Chapter 14
"Hij is niet meer! De man die op het gebied der heerlijke toonkunst zulk een leven in onzen doodsslaap wekte; die gedurende een zevental jaren ons en onze kinderen voorging waar het de verhevenste der kunsten gold; hij is van ons heengegaan: een wolk nam hem weg voor onze oogen.--Dat hij leeft of leven zal in een betere wereld, ter eindelooze volmaking, het is onze hoop, ons blij vertrouwen. Maar, als ik de tranen zie, jongelingen en maagden, de tranen die u vloeien langs de wangen, terwijl wij ouderen ze zelfs met moeite bedwingen of niet bedwingen kunnen, dan zeg ik met u: 't is ons niet genoeg te hopen, noch zelfs zeker te weten dat een dierbare broeder of zuster leeft in hoogeren werkkring; immers wij missen, wij betreuren hem, wij dragen rouw over hem. Maar wél dan, indien we bij een blijmoedig: Daar zal licht zijn aan gene zij van het graf! ook kunnen roemen van hem of van haar die stierf: Onze broeder of zuster leeft _nog op aarde_!
"En onze vriend, onze leidsman in het rijk der tonen, hij leeft en zal met ons leven, ofschoon wij hem missen zullen, heden en telkens weer. Hij leeft, ook voor ons! Wat hij goeds stichtte dat blijft, dat zal voortleven in ons en in de kinderen die hem liefhadden.--Ziet onze banier: _Koning David_!--Neen, de groote koning is _niet_ gestorven ofschoon er eeuwen over zijn graf zijn gegaan. Is het omdat hij tot koning werd gezalfd, of, omdat uit zijn geslacht de Eenige onder de menschen is voortgekomen? Neen, hij leeft bovenal, omdat hij dichter was, omdat hij liederen zong vol gloed en bezieling; hij leeft als de harpenaar, en zijn vorstelijk paleis is nu de gansche wereld.
"In bescheidener huis dan een David zal onze ontslapen vriend woning behouden op aarde: In _onze_ harten, in _onze_ dankbare _herinnering_ zal hij gehuisvest zijn.
"Mijn vrienden! Werke hij dan in reiner oorden, naar des Almachtigen welbehagen, ook _hier_ zal zijn geest wonen, ook hier zal hij met ons leven. Amen! Amen!!"
En na deze woorden, op diepgeroerden toon gesproken, valt het koor in, en zingen Donerie's vrienden:
VROUWEN.
Nog was zijn lente niet gevloden, Toen hem des maaiers sikkel trof.
MANNEN EN VROUWEN.
Nu bergen wij zijn dierbaar stof Vol weemoed in den stillen hof, Te midden onzer lieve dooden.
MANNEN.
Zijn kunstnaars-ziel vol reine klanken Ontvonkte in ons den zin voor 't schoon.
SOLO sopraan.
Welluidender werd steeds de toon In onzen kring.
TRIO sopraan, tenor, bas.
Helaas! tot loon Ontvangt hij nu, in 't somber graf Waaraan de dood hem overgaf, Ons diep weemoedig danken.
SOLO tenor.
Luister: "Treurt niet over mij," Zoo ruischt zijn stem in 't suizend koeltje ons toe: "De toonkunst, 't rijk der melodij "Was reeds van eeuwigheid. Ze is de adem Gods!
SOLO sopraan.
Ja, blij te moe "Zal zelfs het vogeltje in 't woud bij 't uchtendpralen, "U dat zoet schallende verhalen.
SOLO tenor.
"Waartoe dan rouwe nu! Wie heeft er mij te danken! "In 't Heiligdom der klanken "Zijn _vele_ Priesters. Op dan! Op! Weent bij hun assche niet; "Onsterflijk is de harp, onsterflijk is het lied!"
MANNEN EN VROUWEN.
Een priester vol reinheid, hém geldt onze rouw: Een priester rechtschapen, in 't minste getrouw. Den kunstnaar zoo needrig en klein bij zijn kracht, Dien _priester_, dien _mensch_ geldt ons weenend: slaap zacht!
VROUWEN.
Slaap zacht, Op den krans dien we u vlochten! Slaapt zacht Tot den morgen die u wacht!
MANNEN EN VROUWEN.
Goeden nacht! Goeden nacht!
In welluidenden toon klonk nog drie malen, telkens stiller, dat aandoenlijk: Goeden nacht! en de laatste droeve klank stierf langzaam weg op den doodenakker, terwijl het stoffelijk overschot van _Herman Donerie_ in de groeve werd neergelaten.
TWAALFDE HOOFDSTUK.
't Is de derde dag na dien, waarop de beschreven plechtigheid had plaats gehad, en de achtste na de overhaaste terugkomst der jonge echtgenooten.
In de kleine achterkamer van het doktershuis aan de straatzijde, onmiddellijk grenzend aan de apotheek, zit Eva in een keurig morgentoilet, bij de overblijfsels van het ontbijt, dat ze reeds meer dan een uur geleden met haar August gebruikte.
Zooals ze daar zit, gracieus en toch ongekunsteld achteroverliggend in haar stoel, de donkere lokken van onder het guitige morgenmutsje dartel wégvluchtend naar de ronde schouders; met een nieuwsblad van ongewonen vorm in de blanke handen, vertoont er zich op Eva's schoon gelaat zulk een glans van innige verrukking, dat August, indien hij haar zóó had mogen bespieden, geen oogenblik getoefd, maar haar aanstonds met kussen van blijdschap zou hebben overladen.
Wát--wát ter wereld wilde hij ook liever dan zijn aangebeden vrouwtje, zijn eenige Eva, gelukkig zien; gelukkig, zooals hij het is met haar.
Maar August ziet haar nu niet met dien trek van welbehagen op het gelaat. Straks toen hij heenging, stonden die mooie oogen strak, zeer strak. Ja, zij heeft hem wel een zoen gegeven, maar 't is geen zoen geweest die.... haar geliefden man iets zeggen moest; niets--of het moest iets geweest zijn dat maar beter gezwegen was.
Eva heeft teleurstellingen gehad; 't is waar. Inplaats van een groote veertien dagen in Parijs te zijn, is zij er slechts een paar dagen geweest. Instede van zoo ontzaglijk veel te zien waarop ze zich verheugde, is ze, uit deernis met haar vroegeren leermeester, teruggekeerd, maar, zonder de voldoening te smaken dat haar opoffering van eenig nut is geweest. Immers, toen August den kranken Donerie zoo spoedig mogelijk na zijn thuiskomst heeft bezocht, toen moest hij hem helaas, reeds stervende vinden.
Ja, Helmond gevoelde wel dat Eva in deze dagen niet zijn kon zooals hij het zich, met een vroolijk oog in de toekomst, had voorgesteld.--Moe van het reizen, zoo heeft hij gedacht, verzadigd van het zien en bewonderen, zal zij, bij 't allereerst bezitten van een _eigen_ huis--al mag die woning haar dan ook niet in alle opzichten voldoen--er toch spoedig een zekerder genot vinden dan die wereldstad haar schenken kon. O, in zijn verbeelding zag hij Eva al schikken en verplaatsen en beredderen, en de teugels opnemen van het huishoudelijk bestier, met al den ijver, waarmee een jonge vrouw gewoonlijk de teugels van haar bewind aanvaardt.
--Maar nu, onvoldaan en geenszins van het zien verzadigd, is Eva teruggekeerd. In haar nieuwe woning, waar men op die onverwachte komst niet was voorbereid, ontbraken bijna al de kleine geriefelijkheden, waaraan zeker op den eerstbepaalden dag van terugkomst, door de goede zorg van mevrouw Van Hake, niets zou ontbroken hebben. Om slechts iets te noemen: niet vroeger dan morgen konden de ledikant- en meubelgordijnen bezorgd en opgehangen worden, zoodat men zich nu reeds acht dagen zonder die gordijnen heeft moeten behelpen. De dood van Donerie, die toch een goed vriend van Eva is geweest, en van wien ze altijd met zooveel achting als haar leermeester sprak--heeft ook niet meegewerkt om haar over de teleurstelling heen te zetten en vroolijk te stemmen. Zeer veel verdriet heeft ze bovendien van de "hulde" gehad, welke men hem aan zijn graf heeft gebracht. Ja, 't moest haar wel zenuwachtig maken, zooals men haar gedwongen heeft mee te zingen. Helmond is krachtig tusschenbeiden gekomen. 't Was niet kiesch dat men een jonggehuwde vrouw kwam geweld doen om zich aan een graf te doen hooren. En dan--zij had gelijk--men moest ook begrijpen dat Eva Helmond, niet meer Eva Armelo was. In één woord, die geschiedenis heeft het goede kind zeker nog veel meer aangedaan dan ze blijken liet, terwijl ze zich toch de moeite heeft getroost om op dringend verzoek van 't gezelschap "Koning David", een compositie van Donerie, welke op den laatsten oudejaarsavond in de kerk is gezongen en nu met kleine wijzigingen, bij andere woorden in denzelfden rythmus, zou gebruikt worden, te helpen in orde brengen, zoodat de kleine Cantate door die hulp dan ook zeer goed voldaan heeft.
Eva had zich daaraan niet willen en kunnen onttrekken, maar, dit alles moet haar stemming verklaren, een stemming die door het zonderlinge verzoek van oom Van Barneveld, om vooreerst haar visite op _De Zonsberg_ nog wat uit te stellen, er zeker niet op verbeterd was.
--'t Is natuurlijk, denkt Helmond onder 't wandelen voort: het kind heeft reden om niet zoo vroolijk en opgeruimd te wezen als ik het wenschen zou; ik zie het nu duidelijk in.--De een zet zich gemakkelijker over 't leed en de teleurstellingen der wereld heen dan de ander.--Immers, ook hij zelf heeft zijn teleurstellingen gehad. Reeds in het eerste uur na hun aankomst, kreeg hij aan Donerie's sterfbed de zekerheid dat zijn kunst op den armen lijder niets meer vermocht; en--nog in datzelfde uur bevond hij zich in de woning van zijn oom, waar hem een nieuwe teleurstelling wachtte.
Zonder den schijnbaar kalmen pleegvader te doen bemerken dat diens onrust over Jacoba de oorzaak van hun overhaaste terugkomst is geweest; voorgevend dat Donerie's hoogstgevaarlijke toestand hem er toe besluiten deed, heeft August getracht den geliefden oom al aanstonds zooveel mogelijk gerust te stellen, door, bij het terugzien en ondervragen van Jacoba, een zoo luchtigen toon aan te slaan als de omstandigheden het gedoogden.
En gelukkig, met de meeste gerustheid heeft Helmond zijn vroeger gegeven woord kunnen herhalen: dat Jacoba's toestand, volgens zijn vaste overtuiging, voor 't oogenblik geen de minste reden tot bezorgdheid gaf. Haar zenuwgestel was wel uiterst zwak, zoodat schrikken als in de woning van Krul haar allernadeeligst waren, maar indien men zijn voorschriften nu eens getrouw wilde volgen, dan twijfelde hij niet of zijn lieve zusje zou nog dezen zomer weer veel flinker en krachtiger zijn.
En Van Barneveld heeft na die verklaring, zoodra hij zich met den neef alleen bevond, met zekere ongewone koelheid gezegd, dat de verhaaste terugkomst ter wille van den reeds stervenden muziekmeester, hem mede genoegen deed, omdat _zuster Hermine_ zich over Coba wat bezorgd had gemaakt, en met de herhaling van zulke vapeurtjes inderdaad wel eens weten wilde of men er notitie van diende te nemen ja of neen. Doch.... Helmond moest die ongesteldheid heel en passant behandelen. Ware die laatste schrik er niet bijgekomen, dan zou Coba nu zeker reeds geheel beter zijn, want tante Hermine kon getuigen, hoe ze op den morgen, toen ze zoo ongelukkig bij den timmerman verzeild geraakte, bijzonder wel en zelfs zeer opgewekt was geweest.--Welzeker, Helmonds voorschriften, en vooral van de koudwaterbaden, zouden zoo nauwkeurig mogelijk worden opgevolgd, maar hij zelf moest nu vooreerst wat op den achtergrond blijven. Hoe minder Coba aan haar ongesteldheid werd herinnerd, en ook aan de personen die ze in den laatsten tijd had ontmoet, zooveel te beter scheen ze zich te gevoelen. Bezoeken waren haar alles behalve dienstig, en dáárom ook zou Eva--ofschoon men haar natuurlijk gaarne ontving--beter doen om haar bezoek op _De Zonsberg_ nog een acht dagen uit te stellen.
Zoo heeft oom bij het eerste bezoek gesproken. En August.... wat heeft hij kunnen antwoorden! Ofschoon hij in Coba's toestand inderdaad geen reden tot oogenblikkelijke bezorgdheid vond, zoo geloofde hij toch dat men den vijand met kracht moest bestrijden. Hij heeft zich voorgesteld dagelijks zijn geliefde pleegzuster te zullen bezoeken en met de meeste opmerkzaamheid gade te slaan, teneinde den oorsprong van haar kwaal te ontdekken, en alzoo te spoediger tot haar herstelling te geraken. Dat een geheim verdriet haar kwelde had August reeds vermoed, en krachtig werd hij in die meening versterkt nu hij Coba heeft weergezien. En wat moest hij dan antwoorden? Zou hij ooms onrust niet onnoodig prikkelen indien hij na zijn verklaring--die ter geruststelling, helaas, wat al te rooskleurig geweest is--tóch op een geregelde behandeling bleef aandringen? Hij kent den oom, en wil tot geen prijs--ook in Coba's belang--zijn vertrouwen verliezen. Maar zie, dewijl hij den vader niet noodeloos heeft willen bezorgd maken, wordt nu zijn persoonlijke hulp, zijn geregeld praktizeeren over het goede pleegzusje, als geheel onnoodig versmaad. Was hij dan niet alleen uit belangstellende liefde voor Coba zoo haastig teruggekeerd! En instede van blijdschap daarover, heeft hij een zonderlinge koelheid bespeurd, terwijl ooms bepaald verzoek: dat Eva vooreerst niet op _De Zonsberg_ zou komen, de maat heeft volgemeten. Ja, met reden mocht ook August over teleurstelling klagen. Die overhaaste terugreis, wat heeft zij goeds gesticht....? Niets! Een enkel recept, een enkelen raad heeft hij aan Coba mogen geven, dat was alles! En Donerie is gestorven; en Eva was ontevreden, en.... Maar komaan, heeft Helmond in 't einde gezegd, men moet zijn verstand gebruiken: ooms aangeboren weerzin tegen den "medicijnwinkel" en een "praktizeerend dokter over den vloer", hebben hem zóó doen besluiten. Den dokter moet hij weren zoolang het hem mogelijk is. Doch, ofschoon voor het oogenblik gerustgesteld, oom zal het koudwatermiddel--'t welk blijkbaar zijn goedkeuring heeft weggedragen--zeker geregeld doen aanwenden; August kan nu de werking daarvan afwachten, en, mocht Coba's toestand onverhoopt den armen oom in nieuwe spanning brengen en hem toch weder tot den dokter zijn toevlucht doen nemen, dan--dán zal die dokter wat geslotener en ook wat voorzichtiger zijn. En nu, Helmond zal zich over die wereldsche teleurstellingen heenzetten. 't Is jammer dat Eva daar niet even gemakkelijk toe besluiten zal. Maar geduld, met den tijd zal dat beter worden. Eva is nog zoo jong; pas even twintig jaren!--Zeker, het zou de grootste dwaasheid zijn geweest, indien hij had toegestemd om nu, nú aanstonds reeds, die reis te hervatten: maar Eva zal het zelve spoedig inzien, en als ze dan van dat denkbeeld is teruggekomen, dan zal ze weer lief en vroolijk zijn. Ja! en als dan de mooie ovale spiegel komt waar ze zoo'n zin in had, dan zal ze wel blij verrast en tevreden lachen. Alle leed is dan vergeten, en we maken weer plannen voor de toekomst, en reizen al vast eens achter den haard, om later, later misschien.... Och, 't is zoo'n goed en lief en prachtig vrouwtje. Indien zij dat andere, die zekere zucht naar grootheid maar wat onderdrukken kon, dan....................
--Ho ho, dokter Helmond, dat is immers "het kenmerk van den adeldom der ziel".--Nu ja, zoo is het, en hij zal ook met zijn lachende Eva gelukkig wezen. Zeker, van morgen--van overmorgen afaan, geheel en al, en juist "door wijsheid te mengen in zijn vurige liefde".
Zoo dacht August bij tusschenpoozen terwijl hij zijn patiënten bezocht, en telkens bij die bezoeken, waar het pas gaf, roemde in zijn geluk, en roemde over de lieve vrouw, die "ook zoo gelukkig en zoo hoogsttevreden in haar nieuwe woning was".
En inderdaad, indien August zijn vrouw in de straks beschreven houding had kunnen gadeslaan, dan zou hij immers geheel overtuigd zijn geworden--of althans een oogenblik geloofd hebben, dat hij waarheid sprak.
't Werd reeds gezegd dat het nieuwsblad, waarin Eva leest, een bijzonderen vorm heeft, 't Is _Le Grand Hotel, Gazette des Etrangers_. Heden, juist negen dagen geleden, heeft August dat blad op den Boulevard des Italiens gekocht. Men had wel reeds vernomen dat er dien avond in de groote opera Gounods Faust zou gegeven worden, doch de Gazette heeft het bevestigd, en Helmond had er aanstonds werk van gemaakt om zijn "lieve nachtegaal" het genot van dien avond te verzekeren.
Welk een heerlijke avond is dat geweest! Met haar eigen zangkennis en talent, was er zeker niemand in de zaal, die meer dan Eva genoot; en ofschoon zij zeker het allermeest door de voortreffelijke uitvoering van Gounods meesterstuk was opgetogen, zoo hebben de gouden schalen, waarop men haar de vrucht had aangeboden, en het altijd wederkeerende bewustzijn zich in den Parijschen lusthof te bevinden, er toch krachtig toe meegewerkt, om haar dien avond te doen zijn als een, doorgebracht in een tooverwereld, in een hemel, in iets.... onuitsprekelijks!
--August was gul--ja men kon er niet over klagen--maar, in kleinigheden was hij soms.... enfin, misschien had hij gelijk! Hoe 't zij, toen men: "Le Programme, Le Programme détaillé!" en "l'Entr'acte!'" riep, en zij, in de Stalles d'orchestre gezeten, hem verzocht heeft een dier bladen te koopen, toen haalde hij de 's morgens gekochte Gazette te voorschijn, en beweerde dat dit blad evengoed was, en zeker nog meer nieuws dan de tooneelbladen bevatte.
En Eva heeft dan op _dien avond_ _in datzelfde_ blad gelezen, of er althans, zoo nu en dan, gedurende de pauzen eens in gesnuffeld. Zie maar, op de plaats waar met stellige zekerheid het gerucht werd bevestigd, dat "Mlle. Patti ferait sa rentrée mardi prochain dans La Somnambule," daar is nog de kleine scheur te zien, die ze in het papier maakte toen ze August dat goede nieuws wilde wijzen en met haar pink wat sterk erop drukte. Die kleine scheur heeft ze toen gemaakt, toen op den avond, die haar nóg als een zalige droom voor den geest staat. En onwillekeurig bevond Eva zich nogmaals, terwijl ze weder dezelfde reclames en bulletins en programmas doorliep, in den toovercirkel van grootheid en glans, welke haar zoo geweldig had aangetrokken. Het Grand Hotel, 't welk ze op het blad zag afgebeeld, werd haar als iets dat naar een hemel zweefde: een ruimte met onafzienbare zalen, waar alles van wit was met goud!" Ja, bij 't gedurig al lezend ontmoeten der namen van boulevards en straten, die ze aan Helmonds zij, in een rijtuig was langs- en doorgevlogen, of ook die ze betreden had met het oog op een wereld vol rijkdom en pracht, telkens klonken die namen haar nu als de welluidendste tonen in de ooren.
En daarom, 't was niet vreemd dat er op Eva's schoon gelaat een glans van innige verrukking stond te lezen, terwijl ze zich met dat blad in handen nogmaals baden mocht in de schitterendste herinneringen.
Doch die glans van genot bij 't lezen van de oude Gazette, zal sneller vergaan dan hij gekomen is. Door het geraas van een hondenkar gewekt, ziet Eva op, en terwijl de Gazette des Etrangers nu eensklaps ritselend neerglijdt langs haar schoot, is het een schampere lach die haar schoonen mond komt ontsieren.
--Hondenkar! zegt ze bijna overluid: 't Is allerliefst, welzeker; _hier_ schrikt men op van een hondenkar! Zouden er ooit dommer creaturen zijn geweest dan zij, die op den inval kwamen om steden als Romphuizen te bouwen, met huizen en kamers als deze! Zie, uit dit doodsch vertrek,--hemel ja, precies een doodkist: langwerpig, smal, donker, vochtig, bah! uit deze kamer, met een eeuwigdurende ziekenlucht van die nare apotheek, hier heb je 't uitzicht op een touwwinkeltje en een blinden muur aan den overkant, met de passage van zes kippen en wat zieke lui die om een drank komen.--Nee, in deze dompige la is 't op den duur niet uit te houden. Vóór--hoe ellendig men er ook in een kuil zit--vóór zie je tenminste nog een bloem en een enkel fatsoenlijk mensch in de hoogte voorbijgaan; maar hier is 't om te verkniezen!
--Pruttelen! zegt August: pruttelen! Nu ja, maar als ik bedenk dat ik hier reeds acht dagen gevangen zit,--ja zeker _gevangen_, want al ware dit huis zoo somber en akelig niet, dan zou het nu toch een gevangenis voor me wezen, terwijl ik op ditzelfde oogenblik nog in Parijs moest zijn, zooals mij _vast_ was beloofd.... 't Is waar, dat droeve bericht van Herman kwam er tusschen. Zeker, als ik den armen jongen met mijn thuiskomst en hier-zijn 't leven had kunnen redden, ja, dán.... Ik heb het getoond.--'t Heeft me erg getroffen; telkens ben ik er nog zenuwachtig van, want gedurig staat hij zoo voor me, zoo.... Maar nee, nee! ik had hem nooit iets te kennen gegeven, nooit!--Als August vermoeden kon hoe me die gedachte soms een oogenblik kan beklemmen, dan.... Maar juist daarom ook zou het ter afleiding veel beter zijn, om nu--nu alles toch is afgeloopen--nog eens van huis te gaan. Ja, al was 't maar naar Brussel, 't Is hier zoo aller-aller-akeligst en doodsch, he in vergelijking van daar, in dat brillante Parijs.--Als ik er nu was in dat Grand Hotel--en ik moest er wezen--nú zou ik bijvoorbeeld, liggend in zoo'n heerlijke cauzeuse, den garçon dien naren ontbijt-trommel dáár laten wegnemen.--Zelfs thuis stak ik geen hand naar die dingen uit. Ma of Louise deden het gaarne.--Hoe! is 't al elf uur! En om twaalf komt August voor de koffie terug.
Haastig opstaande schelt Eva.--Eenige oogenblikken later treedt een boersch dienstmeisje van vijftien a zestien jaren de kamer in.
"Gerritje, je moest dat ontbijt eens aan kant maken."
"Van kant moaken juffer?
"Afwasschen bedoel ik."
"De kummekes wisschen juffer?"
"Ja, alles; en dan voor de koffie weer klaarzetten."
"Da' kan'k niet juffer."
"Kun je dát niet? Goeje hemel!--Roep mevrouw Van Hake."
"Mevrouw Van Oake roepen? Best juffer."
"Hier! Hoor eens Gerritje."
"Juffer?"
"Weet je wel tegen wie je spreekt?"
"Joawel, tegen _oe_ juffer."'
"Dan zou ik in 't vervolg behoorlijk _mevrouw_ zeggen hoorje; de mevrouw hier in huis is de vrouw van dokter Helmond.--Versta je me?"
"Joawel, doof bin ik niet juffer, iens geheel niet.--Alsdat ik mevrouw Van Oake zou roepen, niewoar juffer?"
"En, en.... en.... dat je tegen mij niet meer juffer zult zeggen, maar _mevrouw_!"
"Bestig ma-juf-vrouw."
"Goeje morgen lieve Eva, heb je me geroepen? Is er 't een of ander waarmee ik je helpen kan?" vraagt mevrouw Van Hake, die vriendelijk groetend binnentreedt.
"Morgen mevrouw. Och ja, wilt u alsjeblieft hier eens omwasschen? 't Is laat geworden; ik wou me kleeden voor de koffie. Helmond komt om twaalf uur weer thuis."
"Omwasschen?" herhaalt mevrouw Van Hake, en moet zich geweld doen om een zekere ontroering te verbergen.
"Ja," zegt Eva: "dat kleine boerenperceel kan noch het een noch het ander. Dát is toch geen meid voor mij zou ik denken."
"Misschien niet heelemaal Eva; maar met geduld...."
"Ja maar, neem me niet kwalijk, om nu idioten op te voeden dat laat ik aan de liefhebbers over. Misschien is het extra dom van me, maar tusschen een boer of boerin en idioten zie ik geen onderscheid."
"Wou je graag dat ik dit van morgen eens voor je omwaschte, Eva?"
"Och ja; wil je?"
"... Eva... ik ben... ik had gehoopt..."
"Och mijn beste mevrouw, ik weet niet wat je bedoelt, maar als er iemand is die op dingen heeft gehoopt die niet gebeurd zijn, dan, geloof me, ben _ik_ het.--Hebt u een reis gemaakt na uw trouwen?"
"Ja Eva, _Van Hake_ was _óók dokter_."
"Dat weet ik. Hoe lang bent u uit geweest?"
"We waren veertien dagen uit en thuis. Och ja, eerst gingen we...."
"Veertien dagen! Zieje!--Zoudt u, als je man gezegd had "we moeten om zaken met den vierden dag naar huis," niet de scha hebben willen inhalen zoodra die zaak was afgedaan?"
"Ik weet waar je op doelt Eva. Maar luister eens: als je brave verstandige Helmond het nu minder goedkeurt om in de gegeven omstandigheden aanstonds weer op reis te gaan, zou het dan van zijn vrouwtje niet verstandiger wezen om...."
"Mevrouw Van Hake," zegt Eva zich verheffend: "van uw lessen, hoe goed ook gemeend, zou ik nu liefst verschoond blijven. Ik ben de jonge juffrouw _Eva_ van vroeger niet meer. Sedert was ik lang in Den Haag, en nú ben ik _Mevrouw Helmond_. Men dient hier in huis toch te weten wie het hoofd is,--zoo dunkt me!"