Dokter Helmond en zijn vrouw

Chapter 28

Chapter 283,806 wordsPublic domain

In een oogenblik heeft Helmond den bles beklommen. Vroeger, vooral in zijn studententijd, had hij menig paard bereden, en ofschoon hij nooit een harddraver had zooals deze, ja zelfs nu zonder beugels of sporen en van 't losse dek, 't zou tóch wel gaan.--'t Was van belang geen minuut te verliezen.

--Goeje God! als hij had kunnen voorzien dat er zooveel haast was! Nu ja, men heeft de boodschap gebracht of dokter eens dadelijk op _De Schebbelaar_ bij boer Dirksen wou komen.--_Dadelijk_!--Maar, kwam er dan ooit een boodschap, en vooral van een boer, zonder dat _dadelijk_ er bij!--En dan, die gezonde ronde, blozende boer Dirksen! Hij had een talrijk gezin, en een macht van loontrekkend personeel.--Aan hem _zelf_ heeft Helmond het allerminst gedacht. Gevolgen van onrijpe vruchten eten en dergelijke, hebben hem een oogenblik voor den geest gestaan. Bovendien, men moest wel niets verzuimen, maar een dokter behoeft toch ook geen schel te zijn, die maar aanstonds geluid geeft als men--noodig of niet--aan het koord trekt. Hoe dikwijls kwam hij niet reeds in een woning, waar men hem dringend liet roepen, om er met een: O, 't is alles weer bestig dokter; we dochten, dokter kan licht eens komen;" te worden begroet.

En toch, terwijl Helmonds lichaam door den stevigen bles--ook zonder dat hij hem hak- of ribbenhaver behoeft te geven,--op ongewone wijze wordt geschud en geschokt, roert er mede iets in zijn binnenste, 'twelk hem geen rust gunt: Het was je plicht geweest dokter, om zonder wettige verhindering _aanstonds_ naar _De Schebbelaar_ te gaan. Een _dwaasheid_ heeft je er van teruggehouden, een vrouwengril!

--Een dwaasheid! een vrouwengril? Zou het dan geen lafheid zijn geweest dien majoor te ontwijken? Zou het vervullen van den plicht, inderdaad geen dekkleed voor zwakheid geworden zijn!?

--En, _vanwaar_ dan zulk een bijzondere weerzin tegen dien majoor? Waarom, _waarom_ is zijn gezelschap een kwelling voor Helmond geworden?

--O Eva.... Eva!

--Eva? Neen! zou hij háár, die liefdevolle dochter, die engelachtige vrouw met haar hemelsche gaven, durven noemen, wanneer hij _zelf_ zijn plicht kon verzaken als man!--Is zij het niet geweest die hem nog bovendien heeft aangeraden om althans niet te voet te gaan maar een rijtuig te nemen?

--Een rijtuig!--Maar stil, zij mag en zal immers niet weten dat haar _man_ een onverstand, een dwaas was, toen hij zich liet vervoeren om meer te doen dan hij _kon_ en mocht.

--Hoe! tóch onverstandig? Is het dan ooit te veel of onverstandig gedaan wat hij voor _haar_ doet? Neen! neen!! Hij wil zich dat telkens en terdege herinneren, en bewijzen zal hij het later zonder fout. Maar, om dat te kunnen, moet hij voortaan ook als dokter op 't verstandigst zijn rekening maken.--Waartoe zal het rijden dienen indien hij den tijd tot loopen heeft! Tegen vermoeienis ziet hij niet op; immers al wat hij werkt en doet, hij doet het ter wille van haar, zijn schat en zijn liefde.

--En dan, wanneer men een huishouding heeft, dan behoeft men ook immers niet meer zoo buitengewoon discreet met het maken van visites te zijn.--Debecque heeft het getoond, men ziet een dokter graag als hij zijn zaak kent.--Wanneer de burgers en boeren tóch niet tevreden zijn aleer zij een paar "bruine dranken" geslikt hebben, waartoe ze hun dan--tot zijn eigen scha te onthouden!

Eensklaps gevoelt de ruiter bij een zeer sterken schok een stoot aan zijn knie; een plotselinge duizeling overvalt hem, en....--Neen, Gode zij dank! dat is goed afgeloopen; dat had veel erger kunnen zijn. De moedige harddraver--ofschoon anders een dood mak paard--heeft aan de hand die hem bestuurde waarschijnlijk geen meesterhand herkend, en, hoe het gekomen is weet Helmond niet, maar toen hij een weinig van den schrik bekomen, opstaande van den bermrand [2] waarin hij gevallen of geworpen was, naar het been tastte 'twelk hem wat zeer deed, toen zag hij ginder nabij de hoeve van boer Dirksen, nog den harddraver met het schuingezakte geelbonte paardedek voortrennen, en straks, schier rakelings langs den hekpost heen, het erf van zijn meester binnenhollen.

--Gelukkig! de val had veel erger kunnen zijn. Helmond kan zeer goed voort: het loopen hindert hem weinig of niet. Maar, hij gevoelt zich toch eenigszins ontsteld, en zeker was het nu voor hem geen geschikt oogenblik om in een woning te verschijnen waar hem misschien, door zijn late komst, een ongewenschte ontvangst inplaats van eenig betoon van deelneming te wachten staat.

Helmond houdt zich kloek. Men bemerkt niet eens dat hij wat bleek ziet en wat ontdaan is. Men had ook wel aan iets anders te denken en naar iets anders te zien! Aan het bed van boer Dirksen gekomen, voer Helmond--ofschoon men 't niet zag--een schok door de leden.

Helaas! Wat men vreesde is waar. De man had den tol der natuur reeds betaald. Neen, die kleur op dat gelaat, men behoeft er zich niet mee te vleien; Dirksen zou zelfs nog kleur hebben wanneer hij begraven werd. Er was geen twijfel: de pols stond stil, boer Dirksen was dood!

Het gejammer en geweeklaag van het boerengezin, van die weduwe met haar zuigeling op den arm, en de negen andere kinderen die allen schreiden--de meesten in navolging der ouderen, zonder den omvang van hun verlies te beseffen; de smartelijke kreten van meiden, knechts en geburen, die in een oogenblik het huis deden weergalmen, ze roerden Helmond heviger dan ooit een zoodanig tooneel het gedaan had. Geen wonder, met eigen zaken vervuld; getroffen door het onverwacht bericht dat hij misschien _te laat_ zou komen; ontsteld en méér geschokt dan hij in den aanvang geloofde door dien val van het paard, maar bovenal gefolterd door de gedachte dat hij waarschijnlijk met een spoedige hulp hier het ergste had kunnen voorkomen; door dit alles innerlijk bewogen, is het niet te verwonderen dat de dokter al zijn wilskracht behoeft om voor 't uiterlijke bedaard te schijnen.

En, hoe moest het hem dan te moede zijn, toen daar eensklaps een groote zwaargebouwde kerel--de broeder van vrouw Dirksen--met woedend gebaar hem onder de oogen trad, en hem in weinig gekuischte, ja in deze oogenblikken akelig schril klinkende woorden, den dood van zijn "braven zwager" verwijten kwam?

Er was aan Helmonds lichaam geen zenuw die niet trilde, maar nochtans hij scheen bedaard. Hij betuigde dat het hem waarachtig leed deed hier te laat te zijn gekomen; maar dáárom zou boer Geurtsen toch niet beweren dat dit sterven des dokters schuld was. De familie heeft zelve de zaak--toen Dirksen dezen middag ongesteld werd--niet ernstig ingezien; anders zou zij wel een boerenwagen of sjees gestuurd en op den meestmogelijken spoed hebben aangedrongen. Dit alles was _niet_ geschied. Zoodra het dokter geschikt heeft is hij van huis gegaan. Maar bovendien..... wie zou, en vooral met het geloof van boer Geurtsen, durven zeggen, dat een menschenhand krachtiger was dan de hand van God?

Dit laatste mocht inderdaad een overloopen tot de tegenpartij heeten uit zucht naar zelfbehoud. Helmond gelooft wel degelijk aan een God en een Godsbestuur, al begrijpt hij het niet, en al zoekt hij de "onoplosbare raadsels" niet te verklaren; doch zeker zou hij zulk een uitstekend dokter niet geweest zijn, indien hij meende dat het met ziekten anders ging dan met een snel wassenden vloed. Dijk en dam zullen hem keeren totdat hij weer effen vloeit binnen zijn boord, indien zijn kracht althans niet te sterk, en het water niet...... te overvloedig is.

Helmond had, na het vernemen der ziekteverschijnsels, immers aanstonds het oog gehad op heilzame kruiden die een Voorzienigheid mede in 't aanzijn riep.

Maar dat overspringen naar den vijand baatte den dokter niet, want, hoe vast boer Geurtsen ook anders in de leer was, nu zwager Dirksen daar "dood lag", en die dokter hem "verzuimd had--jawel, vrouw en kinders en allen konden dat getuigen; nu zou God er wraak over roepen, en de Heer zal een onnutten dienstknecht uitwerpen in de buitenste duisternis waar zal zijn weening en knarsing der tanden!"

Een oogenblik is het te vreezen geweest dat de groote zware Geurtsen, reeds eenigermate in de rechten van den Heer des onnutten dienstknechts zou treden; doch Helmonds bedaardheid, en de zorgen die hij--alsof er geen bedreigingen tegen hem klonken--in stilte aan de weduwe ging wijden, dewijl haar zenuwen door 't geen er nu voorviel nog meer geprikkeld werden,--Helmonds schijnbare kalmte, en zijn bedaard handelen: vriendelijk wenkengevend in 't belang van al die schreiende jongens en meisjes; lafenis biedend aan Geurtsens eigen vrouw, een zuster van den overledene--zooals ze daar doodsbleek zat te klappertanden, dit alles deed den storm althans voor het oogenblik bedaren. Slechts in een dof gebrom gaf de zwager, op een stoel neergevallen en met het hoofd in de hand geleund, nog gestadig aan zijn verbolgenheid lucht. En wat er omging in zijn "hartengedichtsel"....? "God beter 't, nou kreeg ie dien heelen troep onder voogdij en beheeren! Zulke dokters! zulke verd..... dokters!"

Voordat Helmond een half uur later vertrok, mocht hij de groote voldoening smaken, dat de altijd schreiende weduwe hem de hand drukte, met de betuiging dat ze 't hém niet kon wijten; immers, als dokter 't zóó begrepen had dan zou hij eerder gekomen zijn; niemand heeft dit kunnen denken. En dan weer uitbarstend in geween:

"Och God! och God! dat ie nou dood is, waarachtig _dood_!"

't Was goed dat er zich te midden van al die weenenden en verslagenen, toch één enkele bevond die sedert dokters komst, nog om een andere reden tranen heeft geschreid. Dat was Hanna, de frissche blonde boerenmeid met haar goeden aard en helderblauwe oogen. Neen, ze heeft het bijna niet kunnen aanhooren dat die lompe Geurtsen, dien besten man zoo onheusch en onrechtvaardig bejegende. Was die dokter geen engel van goedheid! Heeft hij haar niet met Gods hulp uit een zware ziekte weer vierkant op de been geholpen; was hij niet alle dagen aan moeders huis geweest--weer of geen weer; en, toen het op betalen aankwam..... toen, toen had ie de arme moeder op den schouder geklopt en gezegd: "Als Hanna eens een fikschen boerenzoon trouwt moedertje, dan kom ik op de bruiloft meesmullen voor drie!" Och zoo'n edele goeje man, zoo'n knappe--om dien zoo te boenderen als Geurtsen gedaan had!

Ja, 't was maar heel goed dat die frissche blauwoog inwendig gekookt heeft, en dat ze haar weldoener, bij 't heengaan, de bewijzen van haar trouw en vereering zoo overvloedig liet blijken.

Dat geschiedde toen ze hem uitliet, en ze samen alleen waren in 't achterhuis bij de melkkamer der groote boerderij.

--Lieve hemel, wat schortte hem? Hij moest zich aan een karnton vasthouden.

"'t Is niets Hanna, niemendal."

"Moar ie wordt zoo wit as 'en doek dokter."

"Nee dat komt wel terecht.... laat me maar eens even.... stil...."

"God dokter, drink dan; drink! Hier 'en schoep karnemelk.... hier...."

"Zoo ja; 't wordt al beter. Dankje goeje Hanna, dankje kind. 'k Ben straks vóórdat ik hier kwam gevallen; en...."

"En toen zoo'n schandoal hier in huus!! Kom mee, kom mee dokter. _Loopen_ dát zu'j niet. Wat schêlt 't mien! 'k Zal oe voaren tot bij stad. Ze zullen mien nou niet missen of zuuken. 'k Zet Kwiebes den ezel veur 't kerreken op veeren. Kom moar mee noar 't stal. Ze zouwen oe kapot moaken hier! Kom gauw moar; kom mee!"

VIJF EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

De majoor Kartenglimp, zoo pas van de conferentie in de nieuwe dokterswoning thuisgekomen, heeft zijn hoed met ruw geweld op een canapé gesmeten en zich zelf in een voltaire geworpen. 't Ware bedroevend geweest voor wie als getuige van zijn teleurstelling die lang verkropte woede had moeten aanschouwen.--Driemalen dreunde de tafel door een krachtigen slag van zijn vuist. De onzinnigste vloeken en verwenschingen ratelden hem tusschen de tanden.

--Wees voorzichtig Kartenglimp; drift is nadeelig voor je gestel; denk aan die laatste ziekte in 't voorjaar. Je bent nu sterk en flink; en zoo iets zal niet terugkomen, maar hou je aan zijn raad. Maak je niet zoo ontzettend driftig. Wees matig in alles.--Jawel.... hij zal het in 't oog houden; 't is zaak! Maar, moest die oude dronkaard, die dwarskop, die.... ploert-kapitein hem zóó beleedigen, zóó zijn plannen, zijn zalige uitzichten dwarsboomen, ja, voorgoed verijdelen misschien!--Zijn plannen verijdelen!?--Neen, dát nooit, dát in der eeuwigheid niet!--Wat wil hij dan? Wát?--Ha! hij wil het menschdom toonen dat de maatschappij de rechten van het individu verkort en verkracht. Hij zal toonen dat de mensch zich niet beneden het dier heeft te stellen, beneden den leeuw die _vrij_ is in zijn woud en spelonk, en zijn prooi en zijn lust neemt waar hij die vindt. Hij wil zich wreken op die maatschappij waar men hem _zijn_ vrijheid heeft benomen, waar men hem gekerkerd houdt en als 't ware een dolk op de borst zet. Zie toe brave Oostindische officieren, vervloekt moedig eedgespan; wat Ronner-Kartenglimp niet instaat is op u te verhalen dat zal hij zich _hier_ verschaffen: wraak op wie hem durft kwetsen, vernederen en weerstaan.--Ja brave dokter Helmond, die wel voor een muziekmeester maar niet voor _mij_ kondt terugkeeren, boeten zul-je; ik zal je inwikkelen, inwikkelen, en met je schoone vrouw, totdat ze, voor den duivel, in mijn armen zal toestemmen dat ik haar redder werd!--En wat wil men nu? peinst Kartenglimp iets kalmer voort. Dien adel, waarvoor ik mij sinds eenige weken zooveel dwaze moeite gaf, zal zelfs zij.... dat heerlijke kind er nu van afzien, ter wille van dien vader? --Onvoorzichtige Ronner! je hebt je te zeker gewaand van haar zucht naar die glorie, gesteund door dat malle creatuur van een moeder. Dien vader heb ik beschouwd als een onding, die zelfs in 't oog der dochter geen stem had. Maar 't was buiten haar kinderliefde gerekend. Dat overweldigde mij toch een oogenblik. Ja, dat was schoon.... toen, toen dacht ik eensklaps aan de vrouw die mij leerde als kind, en mij haar lessen gaf.... lieve onnoozele lessen! Toen,--nu ja, ik voelde mij getroffen maar was een gek. Ik was.... Nee nee Ronner, dat was je niet! Nee, 't zou groote dwaasheid geweest zijn wanneer je dáár die hand niet hadt gegeven. Haar oog werd aanstonds helderder; het vertrouwen keerde terug.... Waarachtig, ja, die blik, toen ik mijn papieren zonder een woord te spreken opborg.... die blik.... Zeker, de zucht naar die glorie is nog niet uitgedoofd. Ik moet geduld hebben, mij stilhouden; de wensch zal weldra, door de onzekerheid waarin men bleef te meer geprikkeld, weer levendig, en bij weigering van mijn zijde al grooter en grooter worden.--Zou ik dan ook tevergeefs zoo lang gezocht en gesnuffeld, en de oneffen schakels voor die geslachtsketen zoo kunstig hebben aaneengesmeed?

Ja, Kartenglimp had zich veel moeite gegeven. Inderdaad was het hem in den beginne niet onmogelijk voorgekomen dat de kapiteinsfamilie nog kon afstammen van de oude graven Van Armeloo. De overeenkomst der wapens had hem in den aanvang werkelijk getroffen, en, de tegenwerping van den kapitein: dat hij bij zijn bevordering tot officier geen wapen bezat maar zich er een graveeren liet, ze heeft hem het meest waarschijnlijke antwoord doen geven, namelijk: dat de wapensnijder, met het grafelijk wapen bekend, op het hooren van denzelfden naam iets dergelijks doch wat eenvoudiger gemaakt heeft. Voor het overige was alles misgeloopen. De vader en grootvader van den kapitein waren boeren in het Hanoversche dorp Birchheim geweest, maar van zijn overgrootvader heeft de majoor zelfs geen spoor kunnen vinden. Evenmin was het hem gelukt om eenige zekerheid te verkrijgen, aangaande een vermoeden als zou de genoemde jonge graaf Herbert, zoon van den te Waechtel overleden graaf Van Armeloo, naar Hanover zijn uitgeweken en zich daar als predikant hebben neergezet. Nergens heeft hij elders den naam van den kapitein teruggevonden. Onder zijn veelvuldige correspondentiën daarover, is hem echter mede een brief van een predikant in Oldenburg geworden, die waarschijnlijk een _a_ voor een _u_ heeft gelezen en gemeld, dat er--zooals Kartenglimp op de conferentie heeft meegedeeld--in de plaats zijner inwoning, van 1707-1752, twee predikanten elkaar hebben opgevolgd die den naam van Urmelo droegen. Deze vondst heeft Kartenglimp als een heerlijk redmiddel aangegrepen. In des predikers slecht geschreven brieven met Duitsche letters, waren de U's gemakkelijk wat te veranderen geweest, en--mocht de familie al zelve aan dien prediker schrijven, men zou zijn _Urmelo_'s misschien in gemoede voor _Armelo_'s houden.--Nu kwam het er maar op aan om een authentiek bewijsstuk te verkrijgen, dat zekere Hollandsche graaf Herbert Van Armeloo,--met verandering van zijn naam in eenvoudig _Armelo_--van den heer eener heerlijkheid zijn aanstelling als prediker ontving, en bovendien het bewijs, dat de beide predikers Urmelo--die nu reeds zeker als de voorvaders van den kapitein door Kartenglimp waren aangenomen--in een rechte lijn afstamden van den Hollandschen uitgewekene, zooeven vermeld.--En die bewijsstukken?--Haha!--Kartenglimp heeft immers zijn alvermogenden zaakwaarnemer in dienst, zijn trouwen Ronner, haha! Maar diens papieren houdt hij terug! hij houdt ze geheim--_geheim_, dát is zijn kracht.

--Maar als men dan bedrogen is? Welnu--haha!--dan is men bedrogen! Dan is hij het mét hen; dan zijn ze maar altemaal bedrogen, voor den duivel!

"Wat is er, wát?"

"Boeh! je kijkt weer zoo leelijk!" zegt de gemeenzame deerne die vooral den majoor dient; en dan: "Daar is de krant."

"De krant? waar?"

"Hij staat op de trap."

"De krant op de trap!? Alle duivels, wat moet dat beteekenen? Ik versta geen gekheid."

"Ojee! is het weer zóó laat. De krant: wel, Kippelaan met z'n spillebeenen."

"Niet thuis!"

"Nee dat zie ik ook." Naar buiten roepend: "De majoor zeit dat ie niet thuis is."

Kippelaan, overtuigd dat hij zoowel hier als overal steeds welkom moet zijn, heeft het woordje _niet_ óf voor een aardigheid gehouden óf niet verstaan, althans, langs de deerne heen struikelt hij de kamer binnen, ziet naar den dorpel om, en dan met de tien tolken zijner vriendschap vooruit op den majoor toeschietend, verheugt hij zich in zijn welstand; vraagt hem naar zijn welvaren; verzekert hem van eigen welzijn; deelt hem mede dat het uitmuntend weer is, dat de dagen al korten, dat hij ware vriendschap gevoelt voor een man als de majoor, en....

"Heb je anders niets?" zegt Kartenglimp: "Ik had belet gegeven."

"Dat begrijp ik majoor; men kan niet altijd voor iedereen, niewaar, natuurlijk! Daarom waardeer ik te meer uw vriendschap.--Nog niets gehoord? O, van belang! van belang!"

"Wat meen je?"

"Fameus geval! De heele stad mee vervuld! tenminste.... enfin! Pas gebeurd. Zeker nog niets van gehoord? Van _De Schebbelaar_? Van boer Dirksen? Watblief?"

"Och jij met je praatjes; is er brand, laat ze 't blusschen."

"Brand? pardon! pardon!! _Dood_. Subiet. Onze vriend dokter Helmond...."

"Wat, _wát_!?" schrikt Kartenglimp op: "Is _Helmond_ dood?"

Kippelaan stuift een paar schreden achteruit. Dat heeft hij niet gezegd of bedoeld; en, Kartenglimp krijgt nu een ontzettend verhaal--Kippelaansstijl--van het gebeurde in den avond; een vermeerderde maar niet verbeterde uitgave van hetgeen reeds naar stad was overgewaaid, namelijk: dat boer Dirksen, de geëerde en welvarende boer van _De Schebbelaar_, aan zijn groot gezin en aan de maatschappij was ontvallen, ten gevolge van een krampkoliek, die door zijn dokter zóó weinig is geteld dat hij den man zonder hulp heeft gelaten.

"En die dokter was.... dokter Helmond?" vraagt Kartenglimp ten slotte, terwijl hij met moeite den vreemden glimlach weerhoudt die hem soms de baas wordt.

"Ja, jawel! 't Is mijn vriend, mijn intieme vriend Helmond; knap, uitstekend knap man; beroemd; mijn neef de professor zei...."

"En had hij den kerel zonder naar hem om te zien maar zoo laten...."

"Om u te dienen.... jawel, om u te dienen....!"

--Om _hém_ te dienen!--Haha, lacht Kartenglimp, hahiha!

De goedhartige Hanna van _De Schebbelaar_ heeft Helmond--uit vrees dat men hem, inweerwil van den gevallen avond en de huif die het karretje overdekte, in een _ezelwagen_ zou zien--met een kleinen omweg tot bij het oude huis aan den wal gereden. Daar wilde hij wezen om Hanna aanstonds 't een en ander uit de apotheek voor het gezin te kunnen meegeven.--Met het oog op deze noodzakelijkheid heeft Helmond te eerder vrede gehad met Hanna's goedaardig inspannen, waartoe haar door boer Dirksens plaatsvervanger hoogstwaarschijnlijk het verlof zou zijn geweigerd. Nu immers heeft Hanna's rit voornamelijk, zoo niet uitsluitend plaats gehad in 't belang der familie van den overleden boer.

Van Hake haastte zich om in weinige minuten de fleschjes gereed te hebben die Hanna mee terug zou nemen, en waarvan hij de gebruiksaanwijzing vooral duidelijk moest opschrijven.

Terwijl het meisje nu met den arm op de toonbank geleund de werkzaamheden van den provisor gadeslaat, verzuimt ze de gelegenheid niet om de zaak van haar goeden dokter in het verschoonendste daglicht te plaatsen, en brengt Van Hake daardoor tevens geheel op de hoogte van 'tgeen er gebeurde, ofschoon hij reeds eenigszins door dien tweeden afgezant van _De Schebbelaar_ was ingelicht.

Hanna heeft thans met haar ezelkarretje, door de straten der stad den terugtocht naar _De Schebbelaar_ aangenomen, en een traan komt haar in de oogen nu zij de vreeselijk groote doos vol pepermuntjes beziet, die de goeje dokter haar nog heeft opgedrongen en die ze nu--onder 't rijden--tegen 't verliezen waarborgt, door er haar neusdoek om te winden en ze dan in den zak te steken.

De Romphuizers, voor zooveel ze nog op straat zijn of op de stoepbanken hunner woningen den reeds korten zomeravond genieten, zien het karretje van _De Schebbelaar_ na, en begrijpen niet wáár het vandaan komt, dewijl niemand het straks zag voorbijkomen.

Op sommige plaatsen vormen zich groepjes, vooral onder de boomen op de markt nabij het oud-burgemeestershuis; en, men wauwelt er over het plotseling sterfgeval; hoe een mensch er gauw uit kan wezen, en hoe--zooals menheer Kippelaan straks nog in 't voorbijgaan aan den molenaar heeft gezegd--hoe het onvergeeflijk is dat een dokter, die te veel geld heeft om te dokteren, tóch maar dokteren blijft.

En terwijl men dit alles beredeneert, en het daarbuiten oproer is in veler gemoed, was het zeer kalm en rustig in het fraaie en groote doktershuis. Men vernam er nog niets van 't geen er op _De Schebbelaar_ gebeurde.

Eva slaapt. Kalm en zacht slaapt ze op den lauwer dien haar kinderlijke liefde haar vlocht; en ze droomt..... o zoo heerlijk van een feest, een prachtig feest; en van vuurwerk en Bengaalsch licht.--En zie, uit het schitterende licht trad een bevallige knaap met een kniebuiging haar tegemoet;--'t was Siebel uit de Faust, de opera die men te Parijs zag opvoeren--en op een rijk geborduurd kussen bood hij haar een kroon aan, een grafelijke kroon met diamanten en parelen omzet.

't Was niet zoo geheel zonder aanleiding dat Eva van een feest droomde. Even nadat Helmond naar _De Schebbelaar_ was gegaan, heeft men aan mevrouw, ofschoon ze wat te bed lag, een briefje overhandigd, terwijl een knecht op antwoord bleef wachten. Het adres: "Monsieur et Madame Helmond-Armelo", heeft haar recht gegeven om het briefje te openen. 't Was een uitnoodiging van mijnheer en mevrouw Debecque om een feest te komen bijwonen 'twelk zij zich voorstelden te geven op Woensdag den 5den September e. k. En, Eva heeft de uitnoodiging maar aangenomen.

Minder feestelijk dan Eva in hare droomen, was Helmond gestemd.