Dokter Helmond en zijn vrouw

Chapter 15

Chapter 153,914 wordsPublic domain

Na deze woorden verlaat Eva haastig de kamer. De weduwe, die reeds het haar opgedragen werk had aanvaard, weerhoudt de tranen niet die haar opwellen in de oogen, terwijl ze hoofdschuddend, de jonge vrouw ziet verdwijnen. Ofschoon zelve een paar malen gevoelig door Eva's woorden gekrenkt, vervult haar nu toch een andere smart. O, wat ze in stilte wel eens heeft vermoed, dat werd voor haar in de weinige dagen dat Helmonds echtgenoote onder het altijd zoo vreedzame dak verkeerde, reeds zekerheid: de goede dokter zou met die vrouw niet gelukkig wezen; en de dagen, die de bedroefde weduwe nog in de woning van den weldoener zal doorbrengen, zijn zeker geteld.

Terwijl de doktersweduwe het werk verricht dat dienstbodenwerk moet heeten wanneer het zóó wordt opgedragen; terwijl ze afwascht, en weder gereedzet, en de tranen gedurig langs de wangen rollen, is Eva in haar onrustige stemming naar haar slaapkamer gegaan. Daar gekomen blijft ze eensklaps staan. Met één oogopslag ziet zij welk een verandering er heeft plaats gehad, sedert ze een paar uur geleden die kamers verliet. Een keurig frisch-groen behangsel met nette kwasten is er om den hemel van haar echtkoets gehangen.

In weinige seconden was Eva beneden, en bevond ze zich in de voorkamer der suite, die het uitzicht op den wal heeft. Zie, 't was er donkerder geworden, maar waarlijk ja, daar hingen ze ook, de nette overgordijnen, met zorg geplooid en ongebonden.--Dat stond goed, ja dat stond heel goed; dat gaf waarlijk iets salonachtigs; iets niet-communs.--Wat is er ook burgerlijkers te bedenken dan ramen zonder meubelgordijnen.--Jawel, ze zijn zóó heel _heel_ ordentelijk, besluit Eva, terwijl ze de nieuwe gordijnen nog eens op een afstand en dan van nabij beschouwt.--'t Is aardig; dat moet mevrouw Van Hake van morgen gedaan hebben na 't ontbijt.--'t Is eigenlijk toch een goed mensch. Een beetje saai. Maar, och lieve hemel, wie zou er ook in Romphuizen _niet_ saai worden. Ja waarlijk, ze heeft erg veel liefs.... Zie, daar staat dat mooie zilveren beeldje onder 't stolpje ook nog. 't Was eigenlijk een mal cadeau; je kondt er een voltaire of zoo iets voor gehad hebben, maar, 't bewijst toch dat ze een goed hart heeft. Ik geloof dat ze me die kleine terechtwijzing een klein beetje kwalijk nam; misschien omdat ze juist was bezig geweest met me een verrassing te bezorgen. Nu ja, maar men moet toch begrijpen wie hier in huis nummer één is. Zedenpreeken aan te hooren van menschen, die men letterlijk en zonder eenige verwantschap 't genadebrood geeft; nee nee, daar bedanken we voor; en.... Maar ze staan heel netjes die gordijnen. Och hemel, ik liet de goeje sloof nog omwasschen ook; misschien was ze daar ook wel wat knak over. 't Zou me toch spijten indien ik haar leed had gedaan....

Een geruimen tijd stond Eva nog in de voorkamer, straks met de hand nog op haar boezem. Er was strijd daarbinnen: Nee ja, nee ja.... nee.... ja! En--nu is ze voort; bij de deur der ontbijtkamer aarzelt ze nog, maar, tóch gaat ze erbinnen.

Een laatste overwinning heeft er plaats; en dan, dan vat ze eensklaps de oude dame, die Eva met blijde verbazing beschouwt, vertrouwelijk bij de hand, en zegt:

"Als ik een hard woord heb gesproken, lieve mevrouw, och wil het mij dan vergeven; u waart zoo goed en hebt alweer zooveel moeite gedaan. Och, ik was ondankbaar...."

"Spreek zoo niet.... mevrouw Helmond. Ik gevoel...."

"Zeg dan Eva, _Eva_! Immers straks nog was ik onverstandig als een kind? Vergeef mij dan als ik u leed heb gedaan! Uw tranen maken mij beschaamd."

Juist op het oogenblik dat Eva de oude dame een zoen op de wang drukt, treedt Helmond de kamer in:

"Ei ei, zóó mag ik het zien," zegt hij met blijde verrassing: "dat is nu een zoen, die mij niet jaloersch zal maken.--Maar hoe, ik zie tranen? Is er iets dat u bedroefd heeft mevrouw...?"

"Men kan immers ook schreien beste dokter," antwoordt de weduwe met innige ontroering, "als het hart weldadig wordt aangedaan."

DERTIENDE HOOFDSTUK.

Op den avond van dienzelfden dag zijn de weduwe Van Hake en haar zoon in het schemerdonker bijeen. Mevrouw Van Hake zit in haar leunstoel. Men ziet van haar niet veel meer dan 't wit van haar muts en het wit der breikous, waaraan zij met ijver werkt, 'tgeen aan het rusteloos naaldengetiktak te hooren is.

Thomas, met den rug naar het venster gekeerd, is in massa wel zichtbaar, maar zijn goedaardig doorgaans vroolijk gelaat is nu--natuurlijk--zoo zwart als de nacht.

"We willen er dan maar 't beste van hopen moedertje, en ik beloof je vast er geen woord van te zullen spreken; maar, neem me niet kwalijk, den eersten keer dat ik weer merk dat ze u voor haar _meid_ aanziet...."

"Stil stil beste Thom, wie heeft dat gezegd, ik...."

"Nee, dat hebt u niet gezegd, maar wij beiden hebben het bemerkt moeder; en ik herhaal het: den eersten keer dat zij u op de een of andere wijze weer durft krenken, dan ... ja, dán moet het maar uit zijn!"

"Lieve Thom, 't is zeker je goeje hart dat daar spreekt, maar je hebt me immers moeten toestemmen dat óók de jonge mevrouw getoond heeft een goed hart te bezitten; en daarom, wie weet...."

"Nu ja moedertje, maar goeje harten hebben alle menschen. Gisteren hoorde ik nog van een zekeren mijnheer vertellen: dat hij gedurig zijn vrouw sloeg, maar anders au fond een _heel goed hart_ had."

"Eva heeft zich illusies gemaakt Thomas. De reeds lang loopende Kippelaans-praatjes: dat Helmond voor liefhebberij praktizeert; dat hij van den schatrijken oom zooveel geld kan krijgen als hij verlangt; dat de generaal het mooie huis op de markt voor z'n neef zou koopen, dat alles heeft haar al wat hooger opgewonden dan goed was. Zoolang wij Eva kenden was zij hooghartig, en we weten ook dat ze thuis--vooral sedert haar terugkomst uit Den Haag--door haar familie als een halve godin werd gediend en ontzien. Wellicht heeft dat ziek-zijn er toe bijgedragen; en later toen ze met dokter Helmond geëngageerd was, toen is het er zeker niet op verbeterd. De goede dokter, die haar zoo liefheeft, mag haar mede wel een beetje bedorven hebben."

"Mijn beste moeder weet altijd de verschoonende zij van een karakter op te sporen; maar...."

"We willen nu liever zwijgen over dit punt beste Thom. Ik heb heden meer hoop voor de toekomst gekregen; en vergeet het niet, dat we uit dankbaarheid voor onzen lieven dokter toch wel wat geduld mogen hebben."

"Tot het uiterste moeder! Ja! maar ze moeten van ú afblijven! bij God! of anders...."

"Stil kind, stil! Maar bedenk dan ook dat je moeder nevens haar wensch om _jou_ gelukkig te zien, er geen grooter heeft dan om hier onder dit vreedzaam dak, op de plaats waar ze je braven vader zag werken en lijden, haar dagen te eindigen, en het hoofd neer te leggen, het oog gericht op een betere toekomst."

De massa, die Thom moest wezen, had zich verplaatst, en men zag nu niets, volkomen niets meer in de huiskamer der Van Hakes. Toch, als men scherp keek, dan zag men nog een _grauwe_ vlak--die mevrouw Van Hakes muts moest wezen--zich zeer terzij bewegen, terwijl men niet langer het getiktak der breinaalden, maar een zoet geluid vernam, het bewijs der innigste liefde tusschen moeder en zoon.

Uit een eerst bijna onhoorbaar gemurmel worden in 't eind verstaanbare klanken geboren. Zacht fluisterend klinkt het nu:

"Jawel Thom, jawel!"

"Nee moeder; nee....!"

"Er _moet_ wel iets wezen Thom; je waart in den laatsten tijd niet zoo vroolijk als anders. 't Is waar, je hadt veel te doen; en dan de dood van mijnheer Donerie; je dagelijksche orgel-oefeningen in het vroege morgenuur; de zorgen voor moeders toekomst.... ja, ik weet het wel; maar, is er dan niets, niets anders, dat....?"

Alsof Thom nog vreesde dat men in 't donker, _wit_ van _rood_ kon onderscheiden, dook hij met den blonden krulkop achter moeders hals, en terwijl hij--op den arm van haar leunstoel gezeten--haar middel omvatte en haar zoo een zoen in den hals gaf, sprak hij een oogenblik later zeer zacht, maar toch schijnbaar luchtig:

"Wil ik je eens een vertelseltje doen moeder? 't Is heel kort: D'r was eens een boerenjongen en een koning; en de koning had een dochter; en de boerenjongen was een gek. Toen de koningsdochter van 't paard was gevallen en de boer haar naar 't paleis had gereden, toen vroeg hij de koningsdochter tot vrouw."

"En....?"

"Nou is 't uit moeder."

"Hoe meen je? Ik begrijp niet....?"

"Ik heb u immers gezegd moedertje, dat die boerenjongen een _gek_ was."

Hoor, daar klonk de schel der apotheekdeur.

In één oogwenk was Thom óp, en ter kamer uit.

"Hoe vaarje; hoe vaarje?" Klinkt een stem den komenden provisor tegen: "Altijd wél geweest? 't Is hier drommels donker. Ik heb immers 't plezier dokter Helmond te zien?"

"_Je plezier van zien_ kan zoo groot niet wezen, menheer Kippelaan; maar wacht, ik zal even de aptheek-lamp aansteken. U moet immers in de aptheek zijn?"

--O! ah zoo menheer Van Hake, ben u het! Verrukt je te zien.... of.... je zoo straks te zullen.... enfin! Mama welvarend? Komaan, dat doet me ontzettend veel plezier. Al gehoord dat je mama laboreerde. Zondag niet in de kerk geweest. Dokter welvarend en 't jonge vrouwtje? Allerliefst lief vrouwtje, allerliefst! Altijd een charme van me geweest. Entre-nous gezegd, bepaald vues op gehad; maar zwak, niet gezond. Tenminste.... die ziekte waar ze mee uit den Haag kwam, toen dacht ik: prudent! Voel-je? En ik wachtte; maar tusschentijds is dokter gekomen. Enfin, even goeje vrinden. Je weet Van Hake, dat we om zoo te zeggen boezemvrinden zijn, en dus...."

"Moest u dokter hebben, menheer Kippelaan?"

"Chut, chut, amice. Je begrijpt wel dat ik mijn reden heb waarom ik hier _achter_ inkom. Mijn vriend Helmond wilde ik spreken; jawel, maar chut! in een teere zaak; heel teere zaak; en dáárom.... A propos, je hebt witte drop, _wit_? Klaar hé?"

"Jawel.--Verkouden menheer Kippelaan?"

"Ik, nee nee, pardon, nee, maar er is iemand die.... Enfin, ik wou wel graag een pond witte drop hebben.... mijn neef de professor is vóór witte drop; bepaald!"

Van Hake ondanks zich zelven lachend:

"Een pond....!?"

"Jawel, of tenminste een groote quantiteit, en dan in een prachtdoos; iets énorms--zóó zieje, van die hoogte bijvoorbeeld. Och entre-nous menheer Van Hake, jij bent de eenige aan wien ik 't zeggen zou, maar 't staat alles in 't nauwste verband. De reden waarom ik eigenlijk hier kom is een gezondheidsinformatie. Is.... isse dokter vandaag op _De Zonsberg_ geweest?"

"Dokter is er op 't oogenblik met zijn vrouw."

"Op 't oogenblik, och-kom, dus niet thuis? Ojee!...." Eensklaps komt hij den provisor, die nog voor de toonbank staat, terzij; omvat met zijn beide handen Van Hakes rechter-onderarm, karnt er met een geweldige hartelijkheid mee op en neer, en vervolgt: "Ik vertrouw je menheer Van Hake; je bent iemand in wien ik fiducie heb, en bovendien _ik dank je_, jawel ik dank je; want ik heb verplichting aan je, groote verplichting; parole!"

"voorzichtig menheer Kippelaan, je zult zwarte handen krijgen want mijn jas...."

"Niemendal m'n vriend, niemendal;" zegt Kippelaan, ofschoon hij Van Hake loslaat, die zich nu met een snelle wending achter de toonbank verschanst.

"Je hebt meer voor me gedaan dan ik zeggen kan," herneemt Kippelaan: "We zijn hier veilig niewaar?" Hij ziet naar de openstaande gangdeur, doch zonder eenige beweging te maken om haar dicht te doen: "Enfin, op den dag toen mijn geliefde vriend Donerie 's-avonds gestorven is, toen ben je 's morgens bij baas Krul geroepen niewaar? En een uur later toen heb je iemand, een zeker iemand, compris, met een _vigilante_ naar een zeker landgoed gebracht.... Vatje? Jawel, je vat me.... hé? De generaal heeft het die domme timmermansfamilie zeer _zeer_ kwalijkgenomen dat ze haar als 't ware gedwongen hadden naar boven te gaan, blootgesteld aan een tooneel dat haar bijna van schrik den dood op het delicate lijf heeft gejaagd. Ze was geheel van zich zelve niewaar?"

"U spreekt van.... juffrouw Van Barneveld?"

"Chut! chu.... u.... ut, mijn beste vriend. Enfin, wie zou ik anders bedoelen. Jawel, onder ons, ik spreek van Jacoba, en ik ben òvergelukkig dat het toeval mij u, en niet dokter Helmond deed vinden. Je hebt haar op dien morgen gezien, geobserveerd, ge.... enfin door je uitmuntende zorgen haar in 't leven behouden. Merci, waarachtig Van Hake, van harte merci!"

Kippelaan tastte over de toonbank naar handen, die echter niet voor den dag kwamen. Weer omziende: "Nu is het alleen maar de vraag of het.... toevallen zijn of niet....? Men zegt dat ze toevallen heeft. Men zegt! maar men zegt zooveel. Geen verschijnselen--je weet wel.... op den mond niewaar? Mijn neef de professor...."

"Zijn ze razend! roept Thomas: "daar is niets _niets_ van waar," en hij voegt er nog een krachtige bestrijding bij. Die malle Kippelaan was anders wel instaat om te gaan rondventen dat juffrouw Van Barneveld de vallende ziekte had, en als zijn zegsman den intiemen _Van Hake_ te noemen.

"Merci, merci hoor!" valt Kippelaan uit: "Ik was er zeker van; 't was de schrik, de agitatie. Débiel gestel niewaar? Niet vrij van een weinigje aamborstigheid. Goed geobserveerd; jawel! Ik kom er tegenwoordig aan huis. De beide laatste keeren háár echter niet gezien. Débiel gestel. Na die scène zou 't haar te veel schokken.... 't Heet nu verkouden; vooralsnog moet ik haar excuseeren. Versta je, vooralsnog!"

"Aha, dus bestaan er plannen?" zegt Thomas nu tamelijk laconiek, ofschoon hij zich zonderling voelt geslingerd tusschen uitbundig lachen en "afranselen"!

"Chut, _chuuuut_! Plannen, ja ja. Ben ik te rond geweest, te openhartig, zeg? Ja, ik ben te rond. Maar enfin, ik ben die ik ben. Zieje, ik moest zekerheid hebben; ik wilde.... e.... e.... e.--Geen aanleg voor.... tering?"

"Watblief?"

"Een idee: een invallend idee. Ik heb een huwelijk gekend dat werd vernietigd door die fatale ziekte. Enfin, vooruit kunnen weten. Maar--zou je denken? aanleg?"

Van Hake heeft onwillekeurig den stamper uit den grooten vijzel ter hand genomen, en krijgt nu sterke aanvechting om "dat heer de tanden uit den mond te slaan".--Zeer laconiek klinkt echter zijn antwoord:

"Om dát heel zeker te weten, menheer Kippelaan, zou ik neef den professor eens laten komen."

"Maar.... maar m'n beste vriend, hoe zou die....? Ja! wat zijn capaciteiten betreft; maar hoe zou ik neef bij juffrouw Coba kunnen zenden om haar borst te kunnen onderzoeken.--Doch niewaar, als er iets van aan was, dan zoudt u en mijn vriend Helmond het weten. Zie 't was een idee. Ieder mensch heeft zoo zijn aanleg voor eenige kwaal."

"Welzeker," bevestigt Thomas: "zooals men bijvoorbeeld veeldenkende en alles onderzoekende menschen wel eens naar 't krankzinnigenhuis ziet marcheeren."

"Och-kom!" zegt Kippelaan, terwijl hij onwillekeurig naar zijn hoofd tast. En dan op eenigszins kalmer toon, herhaalt hij zijn innigsten dank voor de allerbelangrijkste inlichtingen. Mijnheer Van Hake zou toch moeten toestemmen dat men op _zijn_ leeftijd--om en bij de dertig--eenigszins met verstand moest te werk gaan. Dood in vertrouwen gezegd was er toch bovendien 't een en ander, dat.... enfin--Van Hake zou er wel alles van weten.

Terwijl Van Hake, peinzend op een afdoend middel om dat individu kwijt te raken, half gedachteloos ontkent, verwringt Kippelaan zijn gelaat tot zulk een uitermate geheimzinnig en vertrouwelijk knipoogje, dat Thom toch met een weinig meer belangstelling zijn ontkenning herhaalt.

"Niet!" zegt Kippelaan: "weet je niets van die verstandhouding tusschen den generaal en.... jawel onzen vriend, je uitmuntenden patroon?"

"Verstandhouding?" zegt Thomas opziende.

"Ja ja! alles behalve wenschelijk. Uit een goede bron. Watblief? Weet je van niets? Ik zou 't aan niemand vertellen, maar aan u, die me drievoud verplichtte...." En Kippelaan vertelde nu in 't diepst geheim--Van Hake was reeds de zesde vertrouweling--'tgeen hij volgens zijn verklaring uit een goede bron vernam, maar inderdaad op dien avond, onder den eik en onder het raam van Van Barnevelds kamer heeft afgeluisterd. 't Was buiten twijfel, verzekerde Kippelaan--die slechts de luidst gesproken woorden heeft kunnen opvangen--dat de generaal in 't geheel niet zóó met den neef was ingenomen als men dat meende. Nog op den avond vóór zijn huwelijk, had hij hem in hevige woede, terwijl hij somtijds als razend de tafel door vuistslagen deed dreunen, zijn gebrek aan eerbied en onderdanigheid verweten, terwijl hij hem met geheele onterving had bedreigd indien hij daarin geen verandering bracht.

Van Hake was nog te zeer onder den indruk van die eerste zotte informaties naar Jacoba's gezondheid, dan dat hem deze laatste mededeeling ernstig kon treffen. Al wist hij niet dat dit geheele verhaal op een misverstand steunde, dewijl die toorn van den generaal immers geenszins den geliefden neef maar wel diens broeder Philip had gegolden, zoo hield hij de gansche geschiedenis toch aanstonds voor een "Kippelaans-praatje" en, ofschoon hij ook nu nog met zijn vroegere belhamels-natuur te strijden had, en dien babbelaar zeer gaarne een paar blauwe oogen zou hebben geslagen, zoo riepen hem nu al de etiquetten der groote medicijnflesschen toe: dat hij hier zijn verstand moest bewaren, en 't allerminst in de apotheek van zijn goeden patroon een dwaasheid mocht begaan.

Hoe 't zij, toen Kippelaan ongeveer een kwartier later, maar zonder zijn wit drop, uit Helmonds apotheek in de donkere straat kwam, toen mocht hij wel van geluk spreken, zonder kleerscheuren van achter die toonbank te zijn weggekomen. In 't eind toch was hij Van Hakes verschansing binnengedrongen, en, terwijl hij de hand had vermeesterd, waarin Thom den stamper hield, en er vol innigheid mee op en neder karnde, verzocht hij "rondement" aan zijn besten vriend, om--met het oog op iets zeer "kortafs" van den generaal, hem een enormen dienst te willen bewijzen. Van Hake zou wel begrijpen wat hij bedoelde, en--nietwaar, de beste vriend was juist de persoon om zoo eens te polsen, want, sedert den morgen dat mijnheer Van Hake juffrouw Jacoba van baas Krul naar _De Zonsberg_ bracht, is hij immers een paar malen zeer welwillend door den generaal ontvangen.

Ja, indien Kippelaan had geweten wat daar omging in Van Hakes borst, dan mocht hij wel van geluk spreken--althans betrekkelijk--zoo heelhuids uit die apotheek te zijn weggekomen, want, zelfs de zware vijzelstamper, die hem eensklaps--voorzeker onwillekeurig door den provisor losgelaten--op den voet is gevallen, die stamper had hem slechts weinig geraakt, tenminste 't had niets te beteekenen; o niets! nee--heusch.... tenminste.... Bonsoir!

VEERTIENDE HOOFDSTUK.

Zooals reeds gemeld werd, bevinden Dokter Helmond en zijn vrouw zich dienzelfden avond op _De Zonsberg_. Des morgens aan de koffietafel, heeft er inderdaad--en bijna voor 't eerst--een helder zonnetje in de huiskamer van het jonge echtpaar geschenen. Eva, door het voorgevallene met mevrouw Van Hake, en wel door de overwinning, die zij op zich zelve behaalde in een mildere stemming gebracht, heeft haar echtvriend met een zachten handdruk nog eens de stellige verzekering gegeven, dat ze niet meer zou denken over 'tgeen voorbij was, terwijl zich dan alles voortaan wel schikken zou.--Ja, zij wilde wel gaarne haar best doen om met _alles_ zóó tevreden te zijn als ze het van den beginne afaan met haar _geliefden_ man is geweest; maar, August kon toch niet verlangen dat zij speelde op een piano, die geheel en al dof en ontstemd van de vocht was, en dat zij haar stem bedierf door te zingen in kamers als deze, waar men den zolder op den neus had, terwijl het klonk als katoen....?

--Nee natuurlijk.

--Hij kon toch niet verlangen dat zij veinsde en mooi en goed vond wat haar hinderde....?

--Nee, dat sprak vanzelf.

Nu ja, voor 't oogenblik was Eva dan ook heel tevreden. En, weinige oogenblikken later, toen die heerlijke verrassing haar was geworden, toen een waarlijk kostbare ovale spiegel in huis gebracht en in de salonkamer was opgehangen, toen stond het vrouwtje weldra met haar August in de teederste omhelzing ervoor, en vertrouwden die beiden volkomen het fraaie Fransche glas 'twelk hun toeblonk en zei: dat ze niet slechts waren een knap, maar ook een hoogstgelukkig paar.

--Maar dat geluk, neen, het kon immers niet zoo innig, niet zoo blijvend wezen, indien daar in de naaste omgeving iets was, 't welk Eva telkens opnieuw moest hinderen wanneer zij eraan dacht.

En Helmond heeft ook nu weer zijn vrouw gelijk moeten geven. Ja, 't was een onaangename verhouding tusschen hen en _De Zonsberg_. De korte vrij stijve visite, die oom met tante Hermine aan de jongelieden heeft gebracht, kon niets goedmaken en heeft volstrekt geen licht gegeven waarom men Eva van _De Zonsberg_ zocht verwijderd te houden, terwijl Jacoba zich toch altijd, wanneer het te druk werd, op hare kamer terugtrekken kon.

_'t Een of 't ander is waar_, heeft Eva beweerd, óf oom Van Barneveld en tante Hermine hebben een overdreven zorg voor Coba--misschien een zorg die eer nadeelig dan goed voor haar is, óf--en Eva heeft hier sterk op gedrukt--of oom Van Barneveld toonde maar al te zeer, dat hij was 'tgeen zij reeds vroeger gevreesd heeft: haar tegenstander, haar vijand, hoewel ter wille van den geliefden neef, een vijand met het zwaard in de scheede.

--Neen, dit laatste was onwaar, heeft August gezegd. Het verzoek van oom is--hij moet het bekennen--zeer _vreemd_ geweest; maar indien Eva oom Van Barneveld kende zooals hij, dan zou ze begrijpen hoe hij tot zoo iets gekomen is. Oom mag soms zijn opinies hebben en iets zonderlings, maar Eva's vijand--August weet het beter, zijn woord is er haar borg voor--haar _vijand_ is hij niet.

Indien dit dan waar was--en Eva wilde haar lieven man gelooven--dan zou men nog dezen namiddag naar _De Zonsberg_ gaan om zekerheid te bekomen. In geen geval handelde men tegen ooms verlangen indien men er heden heenging, want, juist vandaag is het een week geleden dat oom zoo beleefd was te verzoeken: of Eva haar bezoek nog een acht dagen wilde uitstellen.

En, August heeft toegestemd.

't Was ruim zeven uren toen dokter Helmond en zijn vrouw het groote ijzeren hek van _De Zonsberg_ binnenstapten en het breede gazon omgaande, de hooge stoep van het deftige landhuis, ofschoon langzaam, naderden. Nog nooit had Helmond een zoo beklemd gevoel als in deze oogenblikken. Hij, de anders zoo kloeke, handelende man, hij gevoelde zich temoede als een schoolknaap, die den meester onder de oogen zal treden van wien hij een welverdiende berisping verwacht. Neen, 't was nog een ander gevoel.... Hij kon er geen naam aan geven. 't Was hem schier alsof dat welbekende huis, 'twelk hij aan de zij van een teerbemind vrouwtje zal binnengaan, een vreemd en vijandig terrein voor hem geworden was; een vesting die hij bij verrassing verschalken moet. En, de kracht van den bevelhebber dier vesting is hem bekend.

Of het geknoerp en gekraak van hun schreden in het zware kiezelzand Helmond een geregeld denken belet, althans in dezen stond heeft hij geen helder bewustzijn van zijn verhouding tegenover den.... geliefden pleegvader, en een oogenblik zelfs beschuldigt hij zich van zwakheid en al te groote onderdanigheid, omdat hij zijn vrouwtje gaat wagen aan een mogelijke koelheid van den man die--Eva heeft waarlijk gelijk--haar niet volkomen genegen is; die van den beginne afaan een trotsche houding tegenover de familie Armelo had aangenomen, en de kleine zoo verschoonbare ijdelheden van een prachtig en talentvol meisje steeds in het ongunstigst daglicht heeft geplaatst. Ware het niet beter geweest indien hij die kinderlijke onderdanigheid en terughouding, terstond na de tehuiskomst van Parijs, had laten varen, en met gepaste vrijmoedigheid zoowel ten opzichte van Jacoba als van Eva, zijn meening blootgelegd en opheldering gevraagd had? Ook tegenover den oom had hij behooren te zijn 'tgeen hij elders is: kordaat en onafhankelijk. Het gold Jacoba's gezondheid in de eerste, het gold zijn huiselijk geluk in de tweede plaats.