het gaat in den slaap, dan volgt er een diepe ademhaling met een langen zucht, en, de schoone slaapster wendt zich om, met het gelaat naar de binnenzijde van het ledikant, en haar ademhaling gaat weer geregeld als van eene die rustig blijft slapen.
--Mon ami!....
--Ze droomt dan toch werkelijk van hem!
Ja waarlijk, en 't is juist het schitterendst oogenblik van haar blinkende droom geweest toen August haar bijna ontwaken deed, omdat hij haar stem wilde hooren, omdat hij haar oogen moest zien. Maar hij was verstandig, hij liet haar slapen en voortdroomen dien ganschen droom ten einde.
Mon ami!--Uit het midden van een zonderling bonten optocht, die zich binnen het vierkant van een zeer groot tooneel heeft bewogen, trad August Helmond in een prachtig gewaad van parelgrijs satijn haar tegemoet. Hij boog de knie voor zijn Eva die zich de vroeger ontvangen prachtige kroon op de sierlijk golvende lokken heeft gezet, en ze reikt hem haar hand, waarop hij een teederen zoen drukt. En dan, van het rood fluweelen kussen 'twelk nogmaals die knaap--alsof het Siebel uit de Faust ware--haar met een kniebuiging kwam aanbieden, neemt ze een tweede kroon met fonkelend edelgesteente omzet, en ze drukt het kostbaar sieraad op het, voor haar neergebogen hoofd van den vriend.--En een zeer hel licht blinkt weer eensklaps, en ze zegt: "Mon ami--demain--toujours!" Maar dat licht werd verblindend sterk; zij moest zich omwenden.....--'t Was juist het oogenblik toen Helmond haar stem gehoord, en vluchtig haar oogen had gezien, en zij zich omwendde naar de donkere zij van het ledikant. En in den droom was het nu eensklaps een vuurrood licht 'twelk het helle en witte licht had vervangen. Ze kon nu de oogen beter geopend houden, en, hoe lang ze staarde dat weet ze niet, maar altijd en altijd weer zag ze daar een grijnzend satergezicht om den hoek van een geschilderden boomstam gluren; en dat wezen was geheel en al in 't rood en zwart gekleed; soms als een vleermuis, met een degen op zij; en uit zijn oogen bliksemden roode slangen; en het grijnsde akelig, en als zij de oogen neersloeg en naar den grond zag, dan vloog er een luik open in dien grond, en dan sloeg een roode vlam naar boven, en eensklaps was ook hij weder daar, hij met die roodzwarte kleeren en dien vleermuismantel, en hij zag haar scherp en altijd scherper aan, zoodat zij moest terugtreden. En eensklaps klinkt er een gillend krijschende muziek; en de zonderling bonte schaar van vrouwen en mannen--zooals ze daar stonden, de mannen ter rechter- en de vrouwen ter linkerzijde van die geschilderde boomen--ze vliegen nu eensklaps als dolzinnigen walsend en gillend dooreen; en--hoe zij zich wendt en hoe zij zich keert, altijd staat dat wezen in het bloedroode licht, juist voor haar oog, nu eens lager en dan weer hooger; straks ten halve achter iets verscholen, en dan weer geheel en al zichtbaar, steeds met grijnzend sarrend gelaat, en terwijl het dan gillend zingt:
Le veau d'or est encore debout, On encense Sa puissance, D'un bout du monde à l'autre bout!
snerpt het dansende koor ten slotte met hem mee in snijdende cadence:
Et satan conduit le bal! _Et satan conduit le bal_!
"August! o August!" kreet Eva half ontwakend. Maar August was er niet meer. Hij heeft nog iets voor den volgenden dag te regelen gehad, en liet Eva gerust slapende alleen, om haar den "liefelijken droom" waarin ze hem--onbewust zoo hemelsch heeft toegelachen, stil en kalm te laten uitdroomen.
"August!" klonk haar stem nog eens, doch minder angstig dan zooeven, en toen, toen wendde zij zich weder naar de lichtzijde, en vielen de oogleden weer toe, en werd de ademhaling weer kalm en geregeld--zeer kalm en geregeld.
ZES EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
Op zijn studeervertrek gekomen heeft Helmond eenigszins gejaagd het werk verricht, 't welk hem nog te doen stond. Daarmede gereed, schelde hij, opdat men alvorens naar bed te gaan, het avondbrood zou wegnemen 'twelk Eva op zijn kamer heeft laten klaarzetten.
De oudste der beide nieuwe dienstboden--op 't stuk der dienstboden is men in de luttele maanden sedert het huwelijk mede zeer vooruitgegaan--de oudste dier beide nieuwelingen komt al spoedig met een paar brieven in de hand de studeerkamer binnen, en 't is wel aan haar oogen te zien dat ze dokter--die natuurlijk een huissleutel heeft--straks niet heeft gehoord toen hij in zijn woning terugkwam.
Van de beide brieven is er een zonder postmerk, aan het adres van Monsieur et Madame Helmond-Armelo, en een met het postmerk Amsterdam, aan Dr. A. Helmond.
Dat kleine briefje kon Helmond even inzien. 't Droeg wel de sporen alsof men gepoogd had het open te maken; maar hij verkeerde nu in geen stemming om dit te onderzoeken, en mocht hij al een oogenblik 't voornemen hebben opgevat om zijn nieuwe dienstboden tegen een "al te groote belangstelling" te waarschuwen, hij heeft de eenvoudige waarheid niet gegist dat het briefje der Debecque's waarvan het omslag slechts weinig had vastgekleefd, gemakkelijk na de lezing door Eva weder was dichtgemaakt.
En dat schrift bevatte de uitnoodiging tot het bijwonen van een feest.
Op dit oogenblik is er zeker niets, 't welk Helmond meer tegenstaat dan het denkbeeld om feest te vieren. Hij ziet die treurende weduwe van _De Schebbelaar_; dien zwager met zijn boosaardig verwijt!--Neen het kan niet. Bovendien met Eva, in haar omstandigheden, dient men wat voorzichtig te zijn. Ze heeft een zenuwachtig gestel. Erheen rijden; feestvieren tot laat in den nacht, en dan zulk een rit terug.....!?--Nu ja, maar die zorg is toch overdreven. 't Zal zeker een mooi feest zijn ter eere van Archibald; en Eva zal gaarne.....
--Maar het verstand zegt: blijf rustig thuis! En dan wat al kosten opnieuw! Voor zulk een avond zal er zeker weer 't een en ander aan het toilet ontbreken: Allereerst witte handschoenen. Bovendien, de vigilante--ook terug in den nacht--zal minstens drie gulden kosten, plus de verschillende fooien!--En dan de praktijk! Nee, peinst Helmond voort: Eva weet er nu toch niets van; als ik 't maar aanstonds afschrijf, en later als reden opgeef--bijvoorbeeld vrouw Sturk, 't geen immers mogelijk is, dan zal alles wel goed zijn. Ja, Eva kan en mag er niet op aandringen; haar geheim; haar tevredenheid in het mooie huis.....
--Misschien, ja misschien zal ze toch een heel klein beetje boos zijn!
--Nee, ze zal daar niet over tobben; nee!
Ofschoon Helmond weinig schrijflust gevoelt, hij zet zich toch aanstonds voor zijn nieuwe zeer fraaie schrijftafel--die door Eva op zulk een heerlijke studeerkamer volstrekt noodzakelijk was geoordeeld --en schrijft aan de familie Debecque: dat men door bijzondere omstandigheden verhinderd is van de zeer beleefde uitnoodiging gebruik te maken. Aan de dienstmaagd, die straks goeden nacht komt zeggen, geeft Helmond het briefje, met bevel dat Bus het morgen zoodra hij komt, voor den vroegbode bezorgen zal. Kaatje zou immers wel voorzichtig zijn, en het briefje _volstrekt niet kreukelen_!? Den grooten brief uit Amsterdam waarvan de hand op 't adres hem onbekend is, besloot Helmond eerst den volgenden morgen te lezen. De hoofdpijn was wel niet erger, maar in alle geval zal 't beter zijn om nu rustig naar bed te gaan. Waarom nog meer in 't hoofd te halen dan er nu reeds in woelde en spookte.--Helmond beziet nog even het adres. De hand gelijkt iets op die van zijn ouden vriend Woudberg, wien men nog op de huwelijksreis een bezoek heeft gebracht.--Even wil hij zien of hij zich niet bedriegt. _Lezen_ zal hij hem in geen geval.
Nu Helmond den brief geopend en de onderteekening inderdaad voor die van zijn ouden academievriend heeft herkend, nu zou hij toch bij zijn besluit zijn gebleven indien niet een paar woorden, waarop toevallig zijn oog is gevallen, hem aanstonds daarvan hadden teruggebracht. De woorden "_uw diep ongelukkige broeder_", ze hebben hem hevig aangegrepen en wel tot lezen gedwongen.--O groote God, ook dit nog! zegt Helmond bijna hoorbaar:
"..... zoodat er naar men mij verhaalde letterlijk gebrek werd geleden," leest Helmond voort, terwijl hij den brief als 't ware verslindt: "Voor drie weken ongeveer besloot ik mij zelf te gaan overtuigen wát er van waar mocht wezen. Ik begaf mij naar zijn woning. Philip ontving mij tamelijk koel. Hij vroeg mij aanstonds of ik namens den generaal Van Barneveld of namens u kwam. Op mijn antwoord dat zulks niet het geval was, verzocht hij mij plaats te nemen, want, voegde hij mij toe: Indien gij uit naam van "iets uit Romphuizen" kwaamt, dan zou ik u verzoeken mij liefst niet op te houden.
"Ik verzwijg u niets Helmond, want het is noodig dat ge weet _hoe_ ge tegenover uw broeder staat, alvorens gij iets ten zijnen behoeve zult besluiten.--Toen ik plaats had genomen, verhaalde ik hem openhartig wat ik van terzijde vernam. In den aanvang aarzelde hij zulks te bekennen: maar eindelijk moest hij toestemmen dat hij het bitter ellendig had. Nu, 't was den armen duivel wel aan te zien. Zijn altijd geestige oogen fonkelden nog wel, maar bijwijlen was er een matheid in zijn blik, zeer in harmonie met de bleekheid van zijn broodmager maar altijd toch nobel gelaat.
"'t Was roerend August, toen hij met een bevende stem en een traan in de oogen, maar tóch met een ruwen uitval bekende, dat bij zelf wilde honger lijden en zich laten vertrappen als het wezen moest, maar dat hij krankzinnig zou worden indien hij zijn vrouw en kind moest zien gebrek lijden en verachten door een wereld vol bekrompen laagheid. Toen, August, greep ik zijn hand, en sprak hem van menschen die het goed met hem meenden; van u en den generaal. Wat hij antwoordde meld ik u niet omstandig. Genoeg, hij dacht er niet aan om eenige hulp van u aan te nemen. Liever zou hij--doch waartoe meer. Eensklaps was hij opgestaan, en vroeg mij op een gansch anderen toon: wie mij eigenlijk tot hem gezonden had of het recht gegeven om mij in zijn huiselijke aangelegenheden te komen mengen?--Nu ja, in den beginne was hij zooals hij zeide, door mijn hartelijken toon wat zeer vertrouwelijk geweest, maar wanneer ik nu tóch gedurig van u en den generaal sprak, dan bekroop hem de vrees dat ik een poging waagde om hem tot een stap te bewegen, dien hij _laag_ moest noemen; immers liever zou hij zich met vrouw en kind in het IJ werpen, dan van menschen die zich voor zijn dierbaarste schaamden, zelfs een groet te willen ontvangen. Tot mijn leedwezen August, kom ik er reeds toe om u bijna letterlijk Philips woorden terug te geven, doch het geschiedt opdat gij levendig gevoelen zoudt, dat de hulp van uwe zijde zóó zal verleend moeten worden, dat Philip gelooft van een gansch anderen kant te zijn geholpen. Nadat ik den armen vriend wat kalmer had gestemd door hem nogmaals te verzekeren dat ik hem geheel uit eigen beweging was komen zien, verhaalde hij mij de hoofdoorzaak zijner "voor 't oogenblik nog al moeielijke omstandigheden." Dewijl hij zich op zijn bureel, bij 't meesttijds verrichten van armzalig kopiëerwerk, somwijlen eenige vrijheden had veroorloofd, ja zelfs een stuk--'t welk hij meende dat toch nooit gelezen zou worden--in Alexandrijnen had gesteld, was hij door een "ploert" vervangen, die in gemoede den inktmop kopiëeren zou wanneer de schrijver er bij ongeluk een had laten vallen.