Chapter 18
--'t Zij zoo; de tijd moet het leeren; men kan zich bedriegen; maar, indien dát waar is, dan--en een zware vervloeking knoerpt er tusschen zijn blank gebit--dan, ja, dan heeft de duivel reeds zelf voor brandstof gezorgd.--De wauwelaar van het stadje had ditmaal toch waarheid gesproken. Kartenglimp heeft het nu zelf gezien: het vuur ligt te smeulen; soms spat het al vonken, en--langs de palm van zijn hand behoeft hij onbespied slechts zachtkens te blazen om den breeden vuurstroom te doen opgaan. Ha, dat zou een lust zijn om te aanschouwen; en in 't eind zal hij van verre zich zelf nog kunnen koesteren aan den fellen gloed! Ha!
Kartenglimp schrikt.--Eensklaps werd de deur geopend en de vrouw aan wie hij daar juist heeft gedacht, trad onverzeld de kamer weer binnen.
Straks in de marmeren gang gekomen, heeft Eva--die zich in de woning van haar nieuwen oom nog op vreemd terrein bevond--inderdaad niet geweten waarheen ze zich begeven zou. Ze heeft rechts en links gezien, even aan de trap geluisterd, in de hoop dat August komen mocht, en, terwijl ze nog luisterend op het koele marmer staarde, is het haar eensklaps geworden alsof een looden druk, een pijnlijk vuur haar van den boezem werd weggenomen. Ook nu heeft het betere in haar gesproken, ofschoon met zachte zoet-vleiende stem.--Zij is te ver gegaan!--Ja, maar veinzen dát kon ze ook niet, en dáárom heeft ze den oom moeten toonen wie hij aan Eva hebben zou en hoe ze hem beoordeelt. Doch wanneer zijn plotseling heengaan, en zonder dat hij een enkel woord heeft gesproken, dan eens het bewijs mocht zijn dat ze haar doel had getroffen; wanneer de rijke oom nu inderdaad gevoeld heeft wat hij aan den geliefden neef is verschuldigd, en hoe de aangenomen houding tegenover Helmonds jonge vrouw hun aller leven niet anders dan verbitteren kon; _indien_ het dan waar is dat hij door haar "overtuigende redenen" reeds zoo spoedig tot een mildere zienswijze geraakte, dan moest zij bij kalmer beschouwing wel leed gevoelen dat ze zich zoo weinig beheerschte. In tegenwoordigheid van _een vreemde_, vierde ze immers haar onwil den vrijen teugel; in het bijzijn van hem, die met zijn vorschend oog ongetwijfeld geheel haar toeleg doorzag, heeft ze Helmonds oom moedwillig vernederd.
Een vuurrood bedekte Eva's gelaat.--Zij is te ver gegaan, veel te ver! Wát er mag wezen, de generaal Van Barneveld is ook _haar_ oom.--En zal nu die vreemde--gekrenkt, dewijl men hem geheel alleen heeft gelaten--met den ontvangen indruk van hier gaan, om naar goedvinden te verhalen van 'tgeen hij ter kwader ure heeft opgevangen? Neen, dat kan en mag niet wezen; de gemaakte indruk moet worden uitgewischt; ze is het verplicht; en bovendien, de eer der familie is ook háár eer. Terug dan Eva, terug naar dien vreemde!
VIJFTIENDE HOOFDSTUK.
Slechts met haar doel voor oogen bemerkte Eva bij haar binnentreden de plotselinge verwarring niet, die er op Kartenglimps gelaat was te lezen.
Alsof ze zich straks inderdaad met het voornemen had verwijderd om aanstonds terug te keeren, begeeft ze zich nu, met den snellen tred die zulks bewijzen moet, naar hare plaats, en ofschoon het haar de grootste moeite kost, vraagt ze tevens beleefd om verschooning dat ze mijnheer een oogenblik heeft alleen gelaten.
De overgang zijner zwarte of roodvlammende visioenen tot de onverwachte werkelijkheid van Eva's verschijning, had Kartenglimp zoodanig verrast dat hij niet aanstonds een antwoord gereed heeft, maar nochtans in hetzelfde oogenblik een zeer sterk sprekenden trek van hoffelijkheid op zijn gelaat kan te voorschijn roepen.
En Eva zal nu trachten goed te maken wat ze met het oog op dien vreemde misdeed.
Ze zegt te hopen dat mijnheer Kartenglimp de afwezigheid der heeren toch zal ten goede houden.--Neen, er is volstrekt geen gevaar; maar de lichte ongesteldheid van nicht Jacoba maakt oom Van Barneveld dikwijls zeer onrustig. Zeker zou hij echter zoo aanstonds terugkomen. Oom Van Barneveld en zijn dochter--zoo luidde het verder--ze waren met de innigste liefde aan elkander gehecht, en geen wonder, Jacoba was een goed zachtaardig meisje, terwijl oom--men behoefde er Helmond slechts naar te vragen--een door en door rechtschapen en edel mensch was, dien men zeerzeker liefkreeg op den duur.
Kartenglimp meende, met een goedwillig lachje, dat het altijd aangenaam was wanneer die _duur_ niet te _lang duurde_. Er waren ook menschen, die men lief en beminnelijk vond van het eerste oogenblik dat men ze kennen leerde.
Juist omdat Eva de bedoeling zijner woorden giste, klonken ze haar in dezen stond zeer onaangenaam. Haar verheffing ten koste van den oom in diens _afwezigheid_, tooverde haar zijn beeld in waardiger trekken voor den geest dan het er tot nu toe gestaan had. Zonder haar overtuiging geweld aan te doen, voelde zij zich eensklaps gedrongen om den heer van _De Zonsberg_ in het schoonste daglicht te plaatsen, en, met den lof van vrienden en vereerders op de lippen, haar geliefden August als 't ware sprekend in te voeren, terwijl ze met de weinig doordachte verklaring besloot, dat haar schermutselingen met den oom op rekening moesten gesteld worden van haar ondeugende zucht om oude heeren te plagen, waarbij ze dan altijd de slechte gewoonte had om de zaken zoo sterk te kleuren als haar mogelijk was.
En mijnheer Kartenglimp begreep dat alles zeer goed, en was uitermate beleefd.
't Is nog luttele minuten geleden dat Eva in de kamer terugkwam, maar ze duurden haar reeds verbazend lang. Nu ze haar schuld had geboet, nu kost het haar groote moeite om het gesprek met dien majoor te vervolgen. Toch zal ze volhouden, al dreigt ook de wrevel haar weer te overweldigen, dewijl de man wiens eer ze nu ophoudt, nog steeds op zich wachten laat.
Kartenglimp zoekt naar den juisten toon. Hij wenscht een goeden indruk bij het zonderlinge vrouwtje achter te laten, en, gevoelig voor zijn kleine hoffelijkheden is ze niet, ook dán niet wanneer hij haar buitengewone muziek- en zanggaven roemt, waarvan hij "zoo dikwijls met bewondering hoorde spreken".--En--naar zijn lof over dokter Helmond hoort ze met zichtbaar welgevallen. Maar zie, een blosje kleurt haar gelaat, nu hij eensklaps, half vragend zegt: dat mijnheer haar vader immers nog een afstammeling is van het oud Hollandsch geslacht der graven Van Armeloo? Hij had tot nog toe verzuimd den kapitein er eens naar te vragen.
Ofschoon Eva van die grafelijke familie niets anders wist dan dat ze moest bestaan hebben, zoo was het toch alsof een schok, maar vol zoete bedwelming haar getroffen had. Merkbaar in verwarring, geeft ze ten antwoord dat ze.... ja.... gelooft, maar toch niet zeker durft zeggen;--en ze gevoelt terzelfdertijd den blos steeds hooger stijgen, en 't wordt alsof vonken vuurs haar uit de oogen spatten. Dewijl verlegenheid bij Eva inderdaad een zeldzaam verschijnsel is, kwelt en drukt ze haar nu te sterker. Ze zou zich onzichtbaar willen maken in dezen stond. Ofschoon ze heimelijk hoopt dat men 't minder aan haar zal kunnen bespeuren dan zij 't zelve gevoelt, zoo zoekt ze nochtans naar een middel om zich voor een verdere bespieding te vrijwaren, en, ijlings opstaande wendt ze zich naar een pianino, die op eenigen afstand schuin achter haar staat.
Straks, terloops over muziek sprekend, had Kartenglimp gevraagd, of dat stuk een Erard was, waarop Eva het antwoord is schuldig gebleven. Nu, in haar verwarring, kwam het haar niet te gezocht voor om fluks het instrument te openen, en, met een blik op het étiquet den naam van den fabrikant te noemen; maar ook, ze gevoelt zich daarna nog te weinig hersteld om nu reeds voor 't oog van dien man in 't volle licht terug te keeren, zoodat ze haar toevlucht neemt tot het aanslaan van eenige zeer krachtige accoorden, de introductie van een lied, waaraan ze vluchtig was herinnerd door het vignet van een muziekstuk dat op de piano lag.
Fiks! het aanslaan van die accoorden doet reeds goed.
Zoo aanstonds zal hij niets meer aan haar bemerken.--Hier begint het lied.--Dat lied te _zingen_.... voor dien vreemde! Ze zal wel wijzer wezen. Toch kan ze nog even voortspelen; de melodie met de rechterhand.--Forto:
"Ach lieber Gott, mein krankes Herz Wird brechen bald vom Liebesschmerz."
--Maar straks, ja dan moet zij van dien vreemde méér vernemen.... De graven Van Armeloo.... _Van Armeloo_! In stilte heeft zij wel eens aan zoo iets gedacht.... Ha! een verarmde tak der graven Van.... Diminuendo:
Und bricht es in der tiefen Noth; Schau' denn mein' Augen weinens roth, Und tausch' mich in dein Armen, Tod!
"Nicht Eva, wil je alsjeblieft niet meer piano spelen? Je weet dat Coba ongesteld is;" zegt Van Barneveld, die bij het klinken der laatste accoorden in de kamer trad.
Ondanks den kalmen toon, waarop de generaal zijn verzoek heeft gedaan, was er toch een bijzondere trilling in zijn stem te bemerken, en spreken zijn oogen het stil verwijt: Als men dan den ouden man niet wil sparen, dan moest men althans zijn lijdend kind ontzien.
De majoor, die Eva reeds tot op zeer korten afstand was genaderd, heeft bij het binnenkomen van den generaal, onwillekeurig een schrede zijwaarts teruggedaan. Zich spoedig van zekeren schok herstellend, maakt hij nu een beweging met de hand die moet uitdrukken, dat men--hij en zij--daaraan had moeten denken, maar....!
"'t Is mijn gewoonte niet mijnheer," vervolgt Van Barneveld terwijl hij zich tot den majoor wendt, "om menschen die de beleefdheid hebben mij te bezoeken alleen te laten, de ongesteldheid mijner dochter was er nu de oorzaak van. Om u de waarheid te zeggen, liever had ik dezen avond _niet_ ontvangen. U zult me deze openhartigheid ten goede houden."
"O generaal, indien ik had geweten....."
"U kondt dat niet weten majoor. Maar....." en uit den nadruk, dien Van Barneveld op dit laatste woord heeft gelegd, valt gemakkelijk te besluiten dat hij er zou willen bijvoegen; maar--'t zal mij nú aangenaam zijn indien gij _vertrekt_.
Weinige seconden later heeft Kartenglimp het landhuis verlaten. Na een ongezellige wandeling, waarbij hem gedurig zeer zwarte beelden voor den geest zijn gekomen, terwijl niet zelden een geritsel in 't akkermaalshout of eenig ander geluid hem tot grooteren spoed heeft aangezet; na dien gejaagden tocht is de majoor eindelijk met zekere verruiming het oude stadje binnengestapt, om al spoedig zijn woning te bereiken waar hij zich op zijn kamer met wat grog zal kalmeeren, en eens geregelder zal kunnen nadenken over......
Een "Ha!" op vreemden toon, rolt hem straks van de lippen terwijl hij, geheel in zich zelven gekeerd, juffrouw Ketels ronde dienstbode, kokend water in zijn glas ziet schenken, 't welk ten halve met rum is gevuld. Een gemeenzame lofrede op den klaargemaakten drank, die de deerne, na dat "ha!" meende verschuldigd te zijn, wordt echter door den majoor met een voor haar zeer ongewone ruwheid beantwoord, want, ofschoon door walmen en roode vlammen heen, ziet Kartenglimp nu slechts de slanke en fiere gestalte der beeldschoone doktersvrouw.
En in diezelfde oogenblikken staat Eva Helmond, gereed tot vertrekken, vol ongeduld op haar August te wachten.
't Is haar bekend geworden dat Helmond bij Jacoba is geweest, en dat Coba--wier zenuwgestel immers zoo buitengewoon zwak was--op het hooren van het gespeelde lied, waarvan de tonen, ofschoon door het plafond gedempt, toch duidelijk tot haar kamer zijn doorgedrongen, eensklaps klappertandend en straks ook snakkend naar den adem, in Helmonds armen is neergezegen.
Meer weet Eva niet. Doch zij heeft genoeg vernomen. 't Verwijt heeft haar getroffen dat ze door haar _onnadenkendheid_--jawel, niets meer en niets minder--het zwakke kind, zoo al niet in levensgevaar gebracht, haar dan toch zeker een gevoeligen schok had gegeven. Oom Van Barneveld meende dat Eva nu wel begrijpen zou, wáárom het ontvangen van menschen hem minder raadzaam voorkwam, terwijl hij haar uitdrukkelijk heeft verzocht, om haar bezoeken liefst niet te herhalen voordat Coba geheel en al hersteld zou zijn.
De oude generaal, die straks te laat was gekomen om nog een onderhoud van Coba met August--waarvoor hij gevreesd heeft--te kunnen verhinderen, had zuster Hermines redenen, ofschoon met droevig hoofdschudden, moeten aanhooren, terwijl men reeds zoo spoedig de treurige gevolgen van haar onvoorzichtigheid aanschouwen zou. Maar, nú ook bestond er geen schijn van twijfel meer dat Jacoba inderdaad een andere liefde dan zusterliefde voor haar pleegbroeder koesterde, en dat zijn huwelijk met Eva Armelo haar een _diepe_ wond had geslagen. En Van Barneveld aarzelt niet langer, maar voelt zich krachtig gedrongen om in 't einde rondborstig met zijn pleegzoon te spreken. Helmond, met de oorzaak van Coba's zielelijden bekend, zal hem raden en steunen in 't belang van zijn geliefd kind. Ja, wat zou hij, de oude krijgsman, bij zulk een toestand ook langer alleen staan en schijnbaar zorgeloos zijn, zonder den raad en de medewerking in te roepen van hem, die in deze teedere zaak zoo nauw betrokken is!
En terwijl Eva vol ongeduld wacht, staan Van Barneveld en August tegenover elkander op de kamer van den generaal.
De laatste woelt met de hand in de witte haren, en herhaalt:
"Heeft ze niets.... _niets_ anders gezegd?"
"Nee oom! Coba heeft me alleen over dat reisplan gesproken, waarbij ze mij dringend verzocht om u daarvan af te brengen, en ik moest haar toestemmen oom, dat ze evengoed op _De Zonsberg_ als op _De Godesberg_ herstellen kan; tenminste...."
"Ten minste....? Nu spreek dan Helmond."
"Wanneer oom zoo goed wil zijn te begrijpen, dat tante Hermine het veld voor Jacoba's dokter moet ruimen."
"Er zijn kwalen Helmond, die een vrouw van jaren misschien eerder en juister zal inzien dan een jong dokter, hoe knap hij ook wezen mag."
Van Barneveld neemt een boek van de tafel, en terwijl hij schijnbaar aandachtig den titel beziet, vervolgt hij: "Coba's zenuwkwaal moet een geheime oorzaak hebben."
"Dat heb ik sedert lang begrepen oom."
Van Barneveld opziende:
"Jij, begrepen? Sedert _lang_? Sedert wanneer August?"
"Het eerst op den avond vóór mijn trouwen oom, toen ik na ons gesprek over Coba haar eens nauwkeurig heb ondervraagd."
--Vóór zijn trouwen! August heeft het dan geweten nog eer hij zich en voor immer aan dat ijdele kind verbond! Hij heeft den oorsprong van Coba's zielelijden gekend, en is geen stap teruggetreden in 't belang van háár, die hij altijd zijn lieve zusje heeft genoemd. Eigen zin en hartstocht heeft hij gevolgd zonder te bedenken dat hij zijn weldoener met dien moord aan zijn kind een vreeselijken slag ging toebrengen, vreeselijker nog dan die, waarmee Helmonds jongere broeder hem vroeger getroffen had!
De oude generaal heeft weder door het opnemen van het boek een afleiding voor zijn ontroering gezocht. Nu is 't voorbij.--Ben ik dan kindsch geworden of wel een blind egoist, zoo peinst hij voort gedurende de luttele seconden, waarin het na Helmonds verklaring stil bleef. Kon ik dan verlangen dat August zijn liefde, zijn hart zou dwingen uit dankbaarheid; ter genezing....!? _Wie_ zou de krankzinnigheid hebben om zoo iets te eischen? Maar zeker, altijd heeft August Jacoba liefgehad; zijn bewijzen van teederheid hebben wortels geschoten in haar schuldeloos hart; en toen, toen is een Delila met haar Sirenenzang gekomen, en ze heeft hem bedwelmd, zoodat hij blind voor Coba's liefde en voortreffelijkheden geworden is. Die vermetele! Smaden en trotseeren durft ze nu nog den grijzen pleegvader, en.... haar triumf op zijn engelachtig kind vol zelfverloochenende liefde, komt ze hier schaamteloos vieren met haar..... _vervloekt pianospel_!
Een oogenblik was Van Barneveld zich zelven geen meester; het boek wierp hij met kracht op de tafel, en een paar woorden, ofschoon bij het uiten gesmoord, ze mengden een verbolgenheid in die anders zoo waardige trekken, waaruit schier haat was te lezen.
"Oom, wat deert u?"
"Niets August."--Na een oogenblik van krachtige zelfbeheersching herneemt Van Barneveld, uiterlijk kalm: "Zoo, je hebt dus al vóór je trouwen geweten dat Coba.... méér voor je gevoelde dan...."
Een vuurrood vliegt over Helmonds gelaat. Hij moet zich aan de tafel vasthouden, want die schok kwam te onverwacht.--Groote God! is dat de oorzaak van Coba's lijden! zou het teedere zwakke kind....? Maar neen, door woord noch blik heeft ze hem ooit iets meer gezegd dan 'tgeen ze nog dezen avond, met blijdschap over zijn komst herhaalde: hij was haar lieve broeder--dát, maar ook _niets meer_.
"Oom, ik begrijp niet....? U bedoelt....?"
"Ik bedoel August, hetgeen je uit mijn woorden hebt begrepen.--
De zaak is van teederen aard. Had ik je niet van jongs af aan mijn zoon genoemd, we stonden zeker niet met zulk een verklaring tegenover elkander. Maar nu, 't is mij om 't welzijn, om 't leven van mijn kind te doen. Ik oude man kan niet langer een rol spelen; mij kwellen met verzinsels en vrouwen-intriges om Coba te vrijwaren voor schokken die haar nadeelig zijn; immers Hermine zelve heeft getoond dat de omstandigheden haar te machtig kunnen worden.--August, mijn openhartig spreken is je een vernieuwd bewijs van mijn achting en vertrouwen.--Je hebt de goede Coba lief..... als een broeder. Zeg me wat wij te doen hebben in haar belang?--August! August!!..... Hoor je me niet?"
"Ik hoor u oom.--Maar nee, nee! dát kan niet waar zijn!"
"Heb je geen brief ontvangen die, waarschijnlijk na je vertrek in Parijs gekomen, van daar is teruggezonden?"'
"Nee oom! van wie?"
--Zal mij dan niets gespaard worden, zegt Van Barneveld onhoorbaar. En dan overluid, terwijl hij August het papier toont, 'twelk door midden gescheurd op Coba's schrijftafel werd gevonden:
"Lees!--Ik weet dat mijn pleegzoon ons lief heeft, en zwijgen kan."
En Helmond leest de regels door Jacoba op dien bewogen morgen in vreeselijken angst geschreven.--Met strakken blik blijft hij op het onvoltooide epistel staren. Zou het mogelijk zijn?--Maar, geen enkel woord in dat schrift bevestigt zulk een vermoeden. Wat zegt het anders dan 'tgeen Helmond reeds zelf had doorzien: dat Coba namelijk hem deelgenoot wilde maken van een bitter hartzeer, van een zieleleed 'twelk haar lichaam te sloopen dreigde.
Eva Helmond loopt in het groote benedenvertrek vol ongeduld op en neer. Met een smadenden blik beschouwt ze vluchtig het sprekend portret van den generaal, 'twelk met dat doordringende oog op haar neerziet. Eensklaps treedt ze op het schelkoord toe en trekt er met kracht aan.
Eenige oogenblikken later verschijnt Hendrik.
Eva in een voltaire neergegleden, heeft een achtelooze houding aangenomen en zegt:
"Wil je mijnheer roepen. Zeg dat ik klaar ben."
"Mevrouw..... belieft.....?"
"Je zoudt dokter zeggen dat ik hem wacht."
Hendrik aarzelt.
"Mevrouw zal niet kwalijk nemen, maar dokter is op menheers bureau, en toen ik zooeven met de brieven boven kwam, toen zei mevrouw Mansburg, die juist op den overloop was, dat ik niet zou aankloppen maar de brieven hier brengen. Een is er voor dokter bij. Menheer Van Hake had gezegd dat de besteller hem maar mee zou nemen omdat dokter _hier_ was."
Hendrik legt een paar brieven bij Van Barnevelds plaats op de tafel.
"Geef hier!" zegt Eva met een wenk naar de brieven; en dan, als Hendrik aan het bevel heeft voldaan: "Je hebt gehoord wat ik zei niewaar? Je zoudt dokter waarschuwen dat ik klaar ben."
"Tóch naar boven gaan mevrouw?"
"'t Komt me voor dat ik het vrij duidelijk heb gezegd Hendrik!"
Hendrik meesmuilt in zich zelven, dat die jonge mevrouw van de kale kapiteinsfamilie, nog meer komplementen op 'r lijf hèt dan al de leden der generaalsfamilie te zamen. Zoo'n kommando heeft ie van juffrouw Coba--die zachte engel!--nog nooit gehad. Maar afijn, als ie tegen de orders van den generaal handelt dan zal hij weten _wie_ 't hem gelastte.
Eva beziet de brieven. De ééne--voor den luitenant-generaal Van Barneveld--interesseert haar volstrekt niet; de andere is aan 't adres van "monsieur le docteur A. Helmond, hotel du Helder, rue du Helder, Paris." Hé, dat is aardig! Een stempel van het hotel er op, en dáár afgeschreven: "Ronduyse près de la Haye, Hollande!" Kluchtig! _Ronduyse_ près de la Haye!--Nu ja, wat wist men in die wereldstad ook van een nest als Romphuizen aan 't eind der aarde; 't was al mooi dat ze er een stedeke kenden 'twelk men hier de residentie noemt.--Wat al poststempels! Tweemaal Paris--'s Gravenhage--en Romphuizen--'t Is niet de inhoud van den brief, die haar belangstelling wekt, maar de brief, zooals zij hem daar in handen houdt, heeft voor haar zulk een bijzondere aantrekkelijkheid, omdat hij diezelfde heerlijke reis heeft gemaakt, en hun uit die prachtige stad en uit datzelfde hotel, nog als een groet van verre werd nagezonden. Men had hen dáár niet vergeten. Hém niet: le beau docteur, en zeker ook háár niet: la belle Hollandaise--ha! zoo men het geweten had: née comtesse d'Armeloo!
Het beschouwen van den brief met de vele postmerken op de voor- en achterzijde, heeft Eva's gedachten een weinig afgeleid. Zal ze hem openen?--Man en vrouw zijn immers één.--Bah! nieuwsgierigheid past niet in het kader van een fier en edel karakter.--Ze zou dien brief _kunnen_ lezen, maar ze wil het niet.--Toch zal ze zoo vrij zijn om hem in den zak te steken: mijnheer de generaal behoeft de correspondentie van de familie Helmond niet te controleeren.
Weinige minuten, nadat dokter Helmond de hem straks getoonde letteren heeft gelezen, zegt Van Barneveld terwijl hij Helmond met zijn doordringendsten blik beschouwt: "Maar ik herhaal je, dat zulk een vermoeden mij en mijn kind beleedigt."
"En _ik_ behoef u niet te herhalen oom, dat dit vermoeden zeker nooit in mij zou zijn opgekomen wanneer er voor u of Coba--naar mijn innige overtuiging--iets beleedigends in te vinden ware, want...."
"August, ga niet voort. 't Is volstrekt onnoodig dat mijn pleegzoon zich in deze teedere zaak verontschuldigt. Ik weet te goed wat hij voor Coba geweest is. Maar wáárom zich dan ook te verschuilen achter een vermoeden--bah! alsof Coba zich zóó zou hebben vergeten; alsof ze affecties zou hebben gevoeld voor haar.... _muziekmeester_! Zwijg, dat is beleedigend, zeer!"
"Als u mij niet vergunt te spreken dan zal ik zwijgen; maar, u hebt ongelijk."
Van Barneveld loopt met afgewend gelaat de kamer op en neer.
Helmond herneemt:
"Zelfs met uwe begrippen oom, kan mijn vermoeden noch voor u, noch voor de goede Coba beleedigend wezen. Immers door woord noch blik heeft ze ooit doen gissen wat er omging in haar hart."
"Maar ik zeg je dat er in Coba's hart niets, _niets ter wereld_ omging voor dien man.... een muziekmeester, die...."
"Die een uitnemend mensch was, en--die nú rust in het graf oom."
"Wat beteekent die toon! Dat laatste klinkt als een verwijt. Mij dunkt dat er niemand is die de rust van den doode verstoort dan dokter Helmond alleen. Ik heb dat jonge mensch geacht; hij was bescheiden, had talent; maar, zulk een verhaal--wat kon het anders dan mijn weerzin verwekken!"
"Oom ik geloof...."
"Je gelooft het ongerijmde. Stil! Ik had je raad gevraagd, maar behoef hem niet meer. 't Kwam mij niet geheel onnatuurlijk voor dat een gevoelig kind zich wat al te zeer aan den zoon van mijn vroeg gestorven krijgsmakker had gehecht; maar, dat die broeder--na misschien wat al te veel haar teederheid te hebben opgewekt, haar nu, en tegenover haar vader, durft verdenken; haar durft betichten van een.... gemeene liaison; dát, zie dat is...."
"Maar, bij God....!"
"Nog ééns, genoeg August! Ik wil mijn kalmte niet verliezen. Stel je gerust: Jacoba zal genezen ook zonder je meewerking."
"Hoe! zou ik dan niet willen meewerken om Coba...."
"Wij zullen in geen herhaling treden Helmond. Ons gesprek heeft me meer gekost dan je vermoedt. Ik wilde...."
Er wordt vrij luide op de deur geklopt.
"Wie daar?" roept Van Barneveld.
Hendrik opent de deur en zegt op den drempel:
"Menheer, mevrouw Helmond vraagt of dokter beneden wil komen? Mevrouw was klaar om te vertrekken en kon niet langer wachten."
"Zeg aan mijn vrouw of zij nog even...."