Dokter Helmond en zijn vrouw

Chapter 19

Chapter 193,891 wordsPublic domain

"Heeft mevrouw Mansburg je niet gezegd dat ik ongestoord wilde blijven?"

"Jawel generaal."

"En tóch durf je hierkomen!"

"Mevrouw Helmond gelastte me generaal."

"En heb je niet gezegd dat mijn orders...."

"Jawel generaal, dat heb ik duidelijk gezegd, maar de jonge mevrouw zei dat dát er niet op aankwam, en dat ik tóch gaan moest."

Een donkerrood bedekt eensklaps het gelaat van den ouden krijgsman.

"Zeg aan mevrouw dat ik zal komen zoodra ik kan;" klinkt Helmonds bevel, en hij geeft een gebiedenden wenk aan Hendrik, die daarop aanstonds vertrekt.

"De onbeschaamde feeks!" murmelt Van Barneveld, terwijl hij zijn gelaat naar een andere zij heeft gekeerd en de vuisten krampachtig gesloten houdt.

Helmond heeft dat laatste gehoord. Het greep hem in 't hart. Snel werpt hij een blik naar de deur om zich te overtuigen dat hij zich met den pleegvader alleen bevindt, en dan:

"U spreekt van _mijn vrouw_ oom!"

"Ja Helmond, ja!"

"Maar gevoelt u niet oom...."

"Gevoelen! Ha, dat zal waar zijn, meer dan ik zeggen kan. Bleef ik daarom te midden van 's-vijands lood in duizend gevaren ongedeerd, om mij 't leven door een paar wijven te doen vergiftigen!"

Helmond, doodsbleek geworden, staart met saamgeperste lippen op den grijsaard, die eveneens strak voor zich heen ziet. Bijna fluisterend met een trillende stem, zegt de eerste terwijl hij met de hand op de tafel geleund zich eenigszins naar de zij van zijn pleegvader vooroverbuigt:

"U bedoelt.... toch.... niet.... dat mijn Eva....?"

Van Barneveld grijpt den rug van een armstoel vast; blijft strak voor zich heen zien, en geeft geen antwoord.

"Het kan u geen ernst wezen oom, dat mijn vrouw waarlijk een hinderpaal zou willen zijn voor uw geluk....?"

Van Barneveld blijft zwijgen. Met Gods hulp zal hij verder heerschen "over den boozen geest die hem te vervoeren zoekt".--Helmond vervolgt:

"Al moest het waar zijn wat u ten opzichte van Coba hebt _vermoed_, is het dan _Eva_'s schuld dat ik haar tot vrouw koos, terwijl ik de goede Coba toch nooit met zulk een liefde zou hebben bemind? Maar bovendien, de tijd zal het leeren dat mijn huwelijk met Eva Armelo uw kind geen hartzeer heeft berokkend oom. En dan, wat heeft Eva gedaan dat zij door u een onbeschaamde.... een--o het woord is te bitter--een _wijf_ wordt genoemd, dat.... u het leven.... te.... vergiftigen zoekt.--Oom, mijn achting, mijn eerbied voor u, ze eischen toch niet dat ik de vrouw mijner liefde onverdiend zal hooren smaden en beleedigen....?"

Van Barneveld wendt zijn gelaat langzaam naar Helmonds zijde, en 't klinkt schijnbaar kalm op diepen toon:

"Zal ik mijn pleegzoon verschooning moeten vragen voor de woorden die hem griefden?--Welaan, het zij zoo, op mijn ouden dag wil ik den oorlog niet.--August, ga nu heen, we hebben niets meer te praten;--neen, niets meer, niets!--Groet je vrouw August. Zeg haar dat het beter zal zijn indien we elkaar niet meer--of wil je--slechts zelden ontmoeten. Ik eisch tenminste rust en vrede wanneer ik dan niet oogsten mag waarop mijn hoop was gebouwd: de liefde van hen die ik.... als eigen zoons heb opgevoed.--Ga nu August.... je vrouw wacht je."

Dokter Helmond staat een oogenblik besluiteloos. Op dien toon heeft hij den pleegvader nog nooit gehoord. Er was een weemoed in zijn stem die geweldiger trof dan ooit zijn toorn het gedaan had. August ziet den ouden man in een leunstoel neerzakken. Met den arm op de tafel ondersteunt hij het sneeuwwitte hoofd. Hoe! blinkt daar een traan in het starende oog,--een traan in het oog, 't welk men voorheen wel eens "des vijands vlucht" of "Neerlands krachtigst wapen" heeft genoemd?

Van Barneveld wendt zijn gelaat van Helmond af; maar de pleegzoon heeft den traan gezien. Met bliksemsnelheid vliegt een blonde jeugd en gelukkige jongelingstijd zijn geest voorbij; al wat hij goeds genoot van dien edelen maar gestrengen pleegvader, het staat daar weer levendig voor zijn herinnering. Zijn waardige lessen of kernspreuken, hoezeer ook somwijlen in tegenspraak met een vrijere, mildere--misschien een jongere--wereldbeschouwing, doch altijd getuigend voor zijn edelen aard en onkreukbare trouw, hij hoort ze opnieuw: "Vrees God! Eer den Koning!"--"Heb je vijanden lief, maar verdelg ze die komen om 't vaderland te belagen, of hém te bestoken die door God tot opperheer werd gezalfd."--"Zelfs de rijke werke in zijn jeugd opdat hij met zijn rijkdom niet arm zij in den ouderdom."--"God heeft standen en rangen verordineerd: wie huwt beneden zijn stand verbreekt de ordonnantiën Gods."--"Wees gestreng maar rechtvaardig; mild voor wie geen handen heeft of op krukken gaat."--"Zwijg als uw meerdere spreekt."--"Buig het hoofd indien de Heer gebiedt."--"Kruipen doet het laag gedierte."--"_Knielen_ zult ge voor _God alleen_."

En dan, moest in dit oogenblik het woord niet met gloeiende letters voor Augusts oog geschreven staan: "Vergeet de hand niet die u de veldflesch reikte toen ge snaktet naar water"?

"Oom!" barst Helmond uit, terwijl hij de hand van den grijsaard vat: "ik bid u, spreek zoo niet. Heb ik u niet lief als een dankbare zoon?"

"'t Is wel August, maar ga nu. Waartoe nog meer! Je _vrouw_ wacht beneden."

"Zou een vrouw mij verhinderen om u te zeggen dat ik u als een eigen vader liefheb?"

"Men zal de vrouw boven den vader stellen. Ga nu heen August!"

"Maar wij beiden zullen u liefhebben oom; zij _zal_ wijs worden; maar wees niet te gestreng tegen haar!?"

Van Barneveld ziet hem eensklaps aan alsof hij wil vragen: was _ik_ gestreng tegen háár? Gij die mij kent, hébt gij van dezen avond mijn zelfbeheersching niet gezien?--Maar, zonder spreken ziet hij weer voor zich neer, en dan:

"Ik wenschte nu dat je heengingt August; nóg eens, je vrouw staat te wachten."

"Maar Eva _zal_ wachten oom! Zonder de zekerheid dat ik nog altijd uw liefde en achting bezit, kan ik niet heengaan. Waardoor heb ik die liefde verbeurd? Waarin heb ik moedwillig uw hoop bedrogen? Als man van eer verzeker ik u dat ik nooit met Coba's hart heb gespeeld, en zelfs, tot het oogenblik, waarin u mij uw vermoeden meedeeldet, is het denkbeeld aan de _mogelijkheid_ niet eens in mij opgekomen. U gelooft mij oom....? U gelooft me, niewaar?"

Van Barneveld antwoordt niet; maar juist in dat zwijgen vindt Helmond zijn vrijbrief. Hij vervolgt:

"En, _moest_ het nu al waarheid wezen dat ik geheel ondanks mij zelven aan uw dierbaar kind een dieper gevoel heb ingeboezemd dan we vermoedden, wat ik u bidden mag, laat mijn Eva dan toch buiten die teedere zaak. Immers, toen ik reeds haar jawoord ontvangen had, toen wist ze ternauwernood dat de lieve Coba bestond. En bovendien, haar aard is te edel om gelukkig te kunnen zijn ten koste van een andere. Is zij dan wat veeleischend misschien, bedenk ook dat Eva geen hart zou hebben aangenomen 't welk haar niet in den uitgestreksten zin alleen toebehoorde. Verdenk dus mijn Eva niet. Maar ook, om mijnentwil vergeef mijn jonge vrouw, die niet in uw goede leerschool werd grootgebracht, wanneer ze eens vergeet...."

Eva gekleed met hoed en sjaal heeft de deur van Van Barnevelds kamer geopend, en den drempel overschrijdend, zegt ze nu tamelijk luid:

"Ik geloof August, dat alleen de _jonge vrouw_ iets te vergeven heeft, wanneer men haar gedurende een paar uren _geheel en al vergeet_."

"Eva....!"

Van Barneveld heeft eensklaps met vlammenden blik naar Eva omgezien; doch, nu zegt hij bedaard:

"August.... je hebt het gehoord."

"Maar ik had met oom te spreken Eva."

"Leert mijnheer Van Barneveld misschien dat men ter wille van zulk een gesprek, eerst zijn _jonge vrouw_ met een vreemde, en later in holle kamers bij nachtlicht geheel alleen zal laten?"

"Eva, ik verzoek je...."

"....Te begrijpen August, dat men zulk een les niet opvolgt, en althans niet wanneer de zeer wellevende leermeester, die vrouw _de deur heeft gewezen_."

Van Barneveld steeds in zijn armstoel gezeten, grijpt een pen, stoot die eenige malen met kracht op de tafel, en dan, als hij haar gansch gespleten wegwerpt zegt hij zacht doch met klem:

"August, je kent me: Ga nu heen."

"Oom, ik kan...."

Van Barneveld reikt hem van terzij, met afgewend gelaat, de hand, en 't klinkt weer zacht:

"Laat dit eindigen; om Godswil, ga heen!"

Eva komt den generaal een schrede nader, en met een stem die bits kon heeten indien ze niet door een natuurlijke welluidendheid werd getemperd, zegt ze:

"Ik heb begrepen mijnheer Van Barneveld, dat het eindigen zou nog vóórdat het begonnen was. Dezen avond wilde ik zekerheid hebben, en...."

"Eva, kom, wij gaan.... Bedenk tegen wien...."

"Ik bedenk dat zeer goed, en wil dien ouden heer ook volstrekt geen kwaad August; ja zelfs ik zal je niet weerhouden hem lief te hebben zooveel je dat kunt. Maar, heb ik zelve nog straks zijn eer tegenover dien vreemde trachten op te houden; nú tegenover hem zelf, en bij ons laatste samenzijn, nu _wil_ ik spreken: Ik heb altijd vermoed mijnheer de generaal, dat het zoo eindigen moest, en wel.... omdat mijn karakter nooit sterker in opstand kwam dan wanneer het _trots_, gepaard met _schrielheid_, ontmoette. Mijn ondervinding...."

"Eva zwijg!" roept Helmond hevig: "bij God, dat gaat te ver...."

De oude generaal heeft nogmaals en krachtig gestreden, maar ook nogmaals--tegenover een _vrouw_, zich zelf overwonnen. Nu opgestaan, zich zijwaarts tot Eva keerend, zonder haar echter aan te zien, zegt hij met een zeer merkbaar gekunstelde bedaardheid:

"Wil me uw ervaringen sparen mevrouw. Met mijn leeftijd zou ik driemaal uw vader kunnen zijn. Mijn trots en schrielheid...."

"Oom ik bid u, zij bedoelde...."

"Zij bedoelde mijn _trots_ en _schrielheid_ August, en daarom.... dáárom...." Doch de grijsaard kon niet verder spreken. Zijn lippen trilden; de stem stokte hem in de keel. Helmond greep zijn hand, maar als hij met de andere ijlings een glas water wil inschenken, dan vermant zich de oude krijgsman voor 't laatst, en zegt op zacht gebiedenden toon, terwijl August Goddank, nog zijn handdruk gevoelen mag:

"Laat me.... nu alleen.... of.... of ik vergeet....--Voort Helmond, voort!"

En August, wankelend tusschen den verguisden pleegvader en zijn gekrenkte maar onberaden echtgenoote, werpt een gestrengen blik op Eva, en ze vlucht voor dien blik terug naar de deur. En de grijsaard, neervallend in zijn zetel, bedekt met beide handen het gloeiend gelaat, en murmelt met tranen in zijn heesche stem:

"O God, dit alles op mijn ouden dag! Heb ik dat aan hen verdiend! Groote God, moest ik dit nog beleven!"

ZESTIENDE HOOFDSTUK.

't Was den jongen dokter bij 't naar huis keeren alsof de starren hem treurig toeriepen dat de zon voor altijd was ondergegaan.--Ach! is dan de vrouw, die daar aan zijn zijde treedt, de schoone zoetgeurende bloem, die hij op zijn pad gedacht heeft te vinden? Is zij de teedere zachte; de stille bescheidene; de tevredene eenswillende de plooiende nederige levensgezellin, die hij voor 't eerst met een kwijnende plooi om den fijnbesneden mond onder den meidoorn heeft begroet? Hoe! is dan de vrouw, die daar zonder spreken als een donkere massa nevens hem voortgaat, en van wie het hem goeddeed dat zij straks den noode aangeboden arm versmaadde, is zij dezelfde, wier eerste kus hem voor luttele maanden de grootste zaligheid schonk, wier hemelsche oogen hem spraken van een eeuwigdurende liefde; wier mondje hem zoo dikwijls de zoetste woordjes had toegefluisterd en zoo plechtig verzekerd: dat het eenig geluk zou wezen, met en voor hem te leven!

--Heeft hij zich dan zóó bedrogen!?

--Welk een aard stak er dan in die schoon gevormde vrouw? Ongevoelig en vermetel, ja _onbeschaamd_ heeft ze den edelen pleegvader grofheden gezegd die.... O God, 't is ongelooflijk dat zóó iets geschieden kon.--Is het wel waarlijk gebeurd? Heeft geen droom hem begoocheld? Neen, het is geen droom.--Daar gaat ze; nu bijna geheel aan de overzij van den straatweg.--Spreekt ze? Neen, 't Is het fladderen der zijden linten van haar hoed in den avondwind.--Toch meent hij te hooren....?--Neen, spreken doet ze niet. Is het klappertanden....?

"Eva!"

Geen antwoord.

Hij treedt naar den overkant van den weg haar terzij, en dan, na een oogenblik zwijgens:

"Wil je me vasthouden Eva?"

Nog geen antwoord; maar duidelijk hoort Helmond nu het gerikkel en het geklepper van haar tanden.

"Geef me den arm Eva!"

"Ik dank je August;" zegt Eva, bijna onhoorbaar, terwijl ze zich geweld doet om het tandengeklapper te bedwingen.

"'t Zou toch gemakkelijker voor je zijn; 't is nog een heele wandeling."

Eva antwoordt niet, maar denkt: En bij den _dierbaren_ pleegvader staan drie paarden op stal, en zit een koetsier te luieren in de keuken!--Die goede pleegzoon! hij wil mij gaarne den arm geven, bevreesd misschien dat mij hier op den weg iets overkomen zal. Geen nood, zoo erg is het niet. Zou het mij bij zijn aanraking niet zijn alsof ik nogmaals den dolksteek zijner oogen gevoelde? Zulk een blik! Op mij.... zijn "liefste", zijn "eenige", zijn "geluk voor altoos". O! mag dankbaarheid dan zóó verblinden? Zou een man die waarachtig zijn grootsten schat vindt in de liefde zijner jonge vrouw, zou hij zich aanstonds zóó kunnen stellen tegenover haar, en aan de zij van een bekrompen autocraat!

"Of ik koud ben August? Ja, _koud_, verschrikkelijk!"

"Ik begrijp het Eva, je hebt...."

"Ik heb je ijskoude oogen gezien August. Nee, laat me, ik wil alleen gaan."

"Eva, we hebben onlangs van een kind gelezen, dat bij het naderen van een trein op de rails speelde. De vader schoot toe en greep het kind met ijzeren vuist. Het kind schreide want de vader had het zeergedaan.... Maar zeg, die ijzeren vuist getuigde zij voor de liefde van dien vader.... of....?"

Eva antwoordde niet.

Had dokter Helmond dan vergeten dat hij zijn patiënten gedurende een heete koorts geen versterkende middelen toedient, en heeft hij niet doordacht dat zijn overtuigend woord in deze oogenblikken zou zijn als olie geworpen in het vuur?

--Dat gaat te ver, prevelt Eva binnensmonds. Ei! _ik_ ben dus het domme onwijze kind dat zelfs niet weet waar het speelt, _ik_! terwijl inderdaad de hoogwijze echtgenoot, die zoo beschermend de hand naar de onnoozele uitstrekt, met blindheid is geslagen en ten koste zijner jonge vrouw de partij trekt van een schrielen laatdunkenden voogd!

Toen dokter Helmond en zijn vrouw waren thuis gekomen, en mevrouw Van Hake nog eens even naar den welstand van juffrouw Van Barneveld kwam vragen, om meteen zoo ongemerkt te zien of ze Eva ook in 't een of ander behulpzaam kon wezen, toen bespeurde zij al spoedig dat het bezoek op _De Zonsberg_ de jonge echtgenooten niet vroolijk gestemd had.

Zij achtte het echter verstandig daarvan niet te doen blijken; maar, nadat Helmond nog even in de apotheek was gegaan, zocht ze Eva een weinig te verstrooien door haar op vriendelijken toon over een huishoudelijke aangelegenheid te raadplegen, terwijl ze later, alvorens te vertrekken, een schoteltje aardbeien uit een buffetkastje te voorschijn haalde, met verzoek om dokter met deze eerstelingen eens bij 't souper te verrassen. Mevrouw Van Hake had ze zelve van een tuinman gekregen aan wiens dochtertje zij 't naaien leerde. Maar Eva mocht daar niets van zeggen.

En het betere, het edele in Eva fonkelde nu weder in haar oog, terwijl ze daar peinst:

--De arme ziel! Zij die zoo weinig, neen die _niets_ bezit in de wereld, zij kon wel aanstonds wegschenken 'tgeen men haar uit dankbaarheid heeft aangeboden. En, niet uit _haar_ naam moet ik ze geven, maar zij wil dat ik ze August zal voorzetten alsof ik zelve bedacht had hem er mee te verrassen.--O! zeker, 't is een lief en goed mensch die arme vrouw.--Welk een onderscheid met dien nabob van _De Zonsberg_! Uit haar attentie--hoe gering op zich zelve--spreekt liefde voor ons, en hartelijke gulheid.

En, bijna overluid zegt Eva, met de oogen in de richting der deur door welke mevrouw Van Hake zooeven de kamer verliet: Goed schepsel, arme sukkel, je had met je ananas-aardbeien op geen beter moment voor den dag kunnen komen. We zijn vriendinnen hoor, vriendinnen voor altijd! En dan, met een blik op de mooie vruchten: Maar mijnheer Helmond zal van avond geen aardbeien eten. Immers, er was reeds verkoeling genoeg!

En Eva borg de heerlijke donkerroode vruchten weer in de kleine buffetkast.

Weinige oogenblikken later ziet ze luisterend op. Een rijtuig--in den aanvang nog zeer van verre--komt al nader en nader, en doen de huizen der stille Hoenderveldstraat beven en trillen; verschrikt misschien over zulk een onverwacht bezoek in den laten avond.

Hoor, het rijtuig houdt voor de achterdeur stil.

Eenige minuten later komt Helmond uit de apotheek terug en zegt:

"Mijnheer Debecque laat me op _De Poel_ halen Eva. Zijn zoon, die voor een paar dagen was thuisgekomen, is ziek geworden. _De Poel_ is drie kwartier rijdens; 't zal dus laat worden eer ik terug ben. Jij moet maar naar bed gaan Eva."

"O, als je dat liever hebt....."

"Laat opblijven is niet gezond."

"Och, die gezondheid zal wel zoo schrikkelijk zwaar niet meer wegen."

Helmond ziet haar een oogenblik stilzwijgend aan. Nu gaat hij in de gang; maar komt ook spoedig, met zijn overjas aan en tot vertrekken gereed, in de huiskamer terug:

"Slaap wel Eva."

--Neen, die koude duldt ze niet langer. Nu ze den geliefde daar gereed ziet om haar voor 't eerst op zulk een vergevorderd uur, hoewel slechts voor korten tijd te verlaten, nu komt een zekere avond-weekheid--en vooral na een overspanning als die der laatste uren--zich huwen aan haar liefde voor den echtvriend; en dan, ofschoon met groote zelfoverwinning--want dien ijskouden blik kan ze niet vergeten--zegt ze, terwijl ze op het gereedstaande avondbrood wijst:

"Ik zou toch eerst iets eten Helmond."

"Nee..... dankje. Ik heb geen trek Eva.--Ik zeg..... wacht me niet; 't kan wel één uur worden eer ik terug ben."

"Dan zou ik toch zeker eerst nog iets eten."--Zij gaat naar het buffetkastje; opent het, en..... neen, ze doet het weer dicht. Maar zie, als Helmond haar straks is genaderd, en haar een zoen ten afscheid zal geven, omdat.... omdat hij het nu voor 't allereerst toch niet laten wil, zie, dan heeft ze den kleinen schotel met aardbeien reeds in de hand, en zegt ze met bijzonder welluidende stem:

"Als je er van deze wat bijnaamt August, hé? Een klein stukje brood?"

"Eva.... hadt je die voor mij.... die prachtige aardbeien?"

"Nee August, niet ik...."

"O, dan heeft oom ze gezonden.--Al gisteren had Coba gezegd...."

Eva legt haar vinger op den mond:

"Stil, niet te voorbarig August. Mijnheer Van Barneveld is er waarlijk onschuldig aan.--Nee, ze zijn van een _arme_ weduwe, die ze uit haar eigen mond voor je spaarde, en, die zelfs wenschte dat ik haar _naam_ niet zou noemen."

't Was een prachtige lente-avond of lentenacht; prachtig inzonderheid voor wie, zooals dokter Helmond, zeer gemakkelijk in het grijs damast eener overheerlijke coupee--gevrijwaard voor de kou, die dit jaar zeer lang bleef aanhouden--zachtkens geschommeld, het schoon daarbuiten genieten mocht.

De koetspaarden van mijnheer Debecque vlogen over den straatweg; en, door het portierglas heen zag Helmond, hoe de straks gerezen volle maan hen najoeg als op donzen wiek door het grauw azuur, terwijl ze velden en heuvels en bosschen, al dommelend of slapend in breede schaduwen, hier en ginds met haar phantastisch zilverlicht, deed _droomen_ van den klaarlichten dag.

En zie, nu Helmond reeds lang heeft getuurd naar die zacht glanzende maan, meest in volle klaarheid voortjagend aan den wolkeloozen hemel, maar gedurig ook wegschuilend achter takken en blaadjes, waardoor zij zoo tooverachtig heenblonk alsof ze oude sprookjes vertellen wilde.... zie, nu giet zij eensklaps haar bleeken glans over den zijmuur van een deftig landhuis, terwijl zij het hooge ijzeren hek aan den straatweg met matte blinklichtjes flikkeren doet.

Dat is _De Zonsberg_.

't Is niet vreemd dat Helmond eensklaps in levendige trekken het beeld van den grijzen pleegvader voor oogen heeft.

En weer,--maar sterker dan te voren, komt de vraag hem bestoken: Bezit die waardige grijsaard dan inderdaad de gebreken waarvan Eva hem zoo overmoedig durft betichten? Is hij dan werkelijk trotsch....?

--Neen neen, dat kan niet waar zijn.--En toch, sprak hij niet meermalen dat woord; Er zijn standen en rangen door God verordineerd. Wie huwt buiten zijn stand verbreekt de ordonnantiën Gods!--En wanneer men dan daarmee zijn houding tegenover den armen Philip in verband brengt! 't Was toch zijn wil geweest dat de vurige knaap, het meisje aan wie hij reeds zijn woord van trouw, en helaas ook het recht op zijn naam had gegeven, dat hij haar dien naam zou onthouden; dat hij haar verstooten zou omdat-- omdat er standen zijn.... ha! rangen, hooger en lager, bepaald naar de geboorte der menschen.--O, den man dien men van kind afaan schier als het middelpunt der wereld, als den edelste der menschen, als den weldoener, den steun van zijn leven leerde beschouwen, zulk een ziet men zoo moeielijk anders dan bij den glans der aureole, waarmee wij hem zelf vol geestdrift tooiden. Maar toch, peinst Helmond voort, reeds zoo dikwijls heeft het mij strijd gekost om het denkbeeld te verjagen, dat er inderdaad op den bodem van dat hart een trots zetelt, die slechts op de gelegenheid wacht om zich naar waarheid te toonen.--Zou dan die vrees voor Eva's zucht naar grootheid, zouden zijn bedenkingen tegen mijn keuze, inderdaad de uitvloeisels van dien trots zijn geweest, ofschoon hij het steeds te verbergen zoekt? Oom is goed voor iedereen, maar zijn toon klinkt meestal gestreng; tegenspraak duldt hij niet, en gemeenzaam met zijn minderen is hij nooit.--En dat andere....? Maar neen, mijn gansche leven, alles wat ik ben, 't is immers het klinkendst protest tegen zulk een beschuldiging.--Hij, de weldoener, de grootmoedige, die zelfs twee arme knaapjes tot zich nam, hij zou de kiem in het hart dragen van dien wortel van alle kwaad?

Helmond weet niet meer waaraan hij later een geruimen tijd heeft gedacht. Onder 't voortrijden zag hij wel, dat kleine zwarte wolkjes nu en dan de maan hebben befloerst, maar wánneer dat begonnen is.... hij weet het niet. 't Is aanstonds een heele boel donkerder wanneer zoo'n wolkje de glanzende nachtvorstin in den weg treedt; doch zie, doorschijnender vluchten de laatste vlokjes reeds heen, en voorzeker, wanneer het dan weer helder en licht is--neen, dan komen weer andere veel grootere vlokken en wolken, en, de maan zal 't verliezen in den kamp, want..... de lucht gaat betrekken.

Straks in de lanen van het landgoed _De Poel_ was het,--ofschoon geen donkere nacht, toch in geen geval helder.

--Mijn Eva ziet scherp en met onbevangen blik, peinst Helmond, terwijl hij in het dommelig zwart voor zich heen staart: Onverstandig, berispelijk zelfs was haar overmoed; maar ongelijk, inderdaad ongelijk heeft ze niet.

Aan een kleinen zwaai van het rijtuig en aan het knoerpen der wielen en paardenhoeven in 't kiezel zand, bespeurt Helmond dat men den oprit van _De Poel_ heeft bereikt. Eenige oogenblikken later stapt hij de coupee uit, en treedt de vestibule van het fraaie landhuis binnen.

De oude baron Debecque ontvangt den dokter in de vestibule. Men heeft zijn komst met verlangen tegemoet gezien. Eergisteren is Archibald--de voorzoon van mevrouw Debecque, een charmante jongen, die voor zes jaren geheel vrijwillig, maar zeer tegen den zin zijner familie naar de Oost was gegaan,--met overplaatsing bij het leger in Nederland, uit Indië in de ouderlijke woning teruggekomen.

"Vandaag," zoo geeft Debecque eenigszins gejaagd de verdere inlichting: "vandaag, vooral van avond, zag hij vreeselijk bleek; fameuze pijn in de zij; belemmerde ademhaling; koortsig; mama zeer ongerust, natuurlijk!--Vooral niets laten blijken indien er gevaar mocht wezen.--Jawel op die kamer; ga binnen dokter."