Chapter 26
"'t Staat arm man, armzalig! Maar als je in zoo'n dwarse bui bent, dan zou je wezenlijk instaat zijn om thuis te blijven.... tenminste 't zou schrikkelijk laat worden.--Je houdt dan je rechter den heelen tijd over je linker, op die plek, begrijp je Armelo. En nu, in 's-hemelsnaam, niet dat lamentabele gezicht!--Kijk, daar staat schoonzoon al voor 't raam. Hemel, wat een pracht van een huis!--Gauw Armelo, zie eens op zij, ongemerkt: Zie me om de liefde eens hoe de freules Van Winteren ons nakijken. Je kunt denken hoe het die dames pikeert dat wij de hooge breede stoep van 't mooie oud-burge.... van 't nieuwe doktershuis opstappen."--Zij trekt aan de schel der huisdeur: "Nu front naar de markt kapitein!"--en dan bij zich zelve: "Ziezoo dames, als je wilt dan kun je ons nu uit de verte nog eens in onze volle waarde genieten. Jawel kale jonkvrouwen met een heelen boel verbeelding en wind op het lijf! hier staan wij; ik en m'n man; en we gaan hier--om zoo te zeggen zoo goed als in ons eigen huis, en als je maar geduld hebt, dan zie je mettertijd nog eens een heel ander kroontje op de kaartjes van de familie Van Armeloo dan het magere ding, waarmee jelui zoo'n laffen bluf maakt." Luide: "Och Armelo, zie eens, zit m'n mantille wel recht? Trek hier 'en beetje. Man, strijk je knevel toch op; en,--denk aan je schoen!"
Bus, de lange drankjesrondbrenger van dokter Helmond, die een soort van "huisknechtelijk" voorkomen heeft gekregen--door een licht linnen jasje met blauwe streepjes--opent de deur.
"Dag _Bosch_!--_Mijn kinderen_ thuis?" zegt mevrouw: "_Mijn zoon_ de dokter óók? Ha! le voola!"--Een enkelen keer--nochtans hoogst zeldzaam--sprak mevrouw Armelo Fransch.--"Ha! Lieve Helmond! hoe gaat het? Foei, kom je ons zelf in de gang ontvangen? foei!--Och, je moet je om óns niets, niets ter wereld geneeren. Wij hebben zoo volstrekt geen complimenten of aanmatiging, wij...."
Helmond die den zoen van zijn mama "recht hartelijk" heeft gevonden, begroet intusschen zijn schoonvader met een trouwhartigen handdruk; en dan:
"Wat! niet heel fiksch papa; moet ik u in den vijzel hebben?"
"O 't heeft niets te beteekenen," zegt Armelo: "van morgen een beetje hoofdpijn."
"In den vijzel!" zegt mevrouw: "Helmond-lief, ik dacht dat je den vijzel voorgoed...."
"Maar mama'tje, wie heeft _dát_ gezegd!"
"Gud! menheer Kippelaan zei...."
"Och vrouw, zwijg toch van Kippelaan, 't is 'en proppenschieter."
"Ga binnen; Eva wacht u;" zegt Helmond en doet de deur, waaruit hij in het breede marmeren voorhuis kwam, wat verder open, en papa Armelo treedt achter mama Armelo de Oranje-zaal binnen.
Eva heeft gewacht.
Als altijd schoon, ja schooner misschien dewijl het zwart barège kleed haar blankheid te meer doet uitkomen, ligt Eva bij het binnentreden van haar ouders, zeer gracelijk in een voltaire, met het hoofd achterover, de fijne hand aan den kleinen mond, en den blik schuin terzijde door 't venster in de blauwe lucht. Helmond begreep die houding op dit oogenblik niet. Moest dat een klein ondeugend comediestukje wezen? Was het om haar ouders stilzwijgend een raadseltje op te geven, 't raadseltje van twee is drie? Of Eva inderdaad iets van dien aard bedoelde toen ze bij 't binnentreden der ouders--hoewel slechts gedurende een ondeelbaar oogenblik--half liggend zitten bleef, of dat zij misschien 't effect van haar Oranjezaal die nu kant en klaar was door een gepaste stoffage,--een rustig figuurtje--wilde verhoogen, wenschend dat men bij 't binnentreden een _indruk zou krijgen_ 'tgeen onmogelijk was wanneer zij aanstonds ging opvliegen als een schichtig konijn!?--Helmond gelooft het eerste. Eva zou hem, indien hij 't haar later gevraagd had, waarschijnlijk geantwoord hebben: Mijn hemel, wie kan nu van al die vluchtige gedachten en invallen zoo haarfijn rekenschap geven? Ik zat zoo, mijn hemel, _ik zat zoo_!
Nu heeft ze de ouders begroet. Er is plaats genomen. Eva zet thee. Mama Armelo komt aan het woord:
"Wij denken geheel eenstemmig _Eva_, en 't allerbeste zal dunkt me zijn, dat we nu eerst eens bedaard den majoor af wachten.'t Verstand van je lieven man, mijn besten zoon--ja ja Helmond, God weet hoe ik dweep met je kennis en verstand; maar ik zeg Eva, er zijn wel eens zaken die de vrouwen oneindig beter inzien. De majoor is een man die zeer juist...."
"Och Marie, jij altijd met je verheerlijking van dien majoor!" roept Armelo; en dan wat zachter: "Als Helmond zelf me niet had laten vragen om de zoogenaamde explicatie van dat heerschap te komen aanhooren, dan, neem me niet kwalijk, dan zou ik er vast voor bedankt hebben."
"Heb _ik_ u gevraagd....?" zegt Helmond en ziet Eva die naast hem zit, van terzijde aan.
"Hé August-lief, weet je niet meer dat ik zei van _gisteren_, en toen.... van _morgen_;" zegt Eva met een snel blosje, terwijl ze met den rug van haar mooi blank handje even zijn wang streelt: "en dat je het toen beter vondt om het vandaag te hebben. Weet je niet meer August?"
"O ja, wat dat betreft in zoover heb je gelijk Eva." En dan tot den schoonvader, waarschijnlijk met het doel om aan zijn interpellatie voorgoed een eind te maken: "In onze waardeering van den majoor--hoewel we hem eerlijk gezegd, nog weinig kennen--geloof ik niet dat we zoo heel veel van elkander verschillen papa. Maar zonder te beslissen of er iets van komen kan, zoo moet ik mama en Eva toestemmen, dat de majoor zich de zaak waarlijk met den meesten ijver en belangeloos heeft aangetrokken. De man verdient tenminste met eenige waardeering te worden aangehoord; hij heeft zeker aanspraak op onze.... dankbaarheid."
Helmond had de laatste woorden met moeite en weerzin uitgebracht. De dankbaarheid weegt hem pijnlijk zwaar.--'t Was alles, met die verandering van woning enz. enz. alles zeer eenvoudig in zijn werk gegaan. De notaris Zoutenheer heeft hem het geld bezorgd--zeer amikaal, en 't is dus een zaak geheel tusschen hen beiden. Maar toch, was die majoor niet inderdaad de man, die hem door zijn praatjes, in Eva's tegenwoordigheid, het hoofd op hol heeft gebracht!--Helmond heeft geen berouw van 'tgeen hij voor zijn vrouwtje deed; neen, straks nog heeft hij het levendig gevoeld: 't was goed, en alles zou best terecht komen. Maar, dat die persoon, die indringer, op zijn _handelen_ inderdaad invloed heeft uitgeoefend: dat die vreemde sinjeur door den loop der omstandigheden geheel op de hoogte van Helmonds zaken gekomen is, dewijl--zooals de notaris hem in vertrouwen meedeelde--de majoor zelf een deel van het geld bezorgde waarmee hij geholpen werd; dát, zie, dat alles heeft een weerzin tegen dien man bij hem verwekt, een geheel anderen en veel sterkeren weerzin dan vroeger het uiterlijk en de manieren van dien majoor, of wel zijn vrees voor den dood het gedaan hebben. Nu echter zal Helmond dien weerzin moeten bestrijden, omdat hij bij 't openbaren ervan het allereerst zijn eigen vonnis zou hebben geveld.
De kapitein, die zich steeds vrijer tegenover zijn vrouw gevoelt wanneer er heeren in 't gezelschap zijn, en zich nu vooral--onder den machtigen indruk dat eens in deze zelfde kamer een Oranje heeft gezeten--zonderling sterk en in zijn kracht gevoelt, de kapitein herneemt terwijl hij zijn schoonzoon een sigaar presenteert--'tgeen zijn vrouw de verkeerde wereld en bespottelijk vindt:
"Ik spreek het niet tegen Helmond, de man is almachtig gedienstig; maar in dienst kenden ze geen dienst zonder commando."
"Och hoor je wel kind," fluistert mevrouw Armelo tot Eva: "papa spreekt van zijn dienst alsof ie nog in 't volle vuur stond."
Eva glimlachte, maar zweeg.
"Ik hou niet van menschen," vervolgt de kapitein: "die zich ongevraagd in onze zaken mengen. In 't jaar dertig...."
"Beste Armelo, die geschiedenis kennen we allemaal."
"Pardon mama, ik ken ze niet;" zegt Helmond, en luistert nu met geduld naar het verhaal van den schoonvader, hoe deze namelijk indertijd met een zeer indringend kameraad van 't "zesde" had gehandeld. Helmond, echter al spoedig bemerkend dat hij reeds volkomen op de hoogte der geschiedenis is, kan intusschen zoo van terzijde gedurig eens naar Eva luisteren, om haar blijde instemming te vernemen met alles wat mama vooral in deze zaal te roemen en te bewonderen vindt.
"Zoodat ik maar zeggen wil Helmond," vervolgt de kapitein: "dat ik nooit op menschen gesteld ben, die je hun vriendschap zoo opdringen, en voor niemendal alles voor je doen willen. Er wordt zoo weinig voor niemendal gedaan in de wereld!"
"Je moet van middag maar niet te veel van papa verwachten Eva; papa heeft de bokkepruik opgezet. Heb je niet Armelo? Och manlief, ze staat je zoo leelijk. Jij kunt niemendal goeds van den majoor hooren omdat ie majoor is, dáár zit 'em de knoop.--Wat zeg _jij_ kind?"
"Kom papa, zet uw grieven nu maar aan kant. We vinden menheer Kartenglimp geen van allen een modelman, maar, zooals Helmond al zei: wat ie voor ons doet dat is wel zeer beleefd, en ik verzoek u dus tegen _mijn_ gast heel vriendelijk te zijn papa'tje. Mij dunkt, u zult toch ook naar zijn verslag verlangen."
"Ja Armelo, dat dunkt me; tenminste...."
Armelo--'t is aan zijn gelaat te zien--zet er zich overheen:
"Verlangen? Nee Marie, nee! Of je me nu aankijkt of niet, ik zeg je _nee_; ik verlang er niets naar; ik heb er geen oogenblik--nee tenminste geen minuut naar verlangd. Ik zei van den beginne afaan dat het gekheid, groote gekheid was."
"Dat heb je _niet_ Armelo lief; je hebt er wel degelijk in gegroeid: je hebt in je handen gewreven. Niewaar Eva? Ik zie het nóg."
"Ja, u hadt er wel mee op papa. Misschien niet dadelijk, maar toen u begreept...."
"Ik zeg je _nee_! Ik heb gelachen."
"Ja juist Armelo-lief, dat was het bewijs: je hebt gelachen."
"Maar duizend bommen en kanonnen, is lachen dan niet een bewijs..."
"Zeker pa, dat je ergens plezier in hebt."
"Of Eva, dat je iets _belachelijk_ vindt. Zieje, en ik lach inderdaad om dat malle idee van dien adel. Heb ik het dan niet aanstonds gezegd: al ware het zoo, wát zou ik met zoo'n titel doen; ik die met Gods hulp nog werk heb om rond te komen."
"Chut, chut beste, je schreeuwt dat men 't buiten wel hooren kan."
"Dat komt omdat jij me zoo dikwijls overschreeuwt! Maar zieje, als men er mij naar vraagt dan wil ik het zeggen: In den verstandigen tijd dan eten we gewoonlijk moespot met een stukje vleesch of spek--of _zonder_ als 't wezen moet; afgemarcheerd! We houden onze kleeren tot ze 't verstellen niet meer waard zijn, en...."
"Maar Armelo, ik ken je niet meer! Man, je vergooit je...."
"Dan gaan we in 's-hemelsnaam allebei tegelijk!--De schoenen"--en Armelo laat, doch niet zonder zekere zelfoverwinning zijn linkervoet zien--"we dragen ze totdat ze versleten zijn."
"Maar dat is 'en schande!" roept mevrouw. En Eva het hoofd met zekeren weerzin afwendend, zegt zacht in zich zelve: "C'est un peu _trop_ fort!"
"U wilt maar zeggen papa, dat zulk een titel minder bij uw tegenwoordige positie past," meent Helmond.
"Dát wil ik maar zeggen: dat, heel eenvoudig: en hoe belachelijk ik het denkbeeld vind: dat ik een graaf zou wezen, en mama, de dochter van een bakker, _gravin_! 't Is onzinnig!"
"Maar Heer in den hemel!" roept mevrouw met trillend hoofdgebaar: "Een bakkersdochter! Alsof bijvoorbeeld _alle_ adellijke families Bakker geen bakkers, of weet ik het wát anders geweest zijn! Ga jij je gang maar Hanoversche boerenzeun.... ga jij...."
"Mama ik bid je," valt Eva in met hooggekleurden blos, nadat ze een snellen blik op haar man heeft geworpen: "u moet je niet zenuwachtig maken. We weten heel goed dat, onder andere, de eigen broer van úw mama luitenant ter zee is geweest."
"Ja, ja juist!" stemt mevrouw: "dáár denkt men niet aan."
"Wat geeft dat!" zegt Armelo: "Ik, Harmen Pieter Armelo, ik ben van boerenzoon wel kapitein geworden; maar wou je daarom nog een graaf van me maken? Ik zeg je 't is onzinnig!"
"Papa, dát is het niet," zegt Eva eenigszins driftig, ofschoon op een gansch anderen, oneindig gekuischter toon dan hare moeder: "'t wordt dunkt mij _onverstandig_ om over de onmogelijkheid en de onzinnigheid van iets te spreken, dat men niet onderzocht heeft en waarvan de mogelijkheid door anderen in 't geheel niet zoo sterk wordt betwijfeld."
--Aha, het kind leest hem de les! Moeders partij wordt krachtig versterkt! Och 't zal nu maar beter zijn verder te zwijgen. Er zijn vrouwen die altijd _altijd_ gelijk hebben; volkomen! al ziet men ook klaar dat ze een kanon voor een trekpot houden. Zwijgen is dikwijls verstandiger. Maar een enkele maal moet het pak eens van 't hart.--Helmond heeft nu tenminste gehoord hoe de oude man erover denkt. En, al zal hij dan nooit in der eeuwigheid zulk een gekheid goedkeuren, nú wil hij zwijgen.--Als het kind gaat meedoen..... en vergeet....--Enfin, hij zal weer zwijgen, en luisteren. Welzeker!
"Drievierden van 't gezelschap papa, beschouwen als zeer wel mogelijk, 't geen ú zoo heelemaal verwerpt. Mama, Helmond en ik."--Mama geeft teekenen van goedkeuring; Helmond tuurt op het gloeiende kooltje van zijn sigaar onder de grauwe asch, en Armelo luistert:
"Wij met ons drieën verlangen te weten wát mijnheer Kartenglimp ons zal meedeelen;" vervolgt Eva: "Na gehoord te hebben papa, kunnen we oordeelen of de zaak mogelijk is. Als er werkelijk stukken zijn die duidelijk aantoonen dat wij afstammen van de oude graven Van Armeloo, en ons goed recht op dien titel alzoo te bewijzen is, dan zal ieder verstandig mensch toestemmen...."
"Welzeker!" komt mevrouw tusschenbeiden.
"Toestemmen dat men zoo iets _niet_ mag prijsgeven; dan zal men...."
"Ja maar Eva," valt Helmond in: "papa oppert alleen het groote bezwaar dat men als _graaf_, heel anders dan als eenvoudig gepensioneerd kapitein voor den dag dient te komen. Papa begrijpt....."
"Papa begrijpt de zaak geheel en al verkeerd, evenals jij lieve man....."
Mevrouw Armelo bijt, hoofdknikkend, op den nagel van haar duim.
"Ronduit gezegd, hij voelt niet dat een graaf, die bijvoorbeeld niets meer dan roggebrood heeft, toch inderdaad een heel ander mensch is dan een burgerman in dezelfde omstandigheid. Met honderd voorbeelden zou ik dat kunnen bewijzen."
"O, desnoods met duizend;" stemt mevrouw.
"Om iemand te noemen," hervat Eva: "was Karel V geen keizer meer toen hij in zijn klooster horloges maakte?"
"Me dunkt 't," zegt mevrouw, ofschoon ze inderdaad dien vijfden Karel niet zoo spoedig te plaatsen weet.
"Daar heb je Napoleon," vervolgt Eva met vuur: "was die op St.-Helena de groote keizer niet meer? Was Marie Antoinette zelfs onder beulshanden niet _koningin_? Waren....."
"Eva, je moet je niet zoo opwinden," zegt Helmond met een vriendelijk dreigen: "we begrijpen wat je bedoelt, maar waarlijk je slaat met die voorbeelden mis. In 't klooster was Karel zoomin _werkelijk_ keizer als Napoleon het was op St.-Helena, of de ongelukkige Marie Antoinette koningin op het bloedig schavot."
"Maar Helmond, begrijp jij, _jij_ dan ook niet dat _waarachtige_, dat _hoogere_ van den adelstand? dat het iets aangeborens is, iets...."
"Onafneembaars," vervolgt mevrouw Armelo: "iets wat er nooit uitgaat, wat er altijd in blijft, totdat....."
"Totdat het verzuurt misschien!" mompelt de kapitein onhoorbaar.
"Ik begrijp wat u zeggen wilt mama," valt Helmond haastig in: "maar dan zouden we bijna evengoed kunnen stellen dat Sixtus V, als paus, eigenlijk nog veehoeder, of Benedictus XII in die hooge waardigheid nog molenaar was."
"Je bent onaardig Helmond, heel onaardig, en dat in presentie van mijn ouders!"
"Ik ben 't niet Eva. Misschien begrijp je 't verkeerd; ik sta tusschen de partijen in. Met mama en met jou ben ik het eens, dat Kartenglimp eerst moet gehoord worden. Zoodra het _waar_ blijkt te zijn wat hij als _zeker_ stelt--'t geen ik betwijfel--dán kunnen we nog nader beoordeelen of niet inderdaad de inzichten van papa de beste zijn, en....."
"Dáár moet het heen, welzeker!" roept Eva, terwijl tranen van spijt haar in de oogen springen: "'t Mankeert er maar aan August, dat jij papa gaat stijven in zijn.... ja al heel weinig militaire opvatting; in een bekrompenheid waaraan ik geen naam weet te geven. Diezelfde bekrompenheid....."
--Zwijg Armelo, zwijg, vermaant de ex-kapitein zich zelven in stilte: je hebt straks genoeg gezegd. Als jij spreekt dan zal 't vuur van een anderen kant nog feller gaan opvlammen.--Goed zoo kind! denkt hij terwijl Eva verder spreekt: ga jij zoo maar voort. Ik ben niets meer dan _je vader_; och nee, een door eigen schuld vernederd en bekrompen vader. Goed zoo, diezelfde bekrompenheid zal papa doen voorbijzien wat hij aan zijn kinderen is verschuldigd, en dat hij als man, als hoofd van zijn geslacht, verplicht is om zijn recht in de wereld--ha, zijn _recht_!--'t koste wat het wil, te hernemen.
"'t Is als de dag!" zegt mevrouw.
"En," gaat Eva voort: "dat het aan een dochter, die tenminste een aristocratisch hart bezit, dat het aan háár als 't ware een roof zou wezen....."--Goed zoo kind.... een vader die je besteelt!
"Ik zeg August _een roof_, als hij _niet_ deed wat zijn plicht is in 't belang van de zijnen. Men verzaakt niet _altijd_ zijn plicht...."
--O God, dat is te veel! dát van haar, van Eva _zijn kind_! Maar blijf zwijgen Armelo, zwijgen; toon om Gods wil niet dat je zoo iets _begrijpt_. Ze heeft het zóó niet bedoeld. Neen, je kind, je oudste, heeft dát niet willen zeggen. Zwijg! aan 't beven van je stem zouden ze 't merken.... Raap dat pluisje van den grond, want..... aan je oogen kunnen ze zien dat er iets naar boven dringt.--Zeker, als hij nu sprak hij zou zich niet goedhouden, hij zou 't uitbarsten misschien. O God! zulk een verwijt van _háár_!... Stil--stil!--Goddank! daar wordt gescheld. Dat geeft afleiding. Goddank!
"Nee, niemendal, Helmond;" zegt Armelo nog met het hoofd naar omlaag: "Ik dacht dat ik daar iets op 't tapijt zag liggen.... dáár.... maar 't is niets.... O zoo, is de majoor er. Ei zoo!"
DRIE EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
Dank zij Helmonds bijzonderen tact, heeft Kartenglimp bij zijn binnentreden niets bemerkt van de bewogen stemming, waarin het gezelschap verkeerde.
Maar ook Eva zelve, ofschoon door papa's tegenstreven ten zeerste ontstemd, zij heeft zich spoedig weten te herstellen. Een man aan wien men verplichting had--zie, dat moest men begrijpen--zulk een man diende men met eenige onderscheiding te ontvangen, en 't zou al zeer burgerlijk en onhoffelijk zijn, indien men zulks, door een onderlinge verdeeldheid, kon verzuimen.
Eerlijk moet Eva zeggen dat die majoor Kartenglimp nooit haar charme zal worden. Er is iets in zijn gelaat 'twelk haar niet bevalt; zijn manier van spreken heeft bovendien zeer dikwijls een zekere gemeenzaamheid die geen plezier doet, en waardoor men wel haast gedwongen wordt om zekere geruchten niet zoo onvoorwaardelijk met den naam van laster te brandmerken. Maar toch, bij een nadere kennismaking--en Eva heeft hem nu immers reeds eenige malen, ook bij den notaris ontmoet--mag zij zeggen, dat ze het zeer onverstandig zou noemen om iemand als den majoor, alleen op 't uiterlijk of op geruchten te veroordeelen, zonder hem meer van nabij te kennen. Wanneer men over dat zekere Oostersche in den man wat heen was, dan zag men tenminste dat hij een fameus goed hart bezat. En bovendien, hij heeft iets breeds. Niemand bijvoorbeeld heeft zoo goed als hij begrepen, dat August wel heel onverstandig zou hebben gehandeld, indien hij de eenige gelegenheid om dit huis te koopen had laten voorbijgaan; niemand als hij begrijpt zoo geheel en al, dat men in de wereld moet zijn wie men is, en dat men....
"O nee volstrekt niet majoor; nee, ik heb wel altijd zeer veel aan de muziek gedaan, maar niet om er ooit...."
"Dat begrijp ik mevrouw: u hebt de Kunst liefgehad om de Kunst, maar 't is natuurlijk nooit bij u kunnen opkomen om er een armzalige broodwinning van te maken. Uw familie zou zóó iets...."
"Dat was toch primitief wel degelijk 't plan menheer;" zegt Armelo, die sedert Kartenglimps komst nog bijna geen woord heeft gesproken.
"Mijn vrouwtje beklaagt zich haar studies niet;" valt Helmond in, terwijl hij Eva met een blik beschouwt waarin een zacht verwijt stond te lezen: "Maar, of haar ouders al bedoelingen hebben gehad, toen ze zeer verstandig voor de ontwikkeling van dien prachtigen aanleg zorgden, ik geloof ook dat zij zelve alle recht had om te gelooven, dat haar kunst wel gauw brutale kapers aan boord zou krijgen."
"Wat papa bedoeld heeft August, dat weet ik niet, maar dit weet ik wel, dat ik nooit heb begrepen dat men in ernst het plan had om mij zoo te vernederen: Een muziekjuffrouw!--Of bestond het voornemen misschien om mij tot een théâtre-chanteuse, een tooneelprinses te promoveeren? 't Is allerliefst, _allerliefst_!"--Fier: "Nee! dat is papa's bedoeling nooit geweest."
"Maar mijn hemel Eva!" zegt Armelo: "omdat je zoo'n mooie stem hadt.... omdat.... Weet je dat niet meer?"
"Nee papa, dát weet ik zeker niet meer. Ik geloof dat u je vergist; zulk een eer zoudt ú als oud-officier voor uw kind niet hebben begeerd, dát weet ik papa. U zult mij met iemand anders verwarren, 't Is onaangenaam. U meent het goed, maar.... zóó.... Wat moet men van mij denken!"
--Wat moet men van haar denken! Ja, waarachtig, wat, wát moet men van haar denken!--Zwijg Armelo, zwijg nu vooral: die vreemde is er bij. Wat zou _hij_ dan wel van haar moeten denken indien hij wist dat ze de waarheid bedekt.... neen, dat ze--ofschoon misschien voor 't allereerst--dat ze nu.... liegt, dat ze haar ouden vader tot een suffer, of, tot een _leugenaar_ maakt.--Stil ouwe kameraad.... daar ligt weer iets onder de tafel. Stil! "Nee niemendal Helmond, dankje.... ik dacht dat daar tóch iets lag, maar 't is niets, niemendal."
Aangezien Helmond dezen avond, zooals bekend is, nog een zieke buiten de stad te bezoeken heeft, en daarom op wat spoed moet aandringen, zoo geeft de majoor gaarne aan de uitnoodiging gehoor om het resultaat van zijn onderzoek aan de familie te gaan meedeelen. De papieren, die Kartenglimp nu te voorschijn haalt, legt hij met een bijzondere zorg voor zich op de tafel. Hij schijnt heel wat correspondentie over die zaak te hebben gevoerd, en 't moet moeielijk zijn om alles goed uit elkaar te houden.
Eva voelt haar hart kloppen nu de majoor nog eens een papier inziet alvorens te beginnen. Maar hoor, 't was alsof haar een pak van dat hart viel:
"Mijnheer Van Armeloo, nu wij tot de belangrijke zaak komen, die u mij hebt willen opdragen, nu acht ik mij gelukkig u voorloopig met een gunstigen uitslag te mogen feliciteeren."
Eva zag terzij, en stond op; en, om haar opstaan te rechtvaardigen, gaat ze naar de schel waaraan ze trekt, maar bespeurt niet dat Kartenglimp nu juist in den grooten spiegel, die schuin tegenover hem hangt, haar schoon gelaat waarop een blijde ontroering te lezen stond, genieten kan.
Armelo maakt een beweging alsof hij iets zeggen wil; immers, hij heeft dien majoor volstrekt niets opgedragen, niets! maar moeder Armelo geeft haar echtgenoot een zoo beheerschenden wenk, dat de majoor ongestoord kan vervolgen:
"U weet kapitein, dat uw naam mij van den beginne af aan zeer bekend voorkwam. Ziehier de reden: In mijn jonge jaren logeerde ik veel te Waechtel in Noord-Brabant. De pastoor van het dorp kwam somtijds bij mijn familie aan huis, en van hem vernam ik--zonder er destijds eenige waarde aan te hechten--dat de goederen zijner parochie voor 't grootste deel het geschenk waren van een zekeren graaf Arend Van Armeloo, wiens echtgenoot de erfgename der heeren van Waechtel geweest was. In de eerste plaats kan ik hier het stuk overleggen van den tegenwoordigen pastoor van Waechtel aan wien ik heb geschreven. Wees zoo goed dit even in te zien kapitein..... alsjeblieft....."
"Ja..... maar mijn oogen..... Ik heb....."
Mevrouw Armelo heeft nu haastig het papier gegrepen, doch Helmond, vreezend dat zijn schoonmoeder bij 't mogelijk voorlezen ervan, over 't een of ander woord zal struikelen, neemt het snel van haar over, alsof hij meende dat mama het hem heeft willen toereiken.