Dokter Helmond en zijn vrouw

Chapter 16

Chapter 163,880 wordsPublic domain

--Oom, indien gij Jacoba spoedig wilt zien herstellen dan moet ik haar geheel als mijn patiënt behandelen, anders sta ik u voor de gevolgen niet in.

--Oom, indien gij tegen mijn Eva zijt ingenomen, en niet van plan om haar de vriendschap en hartelijkheid te betoonen, zooals ik die steeds van u ontvangen mocht, dan is het beter dat wij elkander niet meer zien, want, ofschoon ik u eeren zal en lief hebben zoolang ik leef,--man en vrouw zijn één.--Zie, zóó had hij behooren te spreken; of althans in dien geest. En nu, is het niet onvoorzichtig dat hij zijn Eva met hare grieven, laat komen voor den man, die wel eens een zeer hoogen toon kon voeren, die niet gewoon is zijn minder gunstig oordeel te verzwijgen, en vooral niet wanneer men zich op een hoogte tegenover hem stelt, of--zij het op zachte wijze--hem ter verantwoording zou willen roepen?

--En is August dan zeker dat Eva geen woord zal spreken 't welk den oom.....?

"Nee, nóg niet," zegt August snel, terwijl Eva's voet reeds de onderste stoeptrede drukt: "Wacht, laten we liever nog eens hier om het huis naar den achterkant gaan. 't Is daar zoo'n heerlijk plekje, en.... mij dunkt, nú vooral...."

Eva ziet hem vragend aan. Zij bemerkte terstond dat het August geen ernst met dat "heerlijke plekje" is; dat hij iets anders in 't schild voert; dat hij aarzelt die stoep op te gaan.

"Is er zwarigheid August? Ik dacht dat oom mij zoo liefhad; ik meende dat je woord mij daar borg voor was. Hoe nu....?"

"Welzeker Eva, zeker! Maar ooms zorg voor Coba! Oom is goed, uitermate, maar...."

"Maar.... hij heeft aan _mij_ den oorlog verklaard. Jawel, en daarom aarzel je nu."

"Nee Eva."

"Enfin, we zullen zien."

En de huisschel klonk luid in de breede marmeren gang.

Ofschoon Hendrik op uitdrukkelijk verlangen van mijnheer en mevrouw Helmond, hen eerst had aangemeld, zoo was er toch bij hun binnentreden op Van Barnevelds gelaat, terwijl hij langzaam opstaande het naderende echtpaar een paar schreden tegemoet ging, een uitdrukking te bespeuren als van iemand die niet recht weet wie hij de eer heeft.... te zien, of aan welke omstandigheid hij een onverwacht, maar daarom nog juist geen aangenaam bezoek is verschuldigd.

"Eva had een groot verlangen om eens hierheen te wandelen oom, en als 't ware haar entrée op _De Zonsberg_ te maken;", zegt August terwijl hij den generaal de hand reikt, en vervolgt: "Nu toch de staat van beleg hier is opgeheven, konden wij er gerust aan voldoen. 't Was er heerlijk weer voor. Hoe gaat het oom?"

Er was iets gekunstelds in den toon van dokter Helmond.

"Dankje August.--Aha nicht, hoe vaarje?" zegt Van Barneveld en drukt Eva's hand die in keurig licht glacé is gesloten: "Ga zitten.--Tante Hermine is juist met Coba naar boven gegaan. Kh'm! Wat meende je met "staat van beleg"?"

"Och.... u hadt immers te kennen gegeven dat het beter was indien Eva nog een acht dagen wachtte met hier te komen; en, daar die acht dagen nu juist om zijn...."

"Ei zóó! heb ik acht dagen gezegd? Zoo!"

"'t Was misschien uw bedoeling mijnheer Van Barneveld, dat ik...."

August, vreezend dat Eva reeds terstond in vuur zal geraken, valt haastig in:

"'t Was uw bedoeling dat we om Coba's ongesteldheid, vooreerst niet _al te druk_ zouden komen. Maar, nu alles zoo bijzonder naar wensch gaat, nu meende ik dat het zelfs goed voor haar zou wezen wanneer we ons eens tezamen vertoonden. Wat _mij_ betreft, ik verlang naar Coba, want de beide keeren dat ik in de verloopen week hier was, mocht ik wel heel aangenaam met u de plaats doorwandelen, maar mijn zusje zag ik niet, om redenen...."

"Om zeer natuurlijke redenen August."

"Ik moest ze billijken oom, tenminste als.... _broer_; maar, als _dokter_ niet."

"We hebben datzelfde punt eergisteren op die wandeling met een enkel woord behandeld. Voor 't oogenblik acht ik het minder gepast. 't Is niet noodig je te zeggen dat ik je graag zie hierkomen; maar, indien het naar mijn overtuiging beter is dat Coba vooreerst in haar zeer dagelijksche omgeving blijft--terwijl ik er bijvoeg dat ze voor 't overige zeer _zeer_ wel is, dan, dunkt me, moest men niet aandringen op.... op ontmoetingen...."

"Maar wie, wie dringt er....?" zegt Eva snel; doch August valt in:

"Een misverstand oom; wij dringen daar volstrekt niet op aan, al zouden we 't gaarne wenschen. Is het uw bepaalde wil dat Coba vooreerst--vergun me de opmerking: tegen 't advies van haar dokter--in 't geheel geen menschen zien zal, dan moet dat gebeuren! dan blijven zelfs wij op den achtergrond, maar niewaar, als we 't vooraf doen weten, dan zijn we toch immers bij ú altijd van harte welkom?"

"Dit is een vraag August, waarop geen antwoord behoeft. Zooeven heb ik nog gezegd dat ik je gaarne zie komen; maar...."

"_Maar_.... menheer Van Barneveld," zegt Eva met kwalijk bedekte spijt: "wanneer de vrouw van den geliefden neef blieft thuis te blijven, niewaar?"

"Beste Eva!" zegt August merkbaar ontsteld. En dan: "Ja ziet u oom...."

Maar Van Barneveld begrijpt dat hij alles zeer goed heeft door_zien_ en nog door_ziet_.

Immers, bij alles wat hem vroeger tegen 't huwelijk van August met Eva Armelo heeft gestemd, kwam nu nog het pijnlijke, schier tot zekerheid geklommen vermoeden der laatste dagen, dat diezelfde schoone vrouw de oorzaak is van het zielelijden zijner eenige teergeliefde dochter.--Op lossen grond meent hij niet te oordeelen. Zuster Hermine heeft hem getoond dat zij als vrouw, scherper blik bezat om een meisjeshart te doorgronden, dan zelfs de vader die zijn kind van der jeugd afaan als zijn oogappel heeft bewaakt. Had hem ook reeds een heimelijke vrees vervuld, vooral op den morgen toen Coba zooveel bezorgdheid toonde dat de brief, dien zij aan August had geschreven, door hem--haar eigen vader--zou geopend worden; ach, toen zuster Hermine, nadat Coba stadwaarts was gegaan, hem een doormidden gescheurd papier 'twelk zij op Coba's schrijftafel vond, had doen lezen, toen.... toen heeft hij wel moeten gelooven dat een steeds met kracht verborgen en nu hopelooze liefde voor August, zijn Coba lijden, en, zoo God het niet verhoedde, verkwijnen deed. Immers in haar gejaagden toestand heeft zij, waarschijnlijk ter juistere uitdrukking harer gevoelens een eerst begonnen brief terzij gelegd, en verzuimd de regels te vernietigen, die hem nu gedurig voor den geest staan:

"Beste August!

"Altijd heb ik je liefgehad en vertrouwd als een dierbaren vriend. Sedert den dag van je vertrek had ik geen rustig uur. O, waarom heb ik niet gesproken op dien avond toen je mij zoo deelnemend ondervroeg....

Och, waarom moest ik huichelen; waarom verbergen wat mij verteert...."

Ja, de oude generaal--ofschoon hij ten deele op een dwaalspoor is geraakt--hij gelooft nu alles zeer duidelijk te doorzien. Welzeker: Hermine heeft gelijk. En al wil dan ook Coba zelve, de jonggehuwden, maar vooral August bij zich ontvangen, dat mag en kan vooreerst niet gebeuren. De zaak is van te teederen aard om er zelfs met Helmond anders dan zeer _zeer_ vanverre over te spreken; en, zal Jacoba leven en behouden worden, dan moet men gelijktijdig met het versterken van haar zenuwgestel, alles vermijden, wat nieuw voedsel aan dien droeven hartstocht zou kunnen geven.

Na Eva's laatsten uitval heeft Van Barneveld niet zonder groote zelfbeheersching zijn kalmte bewaard. Zulk een toon verdraagt hij niet, van niemand! Slechts de herinnering aan het gebeurde met den jongsten pleegzoon, maar tevens een snel herdenken van 'tgeen hij sprak op den trouwdag; het besef bovendien dat Eva wel inderdaad eenige reden had om zijn ingenomenheid met haar te mistrouwen, en zich nu gekrenkt te gevoelen; dit alles, gevoegd bij een aangeboren hoffelijkheid tegenover de schoone sekse--en Eva was immers zeer schoon--deed den generaal nu zich zelf met kracht beheerschen. Schijnbaar kalm, doch niet zonder klem zegt hij:

"Wanneer ik verzeker dat er voor de vrouw, die mijn neef gelukkig wil maken, een ruime plaats in mijn hart is, dan herhaal ik slechts wat ik vroeger sprak, en zou wel gaarne op mijn woord geloofd worden. De welgemeende zoen aan de vrouw van mijn pleegzoon op den dag van haar huwelijk gegeven, moest haar het bewijs zijn geweest van mijn.... welwillendheid."

"Waarlijk oom, Eva is geheel van uw liefde overtuigd. Alleen de hooge prijs, dien zij op uw toegenegenheid stelt, deed haar zoo spreken, en daarom...."

"En daarom wil ik haar dan ook alleen maar vragen August: of het voortaan tusschen ons "mijnheer Van Barneveld en mevrouw Helmond" of "oom en nicht" zal wezen?"

Voor Eva's muzikaal gehoor heeft de toon waarop de oude generaal daar sprak, niets welluidends gehad noch iets dat haar roeren kon. De laatste terechtwijzende vraag heeft haar zelfs tamelijk schril in de ooren geklonken; nochtans voor dien uitdagenden blik, door de grauwe en zwaar vooruitkomende wenkbrauwen verdonkerd, slaat zij de oogen neer, en zegt:

"De ongewoonte.... _oom_; men kan zich vergissen."

"Ik begreep het Eva, en geloof dat we elkaar op den duur hoe langer hoe beter begrijpen zullen." Eensklaps zich tot August wendend: "Sedert gisteren heb ik besloten met Coba voor een paar maanden naar _De Godesberg_ te gaan. Dat besluit zul je wel goedkeuren niewaar?"

"De koudwaterkuur heb ik zelf aanbevolen oom; maar...." August beziet schijnbaar zeer aandachtig de toppen zijner vingeren: "maar, zult u haar dáár zoo geheel kunnen isoleeren.... op een badplaats?"

Van Barneveld, die op raad van zuster Hermine dit besluit had genomen, heeft niet berekend dat men hem aanstonds op deze inconsequentie betrappen zou. Zich gevangen te gevoelen en door eigen schuld, het maakt den ouden generaal korzelig--narrig! zooals hij het zelf zou noemen:

"Ik meen dat men dáár zoowel als overal stil kan leven," zegt hij tamelijk kortaf, en dan tot Eva wier donkere kijkers hem in deze oogenblikken bepaald hinderen: "Wil je zoo goed zijn nichtje, de honneurs van het theeblad op je te nemen? mijn zuster schijnt nog wat boven te blijven."

"Zou mevrouw niet terugkomen.... oom?"

"Ik weet het niet; maar 't is acht uur geslagen."

Of deze opdracht Eva aangenaam is valt moeielijk te bepalen. Vluchtig denkt ze nochtans aan den morgen en het gebeurde met mevrouw Van Hake. De parelgrijze handschoenen trekt ze schielijk uit, en voldoet aan ooms.... _bevel_.

"En denkt u al spoedig te vertrekken?" vraagt August.

"Dat zal van het antwoord afhangen. Dezen morgen heb ik erheen geschreven." Tot Eva, wier bewegingen hij onwillekeurig heeft gevolgd: "Ik geloof dat je de verkeerde bus hebt nichtje; in die grootere is de gewone thee, van de fijne doet Coba er tenminste gewoonlijk maar zeer weinig bij. We zijn onder ons."

Deze oogenschijnlijk onbeduidende aanmerking klonk inderdaad wat vreemd uit den mond van den grijzen ex-generaal. August bracht haar echter onmiddellijk in verband met ooms vroegere opvatting omtrent Eva; en, heeft hij reeds gevoeld dat hun--of althans dat háár bezoek den oom geen welkom bezoek was, hij meent nu in die aanmerking een uit tegenzin geboren toeleg te zien om zijn Eva al dadelijk wat huishouden en zuinigheid te leeren. 't Was ongepast; 't was.... Maar neen, met de jaren kon zelfs een ex-generaal wel eens huishoudelijk worden. Oom meent het toch goed, al is hij door het onverwachte en niet gewenschte bezoek, al is hij om redenen, die August niet vermoeden kon, in een minder goede luim. Die aanmerking, zoowel als dat verzoek om thee te schenken, getuigt dat hij Eva als "eigen", als een lid zijner familie wil beschouwen.--Zijn vrouwtje vriendelijk toelonkend, zegt hij nu met eenige zelfoverwinning:

"Je woudt oom zeker eens een heel lekker kopje schenken, niewaar Eva?"

"Ik heb daar niet aan gedacht;" antwoordt Eva, over wier wang een snelle blos is gevlogen, en wat ze er zachter bijvoegt, gaat--gelukkig misschien--voor den oom verloren, want, Hendrik die mede licht binnenbrengt, heeft luide het bezoek aangekondigd van den majoor Kartenglimp.

Van Barneveld fronst even de wenkbrauwen.

Nog slechts weinige dagen geleden is hij heel toevallig met dien majoor Kartenglimp in aanraking gekomen. Bij een wandeling in het Hoenderveldsche bosch, op een afgelegen pad, heeft hij hem voor 't eerst ontmoet, en het vallen van een dooden tak, die, volgens den majoor, door het gevecht van een kraai en een lijster was afgebroken, en juist tusschen de beide wandelaars is neergekomen, heeft hen eenige woorden doen wisselen. Met de meeste belangstelling had de majoor toen aanstonds naar juffrouw Van Barneveld geïnformeerd, terwijl hij schier in één adem de bijzondere capaciteiten van Dokter Helmond heeft geroemd, dewijl hij hem--Kartenglimp--van een ernstige ongesteldheid zoo spoedig en radicaal genezen had.

Van Barneveld heeft bij die ontmoeting in stilte een zeker leedwezen gevoeld dat een opvatting, een mindere sympathie voor 't uiterlijk van dien man, hem lomp heeft doen zijn, dewijl hij hem--volgens stadsgebruik--bij zijn komst in Romphuizen een visite had behooren te brengen, 'tgeen hij niet heeft gedaan.

Dat Kartenglimp hem, zonder eenige gevoeligheid daarover te toonen, in dat bosch zoo beleefd en respectueus heeft toegesproken, 't moest den generaal wel aangenaam treffen. Immers hij werd toch te oud om zich door vooroordeelen te laten regeeren, of naar praatjes te luisteren, die waarschijnlijk in de kleinsteedsche sociëteit met de el waren uitgemeten. Inderdaad, die majoor was heel vriendelijk, en dewijl hij gezegd heeft dat hij bij zijn komst in de stad, als zooveel jonger in jaren en lager in rang, zeerzeker den generaal het eerst had behooren te complimenteeren, waaraan hij, beter laat dan nooit, nog gevolg hoopte te geven--zoo heeft Van Barneveld wel niet anders dan hoffelijk kunnen buigen, met de verzekering dat zijn bezoek hem zeer aangenaam zou zijn.

Maar, nu kwam hij toch bijzonder ongelegen.... of neen, misschien had die komst juist nú haar nuttige zijde. De majoor scheen spraakzaam, en met Dokter Helmond is hij bijzonder ingenomen.

Van dit laatste was August in 't geheel niet overtuigd. Twee malen na zijn terugkomst van de reis, heeft hij getracht den majoor te bezoeken, maar telkens was de patiënt niet thuis, en 'tgeen Van Hake hem heeft gezegd, en wat men later van Kartenglimps waardeering verhaald had, 't is niet geschikt geweest om hem van 's mans ingenomenheid met zijn persoon een hoog denkbeeld te geven.

--Doch zie, 't bleek alweer dat men de woorden van een patiënt die wat bang voor vriend Hein is, niet al te letterlijk moest opvatten, en, dat de later uitgestrooide praatjes eenvoudig Kippelaanspraatjes zijn geweest. Althans nadat Kartenglimp mevrouw Helmond en den generaal begroet en naar de gezondheid van juffrouw Van Barneveld heeft gevraagd, drukt hij zijn dokter met warmte de hand. Met een klein excuus over "dat telegrafeeren", 'tgeen hij zegt volkomen juist door dokter te zijn opgevat en beantwoord--buigt hij nogmaals voor Eva, en terwijl hij haar, na een sierlijke geste, met de zeer belangrijke lotsverwisseling van harte gelukwenscht--iets, waarin hij vroeger door zijn ziekte is verhinderd geworden, en waarmee hij nu gemeend heeft te moeten wachten totdat de familie geheel op orde zou zijn--neemt hij toch alvast met veel genoegen deze bijzondere gelegenheid te baat, om zich ook in mevrouw Helmonds vriendschap ten zeerste aan te bevelen.

Dat klonk heel anders dan Helmond verwacht heeft. Niet, dat al de mooie woorden van den majoor bij hem als _bewijzen_ van hartelijke belangstelling golden, terwijl Kartenglimps persoonlijkheid hem nooit bijzonder heeft aangetrokken, zoo kon het hem toch niet anders dan aangenaam zijn te mogen bemerken dat Kartenglimp niets tegen hem had, en, wat men van zijn grieven verhaalde, slechts uitstrooisels zijn geweest.

Nu de majoor zijn excusen heeft gemaakt dat dit eerste bezoek een avondbezoek is, waarvoor hij echter verschoonende redenen bijbrengt, wordt de ontmoeting in het Hoenderveldsche bosch als de aanleiding er toe herdacht. De majoor beweert dat het waarlijk origineel is dat het vallen van een dooden tak moest meewerken om hem een lang verzuimden plicht te doen herstellen--althans voor zooveel dit mogelijk was--want ja, "ja waarlijk generaal," zoo besloot hij: "'t was mijn plicht als oud-militair om het eerst bij u mijn opwachting te maken.

Van Barneveld beantwoordde deze herhaling van Kartenglimps beleefdheid met een welwillende geste, en wilde juist vragen of de majoor inderdaad _goed_ had gezien dat een kraai, telkens het nest van den lijster voorbijscherend, een sterken vleugelslag aan den wakkeren verdediger gaf, waardoor in 't eind het doode stuk tak moest zijn afgebroken; toen Eva, zich over het theeblad vooroverbuigend, zacht maar toch goed verstaanbaar de vraag tot hem richtte: of oom verlangde dat ze ook nu--met het bezoek van.... mijnheer!--maar alleen van de _goedkoope_ thee zou gebruiken?

Van Barneveld schijnt haar niet te verstaan, althans zonder te antwoorden wendt hij zich met zijn vraag--welke hem echter eensklaps geheel onverschillig is geworden--tot den majoor. Deze heeft met een oogopslag een zeer verschillende uitdrukking op de drie aangezichten gelezen, en tevens bemerkt dat Helmond, die zeer nabij zijn vrouw was gezeten, haar snel maar zacht met de knie heeft aangestooten.

"Jawel je excellentie, ik heb dat zeer goed gezien. Door het breken van den tak--zooals wij zagen juist een paar vingerbreed vóór het nest--is de kraai zeer verschrikt weggevlogen, en niet teruggekomen, tenminste zoolang wij er waren."

"Ahzoo, ja juist; 't deed me plezier dat het nest niet mee naar omlaag kwam;" zegt de generaal, en kan zich niet weerhouden om tegelijkertijd een zijdelingschen blik op Eva te werpen.

"Zeker generaal, recht gelukkig!" zegt Kartenglimp, en dan, zich tot Eva wendend, terwijl hij zijn donkere oogen slechts bij tusschenpoozen op haar bekoorlijke trekken gevestigd houdt:

"De eerste maal dat ik u vluchtig mocht ontmoeten, waart u zeer ongesteld mevrouw. Zeker had de Haagsche lucht u geen goed gedaan. Er is, als ik 't zeggen mag, bepaald eenige sympathie tusschen ons: die kille temperatuur in den Haag was mij--vooral omdat ik uit Indië kwam--mede zeer onaangenaam, en, dat wij beiden onze spoedige herstelling aan denzelfden vriend te danken hebben, nietwaar....?"

"Dan toch altijd naast God," zegt Van Barneveld, die in geen stemming verkeert om "menschenvergoding" te dulden, en nog twee malen als tersluiks een blik langs de groote moderateurlamp op Eva geworpen heeft.

"Natuurlijk, natuurlijk je excellentie, we erkennen dat stilzwijgend.--En wat ziet mevrouw er geheel anders uit dan toen. Dat was in Maart als ik me niet bedrieg. Men scheen destijds eenigszins bevreesd te zijn..... nietwaar? Tenminste onze goede vriend Donerie sprak er, indien ik mij wel herinner, met de meeste belangstelling over. Ja waarlijk, ik moet zeggen, dokter heeft er alle eer van.... althans _naast God_."

De laatste woorden klonken den generaal, uit dien mond, zeer zonderling gemaakt in de ooren.

Helmond zegt dat Eva inderdaad tegenwoordig gezonder is dan ooit, en te hopen dat het doktersvrouwtje een uithangbord voor de affaire zal blijven.

De majoor merkt met bescheidenheid aan dat dit beeld van den dokter, voor zijn jonge vrouw niet al te flatteus is; maar hij gelooft niet dat dokter Helmond inderdaad een zoo schitterend uithangbord zal behoeven; men beweert immers met recht dat het den neef van den generaal Van Barneveld niet zoo bijzonder ernst met een al te uitgebreide praktijk kan wezen; zijn jonge vrouw en de geëerde familie van _De Zonsberg_ zouden daar zeker nog al op tegen hebben.

"In 't geheel niet!" zegt Van Barneveld snel en met klem: "Het kan de vrouw en de familie van mijn neef niet anders dan aangenaam wezen wanneer de zieken die er zijn en geneeskundige hulp verlangen, hem, zooveel mogelijk, hun vertrouwen schenken. De schoorsteen zal ervan moeten rooken."

De majoor Kartenglimp lacht bescheiden met ongeloovig ophalen der wenkbrauwen; en, heeft hij al straks bemerkt dat de jonge vrouw den blik van haar oom zocht te ontwijken, nu zag hij bij diens laatste woorden een donkere blos haar gelaat overtrekken.

Helmond weet met tact het gesprek een andere wending te geven. Zelfs Eva, door de spraakzaamheid van den galanten majoor daartoe uitgelokt, mengt er zich een enkele maal in, en was op het punt haar bittere grieven te vergeten--want de "hatelijke woorden" van Helmonds pleegvader en "de verregaande schrielheid van dien nabob in zijn somber paleis" hebben haar als een doorn in het hart gestoken--toen Kartenglimp de eenvoudige vraag tot haar richtte: of zij zich in haar nieuwe woning reeds wat thuis gevoelde.

Eva aarzelde een oogenblik, maar toen, bemerkend dat Helmond het antwoord wilde geven, zegt ze snel met kwalijk verborgen wrevel:

"Ik zou onoprecht zijn majoor, wanneer ik zei dat het huis mij bevalt. 't Is er somber en gedrukt. Aan de voorzij zit men achter een dijk, en aan de....."

"Ja, aan de straatzijde valt zeker niet veel te zien;" zegt Kartenglimp hoofdknikkend.

"Maar we zien er elkaar, niewaar wijfjelief?" valt Helmond in: "en dat is ons 't voornaamste. Aan een huis moet men wennen evenals aan een nieuw kleedingstuk."

"Als het kleed niet past August, dan zendt men het terug."

Kartenglimp geeft hoofdknikkend het teeken dat hij de opmerking der jonge mevrouw zeer ad-rem vindt.

"Men had al gezegd dat u de woning aan den wal zoudt verlaten om het leegstaande huis op de markt ervoor in plaats te nemen. Ik geloof generaal, dat de jonge mevrouw in het zoogenaamde oud-burgemeestershuis meer haar aisances zou gevonden hebben.--Nog altijd te koop je excellentie."

Op Eva's gelaat was--voor wie in haar ziel had gelezen--een oogenblik van triumf te bespeuren.

Van Barneveld die bij het hooren van den majoor, telkens sterker den tegenzin voelde herleven, welke vroeger door dat brutale donkere oog en de vreemde plooi om dien mond bij hem was opgewekt, meende, ondanks den strijd, dien hij inwendig moest voeren, dat het zijn plicht was om vis-à-vis dien man door geen enkel woord meer te verraden dat de harmonie tusschen hem en de jonge echtgenooten nog iets te wenschen overliet.

"Ja juist majoor, dat huis is nog te koop, maar ik geloof niet dat mijn neef er plan op heeft. Is 't wel August?"

Nadat Helmond ontkend, en Kartonglimp Eva's vraag betreffende zijn verkiezing van suiker en melk in de thee met een bijzondere hoffelijkheid heeft beantwoord--waarbij hij haar voor 't eerst rechtstreeks in de schoone oogen zag; na een snellen blik dien de generaal zijn neef heeft toegeworpen en waarmee hij dien bezoeker als geenszins van zijn gading, zocht te teekenen, zegt Eva tamelijk zacht maar toch met nadruk:

"U gebruikt zeker _geen_ suiker in de thee.... oom?"

Kartenglimps oogen waren naar het fraai gestukadoorde plafond gekeerd, maar toch heeft hij op het hooge voorhoofd van den oom een trilling gezien als die van den effen vloed, wanneer een geworpen steen hem beroert, terwijl hem evenmin de half angstige half verwijtende blik van den jongen man is ontgaan, de blik waarmee hij als 't ware zijn Eva smeekte om toch niet roekeloos vonken naar buskruit te werpen.

"Maar ik begrijp volstrekt niet tante, waarom ik niet naar beneden zou gaan; we weten nu immers dat het August en Eva zijn die zich lieten aandienen," zegt Jacoba terwijl ze mevrouw Mansburg met haar zachte oogen vriendelijk aanziet: "Wat zou mij nu meer goed kunnen doen dan eens met mijn besten August te praten, al moet ik hem ook beknorren dat hij de geheele week nog niet naar mij omzag."

"Papa vindt het beter dat je alle mogelijke drukte vermijdt Coba, je weet het, en daarom...."

"Als papa geweten had wie het waren, die door Hendrik werden binnengelaten, dan had hij mij zeker niet verzocht naar boven te gaan."

"Ik geloof het wel Coba; maar we zitten hier immers ook heel prettig en gezellig op je lieve kamer. Tante zal heel graag bij je blijven."