Chapter 25
't Was Augustus.--Reeds sedert eenige dagen hebben Helmond en Eva hun nieuwe woning betrokken.
Inderdaad, het deftige oud-burgemeestershuis was prachtig opgeknapt, zoowel vanbuiten als vanbinnen. Ja, en men komt zoo van 't een op 't ander. De stadstimmerman beweerde dat dokter het huis "schandekoop had: tweeduizend gulden voor reperaties--met de serre, waar mevrouw zoo'n zin in heeft gehad erbij--'t was hem wel driehonderd gulden meegevallen. Zoo goed als present!"
De zaal, waarin Helmond en zijn vrouw zich op dit oogenblik bevinden, is de kleinste der beide zalen in het huis, en werd de Oranjezaal genoemd sedert Koning Willem I er op zekere doorreis, bij den voormaligen hoogadellijken burgemeester een collation gebruikte.
Eva heeft aanstonds een bijzonder zwak voor deze zaal gehad. Het prachtige stukadoorwerk met zijn fiks gesneden cherubs; de fraai geschilderde doeken aan den wand--Arkadische landschappen voorstellend: de hooge zeer kunstig gebeeldhouwde schoorsteenmantel, met zijn prachtig wit marmeren beeldengroep in 't midden en een paar wapenschilden in 't lofwerk erboven, dit alles heeft Eva van het eerste oogenblik afaan ten zeerste bekoord.
En dan, niet al te groot en daardoor ongezellig: een vroolijk uitzicht hebbend op het ruime marktplein met de frisch groene linde- en kastanjeboomen; zóó, keurig gemeubileerd, was het niet vreemd dat Eva de Oranjezaal tot het vertrek heeft gekozen, waar ze het meest vertoeven en haar vrienden ontvangen zal.
Ja zelfs August, die in den laatsten tijd wel wat somber en afgetrokken was--"geen wonder na de infame behandeling van den ouden despoot"--zelfs August die eerst in de onaangename bui drie stuks meubels voor de Oranjezaal onbarmhartig van het lijstje had geschrapt, hij stond verrukt toen hij voor 't eerst een kijkje mocht nemen, en zijn Eva met een kus moest toestemmen, dat, zonder de drie stuks--die ze natuurlijk tóch maar komen liet--het geheel lang niet zóó zou voldaan hebben.
Weinige oogenblikken geleden heeft Helmond een boodschap van zekeren boer Bikkers ontvangen, om aanstonds op _De Schebbelaar_ te komen.
Dat verzoek kwam zeer ongelegen. Dokter Helmond heeft het dezen morgen zóó met zijne visites geregeld dat hij den namiddag vrij had.--Het theegoed stond reeds gereed; men wachtte behalve papa en mama Armelo, den majoor Kartenglimp, die den uitslag zijner nasporingen betreffende de veronderstelde afstamming der kapiteinsfamilie van de graven Van Armeloo, zou komen meedeelen.
"Ja August, 't zou al heel onredelijk van me zijn indien ik niet volmondig toestemde, dat je als een lieve brave man hebt woord gehouden. Welzeker heb je getoond dat ik je _onverdeelde_ liefde bezit, ja, door alles te doen wat mij genoegen kon geven, wanneer het namelijk niet in strijd was met je plicht. Maar mij dunkt, je neemt het nu met dien plicht wat al te zwaar. Of je een paar uur vroeger of later naar dien boer gaat, dat zal zooveel niet uitmaken. Aanstonds zullen de oudelui en de majoor hier zijn. Je dient er toch bij te wezen August, en 't zou me bepaald een groot verdriet doen als je nu heengingt."
"_De Schebbelaar_ ligt een heel eind buiten de stad Eva. Men kan niet weten; misschien is er werkelijk haast bij."
"Die menschen hebben _altijd_ haast August."
"'t Is waar, de boer wacht langer met den dokter te roepen, dan hij _zelf_ wachten wil. Indien ik wist dat Kartenglimps verslag wat spoedig afliep...." Hij ziet naar de pendule; "Maar nee 't is toch beter....."
"We kunnen hem immers zeggen dat je wat haast hebt, en later neem je een vigilante."
"Nee Eva, _vigilantes_ nemen dat kan en wil ik niet, dan zou ik zelf op die visite een gulden toegeven."
"Och arm _arm_ mannetje!" zegt Eva; en opstaande komt ze aan zijn zij, en hem zacht onder de kin strijkend, vleit ze met zoete stem: "Zal dat nu altijd zoo blijven?"
"Wat meen je lieve kind?"
"Nu ja, wát meen ik.... Niet boos worden August!"
"Boos....? Geef ik zooveel reden om dat te vreezen?"
"Nee zeker niet. Maar...." Aarzelend: "We zijn immers één als man en vrouw; en waarom dan altijd die achterhoudendheid! Toen je mij 't eerst van liefde hebt gesproken, toen vroeg ik er niet naar of je..... rijk waart; maar, nu ik het weet--ja natuurlijk, ik weet het--nu moest je vis-à-vis je eigen vrouw dat vertoon van armoede, of wat er naar zweemt, toch laten varen.--Is het uit vrees August, dat ik op den duur wat veeleischend zal worden? O, geloof me, wanneer je mij in _alles_ je vertrouwen woudt schenken, dan zou je me waarschijnlijk al gauw moeten opdringen wat ik nu onstuimig begeeren blijf." Hem liefkoozend: "We dokteren zoo wat voor liefhebberij.... hé....? en hebben fortuin, nog al _veel_ fortuin....?"
"_Ik_, Eva, _ik_?"
"Nu ja, van _mijn_ kant is er geen quaestie van. Pa en ma hebben geen sous; en tante in Den Haag heeft haar fortuintje in een levensverzekering gestoken. Als de goeje ziel morgen sterft: La bonne nuit ses écus!"
"Nee Eva, je bedriegt je; ik heb geen...."
Eva legt hem snel de hand op den mond: "Stil, niet jokken. Foei, die guldens- en stuiversberekeningen á la Zonsberg, zouden den besten en verstandigsten mensch van de wereld ten laatste in de war brengen. Wat je me verbergt, je doet het op aanraden van het gepensionneerd reliek...."
"Eva! zóó niet!"
"Pardon, op aanraden van Rechtsomkeert met de leege tasch, marsch! Volgens het mooie systeem: Eet alle dagen beschimmeld roggebrood zoo hard als een keisteen, dan zal beschimmeld wittebrood zoo hard als een baksteen, taart of pastei voor je wezen."
"Eva, Eva!"
"Heb ik er iets aan miszegd, lieve August, dat ik je voor den besten verstandigsten man van de wereld houd--met een klein deukje door een schriele opvoeding misschien?--Toen we op de catechisatie eens den tekst behandelden: "Geldgierigheid is de wortel van alle kwaad," toen heb _ik_ er tegenover-gesteld: "Royaliteit is de moeder van alle deugd," en, dominee en al de meisjes hebben er toen met sympathie om gelachen. Jij bent au fond royaal mijn beste man, ik weet het bij ondervinding; maar zeg dan nu ook ronduit dat je die dubbeltjes- en centen-uitzuinigings-manie zult zien af te leeren; dat past niet wanneer men...."
"Maar Eva, ik bezweer je...."
"Tuterletuterletu!" roept Eva zoo hard mogelijk, als wilde zij een valschen eed voorkomen. En dan vleiend: "August, als je me nu waarlijk liefhebt, veins dan niet langer. Of je arm of rijk bent, ik heb er je even lief om, dat weet je; maar, nu je het _bent_, toon me nu ook, door het te erkennen, dat je me heelemaal vertrouwt. Als je het _niet_ waart dan zou je immers wel de domste man van de wereld moeten zijn. Welk verstandig mensch zou er huizen koopen zooals dit, en het meubileeren zooals wij deden, wanneer hij er niet zeer warmpjes inzat. O, ik heb het al begrepen toen je in Parijs, voor mijn toilet en diamanten, zooveel meer kondt uitgeven dan het totaal van je reisgeld bedroeg!"
't Was Helmond bij Eva's laatste woorden alsof hij door een wesp werd gestoken.--Dát was te veel!
Alleen ter wille van háár wier oog hem liefdevol moet toelachen, aan wier boezem hij zoo gaarne rust, en van wier heerlijk mondje hij zoo graag een zoeten kus ontvangt, slechts om haar gelukkig en tevreden te zien, heeft hij dat fatale woord gehouden, en, toegegeven, telkens meer. En nu zegt hem diezelfde mond dat hij een dwaas zou zijn geweest indien hij, zonder de middelen ertoe te bezitten, dat alles had ingewilligd; Een onverstandig, een _dom_, een _zeer dom_ man!
--Maar was hij dat inderdaad? Heeft hij dan niet werkelijk een kleinen, spaarpot gehad, waarmee hij nooit heeft willen pralen, maar die hem instaat zou stellen om het dierbare wezen, dat hem geheel wilde toebehooren, als op rozen te doen gaan in de zoetste levensdagen--de eerste van een zaligen echt?--Toen was hij dan toch geen dwaas en onverstandig man, al heeft hij in die luttele dagen wat heel veel geld uitgegeven.--En later?--Ja ja Helmond! fluistert het vanbinnen: Ja, later!
--Maar, neen! nog eens _neen_! Hij is er immers gerust op geworden. Voor zooveel de notaris mocht laten blijken, is er sedert het gebeurde met Philip geen wijziging in het testament van den pleegvader gebracht. En heeft men dan inderdaad geen fortuin, wanneer men het later met eenige zekerheid verwachten mag? En bovendien al moest dat uitzicht in damp vervliegen--en zoo waar als er een God is, en zoo waar als hij den grijzen pleegvader altijd zal.... achten, zoo waar zal hij niet speculeeren op een vermogen, waarop hij inderdaad geen recht heeft--neen, al moest dat uitzicht geheel verdwijnen, indien hem 't leven en de kracht gespaard worden, dan kan hij, na een zestal jaren, die tot heden gemaakte schulden reeds hebben ingehaald.
--Een man als hij: een dokter wiens praktijk dagelijks toeneemt en zeer winstgevend mag heeten, hij kan waarachtig zeggen: _fortuin te bezitten_. En zie dan Helmond, hoe die schrandere zielvolle oogen je aanstaren. Zal hij voortaan een _onverstandig_ man zijn in _zulke_ heerlijke oogen!--Zou hij niet door te bekennen, de achting waarop hij aanspraak heeft verliezen, en bovendien zijn zedelijk overwicht.... 'twelk hij voortaan wat meer zal weten te handhaven! Inderdaad, met het oog op dit alles, mag bij immers zijn Eva toestemmen, dat hij niet de domme onverstandige man is, die een huis koopt en het prachtig meubileert zonder het te kunnen betalen.
Na een korte weifeling zegt Helmond:
"Nu ja kindlief, 't spreekt vanzelf. Zou ik zoo iets gedaan hebben indien ik 't niet doen kon! Maar toch...."
"Bravo, bravo!" valt Eva in: "dat heet nu waarlijk lief hebben, en zijn vrouw als zijn ander ik beschouwen. Zie, dát moest ik maar zeker, _heel zeker_ weten: mijn beste man deed niets wat hij niet doen kon. 't Blijft me even onverschillig August, _hoeveel_ we hebben in de wereld. Ik weet genoeg, en ben recht tevreden. Maar mannetjelief, tob dan ook over geen gulden meer, als je om mij genoegen te doen, die visite wat later per vigilante kunt maken. Zeg, zul je blijven August? De zaak is immers belangrijk genoeg?"
August stond met den rug naar Eva gekeerd in een boek te bladeren.--Hij heeft haar bedrogen, hij heeft haar gezegd dat hij.... als een verstandig man handelde, toen hij inderdaad maar al te dikwijls aan haar dwaze wenschen het oor leende. Zal hij haar nu een vermaning geven; haar nog eens het oude lied herhalen....? Neen! Maar toch:
"Eva, al is het dan waar dat ik vóór ons trouwen misschien iets terzij had gelegd, vergeet niet dat zelfs de verstandigste man door de omstandigheden zijn verstand kan verliezen, en.... dat na alles wat we reeds uitgaven, ijver en zuinigheid _waarachtig boven alles plicht is_.--Nu ja, wat de conferentie betreft, ik zal ze bijwonen. 't Zou niet aardig voor je zijn wanneer ik al dadelijk heenging; maar zoo spoedig mogelijk zal ik dan toch naar mijn zieke wandelen. Ja zeker _wandelen_ Eva, al wordt het wat laat."
"Och mijn lieve beste August!" vleit Eva met een zoen; en dan vroolijk: "Wacht, om je te toonen hoe lief ik je vind, zal ik je nog maar eens dadelijk laten hooren dat mijn Erard hier uitmuntend voldoet.--Zingen? Ja zeker, zingen zal ik erbij, als je dat wilt. Wacht! een aardig lied, dat mij juist zooeven uit vroeger tijd te binnen viel. Zieje wel manlief, dat ik waarheid sprak toen ik je zei, dat ik hier in ons ruimer huis weer heel veel spelen en zingen zou?"
Eva's slanke gestalte zweeft naar haar kostbaar instrument; en, nadat ze al ras met groote kunstvaardigheid en kracht een wegsleepend praeludium deed hooren, zingt ze nu met haar overheerlijk sopraangeluid:
Vraag aan den nachtegaal toch niet, Als hij zijn plechtig avondlied Zoo rein welluidend klinken doet: "Waarvoor ontvingt ge als prijs of loon "Een stem zoo schoon, "Zoo wonderzoet?"
Laat toch het vogeltje ongestoord Maar jubelen met vol accoord, Wat ook natuur ten loon u biedt, Haar _eêlste_ gaven schenkt ze om niet!
Vraag aan het bloeiend roosje niet, Als gij haar lieflijk blozen ziet, En ze u bekoort door zachten gloed: "Waarvoor ontvingt ge als prijs of loon "Een kleed zoo schoon, "Een geur zoo zoet?"
Laat toch het roosjen ongestoord; Van arbeid heeft net nooit gehoord. Wat ook natuur ten loon u biedt Haar _eêlste_ gaven schenkt ze om niet!
Nu Eva zwijgt en de slotaccoorden reeds wegsterven, nu staat Helmond daar nog sprakeloos, doch met een glans van verrukking op zijn mannelijk schoon gelaat. Hij denkt er niet aan dat Eva misschien als tegenhanger van 'tgeen hij daar straks had gesproken, dit bijna vergeten lied gezongen heeft, 't Sloeg ook wat al te weinig op 'tgeen hij bedoelde. Maar ja, ja zeker: "Natuur schenkt haar eêlste gaven om niet!"--Groote God, is het werkelijk zijn vrouw, zijn _eigen_ vrouw, die daar zoo heerlijk, zoo betooverend schoon heeft gezongen? Ze heeft woord gehouden; hier, waar het ruim hoog en niet vochtig is, hier zingt en speelt ze; hier leeft ze weer op; hier wil en zal ze gelukkig zijn met hem, en met haar prachtig talent. Reeds vier malen zong ze in deze zaal, maar zóó heerlijk, zóó onuitsprekelijk betooverend schoon, neen, zóó kan ze zelfs voorheen nooit hebben gezongen:
"Eva.... nóg eens, ik bid je, engel! nóg eens!" dringt Helmond met denzelfden blik vol verrukking, terwijl hij schier aarzelend zijn hand op haar schouder drukt: "Ja waarachtig: Natuur schenkt haar eêlste gaven om niet!"
"Bevalt het je lieve man? Komaan!" En weder zingt Eva het eerste couplet, waarin men nu werkelijk den reinen nachtegaalstoon kan herkennen.
En August, hij voelt een heeten gloed naar het voorhoofd stijgen.--Een talent als het hare, waarvan misschien de gansche wereld als van een Jenny Lind of een Patti kon hebben gewaagd, zulk een talent heeft zich aan hém, een eenvoudigen stadsdokter, overgegeven, geheel en al, met hart en ziel! En zulk eene heeft hij willen kerkeren in bedompte lage naargeestige vertrekken. En dan--deze eenige onder de Romphuizer vrouwen, zou men miskennen en beleedigen durven! Zulk eene zou niet de eerste en eenige blijven! Ja, zoo waar als God leeft, zweert August bij zich zelven, terwijl nogmaals de laatste tonen wegsterven van die wonderschoone melodie: ik zal haar in eere houden zooals ze _verdient_!
TWEE EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
Mama Armelo heeft zich dezen middag in 't gala-pak gestoken om met Armelo, die ook zijn Zondagsche jas heeft moeten aantrekken, aan Eva's uitnoodiging te voldoen.
De echtgenooten begeven zich op weg naar het nieuwe doktershuis.
Met een eenigszins vreemd draaiende deftigheid stapt mevrouw, naast den ex-kapitein--die in de laatste jaren wel wat voorover loopt--door de voornaamste straten van het stadje, op het tamelijk groote marktplein toe.
"Zieje wel Armelo, dat Wessels de kleermaker weer groet?"
"Ja Marie."
"En slager Van Delden dáár..... heb je 't gezien, zoo anders als anders, zoo onderdanig?"
"Ja.--Je hadt je wel wat minder mooi kunnen maken Marie."
"Waarom?"
"'k Heb immers Van Delden nog om drie maanden uitstel gevraagd; nu zal je mooie plunje hem in de war brengen."
"'t Is vreemd Armelo, dat je dat uitstel en die beleefdheid niet beter begrijpt. Ik voor mij geloof dat we sinds het bekend is, zooveel krediet kunnen krijgen als we maar willen."
"Bekend? Wát zeg je! is het al bekend? Ik dacht dat die gekheid tenminste geheel onder ons zou blijven totdat de majoor...."
"O dáár spreek ik niet van Armelo, ik bedoel van onzen schoonzoon, van Helmond. Sedert dat men zeker weet dat hij, ook van zich zelven, er warmpjes inzit."
"Ahja, wat dát betreft. Maar het staat me toch eigenlijk tegen dat men dáárom aan mij...."
"Is Eva dan misschien je eigen vleesch en bloed niet, man?"
"Ja waarachtig! Maar te speculeeren op andermans geld! Nee Marie, nee!"
"Andermans! andermans!! De wettige man van je eigen kind! van het kind dat haar bestaan in de wereld aan ons te danken heeft. Is dokter niet precies zoo goed je zoon als Eva je dochter? Noem jij het andermans, ik noem het _eigen_! Van één meel, van één deeg!"
"Ik spreek van zijn geld."
"Geld is niemendal. Wát is geld voor iemand die genoeg heeft! Geld is een dood, een onnoozel ding...."
"Stil vrouw, je praat zoo hard dat de jongens die daar knikkeren er van opkijken."
"Die jongens kunnen ook wel om wat anders opkijken, Armelo. Maar hoe 't zij," vervolgt mevrouw iets zachter: "wat heeft men aan geld dat niet gebruikt wordt? En, als jij bijvoorbeeld eens rijk waart en schoonouders hadt die een stand moesten ophouden in de wereld, zou jij dan niet zeggen..." Mevrouw vervalt in iets zeer theatraals: "neem van het mijne, ik heb fortuin!"
"'t Is me moeielijk Marie, om me met de herinnering aan _mijn_ schoonouders, zoo iets van _stand ophouden_ voor te stellen, en nog moeielijker om....."
"Och Armelo zwijg nu maar, je schijnt weer een dwarse bui te hebben; dat treft al heel slecht van avond. Je hebt die buien zeker uit de Tiendaagsche ruzie gehouden!--Kom man, kijk toch wat opgewekter. Zie, daar heb je het huis al. Goeje hemel, dat we nu zoo zeggen kunnen: daar, in dat mooiste huis van de heele stad, daar wonen _onze kinderen_! Och lieve deugd! wat een front maakt dat huis!--Nee, zenuwachtig ben ik niet Armelo, tenminste niet dagelijks; maar nou! wil je wel gelooven dat ik ieder keer kippevel krijg, als ik den markthoek omsla en dat huis daar voor me zie.--Och, hij doet het, onthoud er je vrouw bij."
"Hij doet het? Wat meen je?"
"Wat? Wel Armelo, denk toch eens door.... zóóveel kamers, zóóveel ruimte voor _twee_ personen!"
Armelo antwoordde niet. Het hoofd ging hoe langer hoe meer voorover.--'t Is hem tegenwoordig precies alsof hij overdag een boek leest, en 's nachts droomt dat hij er zelf in vermoord wordt.--Ha! zonder dien verwenschten drank, die het gevolg was van..... Stil, zijn vrouw leeft nog, en ze heeft zich gebeterd, evenals hij, helaas toen het te laat was.--Maar ja, zonder dát zou hij niet telkens gepasseerd en, ofschoon nog per gratie met klokke vijftig, gepensioneerd zijn geworden. Neen, dan was hij _nu_ kolonel, wie weet misschien generaal geweest! Maar dat alles is voorbij. Stil dan ouwe kameraad; gedane zaken nemen geen keer. Als je na nummer één, daar _heel_ Boven, ergens in een nieuw garnizoen komt, en bij een hooger wapen van voren afaan kunt beginnen, dan zul je 't wel verstandiger aanleggen. Zeker! Nu, wees te vreden dat je zonder schandaal nog een geregelde retraite hebt kunnen maken; dankbaar dat je stilletjes kondt rondsukkelen met wat zuinigheid en wat werken erbij.--Maar, in den laatsten tijd! in de laatste weken! Ach, somwijlen heeft hij oogenblikken gehad dat hij--nee, dat is niet waar; ja, ja toch, verdord! dat hij naar een glas jenever verlangde. Als het dan toch draait..... dan..... Een glas jenever!
Dat was slecht! Heeft het geluk hem beneveld en zoo uitzinnig gemaakt? Welk geluk? Welnu is Eva niet geheel gelukkig getrouwd; Eva, zijn oudste, zijn lieve dochter?--Stil, dat is voor hem zulk een groot geluk niet. Hij durft het niet uitspreken; men zou het verkeerd kunnen uitleggen; maar, sinds dat goede huwelijk, zoo geheel naar aller zin, en vooral in de laatste weken, was Eva _zijn Eva_ niet meer. Vriendelijk is ze, nu ja, heel vriendelijk. Eens hebben papa en mama met Louise zelfs bij haar gegeten, en tweemaal thee gedronken, welzeker! Maar toch, 't was hem toen juist zoo vreemd en raar geweest. Bijvoorbeeld 't is hem soms onmogelijk om zich duidelijk voor te stellen dat hij háár--die mooie rijke mevrouw--als kind zoo dikwijls op zijn knie heeft gehad; dat ze hem in die schrikkelijke dagen van vernedering en ellende--de lieve vroolijke bloem met haar golvende lokken--zoo telkens uit eigen beweging kwam liefkoozen en zoenen op den pijnlijk geplooiden mond; of, met haar rein welluidende stem haar schoonste liederen ging zingen, om, zooals ze zeide, haar "lieve pa'tje weer wat vroolijker te maken, en van zijn dierbaar hoofd die nare rimpels te verjagen". Toen, ach, ofschoon telkens en telkens teruggestooten, gekrenkt in zijn eer en benadeeld in zijn inkomsten--helaas door eigen schuld! was hij toen niet dikwijls nog gelukkiger dan nu? Is het dan niet alsof de rust en kalmte der laatste tien jaren, nu na dat huwelijk van Eva, een eind hebben genomen? Aan wien zal men het wijten? Aan den braven dokter die Eva als zijn oogappel bemint? Neen onmogelijk! Maar toch..... Ach, ware ze met ziek geworden! zucht Armelo onder 't voorttreden in stilte; ware ze zoo meer in "onzen doen" gebleven; muziekonderwijzeres geworden; en was dan die goede Donerie niet zoo terughoudend geweest..... Maar, dat alles is voorbij! En nu, 't is alsof er sinds dat huwelijk en sinds die dwaze voorspiegeling van een graventitel vooral, een oude kwade geest in huis is wakker geworden. Het geld van den generaal; het fortuin van Helmond, en de adellijke titel, ze maken het oude hoofd van die arme vrouw weer op hol. Heb ik Louise, dat goede eenvoudige kind, niet bijna alle dagen met tranen in de oogen gezien, en was het mij dan niet telkens alsof ik in een zwarten nacht staarde; alsof ik op een slagveld was met kermenden en lijken overdekt, terwijl de raven akelig krasten in 't rond? Dat beeld vervolgt me al meer en meer; en als ik wakker lig, soms uren lang--terwijl ik in die laatste jaren weer zoo gerust kon slapen--dan zie ik altijd en altijd weer datzelfde huis, dáár, en schrikkelijk groote vlammen uit die vensters naar buiten slaan, en dan hoor ik haar kermen en gillen: Vader, vader!--O God! En dan.....
"Guns Armelo, je loopt alsof je spelden zoekt;" klinkt het eensklaps aan zijn zij; en Armelo schrikt op, en zet zijn kin in de stropdas, want ja, zij heeft gelijk: als oud-soldaat mag die rug niet zoo krom worden.--Maar, wie weet, _wie weet_ wát hij nog te dragen krijgt: "Watblief Marie?"
"Dat je waarlijk je oudste schoenen hebt aangedaan."
"De oudste? Ik dacht dat het de nieuwe.... Ahja, nu zie ik ook...."
"Ze zijn bovenop in de buiging heelemaal kapot; je kous schijnt er door. Zóó kun je niet meegaan, we moeten eerst weer...."
"Marie ben je mal! Eva zal dáár niet naar zien, en al deed ze het, we hebben háár dunkt me in allerlei toilet gekend, van haar eerste kreetjes afaan."
"Daar spreek ik niet van Armelo, maar een fatsoenlijk man, een man van geboorte.... enfin zelfs een oud-militair loopt met geen kapotte schoenen. Wat zou de majoor wel van je denken!"
"De majoor! dat is me vrij onverschillig. Je weet dat ik aan die heele affaire niemendal hecht; tenminste...."
"Tenminste Armelo, zoolang we geen zekerheid hebben. Ik ken je, mannetje, en zoo ben jelui mannen allemaal: schimpen op zoete koek, maar, als ze 't trommeltje bij zich krijgen 't heelemaal leeg eten--zoo ongemerkt!--Ik zou me schamen, in jou positie met kapotte schoenen! Kom, ik heb quasi m'n zakdoek vergeten."
"Als ik nú weer mee naar huis terugga, Marie, dan kun je er _zeker_ van zijn, dat ik blijf waar ik ben.--Je weet wel dat ik toch al moeielijk tot deze visite--of conferentie zooals jelui het noemt--te bewegen was."
"Maar met zulke vieze kapotte hannekemaaiers op haar mooie tapijt!"
"Als je met de hannekemaaiers mijn _schoenen_ bedoelt, dan zeg ik je dat je overdrijft; 't is er maar één, en waarlijk zoo erg niet; de andere is nog heel."