Chapter 17
--O die vermoeiende goedheid! zucht Coba bij zich zelve. Ja, tante Hermine is inderdaad een voorbeeld van deelnemende liefde; maar deelneming kan ook zoo bitter drukkend worden, en inzonderheid wanneer men telkens middelen ter genezing komt aanwenden, terwijl de wonde niet meer te heelen is.
--Neen, de wonde aan het hart is niet meer te heelen; maar Gode zij dank, indien men haar nu rustig liet, en niet zoo telkens pijnigde door haar aan zich zelve te herinneren, en af te houden van hen, die haar nog lief zijn op de wereld, ja, dan gevoelt ze wel dat het zwakke lichaam langzamerhand zijn vroegere veerkracht zal hernemen, en dat ze weer zal kunnen leven, geheel en al, voor den beminden vader. O voorzeker, nu God zelf met den dood is tusschenbeiden getreden, nu moest ze het wel verstaan dat ze een dwaas, misschien een zondig kind is geweest. Het voegt immers een meisje niet om in stilte lief te hebben; om in stilte te wenschen--te bidden aan God misschien--dat de edele jongeling haar zal kiezen tot de gezellin van zijn leven....? Maar immers nooit, neen nooit, door woord noch blik, heeft zij verraden wat daar woelde en soms zoo pijnlijk brandde in de borst. God is haar getuige hoe zij fel heeft gestreden, en reeds den strijd had gewonnen; hoe ze Herman Donerie in 't eind heeft beschouwd als een vriend, en de tijd reeds gekomen was dat ze hem naderen zag en gaan, niet slechts met een kalmen blik, maar ook met een rustig hart.
--Toen is de dreigende wolk komen opzetten.
--Herman Donerie--zoo luidde het--was ongesteld. Ja toch, hij kwam nog les geven; maar hij zag zeer bleek; en toen, toen is hij niet teruggekomen; en, nú eens heeft men gezegd dat hij zeer ziek, en dan weer dat hij geheel beter was. En zij is in een vreemde spanning en tweestrijd geraakt. Somwijlen was het alsof de borst haar te eng werd, alsof hoofd en hart werden saamgenepen.
--Maar Goddank! op dien morgen van regen en storm, toen heeft ze in de kerk toch gehoord dat Donerie's kracht niet was gebroken. Heerlijke dag van Helmonds trouwverbond: Hermans volle orgeltonen zijn als koele droppelen gevallen op den dorstenden bodem van haar hart. Ja, die dag was haar een dag van zegen: ze kon haar vrienden een blij gelaat toonen.
--Maar ach! kort daarna is het _zeer_ duister geworden.--En toen; neen 't is haar niet mogelijk geweest om haar goeden vader, hoe innig lief ze hem had, een blik in haar hart te laten slaan, zelfs niet nu de dood voor altijd een scheiding heeft gemaakt tusschen dien jongen "muziekmeester" en Jacoba Van Barneveld. Immers het geringste woord van verwijt of zelfs een enkele uitdrukking in tegenspraak met de stille vereering, die zij den geliefden doode bleef toewijden, zou haar een wreede dolksteek zijn geweest, en had een scheidsmuur kunnen opwerpen tusschen haar en den lieven, haar zoo innig dierbaren vader.
En, als ze dan zelfs aan dien beminden grijsaard de oorzaak van haar zenuwlijden niet openbaren kan, hoe zal ze dan tot iemand anders--bijvoorbeeld tot een tante Hermine--daarover spreken! Maar dit laatste is haar ook geen oogenblik met ernst in de gedachte gekomen. Wat ze gewenscht en gedroomd heeft met een schuldeloos hart, zij zal het met zich nemen in het zwijgende graf. Neen, zelfs August, voor wien ze in die dagen van hevige spanning, bijna haar hart had uitgestort, of die, zoo Herman nog langer met den dood had moeten worstelen, de waarheid wel in haar oog zou hebben gelezen, ook hij zal nimmer vernemen wat haar heeft beroerd. Maar tóch, ze zou hem nu zoo graag eens spreken, haar lieven broeder!
"Ben ie nu weer verdrietig goede Coba, omdat ik je tot je bestwil raad, geheel in overeenstemming met je pa? Jawel, ik zie het aan je oogen, je bent er verdrietig om."
"Wel mogelijk tante, maar ofschoon ik herhaal dat ik 't veel beter voor mij zou vinden, indien ik nu bijvoorbeeld beneden kon wezen, zoo moet ik mij onderwerpen. 't Is vreemd dat pa het zoo geheel met u eens is."
"Nee, niet vreemd Coba, in 't geheel niet...."
"En waarom dan toch tante?"
"Waarom....? Wel lieve kind, weet je dan niet dat je na dien schrik--nee nee, ik spreek er niet van, ik wil alleen maar zeggen dat menheer Van Hake toen al dadelijk rust en vermijding van alle drukte heeft aanbevolen. Helmonds vrouw is bijzonder levendig, en je zoudt zeker een slechten nacht hebben indien je zoo van allerlei moest hooren, en over alles zoudt meespreken misschien."
Jacoba antwoord niet meer.
Tante Hermine is er blij om. Op uitdrukkelijk verlangen van broeder Alexander, mag zij zelfs in de verste verte niet laten doorschemeren dat men de allerdroevigste oorzaak van Coba's toestand heeft ontdekt. 't Zou voor het arme kind, dat zich tot zelfs op den dag van Helmonds huwelijk zoo boven alle beschrijving krachtig heeft gehouden, misschien de noodlottigste gevolgen kunnen hebben. De zwaarste strijd was nu zonder twijfel gestreden. 't Zal haar triumf wezen dat ze geheel alleen haar smart heeft gedragen, en, moest men dus alles in 't werk stellen om te voorkomen dat de wond, die vermoedelijk reeds aan 't heelen was, telkens weer door een vertrouwelijken omgang met den vriend werd opengereten; in geen geval moest men die wonde nog geweldiger aandoen door Coba te toonen, dat het bitter geheim van haar schuldeloos hart geen geheim was gebleven.
Met zulke overleggingen uit een valsch vermoeden ontstaan, moest Coba's zwijgen der goede dame wel genoegen doen.
--Het lieve kind gevoelt in stilte dat we haar ten beste raden, denkt ze, terwijl ze Coba vriendelijk toeknikt, om vervolgens alvorens de honderd en elfde rozet van haar sprei-deken te haken, een streng katoen, die erg in de war zat, te gaan afhaspelen.... Heel "prettig en gezellig" voor Coba.
Jacoba zweeg; de herinnering aan dien "schrik" heeft haar feller getroffen dan zij 't zich zelve bekennen wil. Ja, dat was het laatste geweest; een schrikkelijk einde. Nóg ziet ze hem daar van verre; de zwarte krulharen woest golvend om dat doodsbleek gelaat; de holle van koortsgloed vlammende oogen eensklaps strak, angstig strak op haar gericht, terwijl hij met angstige bijna schreiende stem de woorden gilde: "Laat los! hoort ge niet! Zij is de mijne!"
--De _zijne_....?
Jacoba voelt een inwendig beven.--Dat is niet goed; dat mag niet! Zij moet en wil immers krachtig zijn. Maar, hoe is dat mogelijk op den duur, wanneer men haar uit kwalijk begrepen voorzorg, niet als vroeger haar natuurlijken vrijen gang laat gaan; indien men haar hier van iedereen, zelfs van den lieven broeder terughoudt om nochtans--o zonderlinge tegenstrijdigheid--haar straks voor te spiegelen dat het leven aan een woelige badplaats haar weldadig zal zijn!
Inweerwil van tantes beweren dat papa het alles zoo goedvindt ja nadrukkelijk verkiest, gelooft Coba dat het inderdaad tante Hermine is die, ofschoon met de beste bedoelingen, haar physiek en moreel te kerkeren zoekt.
In dit oogenblik heeft Coba een onweerstaanbare behoefte om uit dien kerker bevrijd te worden.
En, de goede papa zal er niet tegen zijn.
"De lust om August eens weer te zien tante, bekruipt me zóó sterk dat ik ze beneden nu toch maar eens even verrassen wilde;" zegt Jacoba terwijl ze eensklaps opstaat.
"Jacoba-lief, dat kan niet; heusch dat zou onverstandig wezen;" antwoord mevrouw Mansburg ontsteld.
"Ieder mensch heeft wel eens zijn onverstandige buien tante. Nee, weerhoud mij niet. Mocht het minder goed voor me zijn, welnu dan moet ik er zelve de gevolgen van ondervinden. Maar, geen nood lieve tante."
De belangstellende dame, die haar nichtje op hartelijken toon tot andere gedachte zoekt te brengen, terwijl ze haar zachtkens met papa's misnoegen dreigt, vreest reeds dat ze op die wijze niets winnen zal, toen het klinken der huisschel haar eensklaps een krachtiger wapen in handen gaf.
--Nietwaar, dat bezoek van een vreemde zou Jacoba nu wel van besluit doen veranderen?
"Dat is te zeggen tante; als het dan waarlijk beter zal zijn dat ik niet naar binnen ga, dan wilde ik August laten vragen of hij bij _mij_ wil komen. Ik verlang zoo naar August."
--Arm kind! zucht de oude dame bij zich zelve. Maar nú vooral moet tante zich kranig toonen, en het klinkt schier bevelend:
"Jacoba, je doodelijke bleekheid en je opgewonden stemming ontraden je bepaald om iemand te zien van avond."
"Maar als ik nu gevoel dat juist een gesprek met August mij weldadig zal wezen, omdat hij mij goeden raad zal geven lieve tante, zoudt u mij dan nog ontraden of verhinderen een _consult met mijn dokter_ te nemen?"
Haar dokter! dat arme kind!
"Maar Coba, Alexander..... je pa.... hij zal...."
"U voelt toch wel tante, dat niets ter wereld mijn gestel zoo nadeelig moet zijn als het gemis van mijn vrijheid. Ik heb nu een gevoel alsof ik een onschuldig-gevangene ben.... en dat ú...."
"En dat ik...."
"Nee tante, zoo bedoel ik het niet. U bij een gevangenbewaarder te vergelijken dat zou toch wat al te dwaas en onvriendelijk zijn. Ik weet wel dat u alleen uit belangstellende liefde handelt"--Op zoeten toon: "Maar beste tante, ik wilde August zoo heel heel graag eens even spreken; iets vragen....?"
--Arm, arm kind! denkt de dame. Wat bitter zielelijden moet dat toch wezen! Niet slechts den geliefde gelukkig te weten aan de zij eener andere; maar, nu zoo nabij hem in dezelfde woning te zijn, en hem niet te kunnen zien of spreken; weerhouden te worden door een tante die.... Maar neen, zij is geen gevangenbewaarster, dat is een ondraaglijk denkbeeld! Heeft zij dan geen medelijden met zulk een lief en teeder, maar ongelukkig kind....?
Ofschoon mevrouw Mansburg zelve aan haar broeder den goeden raad--en zonder eenig voorbehoud--heeft gegeven, dat men Coba toch alle gelegenheid zou benemen om August, en vooral afzonderlijk, te ontmoeten, zoo hebben Coba's laatste woorden een zonderlinge gevoeligheid bij haar opgewekt. Zij, _zij_ wordt beschouwd als een gevangenbewaarster, als iemand met een sleutelbos en handboeien, en dat, ter bewaking--niet van een schuldig wezen, maar van een lieve arme lijderes, wier eenige misdaad het is geweest dat ze heeft bemind zonder wederbemind te worden. Een gevangenbewaarster! nog eens, dat denkbeeld is mevrouw Mansburg onverdraaglijk!
Juist op het oogenblik dat Eva van haar echtgenoot den half angstigen half verwijtenden blik ontving--nadat zij, toegevend aan haar kwade luim, den generaal nogmaals op zoo weinig bedekte wijze deed gevoelen, dat ze hem van schrielheid verdacht, trad mevrouw Mansburg de kamer binnen.--Haar komst geeft een weldadige afleiding. Terwijl Kartenglimp en de jongelieden opstaan om haar te groeten, en Van Barneveld vluchtig den majoor aan zijn zuster voorstelt, vergeet hij--althans voor eenige oogenblikken--de "zonderling kwetsende maar toch waarschijnlijk verkeerd begrepen woorden van dat mooie duiveltje"--zooals hij Eva reeds bij zich zelven heeft genoemd--om aanstonds Hermines komst met Coba's welstand in verband te brengen, en met inwendige onrust doch schijnbaar kalm te zeggen:
"Toch wél boven, Hermine?"
Mevrouw Mansburg geeft een zeer bevredigend antwoord. Zij heeft neef Helmond iets te vragen.
De vraag werd zacht gedaan.
Om niet onbescheiden te zijn, knoopt Kartenglimp een gesprek met Eva aan, over Parijs en muziek en zang.
Van Barneveld begrijpt niet welk een bijzondere vraag zijn zuster aan Helmond heeft te doen, en terwijl hij zijdelings het oog op haar mond houdt gevestigd, als wilde hij zien wat ze sprak, zegt hij nog eens:
"Is er misschien iets.... dat....?"
"Volstrekt niet Alexander. 't Geldt mij zelve." Zij wijst op haar hoofd.
--Hermine zal weer last van hoofdpijn hebben, en geen rust aleer ze met neef de heele apotheek is doorgewandeld, denkt de generaal: à la bonne heure!--Ei zie, daar schijnen nog meer confidenties te moeten plaats hebben.--Helmond zegt dat men hem even zal excuseeren.--Mevrouw Hermine groet het gezelschap--wel wat vreemd, enpassant, meent Van Barneveld--en beiden verlaten de kamer.
De herinnering aan Parijs heeft Eva's kwade luim in een soort van overmoed doen ontaarden. Nu August de kamer verlaten had, nu was het alsof zij het geschikte oogenblik gekomen zag om den oom--al moest het in presentie van dien vreemde wezen--eens nadrukkelijk te doen gevoelen dat zij als Helmonds vrouw, ja zelfs als de nicht van den generaal Van Barneveld, zich op den duur niet ongestraft zal laten beleedigen.
Bij het luide roemen der genietingen in "die heerlijke stad", moest het telkens uitkomen dat men dáár zooveel breeder en gezonder opvatting van het leven had dan hier in het "achterlijke Nederland". 't Was daar aan alles te zien dat men er het dwaze stelsel niet huldigde: om door ontbering of gemis te leeren waardeeren. Neen, men genoot er wat betamelijk was. _Potters_ en _schrapers_ vond men dan ook in Parijs, ja zelfs in geheel Frankrijk niet.--Monsieur De Musard had het zelf gezegd: Men leefde er, en liet er leven! De minste werkman dronk er zijn flesch wijn en niemand bespaarde er een vijffrankstuk tot na zijn dood, indien hij er de levenden mee vroolijk kon maken.
Kartenglimp lachte gedurig zeer hoffelijk om de dikwijls niet onaardig klinkende phrasen van het jonge mooie vrouwtje, doch was tevens zoo vrij--met het oog op dien zwijgenden, meestal ernstig voor zich heen zienden generaal--om een paar malen beminnelijk met den vinger te dreigen, en iets van "Hollandsche degelijkheid" of "rijperen leeftijd" in 't midden te brengen, terwijl hij zelfs ten slotte den generaal met een: "nietwaar je excellentie?" tot de bevestiging zijner meer degelijke gevoelens te bewegen zocht.
"O ja majoor! men kan dat alles uit een zeer verschillend oogpunt beschouwen;" heeft de generaal geantwoord, en de toon, waarop hij dat antwoord gaf, verried niets, of althans zeer weinig van hetgeen er omging in zijne borst. De man met een open rondborstig karakter heeft zeker den zwaarsten strijd om zijn toorn te bedwingen. En nochtans beheerschte Van Barneveld zich op waardige wijze.
Neen, die majoor, wiens gemaakte manieren, wiens vreemde hoffelijkheid en dikwijls zonderling vleiende toon hem hoe langer hoe meer tegenstonden, de man wiens bezoeken op _De Zonsberg niet zullen herhaald worden_,--hij zou geen getuige zijn van een scène de famille!
De oude generaal zal de waardigheid van zijn rang tegenover dien inférieur niet te grabbelen gooien, en zelfs in zijn tegenwoordigheid dat dartele kind een vernederende terechtwijzing besparen, hoewel ze die zeer noodzakelijk verdient.
Of Van Barnevelds opstaan, zijn vluchtig rechts en links zien alsof hij iets zocht, en daarop een tamelijk snel verlaten van de kamer, zonder hierover eenige verontschuldiging te hebben gemaakt, alleen op rekening van den inwendigen strijd moesten gesteld worden, of ook dat het lange wegblijven van August nogmaals zijn heimelijke onrust over Jacoba had opgewekt, zeker was het dat Eva, in het heengaan van dien oom, alweder geenszins het bewijs vond dat haar persoon en gezelschap hem zoo bijzonder lief waren, maar wel--en met heimelijk genoegen--dat zij het "inhalige van zijn karakter juist heeft beoordeeld, en dat haar zijdelings afgeschoten pijlen raak zijn geweest".
Kartenglimp, die in een ondeelbaar oogenblik een flikkering van triumf in dat schoone oog heeft gezien, werpt nog een blik naar de nu weder gesloten deur, en maakt dan op bijzonder hoffelijken toon een half beschuldigende half verschoonende opmerking over het heengaan "der heeren", maar zegt ten slotte, dat hij zich niet te beklagen heeft zoolang het lief gezelschap van mevrouw Helmond hem voor dat gemis blijft schadeloos stellen.
Eva had er nog niet aan gedacht, dat zij als 't ware alleen is gelaten om dien vreemden majoor gezelschap te houden. Ze ziet hem na zijne vleiende woorden vluchtig doch met zekeren weerzin aan.
Straks heeft ze dien man een enkele maal gebruikt als.... den telegraafdraad, waarlangs men zijn gedachten aan het bedoelde adres zendt, als den biljartband, om van terzij een carambole te kunnen maken. Maar nu, nú heeft hij uitgediend! Zijn hoffelijkheid op dien gemaakt fatsoenlijken toon, stuit haar tegen de borst. Ofschoon zij het heengaan van den oom--ook met het oog op dien vreemde--lomp en hatelijk vindt, het komt echter niet te pas dat die man er zoo op zinspelen durft; 't voegt hem niet dat hij August, een der heeren noemt die het aan háár overlaten, om hem--dien man--"met haar lief gezelschap voor dat gemis schadeloos te stellen".--Wat verbeeldt zich die oude dwaas! En mijnheer Van Barneveld? Denkt hij misschien dat Helmonds vrouw, omdat ze aanstonds toegaf en zich gewillig voor het theeblad plaatste, dat ze hier juffrouw van gezelschap of huishoudster is geworden?
Indien de heele familie, uit welke oorzaak dan ook, er geen bezwaar in ziet om de kamer te verlaten, en mijnheer Van Barneveld het zelfs niet noodzakelijk acht in 't gezelschap van menschen te blijven, die hem bezoeken, dan voelt Eva zich wel 't allerminst geroepen om de honneurs van zijn huis waar te nemen, en zal die majoor haar althans geen beletsel zijn om mede heen te gaan wanneer zij zulks verkiest.
"Oom begrijpt zeker niet waar Helmond blijft," zegt ze snel, en dan, opstaande: "Ik vrees dat mijn nichtje weer minder is geworden.--U zult mij permitteeren....?"
Niet zonder verbazing en een vreemde plooi om den mond, ziet nu Kartenglimp die jonge schoone vrouw insgelijks en met haastigen tred de kamer verlaten. Ternauwernood smoort hij een verwensching terwijl hij haar naoogt; doch, niet zoodra is de deur achter haar gesloten en bevindt hij zich in die groote kamer geheel alleen, of hij weerhoudt den vloek niet, die hem op de lippen brandt, en balt hij zijn vuist, en verwenscht bij zich zelven een familie die zich niet ontziet om hem--den majoor Kartenglimp--als een kwajongen te behandelen....als een _niets_, als een _nul_!
Eensklaps--alsof een pijnlijke herinnering hem treft, fronst Kartenglimp de zwartgeverfde wenkbrauwen.--Ja.... indien men had vernomen....? Maar dat is onmogelijk.--Bij die toevallige ontmoeting in 't bosch is het hem duidelijk gebleken dat ook de generaal met die zaak geheel onbekend was. En, _hoe_ kon 't hem, of iemand anders ook ter oore zijn gekomen! Hebben de vier officieren, die te Soerabaya in de zaak waren betrokken niet hun woord gegeven dat ze zwijgen zouden, en, althans zooveel mogelijk, de zaak geheim te houden of te smoren, indien hij terstond zijn ontslag uit den dienst wilde nemen, naar 't moederland vertrekken en er zich nimmer in eenige garnizoensplaats vestigen zou? Neen, 't is niet mogelijk dat die oud-kameraden hun woord hebben gebroken.--Dat zij hem steeds met hun dwazen haat vervolgen, en zelfs nog over den wijden oceaan het oog op hem gevestigd houden, 't is hem gebleken toen hij te 'sGravenhage vóór zijn vertrek naar Romphuizen, dien scherpen brief ontving, met bevel om zich onmiddellijk uit de residentie te verwijderen, indien hij wenschte dat het voorgevallene onbekend bleef. Maar juist deze bedreiging is hem weder het bewijs geweest dat men, zonder aanleiding van zijn kant, het gegeven woord niet zou breken, en, dewijl hij nu het kleine Romphuizen--waar volstrekt geen garnizoen was--tot zijn vaste woonplaats had gekozen, zoo is er immers van die zijde geen de minste reden tot vrees. Neen, zelfs hier heeft hij uit alle voorzichtigheid de conversatie met den oud-kapitein Armelo maar weinig gezocht, en er tot heden geen werk van gemaakt om den generaal te ontmoeten, ofschoon een verkeer met oud-officieren buiten een garnizoensplaats hem geenszins verboden was.--_Verboden_! ha! Zal hij zich dan nooit kunnen wreken op dat viertal, op dat ellendig eedgespan? Neen, elke poging ertoe zou slechts uitloopen op zijn eigen vernedering. 't Ware het zekere middel om hem bekend te doen worden voor de geheele wereld, en zich gebannen te zien uit elken kring waar hij nu zijn genoegen vindt.
En toch, soms kookt en bruist het met geweld in zijn borst, en schept zijn wrekende verbeelding zich een schitterende zegepraal. Dan, dan ziet hij ze ginder.... dáár in een kleine ontredderde boot, meegesleurd door den woest opgezweepten oceaan, kampen met de schuimende golven.
En met den storm van zijn haat stuwt hij het zwakke vaartuig voort, door de felle branding naar gindsche klip, en ha! het stoot er in splinters vaneen, en--vier verminkte lijken, gebeukt tegen de naakte rots, ze worden door 't schuim bedolven.
Of ook:
Zie, daar ginder snellen ze voort, met opgeblazen moed; ze zullen een vijandelijke benting bestormen. Maar stil, stil! een hinderlaag, kunstig met bamboes en palm en aarde bedekt, ze schuilt daar weg op hun pad als een adder onder 't gras. En zie, daar stormen ze heen; ze bereiken de plek. Ha! met dreunenden doffen klank storten er vier neder op de spiesen en palissaden, en, gillende kreten stijgen er op uit de diepten waar 't bloed spat in 't ronde.
--Doch, wat baat hem zulk een gewaande wraak? Staat hij niet machteloos tegenover hun geweld?
--Maar _hier_, waar men Kartenglimp slechts kent als den gepensioneerden majoor; waar men hem de eer aan zijn rang is verschuldigd, hier kan en zal hij zich wreken zoo men beleedigen durft!
--Opgestaan, met de linkerhand op den stoelknop gedrukt, balt de majoor nu nogmaals de vuist, en vlamt zijn oog de kamer in 't rond. Zie, een bijna levensgroot portret van den generaal treft eensklaps zijn blik, en uit den halfdonkeren toon aan den wand ziet het hem met wijd geopende oogen gestreng en onbeweeglijk aan.
Dat oog, zoo doordringend op hem gericht, hij weerstaat het niet. Wanneer zulk een blik hem in de werkelijkheid trof, het zou hem zijn alsof men hem had doorgrond, alsof men hem kende als den man, "onwaardig den degen te dragen, onwaardig zelfs den naam uit te spreken van een _fatsoenlijke_ vrouw".
--Maar dat is gelogen! Indien er werkelijk vrouwen zijn die zulk een schoonen naam verdienen, die eerzamen, ze hebben zich nooit over hem te beklagen gehad. En wat het eerste betreft, heeft hij dan in den Bandjermassinschen krijg den dood niet onder de oogen gezien? 't is waar, steeds goed gedekt, met de rumflesch terzij en de zweetdroppels op het aangezicht, maar "'t gaat er immers duizenden zóó"!--Wie wil sterven!? Niemand! De krankzinnige alleen, omdat hij.... krankzinnig is; of de grijsaard misschien omdat zijn levenslust vervloog en hij niet meer genieten kan.
--Maar hij--Kartenglimp--hij wil leven en genieten zoolang het hem mogelijk is. En daarom ook, ofschoon dokter Helmond zijn wrok heeft gewekt, hij zal hem nu te vriend houden. Immers dat niet terugkomen na het ontvangen van het telegram, 't heeft juist bij de uitkomst bewezen hoe goed hij zijn gestel reeds kende, en dat hij een uitmuntend dokter is.--Ja hij, wil leven en genieten!--De ontdekking dat er door zijn verre vijanden geen scheidsmuur was geworpen tusschen hém en dien vermogenden luitenant-generaal; de zekerheid dat hij nu welwillend op _De Zonsberg_ zou worden ontvangen; de hoop in 't eind dat men hem in dien kring zou waardeeren en trekken; dat hij er dikwijls de schoone doktersvrouw ontmoeten, en met de jonge teedere erfgename op een goeden voet zal komen, dat alles heeft hem met zonderlingen glans in 't oog geblonken. Ha, nu zou hij voortaan den rechten toon wel treffen. Ofschoon nog jong van hart en van kracht, men werd toch wat kalmer met de jaren. Welzeker, die _Zonsberg_ zou voor hem een bron worden van genot, en de vriendschap van den generaal wel mogelijk meteen het bolwerk tegen "valsche geruchten".
Schuin terzij ziende, ontmoet Kartenglimp nu nogmaals dien strengen blik aan den wand.
--En moet die blik nu de bevestiging zijn dat hij heeft misgerekend; de bevestiging van 'tgeen hij inderdaad inweerwil van zijn gekoesterde verwachting, sedert het eerste oogenblik zijner komst in dit sombere vertrek, als onwillekeurig gevoelde, namelijk: dat zijn bezoek een onwelkom bezoek, en zijn hoop op de vriendschap in dit huis een illusie was?