Dokter Helmond en zijn vrouw

Chapter 27

Chapter 273,895 wordsPublic domain

De deur wordt geopend, en Bus in zijn huisknechtelijk jasje, vraagt bij 't binnentreden:

"Wat blieft oe mevrouw?"

"Zul je straks wijn brengen Herman?"

"Da's goed; woar mo'k ze kriegen?" vraagt Bus geheimzinnig.

Eva had den domoor wel willen schudden.--Dát kwam ervan! Is die oude apotheeklooper dan ook een persoon om meteen voor huisknecht te dienen? 't Was om dol te worden. Enfin, August heeft het nu zelf kunnen hooren!

"Ik heb aan Antje m'n bevelen gegeven Herman. Ik dacht dat je 't wist. Ga, vraag 't haar."

"Joa moar mevrouw, as Antje altied van "kalfsoog" en "pillenposteljon" begint dan...."

"Bus, je vraagt aan Antje 'tgeen mevrouw je gelast;" zegt Helmond, en geeft den man een gebiedenden wenk; en als de huisknecht met een: "Asjeblief dokter" vertrekt, dan haast zich Helmond om door 't voorlezen van den brief die onaangename stoornis te bedekken en Eva's voorhoofd weer effen te strijken. Hij leest:

"Hoogedelgestrenge Heer!

"Op uw verzoek meld ik u, dat de goederen onzer parochie Waechtel cum annexis, inderdaad voor het grootste deel bestaan uit een donatie van wijlen den grave Arend Van Armeloo, ter eere geschonken en gelegateerd aan onze Lieve Vrouwe en Heilige Moeder de Kerk, zijnde dit geschied, zooals uit het charter blijkt, "ad pias causus, met vollen consent van zijnen veelbeminden soon Herbert van Armeloo, in den jare onzes Heeren vijftienhonderd en tien, bij zijn vollen kennis en verstande op het grafelijk slot Waechtel."

Met dezen aan uw wensch voldaan hebbende teeken ik mij,

Hoogedelgestrenge Heer!

"Uw Dienstw. Dienaar

"J. Mans,

"Pastoor te Waechtel c. a,"

_Waechtel_..... 18.

't Klonk Eva--die voor 't oogenblik den huisknecht geheel vergeten was--als muziek in de ooren, toen Helmond, nog eens het adres van den brief beschouwend, met overtuiging zeide:

"Die brief is al dadelijk een bewijs voor uw goed geheugen, majoor!"

"Mijn geheugen bedriegt mij niet gemakkelijk dokter. Ik ga verder: Een tweede brief van pastoor Mans gaf mij zekerheid dat het wapen der graven Van Armeloo de treffendste overeenkomst heeft met dat van ú kapitein. Het uwe is goud met een blauwen dwarsbalk; dat der graven Van Armeloo was mede goud, maar de blauwe dwarsbalk is beladen met drie gouden sterren. Wacht--of nee, de brief bevat niets bijzonders; maar ziehier de afbeelding die ik voor mijn eigen genoegen van de beide wapens gemaakt heb."

"'t Is al te vriendelijk;" zegt mevrouw Armelo.

Eva's oogen glinsteren sterker dan de gouden sterretjes in den blauwen balk terwijl ze de teekening beziet.

"Maar ik heb u vroeger al eens gezegd majoor, dat ik dat wapen zelf heb laten maken. We deden het vroeger met 'en grosken, een duit of 'en cent, maar toen ik de epaulet kreeg toen meende m'n vrouw....."

"Mijn beste kapitein, ik weet het, _ik weet het_, maar juist dat uw wapensnijder u _dit_ wapen heeft gemaakt, het bewijst zijn bekendheid met uw geslacht."

"God! dat is nu zoo duidelijk als tweemaal twee!" zegt mevrouw terwijl ze Eva aanziet; en dan tot haar man: "Armelo-lief, je moest den majoor, die zooveel moeite voor ons doet--jawel majoor ook met dat schilderij van de wapens, jawel--je moest hem nu laten uitspreken."

"Ja maar, ik zeg ..."

Kartenglimp maakt een gebaar met de hand, waarmee hij uitdrukt dat zulk een oppositie hem onaangenaam is, en voegt er bij: "Wil de kapitein _liever_ dat zijn hooge titel _niet_ te bewijzen zal zijn.... ik heb er vrede mee. 't Is dan alleen jammer dat men 't mij niet eerder heeft gezegd."

De beide dames verzekeren den majoor dat men vol belangstelling luistert. De majoor zal--volgens Armelo's echtgenoot--begrijpen dat de tegenspraak van Armelo alleen voortspruit uit.... uit.... dat ongewone; als men nu "dagelijks graaf was geweest", niewaar....? En uit verkoudheid; Armelo had van morgen schrikgelijk geniesd; en.... en.... 't een bij 't ander: "Jawel Armelolief, en een geest van tegenspraak, dat is.... dat is.... Laat den majoor, ik bid je, nu voortgaan."

Kartenglimp ziet een papier in, en voelt terzelfder tijd dat de beeldschoone doktersvrouw haar oogen met al den "gloed der belangstelling" op hem gevestigd houdt. Hij moet dien zoeten triumf toch even genieten:

"Als er belangstelling is dames.... met veel genoegen.--'t Spreekt dan vanzelf dat ik verder 't allereerst mijn werk ervan maakte om te vernemen of er in ons vaderland nog andere afstammelingen van dien Arend of zijn zoon Herbert te vinden waren; doch nergens is daar eenig spoor van te ontdekken. In 't archief van de oude leenkamers, vond een mijner vrienden wel het geslacht Van Armeloo vermeld, doch van veel vroeger en zonder dat het van eenig belang voor onze zaak was. Ik meende nu aanstonds mijn verdere stappen in uw geboorteland te moeten beginnen kapitein. U werdt in November 1807 te Birchheim in Hanover geboren niewaar?"

"Watblief....?"

"Ja majoor, juist," zegt Eva snel, en wisselt dan een blik met haar moeder, die Kartenglimp niet ontgaat en waardoor hij opnieuw in de overtuiging wordt versterkt dat mijnheer de graaf van Armeloo ook bij die mooie dochter een nul in 't cijfer is. Best! als hij 't maar weet!

"Zoon van Peter Harmen niewaar?" vervolgt Kartenglimp; "welgesteld landbouwer aldaar."

"Welgesteld!" herneemt Armelo: "ik moet je zeggen...."

"Ja maar papa," valt Helmond in: "Eva heeft nu gelijk: wanneer de majoor zoo telkens door u in de rede wordt gevallen dan...."

"Dan is het letterlijk om gek, om tureluursch te worden:" stemt de gravin.

"Hier dokter," herneemt Kartenglimp die--zooals Eva opmerkt--zeer bescheiden doet alsof hij van dat intermezzo niets gehoord heeft: "hier dokter, heb ik een heele correspondentie met de burgemeesters van Birchheim, Puttenburg, enz. enz.; met heeren Archivaren und Geheim-ober-land-und-volk-statistik-inspectors, of hoe ze heeten; met heeren Pastors oder Predigers en het lest wel 't best, met een persoon, waaraan ik zeer toevallig ben gekomen, een allerschranderst actief mensch, van wien ik u later spreek. 't Grootste deel, ja bijna die geheele correspondentie kan ik u sparen. Ze zou u niet veel meer doen zien dan wát er alzoo is gedaan dokter, om den overgrootvader, ik zeg den _over_grootvader van mijnheer uw schoonvader op 't spoor te komen."

"En is hij gevonden majoor?" zegt Helmond, nu Kartenglimp een oogenblik zwijgt.

--Hoor, hoor! August vraagt dat met wezenlijke belangstelling, meent Eva, en ze voegt er bij: "Ja niewaar, hij was er majoor?"

"Maar kind, welzeker!" bevestigt mevrouw: "de eene vader heeft natuurlijk altijd weer een anderen vader gehad, dat spreekt!"

"Hier heb ik, om kort te gaan, een brief," hervat Kartenglimp, terwijl hij met een uitdrukking van groot gewicht het papier toont: "een stuk dat voor het geslacht der Van Armeloo's evenveel waard is als het gevoel van eer voor den soldaat. Deze brief dokter,"--de majoor scheen het woord niet meer tot den kapitein te richten; "deze brief van den heer Dr. Heinrich Stangbetter, evangelisch Pastor of Prediger te Mariënthalen in Oldenburg, ofschoon hij in bijna onleesbaar Duitsch is geschreven--zie maar dames--hij gaf mij de zekerheid van het hoogstbelangrijke feit dat van 1707 tot 1752 twee heeren Armelo, Walter en Peter, vermoedelijk vader en zoon, na elkander evangelisch predikant in die plaats zijn geweest, terwijl te Mariënthalen in gemeente- en kerk-archieven de overvloedigste bewijzen daarvan voorhanden zijn."'

De linksche wijze, waarop de lange drankjesrondbrenger Bus inmiddels het theeblad heeft weggenomen en den wijn op de tafel gezet, kon Eva nu voor 't oogenblik niet uit den zaligen hemel stooten waarin ze zich bevond, 't Hinderde haar alleen dat papa zoo akelig onverschillig en strak zat te kijken; en ook--ja, dat Kartenglimp hem nu zoo in 't geheel niet meer aansprak.

"Papa!"

"Watblief?"

"Meen je om in te schenken, vrouwtje?" zegt Helmond: "Ja, de majoor mag wel eens drinken."

"Ah! merci!" zegt Kartenglimp, en proeft den heerlijken Cantemerle, en herneemt terwijl hij ter halverwege opstaande met het glas salueert: "Ik drink even het welzijn van dezen huize: Mevrouw Helmond! dokter! mevrouw Van Armeloo...."

"Papa, de majoor wou.... Papa dan!" roept Eva.

"Hemel Armelo-lief! zie je dat glas niet!"

"O jawel; jawel.... Wát was de....?"

"Derangeer je niet kapitein. Ik dronk het welzijn van mevrouw je dochter, en van mijn vriend Helmond in hun nieuwe woning."--Den ontevreden blik van Eva bemerkend: "'t Is niets mevrouw; papa heeft zeker zinkings die hem wat hinderen in 't hooren."

Armelo zet er zich _weer_ overheen, en ja, hij verstout zich:

"Ik drink graag het welzijn van mijn kinderen majoor, maar.... ik weet niet of deze conferentie en uw bemoeiingen wel inderdaad zoo bijzonder in 't belang van hun en ons geluk zijn."

De majoor is doodsbleek geworden, maar schijnt toch zijn kalmte te bewaren.

"Hemel papa!" zegt Eva.

"Man ben je.... om Godswil, ben je _stapel_ geworden!" roept mevrouw.

Ja, ook Helmond moest in stilte bekennen dat het wat erg liep. Ofschoon zulk een bemoeiing in zake van afkomst, het stokpaardje van dien majoor bleek te zijn; hoewel hij volstrekt niets te verzuimen had en hij zich voor deze bereddering letterlijk heeft opgedrongen, men moest toch erkennen dat niemand hem bepaald weerhouden heeft, en zelfs dat mama en Eva door haar openlijk betoon van ingenomenheid, hem zeker tot handelen hebben aangevuurd. En nu, terwijl men hem dan een tijd lang rustig liet begaan; nu men bijeen is gekomen om zijn verslag te hooren--ofschoon Helmond zelf het wel graag had ontweken--nu de majoor werkelijk reden meent te hebben om papa te kunnen feliciteeren; zie, nu zet die oude heer zich eensklaps zoo schrikkelijk stijf in den zadel. Indien het _onmogelijk_ was, à la bonne heure, maar _onmogelijk_ was het niet; en ofschoon papa er dan zelf--althans van middag--schrikkelijk tegen was, vergeten mocht hij niet dat Eva er geheel anders over denkt. Hij, Helmond, o nee, hij hecht er niets aan, zoo goed als niets; maar als het dan waar is, wat Debecque heeft gezegd, dat namelijk zulke titels zeer gemakkelijk kunnen overgaan, en hier dus zeker vooral, van schoonvader op schoonzoon--natuurlijk in 't belang van kinderen en kleinkinderen,--ja! dan was het inderdaad zeer onbeleefd om een man, die zich zooveel moeite getroostte, en nog wel op het oogenblik dat hij aan Eva een soort van toost bracht, zoo onheusch te behandelen.

"Papa, we mogen dunkt me niet vergeten dat de majoor zich te veel moeite voor ons gaf, om er tot dank een onvriendelijk woord voor te ontvangen.--Wij die u kennen, weten wel dat het uw bedoeling niet was om den majoor iets onaangenaams te zeggen." Met nadruk, ofschoon steeds op gepasten toon: "De majoor wil met u klinken papa!"

Na een korte aarzeling heeft Armelo met eenige trilling zijn glas genomen, en stoot het weifelend tegen dat van Kartenglimp, doch, met een wrevelig gebaar en zonder te drinken zet hij het daarna op de tafel.

Kartenglimp bespeurt een "algemeene verontwaardiging," waarvan mevrouw Armelo inderdaad al aanstonds de tolk wordt. Er komt iets in zijn blik, 'twelk hij met moeite zou kunnen verbergen, doch 'tgeen hij nú, bij die "algemeene verontwaardiging" te verbergen onnoodig acht.

"Ik geloof mevrouw," zegt hij snel tot Eva: "dat papa zijn diensttijd wat te zeer vergeten is. Wanneer hij _uw_ wellevendheid en _uw_ beschaving bezat...."--Kartenglimp ziet Eva--ongetwijfeld door zijn woorden gestreeld--de oogen neerslaan en blozen, en vervolgt: "dan zou hij zich wat beter herinneren dat de man, die ertoe meewerkt om hem van eenvoudig gepensioneerd kapitein tot den gravenstand te brengen--'tgeen zonder mijne relaties zeker _nooit_ gelukken zou--dat die man tot nu toe in rang nog altijd zijn _meerdere_ is. Je moest een voorbeeld aan je vrouw en dochter nemen kapitein, en wat meer eergevoel toonen."

Mevrouw Armelo geeft, sterk knikkende, bewijzen van toestemming.--Eva is vuurrood geworden.--Helmond ziet links en rechts.... naar Eva, naar papa, naar Kartenglimp, en zijn gansche houding teekent onrust. Opgestaan gaat hij naar de deur, vreezend dat iemand onverhoeds in deze oogenblikken zal binnenkomen, terwijl Kartenglimp nog voortgaat met inzonderheid Eva te verheffen tot een model, waaraan de vader zich wel spiegelen mocht.

En, een zwaren strijd heeft Helmond te strijden. Op dien toon kan het niet verder! Hij ziet den armen schoonvader daar zwijgend en met pijnlijk saamgeperste lippen neerzitten.--Ja, zijn vijandige houding tegenover den majoor was zonderling en ongewettigd; maar op _deze_ wijze! Zal die vreemde, den oud-kapitein hier, onder Helmonds dak, dan zóó de les mogen lezen; zal hij Eva zóó op een dwaalspoor mogen brengen, en haar doen vergeten dat zij _ten koste van haar vader_ verheven wordt? Helmond wil spreken, hij zal, hij _moet_!--Maar, als hij dien man--nu zichtbaar verstoord--door een terechtwijzing tegen zich in 't harnas jaagt....? Vernam hij dan niet in vertrouwen dat juist die majoor een der personen is door wien de notaris hem 't geld kon bezorgen? En heeft hij niet zooeven gehoord dat het zonder de hulp van dien man zeker _nooit_ zal gelukken om een titel te bekomen, waaraan Eva hangt met al de kinderlijkheid van haar hart? Waagt hij dan niet, door zijn terechtwijzend woord, dien man nog meer te ontstemmen, en Eva een teleurstelling te berokkenen, die dan ook wel mogelijk een bron van kwelling voor _hem_ worden kon?--Maar hoor!

"Ik bedrieg mij niet kapitein, uw vrouw en dochter, en ook uw zoon, ze schamen zich over je kleingeestigheid. Ze gevoelen...."

Armelo hoort niet meer wat zijn vrouw en kinderen gevoelen. Hij, hij _zelf_ voelt het oude militaire hart weer krachtig wakker worden in de borst.--Wat vermeet zich die gepommadeerde opsnijer, de brutale klant met zijn vreemde tronie, de indringer van wien "God noch goed mensch" de origine en geschiedenis kent; de man, die zich opwerpt om een titel aan 't licht te brengen--wie weet met welke bedoeling--een titel die tóch niet bestaat. Wat waagt hij het--duizend bommen en kanonnen! om op zijn kwajongensjaren met een in Indië verworven rang, een oud-kapitein van het Neerlandsche leger te insulteeren! Wat duizend donders! waagt hij het om vis-à-vis vrouw en kinderen zulk een toon te voeren; zijn dikwijls weerspannige, hooghartige vrouw nog meer tegen hem op te zetten, en zijn kind, zijn Eva, van hem te vervreemden geheel en al!?--Op, ouwe kameraad! knip dat brutale onridderlijke poespas onder z'n neus! Duizend donders! toon nu.... Nee, chut Armelo, stil! bedaar!.... 't Is _hier_ de plaats niet. Zal de arme kapitein dan aanstonds in de rijke woning van zijn schoonzoon schandaal gaan maken en haar tot een kroeg verlagen? Nee, stil; stil nu Armelo; weerhoud je. Als je spreekt en loskomt dan raak je slaags in 't volle vuur. Zwijg dus! Morgen in de sociëteit, dan kun je hem vinden. Een knip onder den neus zul je hem geven; ha! _dáár, een knip onder den neus_; Ga nu maar voort sinjeur; wel ja, doe mijn eigen vrouw maar altijd toestemmend knikken en triumf op mijn "_kleingeestigheid_" vieren. Laat dat kind zich maar _schamen_ voor een vader, die.... o God!.... Neen zwijg Armelo, zwijg tot morgen! Laat hem zijn gang gaan. Stil!

"Ik denk dames," vervolgt Kartenglimp met een naren lach, "dat de kapitein dat glas niet wil drinken, omdat hij misschien _tegenwoordig_ tot het korps der _afschaffers_ behoort,--hahihaha! hahihaha!"

--Maar God, wat is dat?--Hoor, wat snerpt daar _als_ een gil door de ruime Oranje-zaal? Wat vliegt daar op en scheurt dien valschen lach vaneen?

Ze hebben het niet gehoord hoe het in de laatste minuten, mede bonsde in Eva's borst. Haar blozen en verbleeken; het neerslaan dier oogen; haar zwijgen, neen, ze hebben het niet beschouwd als den strijd van haar dwazen wensch met haar waarachtig liefhebbend kinderhart.--God! had zij dan straks zoo iets uitgelokt? Maar zóó heeft ze het niet bedoeld!

"_Zwijg! dat is laag en gemeen!_" heeft Eva eensklaps met de grootste overspanning geroepen, terwijl ze zich ten deele van haar zitplaats verhief: "Zwijg man, en lach zoo akelig niet..... Dat is _mijn vader_ weetje, mijn _goede lieve brave_ vader! Wie riep je hier, om dien ouden man te beleedigen, zeg? in _mijn_ huis....?

"Eva, Eva!" zegt Helmond: "In 's-hemelsnaam!"

"Wát Helmond! wil _jij_ me terughouden? Al heb ik straks ook den schijn gegeven van meer aan een titel dan aan mijn lieven vader te hechten, die schijn mag niet blijven! Zou jij dat willen!?"--Geheel opstaande en fier tot Kartenglimp:--"Je lacht al niet meer, _goed_! Vraag nu mijn vader excuus voor de verregaande beleediging die je hem, vooral met dat laatste woord, hebt aangedaan.--Ik zeg: _vraag excuus_!"

Kartenglimp zoo wit als een lijk geworden, schijnt nochtans zijn kalmte niet te verliezen.

"Een beleediging mevrouw? Heb ik met dat laatste woord een beleediging gezegd? Ik wist niet...."

--O God, heeft ze dan haar zinnen verloren....? Hoor! het was hem onbekend, wat er gebeurd is in vroeger tijd! Heeft ze dan in haar overijling nu zelve dien goeden stillen vader den pijnlijksten stoot gegeven, door vuur te vatten toen men hem een afschaffer noemde? Ze heeft goed willen maken wat ze straks misdeed, neen--haar _hart_, haar liefdevol kinderhart heeft gesproken; maar helaas, ondoordacht, om hem nu nog dieper te wonden in 't bijzijn van dien man. O, zij weet niet wat ze nu spreken, waar ze zich bergen zal.

Maar zie.... het hoofd van den vroeg vergrijsden vader, het schudt wel vreemdsoortig, maar toch, ja, in die altijd zoo goedige oogen ziet ze tranen glimmen. Tranen!--En met die oogen vol tranen ziet hij haar aan.--Lachen ze haar toe door die tranen heen? Wenken ze haar om te komen aan zijn zij; in zijn armen, aan zijn vaderhart?

Ja Eva, dat trillen van het hoofd en dat beven van die lippen, 't is nu een gevolg van den warmen gloed, die daar eensklaps zijn borst doorstroomde.

O, toen ge daar op dien schrillen gejaagden toon uw: "Zwijg! dat is laag en gemeen", hebt uitgekreten; toen gij hem uw _lieven braven goeden_ vader hebt genoemd, toen was het hem als zongt gij het schoonste lied uwer kinderjaren; als drukten weer uw rozelippen op 't teederst zijn pijnlijk gesloten mond.... o God, toen had hij zijn Eva, zijn kind weergevonden, de oudste, de lieveling die hij straks reeds verloren dacht.

Zie, en nu staat ze aan zijn zij, en ze drukt dat grijze goede hoofd vast, heel vast aan haar borst;--zóó, zóó! nog meer op zij, nog vaster, ja, want--die vreemde, zal ze niet zien: de tranen van haar goeden, haar _lieven_ vader!

VIER EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

Een groot kwartier later was de majoor Kartenglimp vertrokken.

Door zelf zijn kalmte te bewaren, of wel met geweld te hernemen, was Helmond er al spoedig in geslaagd om, althans voor 't oog, de gemoederen tot bedaren te brengen.

't Was immers een misverstand, een mal-à-propos. Men heeft het den majoor die zooveel moeite deed, niet durven zeggen, dat papa, bij rijper en rijper indenken, hoe langer hoe meer _tegen_ de zaak is geworden, en niet dan op sterk aandringen van.... de familie, erin heeft toegestemd om dezen namiddag de conferentie bij te wonen. Een lichte ongesteldheid, zooals mama zeer juist gezegd heeft, had hem misschien dezen middag nog bovendien wat zenuwachtig gemaakt, en zoo heeft het den schijn gehad alsof hij zich tegen den majoor en niet, zooals werkelijk het geval is geweest, tegen de zaak bleef kanten.--"Niewaar papa?"

"Jawel, welzeker!" heeft Armelo gezegd. Och hij zou nu wel alles hebben toegestemd; immers, hij had zulk een zalig oogenblik gehad, o zoo _onbeschrijfelijk_ zalig!

En wat Eva's uitval betrof, de majoor zelf zou dien waardeeren niewaar? Een dochter die gevoelig wordt, _zeer_ gevoelig, wanneer men haar vader.... "U zult bekennen majoor," heeft Helmond vervolgd: "dat, ofschoon er reden was u eenigszins gekrenkt te gevoelen, dit gevoel zich wat sterk tegenover onzen braven vader heeft lucht gegeven. Ook op mijn schoonmoeder en mij moest uw woord een pijnlijken indruk maken. Maar als een misverstand nu aanleiding gaf.... wanneer ik zelf erken dat wij schuld hadden door u onbekend te laten met de zeer verminderde ingenomenheid van onzen vader met de zaak, dan bedrieg ik mij niet of u zult--_niet_ als bekentenis van ongelijk, maar als de _mindere_ in leeftijd, ofschoon de meerdere in rang, den ouden kameraad--ook ter wille van _vrouw_ en van _dochter_, wel gaarne de hand reiken."

En..... Zoo was het geschied.

Maar wat er omging in de harten dat is in die ure onvermeld gebleven.

Nadat Kartenglimp vertrokken was, hebben papa en mama Armelo nog eenige minuten getoefd; maar papa verlangde nu toch zeer naar huis, want de hoofdpijn, die men reeds eenige malen had voorgewend, was werkelijk gekomen. Mama die na Eva's uitbarsting en wat erop volgde, zeer stil is geworden, heeft toch niet kunnen nalaten om Eva te zeggen, dat ze heel "grootsch" had gehandeld met zóó haars vaders eer op te houden en zijn partij te trekken; en, slechts fluisterend--want in Helmonds oogen vreest ze toch straks wel wat al te onbewimpeld voor haar meening te zijn uitgekomen--slechts fluisterend voegt ze in 't heengaan er tot Eva bij, dat ze van dien adel nog altijd het beste blijft hopen, ofschoon ze het lijdelijk moesten aanzien hoe de majoor--en zonder dat er over de zaak een woord is gerept--al die papieren en stukken weer stilletjes mee naar huis had gepakt.

En Eva, 't was háár wel aan te zien dat ze zware hoofdpijn had. Ze sprak na 't heengaan der ouders bijna geen woord. August vond dat niet vreemd. 't Was maar beter; en, Eva zou hem groot plezier doen met naar bed te gaan: haar pols ging wat gejaagd, en haar voorhoofd gloeide.

--O, wie durfde nu nog beweren dat zulk een vrouw geen schat was, grooter dan de grootste op aarde?

"Ziezoo lief wijfje, lig nu maar rustig; 't is mede in 't belang van ons "geheim" dat je bijna verklapt hadt. Met den gezwinden pas ga ik nu naar mijn zieke; ja; _toch te voet_. 't Zal wel donker zijn als ik terugkom, maar als je slaapt dan zijn de uren seconden. Nee, wees gerust, die hoofdpijn van papa zal morgen wel beter zijn. Maar, vrouwtjes, die zulke goede plannen hebben als jij, ze moeten wat oppassen en ook bij haar edelste emoties niet te hartstochtelijk worden. Tot straks mijn lieve beste vrouw!--Watblief? Of dat onderzoek van dien adel, nu papa er zoo schrikkelijk tegen is, toch niet kan plaats hebben?--Welzeker Eva, _alles_ kan; maar 't beste is nu dat je er niet over denkt. Mij dunkt, dokter Helmonds vrouw heeft dezen avond bewezen dat ze, ook zonder adelbrieven, wel waarachtig van adel is. Dag lieve, slaap zacht!"--Nog een kus op haar lieven mond, en Helmond spoedt zich voort.

't Begon al te schemeren toen Helmond, reeds een tien minuten buiten de stad gekomen, verfrischt door de heerlijke avondlucht, van verre een boerenknaap op ongezadeld paard in vollen draf zag naderen.

In weinige seconden was de ruiter den dokter voorbijgejaagd; maar terwijl Helmond met gefronste wenkbrauwen even omziet, bespeurt hij dat het paard door den knaap met kracht wordt ingehouden terwijl ook de ruiter naar den voorbijgereden dokter omkijkt!

Helmond heeft een oogenblik te voren gevreesd 't geen hij nu moet vernemen. Die haast, dat ongewone harddraven naar stad, 't is het gevolg van een sedert bijna twee uren vergeefsch wachten op den dokter, die gezegd had _dadelijk_ te zullen komen. Reeds drie kwartier geleden is een andere knecht van boer Dirksen, te voet naar stad getrokken, om dokter, als hij hem mocht tegenkomen, tot spoed aan te zetten; maar, misschien zal Japik, niet wetend dat dokter verhuisd is, naar de oude woning aan den wal zijn gegaan en hem zóó hebben misgeloopen.

--Ja, 't was vreeselijk erg; boer Dirksen lag "als dol", en telkens was het alsof hij "genacht ging zeggen." Als dokter rijden kon, dan moest hij toch dadelijk "den bles" nemen, en hem maar ferm "ribbenhaver" geven, want o Heer, d'r zou wat te koop zijn als boer Dirksen bezweek!