Chapter 20
Archibald Hardenborg, omtrent zes en twintig jaren oud, had een bijzonder gunstig voorkomen; men kon hem gerust een type van mannelijke schoonheid noemen. Nú, zooals hij daar met de donkerblonde krulharen om het eenigszins bleek gelaat in het kussen neerligt, nu zal men het eerste wel aanstonds toestemmen, doch waarschijnlijk het tweede niet zoo gereedelijk beamen.
Helmond groet mevrouw Debecque, die zwijgend een welkomstteeken heeft gegeven, en gaat dan aanstonds naar het ledikant.
"Ah zoo, ben je daar menheer Helmond;" zegt de zieke tamelijk snel, ofschoon het te hooren is dat hij moeite heeft om zoo rad te spreken: "Mama's troetelgodin, de lieve Hollandsche lente, heeft me leelijk in m'n wiek geschoten.--'t Spijt me dat ik je.... derangeeren moet.--Links in de zij, jawel.--Een pols als een gangklok.... Volstrekt geen kwaad bij.... Hoor je wel mama.... 't is niemendal!"
"Wees zoo goed luitenant! u niet te veel met spreken in te spannen, 't Valt u moeielijk niewaar?"
"Als je me nu vroeg om bijvoorbeeld een "Grace" uit de Robert of zoo iets te zingen, dan ja.... ai!.... Nee nee, 't is zoo erg niet."
"Heb je weer meer pijn?" vraagt de oude baron, en ziet beurtelings zijn zoon en dokter Helmond aan.
"Om u de waarheid te zeggen papa, daar hou ik zoo precies geen boek van. 't Is in alle geval een allemachtig mooie bestiering, dat een patiënt z'n rantsoen pijn niet voor de heele expeditie opeens.... te.... dragen krijgt."
Bij de laatste woorden, half lachend gesproken, bemerkte Helmond opnieuw dat dit schertsend spreken--waarschijnlijk het gevolg van een doorgaans vroolijken aard, en ter geruststelling zijner moeder--den patiënt meer moeite kost dan hij weten wilde. Archibald wendde het gelaat naar de binnenzij van het ledikant, en Helmond vernam voor niemand dan hém verstaanbaar de woorden:
"Een pleuris hé? Zeg aan mama dat het niets te beduiden heeft."
Mevrouw Debecque was een eenigszins vreemd, schichtig, lief leelijk mensch van ruim vijftig jaren.
Als de echtgenoot van den steeds galanten en doorgaans opgeruimden ouden baron, die _zelf_ een goed gevormd gelaat had, waarover iets blank-zilverachtigs verspreid lag; als de echtgenoot van zulk een man, moest mevrouw Debecque, op wie haar voor 't eerst ontmoette, wel een zonderlingen indruk maken.
Ofschoon van patricische, maar niet van adellijke afkomst, had mevrouw Debecque een _zeer_ burgerlijk voorkomen. Wat echter de minder schoone weduwe van den kapitein Hardenborg, vooral in de oogen van den baron Debecque tot een zeer wenschelijke partij heeft gemaakt, was de omstandigheid dat mevrouw Hardenborg, geboren Rebecca Fontayn, een zeer groot vermogen bezat; en, dewijl de baron na den dood zijner eerste vrouw--die hem een paar huwbare dochters had nagelaten--zich in groote financieele moeielijkheden bevond, zoo was hij verstandig genoeg geweest om te zorgen "dat hij baron kon blijven" ten einde ook aan zijne dochters, namens de tweede mama, een huwelijksgift te kunnen aanbieden, eenigszins geëvenredigd aan haar stand.
Nochtans, hoewel Debecque "baron en vader was in de eerste plaats", en ofschoon hij nog geenszins ongevoelig mocht heeten voor vrouwelijk schoon, hij was te zeer _edelman_, om zijn woord van trouw aan de weduwe Hardenborg te schenden, of voor haar toenmaals tienjarig zoontje Archibald, liefde te huichelen, indien hij niet werkelijk dat aardige kind als zijn eigen had liefgekregen.
Debecque heeft aan zijn tweede vrouw nooit gezegd dat hij haar "vurig beminde" of dat hij haar "schoon vond", maar somwijlen slechts dat "die beste lieve Archibald, waarlijk wel wat op zijn moeder geleek".
En immers, zoo iets te hooren, het was voor die moeder reeds meer dan zij wenschen kon.
Toen Archibald op twintigjarigen leeftijd officier is geworden, toen heeft mevrouw Debecque de zwaarste slag van haar leven getroffen. Met zijn vurigen aard, had haar jongen rust noch duur gekend eer hij den steeds gekoesterden maar lang verzwegen wensch zag vervuld, om als officier naar Oost-Indië te vertrekken, waar, zooals hij zeide, de nikker-populatie tenminste van tijd tot tijd nog zorgde dat een Nederlandsch officier zich leerde herinneren waarvoor hij den degen droeg. Met de vaste belofte "dat hij juffrouw Insulinde 't vaarwel zou toeroepen als ze hem soms wat al te chaude werd, of wanneer ze een van z'n ledematen als liefdepand zou hebben geëischt; met ernstige beloften, ook van "schrijven" en "niet vergeten" en "niet roekeloos wagen" en "altijd maar denken" enz., is Archibald vertrokken, zonder dat ook de invloed van papa Debecque hem heeft kunnen bewegen om af te zien van den altijd gekoesterden wensch.
Met Archibalds vertrek was voor de goede vrouw de zon uit het landschap verdwenen.--Zij is aan 't sukkelen geraakt, en terwijl haar schoonheid daardoor in geen geval had mogen winnen, ging bovendien het schichtige van haar blik zich steeds sterker in haar handelingen openbaren, zoodat zij zeer menschenschuw en dikwijls uiterst zwaarmoedig en zwaartillend geworden is.
Doch, sedert een half jaar, toen men het bericht uit de Oost ontving dat Archibald zou terugkomen, is mevrouw Debecque oneindig veel beter geworden; zij sliep veel geruster en was, voor den gewonen beschouwer, dan ook niets anders dan.... een eenigszins vreemd, schichtig, lief leelijk mensch.
En nu, twee dagen na Archibalds blijde tehuiskomst, werd hij eensklaps ziek; o goede God, en erger ziek dan men bekennen wilde, ja, dat zag de moeder zeer duidelijk.
Dokter Helmond heeft zijn recept geschreven, en geeft verder den noodigen raad. Opstaande zegt hij nu:
"Tot morgen jonker. Zoodra de middelen er zijn, trouw innemen, hoor!"
Door den baron vooruitgegaan en op het portaal gekomen, voelt Helmond zich eensklaps aan 't pand van zijn jas trekken.
"Dokter, zeg, verberg mij niets: is hij vergiftigd misschien? Door een wraakzuchtige in Indië.....? O God, dat zou verschrikkelijk wezen! Een langzaam werkend vergif?"
"Vergiftigd?" zegt Helmond zonder verbazing, want hij weet wel dat mevrouw Debecque zeer sombere oogenblikken heeft: "Nee waarlijk, daar is geen quaestie van mevrouw."
"Och waarlijk niet dokter! Maar mijn kind is toch ziek, ernstig ziek. Zal hij beter worden, _zeker_?"
"We zullen ons best doen om den luitenant weer heel gauw op de been te helpen. Maar, als u je ongerust maakt, en de luitenant het bemerkt, dát doet kwaad, natuurlijk."
"Och, ongerust ben ik niet...." Zeer zachtjes: "Maar hij is heel rijk; en ik ben er zeker van dat er zijn die loeren op zijn geld; jawel!--U zult de drankjes zelf en alleen klaarmaken?--Nu ik zal niet angstig zijn; maar hij is mijn eenig kind, en mijn voornaamste erfgenaam--Een klein beetje loeren ze wel dokter,--jawel, jawel!"
Terwijl de coupee weer voorkomt, wil mijnheer Debecque volstrekt dat Helmond even in de huiskamer een glas wijn zal drinken.
Helmond herhaalt op Debecque's vragen zijn verzekering: dat het met den luitenant, naar hij vast vertrouwt, wel spoedig zal terecht komen; bovendien hij heeft een krachtig gestel en een vroolijke natuur, maar.... men kan een ziekte niet vooruitloopen.
"Doe toch wat je kunt dokter," dringt de baron: "je weet niet hoe blij ik was toen ik Archibald weer behouden thuis zag. Mijn vrouw scheen letterlijk een geheel ander mensch geworden; over niets niemendal hebben we eenige tobberij gehad. Je begrijpt me.--Zie, voor 't geluk van mijn vrouw moet ik zorgen zooveel ik kan; maar bovendien, ik houd van Archibald, waarachtig! Allercharmantste jongen! In één woord, doe wat je kunt. 't Rijtuig blijft om zoo te zeggen voor je ingespannen. Zijn twee visites daags niet te veel van je tijd gevergd, maak er drie. Zijn consulten noodig.... beslis en handel.--Nee nee, 't is maar omdat ik die arme vrouw dat kind zoo duizendmaal gun; en.... zelf, ja _zelf_ heb ik veel liefs van hem ondervonden. Onder ons gezegd amice, 't was al mijn plan om 't mooi gelegen _Hoeverszathe_ voor hem te koopen; 't ligt vijf minuten van hier en vlak aan den straatweg. Niewaar, als hij zich dan een lief mooi vrouwtje koos, zooals bijvoorbeeld een mevrouwtje Helmond;--ja ja dokter, dat is charmant, charmant! eere hebbe je smaak. Ik zeg, als Archibald zoo nabij ons kwam wonen; natuurlijk den dienst quitteerde, en al vast over een tien duizend jaarlijks te beschikken kreeg, niewaar, dat zou voor z'n moeder en ook voor mij een waar genot, een.... Ah, daar hoor ik het rijtuig.--Nu, zooals gezegd is; we stellen het onbepaaldst vertrouwen in je. Doe voor den vroolijken snaak wat je kunt; spaar niets, en wat het rijtuig betreft, je bestelt maar zelf en disponeert er over,--als 't noodig is hoe meer hoe liever. Adieu! Wel thuis! Respect aan je mooie vrouwtje met haar schrander oog.--Jan, zeg aan Karel dat hij rijdt als de drommel!"
Toen Helmond een klein half uur later, terwijl de maan geheel achter donkere wolken verborgen bleef, het groote hek van het nu gansch weggedommelde landhuis _De Zonsberg_ voorbijreed, toen dacht hij niet meer aan den nieuwen patiënt, wiens toestand hem ook inderdaad geen reden tot bezorgdheid gaf, maar, voor zijn geest stond daar opnieuw en altijd weder het beeld van den pleegvader.
--Neen, er is geen twijfel meer: ofschoon Eva in eerbied is te kort geschoten, en niet zacht, niet vrouwelijk, in één woord niet _goed_ heeft gehandeld, zij heeft toch den generaal bij zijn ware namen genoemd, niet verblind, zooals hij, door het altijd hoog opzien tegen dien krachtigen krijgsman met zijn vaste principes, of verweekt misschien door het voeden van een wat al te kinderlijke onderwerping en dankbaarheid. Ja, niet slechts is hij hoogmoedig en trotsch, maar _schriel_ daarenboven. Helaas! het is niet anders.
--Hoe! als men twee kinderen _aanneemt_, twee arme weezen, zal men dan het recht hebben om één dier kinderen--alleen omdat hij zich tegen onzen wil verzet, of ons een ongepast, een beleedigend woord naar het hoofd werpt, terug te stooten in den poel van armoede en gebrek?--Neen, dat is waarachtig _wreed_! dat is.... --Maar zacht, heeft oom Van Barneveld dan toch niet dikwijls getoond....?
--Helaas! dat bezoek bij de familie Debecque zou zelfs niet noodig zijn geweest om Helmond te overtuigen dat Eva scherper heeft gezien dan hij. Immers, een paar uren geleden hebben Eva en Helmond--het eigen pleegkind met zijn jonge vrouw--dezen zelfden weg te _voet_ afgelegd--het eind van _De Zonsberg_ tot aan Romphuizen! En ginds: In het belang van een stiefzoon, wiens dood den baron Debecque tot universeelen erfgenaam van het kolossaal fortuin zijner vrouw zou maken, daar zal het rijtuig van mijnheer de baron om zoo te zeggen steeds ingespannen voor den dokter gereed blijven. Niets, _niets_ moet er ontzien worden. En dan, welk een vertrouwen op Helmonds _kunde_! 't Is daar geen geringschatting der geneeskunst--ofschoon helaas, de resultaten der wetenschap nog altijd te luttel en onbevredigend zijn.--Zie, men stelt er een onbepaald vertrouwen in hem als dokter, wanneer hij handelen zal in 't belang van den patiënt. 't Is daar geen uithooren slechts, om straks eigendunkelijk voort te leven met hypothesen zonder voorafgegane studie en degelijk onderzoek.--Welk een onderscheid! Inderdaad, wanneer de wereld het wist, men zou zich moeten schamen: Een man als Debecque, die toch twee _eigen_ dochters heeft, hij bedoelt het welzijn van zijn stiefzoon alsof het zijn eigen leven gold; hij wenscht hem gelukkig te zien en steeds nauwer aan zich te verbinden. Een heerlijk en kostbaar landgoed wil hij hem koopen; een lief mooi vrouwtje wenscht hij hem toe, zonder zich door de gedachte aan een zeer mogelijke vermeerdering der familie te doen weerhouden. En dan, een jaarlijksche toelage van tien duizend gulden zal hij hem gaarne bij zijn huwelijk verzekeren.--Tien duizend gulden! O Eva, Eva! 't is hard maar 't woord moet er uit: Je hebt gelijk, oom is schriel, verfoeielijk _schriel_! De zeer vermogende generaal geeft aan den bevoorrechten pleegzoon een jaarlijksche toelage van driedui... ho, van driehonderd, zegge: drie-_honderd_ gulden. En dan, goeje hemel! de vreugde over de geboorte van een kind; de blijdschap over 't huwelijksheil van zijn beminden pleegzoon, zal door den schatrijken oud-generaal worden gevierd met een geschenk van honderd gulden! _Honderd_ gulden! Waarlijk, zulk een vreugd is al te uitbundig!--Ja, Eva had toch gelijk toen ze bij 't vernemen van die "schitterende toezegging", half blozend half glimlachend fluisterde, dat Helmond tegen dien tijd wel zorgen mocht een fiksche brandkast in huis te hebben.
--En dan, tweehonderd gulden voor een huwelijksreis, die veertien dagen zou duren, terwijl dat geld hem nog bovendien als honorarium voor zijn eerste consult was aangerekend! Tweehonderd gulden, terwijl Eva--niet meegeteld de diamanten, die hij haar op dien laatsten morgen heeft gekocht--bijna zóóveel besteden moest om in de geboorteplaats der mode, een weinig comme il faut voor den dag te komen.
't Zijn droeve oogenblikken in 't leven wanneer een illusie der kindsheid ons ontvalt, wanneer de vereering voor ouders of opvoeders moet plaats maken voor den onbevangen blik van het rijper verstand, en die edelen--die heiligen misschien--weggerukt van hun verheven voetstuk, daar staan als zeer gewone menschen met hun dwaasheden en gebreken.
Toen Helmond thuisgekomen, aan Thomas zijn recepten had gegeven om ze aanstonds klaar te maken, toen zag hij al spoedig Eva's rijkgelokt hoofdje om den hoek der apotheekdeur verschijnen terwijl haar schoone oogen--en zonder eenige terughouding--hem vriendelijk toelonkten. O welke heerlijke schrandere oogen! Ja _schrandere_ oogen; die oude baron heeft het goed gezegd.
En wat moest dokter Helmond dan gevoelen nu hij na een avond als deze, in 't holle van den nacht van een zieke teruggekeerd, niet zooals voorheen een kil en zwijgend tehuis, maar, _in_ dat huis een prachtige jonge vrouw mag vinden, die.... gedurende een paar lange uren heeft gewaakt en gewacht, alleen om hem te toonen hoe oprecht en teer ze hem bemint; die hem straks zachtjes toefluistert dat ze er waarlijk berouw van heeft dien ouden man wat al te openhartig te hebben toegesproken, omdat.... haar lieve August hem immers zooveel dank is verschuldigd!
O! en nu hij haar zijden lokken voelt wiegen langs zijn wang, en haar zoetste kus hem weer verrukt, ja, nu beseft hij dat er inderdaad op de gansche wereld toch geen is, die hem meer ter harte gaat dan zijn Eva; dat hij slechts leven moet vóór en mét haar; dat hij desnoods ieders liefde zal kunnen missen indien hij slechts zooals nu, het moede hoofd mag vleien aan hare borst, wanneer hij maar rusten mag in haren arm. En terwijl nu die schoone oogen, ofschoon ze slechts van liefde spreken, hem herinneren aan den stond toen hij voor God en de menschen betuigde dat hij zijn vrouw zou liefhebben als zijn eigen lichaam, met verstand; dat hij niet bitter tegen haar zou wezen, maar haar de eere geven als het zwakkere deel; nu zegt hij al spoedig in den zaligen roes der min, na zoo vele uren van zieleleed:
"En zul je mij dien naren zwarten blik dan ook vergeven, en vast hem vergeten mijn beste wijfje?"
En Eva zoent haar echtvriend weder, terwijl haar zachte hand hem een haarlok van het voorhoofd strijkt.
En hij: "O, ik wist het Eva, en geloof mij dan ook, _voortaan_ zullen we EEN zijn zooals het behoort. Immers wij zijn elkaar het allernaaste. Nee Eva, zeker, ik trek geen partij meer voor wie mijn liefste zou durven beleedigen. Ik zie den schoonen kant van haar fiksch karakter, en stel dien in 't licht alsof het mij zelven gold. Zie, en wij onderwijzen dan elkander; ik leer van mijn vrouwtje om zaken en personen, ofschoon in een liefderijken geest, te beschouwen zooals ze werkelijk zijn, en zij...."
Op dit oogenblik was het Eva echter niet mogelijk naar een reeds bekend _sermoen_ te luisteren. De bekentenis van haar August was dan ook al te verrassend. Met een schalksch lachje valt ze nu in, terwijl ze zijn baard om haar blanken vinger doet krullen:
"Ei! als het je dan heusch ernst is om zaken en personen te beschouwen zooals ze zijn, komaan mijn lief Augustje, beken jij dan eens volmondig, dat deze zeer geroemde huiskamer zóó ongelukkig laag van verdieping en zóó akelig doodsch is, dat de vrouw die er haar lieven man, dag aan dag en soms 's-avonds laat vol ongeduld zal wachten, zich er suf in kniezen of wel een tering op den hals halen moet!"
--Een tering!--Dat woord treft Helmond pijnlijk. Wat heeft hij gevreesd toen hij Eva voor 't eerst onder den meidoorn ontmoette? Een tering! En--Eva ziet wat bleek. Van 't late opzitten misschien?
"Komaan August, beschouw de kamer dan eens zooals zij waarlijk is, en spreek."
"Nu ja, ik wil niet zeggen Eva...."
"Nee nee, _volmondig_!"
"Vroolijk is anders Eva, welzeker."--Haar teer omhelzend: "'t Wordt nu tijd tenminste dat we een andere kamer gaan opzoeken: 't sloeg daarbuiten al twee."
En terwijl ze samen naar boven gaan--zoo heel vertrouwelijk, hand in hand--zegt Eva zachtjes langs zijn schouder heen:
"Ik las van avond toevallig in 't Romphuizer blaadje, dat het oud-burgemeestershuis over drie weken geveild, en acht dagen later publiek zal worden verkocht. Heusch, bij Siebold in de _Gouden Arend_."
ZEVENTIENDE HOOFDSTUK.
Den volgenden morgen nadat Eva zich voor 't koffiedrinken gekleed had, ontstelde ze een weinig toen ze, beneden gekomen, in den zak van haar japon nog den brief vond, dien ze den vorigen avond voor August van _De Zonsberg_ had meegenomen. Maar immers haar lieve man zou wel begrijpen dat zij, door 'tgeen er is voorgevallen, dien brief vergeten moest.
En August heeft het begrepen. Doch, niet zoodra had hij het adres van den veel gestempelden brief bezien, en in het schrift de hand van Jacoba Van Barneveld herkend, of hij stak hem snel in zijn jaszak, om echter losweg te zeggen:
"O van..... ne dinges, dat was niets; al gesproken."
"Dinges, een patiënt?"
"Ja, 't heeft niets te beduiden."
"Wil je eens weten August, wat ik dacht toen ik dien brief voor je kreeg?"'
"Welnu?"
"Ei, dacht ik, is mijn lieve man zoo met dames aan 't correspondeeren. Ja, 't kan niet missen, 't adres is van een vrouwenhand, en...."
"Is dat zoo duidelijk? Waaraan zou dat te zien zijn? Ik ken dames genoeg die een fiksche heerenhand schrijven, en heeren in legio die krabbelen als een keukenmeid. Ik verzeker je....."
"Hé August, hoe vat je daar ineens zoo verschrikkelijk vuur op? Zóó zou je iemand waarlijk op gedachten brengen die...."
"Die....? Wat meen je Eva?"
Er werd aan de deur geklopt.
Een oogenblik later overhandigde Thomas Van Hake aan de doktersvrouw een brief waarvan het adres luidde:
Madame E. Helmond.
née Van Armeloo,
en ville."
Eva bloosde niet, maar, het adres beziende, ging ze toch naar het venster om een kleine ontroering te verbergen. 't Was dwaas, bespottelijk; maar 't kon ook niet zotter treffen: juist op het oogenblik dat de brief, dien August zoo haastig had geborgen, haar inderdaad begon te intrigeeren en--zij moest het zich zelve bekennen--terwijl Helmonds vreemde houding haar onaangenaam heeft getroffen, bracht men haar een brief van een.... onbekende _mannenhand_.
Eva zal echter van _haar_ brief _geen_ geheim maken. Dat behoort en dat behoeft ook volstrekt niet.
Helmond ziet haar zwijgend aan. Eva opent den brief en leest voor zich zelve:
"Mevrouw!
Gisteravond, na een hoogstaangename kennismaking met de echtgenoote van mijn hooggeëerden dokter, thuis gekomen, heeft het mij tot een waar genoegen verstrekt om--voor zooveel de bronnen er mij toe in staat stelden--na te sporen of mijn vermoeden zekerheid zou blijken te zijn....."
"Wat scheelt je Eva? Je wordt bleek. Van wien is die brief?"
Eva heeft zich spoedig hersteld; ze weet nu waarover die brief handelt. Een paar seconden ziet ze August zwijgend aan, en dan zegt ze met nadruk, ofschoon vriendelijk zacht:
"Ik denk op dit oogenblik, in verband met een brief die straks zoo spoedig in een jaszak werd geborgen, aan een laatsten avond in 't Hotel du Helder. Als dokter Helmond telkens redenen heeft om wat men hem schrijft voor zijn vrouw te verbergen, zou dat niet een zeer slecht voorbeeld kunnen zijn.....? Maar nee, nee August, zoo wil ik het niet. Ziehier, wij zullen samen lezen."
"Zou je denken Eva, dat een zweem van.... jaloezie..... of.....?"
"Ssst ssst beste man, wie zou aan zóó iets denken! Kom lees nu mee; 't betreft....."
"Is het je wensch; is het noodig? goed! maar zoo niet.... als men mijn lieve kind slechts den eerbied betoont, dien men haar als vrouw is verschuldigd, dan ben ik tevreden."
"O wat dát betreft; zie maar, de laatste regels ze vloeien over van eerbied."
Een oogenblik later lezen Eva en Helmond te zamen:
".... thuis gekomen heeft het mij tot een waar genoegen verstrekt om, voor zooveel de bronnen er mij toe in staat stelden, na te sporen, of mijn vermoeden zekerheid zou blijken te zijn, dat n. l. mijnheer uw vader inderdaad een afstammeling is van het bekende oud-Hollandsch geslacht der graven Van Armeloo."
"Wat, duivel, is die Kartenglimp gek!"
"Hé, vinje?"
Men leest verder:
"Met het familiewapen van Mijnheer uw vader bekend, mocht ik inderdaad de overeenkomst treffend bevinden."
Hier volgde een beschrijving van het bedoelde wapen.
"Mijne vroegere relaties"--zoo luidde het verder in den brief--"brachten mij in kennis met een onzer eerste genealogen. Door hem werd het mij duidelijk hoe niet zelden--tijdens de Hervorming vooral--zonen uit de aanzienlijkste geslachten hun adellijke titels prijsgaven om ze, bij het omhelzen van de Calvinistische leerstellingen, met die van herder en leeraar te verwisselen. Bedrieg ik mij niet, zeer geachte Mevrouw, dan heeft Mijnheer uw vader mij eens meegedeeld dat hij van Duitsche afkomst was, maar, dat zijn genealogie niet verder reikte dan tot zijn grootvader genaamd Peter Harmen Armelo, die in 1787 te Birchheim in Hanover gestorven was. De treffende overeenkomst der wapens doet mij schier met volkomen zekerheid beweren, dat een der voorvaders van Mijnheer uw vader, om geloofs- of andere redenen uitgeweken, zijn Hollandschen graventitel heeft prijsgegeven om te zijn een dienaar in den wijngaard des Heeren.--Wanneer zijn nakroost echter, zooals Mijnheer uw vader deed, opnieuw het zwaard voerde voor het erf, waarop zijn stam is geworteld, dan, dunkt mij, dient de gravenkroon hem te worden hergeven...."
"Welzeker!" lacht Helmond: "alleraardigst!" En hardop lezend:
"Den ondergeteekende zal het een waar genoegen zijn, indien hij nader mag vernemen of de familie Van Armeloo hem zal vergunnen, naar zijn beste vermogen mee te werken tot het herwinnen van een zoo schitterenden titel, dien zij--naar zijn bescheiden meening--niet aan haar _nakomelingen_ mag onthouden, en waarvoor zij zich slechts een geringe financieele opoffering zal te getroosten hebben.
"Met de meeste onderscheiding en respectsverzekering, zoowel aan dokter Helmond als aan de geëerde familie Van Armeloo, heb ik de eer te zijn,
Mevrouw!
Uw zeer bijzonder gehoorzame en dv. Dr.
Kartenglimp."
Het hinderde Eva wel dat Helmond alweder lachte en haar met de woorden: "Wel wel, gravin Van Armeloo!" op eenigen afstand met zekere kluchtige reverentie beschouwde; doch zij zou hem niet toonen dat de ontvangen meedeeling haar borst met zulk een ongekende verrukking had vervuld.
"Wel kind, wat of er van den armen dokter zou geworden zijn, als men eerder had geweten 'tgeen die zeer vindingrijke majoor nu zoo eensklaps heeft uitgevonden!"
"Is dat het loon voor mijn openhartigheid? Meen je August, dat ik niet reeds lang heb vermoed en geweten 'tgeen die man daar schreef?"
"Waarlijk, al lang?"
"Maar heb ik er ooit van gesproken of er zelfs ooit op gedoeld?"