Dokter Helmond en zijn vrouw

Chapter 13

Chapter 133,905 wordsPublic domain

"Ah zoo Coba, is er nu een ander couvert om?"

"Ja zonder lak.--Ik had het heele couvert kunnen weglaten omdat u hem insluit; maar, nu het er weer om is, nu kan het zoo blijven niewaar?"

"'t Couvert verzwaart een heelen boel; als het je 'tzelfde is dan liet ik het er toch liever af; mij dunkt...."

"Nee nee!" zegt Coba haastig, en als Van Barneveld--alsof hij die zekere vrees niet verklaren kan--haar vragend aanziet, dan herneemt ze heel luchtig, met een glimlach:

"Als men bestellingen in Parijs doet dan kan men redenen hebben waarom zelfs.... un très-cher général"--zij strijkt hem zachtjes met het magere vingertje langs den neus--"heel discreet moet wezen. Kom pa'tje-lief, nu wat spoedig, want u hebt zelf gezegd: beter drie kwartier te vroeg bezorgd dan één seconde te laat. Bovendien ik ben niet van plan om mij te overloopen, maar denk het doodbedaard te doen."

Terwijl Van Barneveld Coba's brief in den zijne sluit, en, nog eens naar haar opziende, weder dat lachje om haar lippen bemerkt; nu hij plotseling een geheim in dien brief vermoedt, 't welk op een verrassing voor hem zal uitloopen, nu kan hij toch niet anders dan in stilte erkennen, dat er sedert gisteren--wie weet, na dat getrouwer innemen en dat heerlijke slapen--iets in die bleeke kleur is gekomen wat men _leven_ mag noemen.

Ja, die vroolijke trek om hare lippen doet eensklaps het vreeselijke denkbeeld verdwijnen 't welk hem in de laatste uren zoozeer beangst, en, zijn zorg voor de gezondheid der dierbare is schier geheel naar den achtergrond gedrongen. 't Was hem plotseling alsof er in 't geheel geen reden tot vreeze meer bestond, en terwijl nu de _hoop_ zijn liefde voor dat kind te sterker doet opvlammen, legt hij, straks opgestaan, zijn beide handen op Coba's teedere schouders, en zegt met de innigste verrukking, ofschoon uiterlijk kalm:

"Ik geloof waarlijk dat je een _heelen boel_ beter bent Coba. Nu dat dacht ik ook wel.--Ja komaan, waarom zou je niet wandelen als je er lust in hebt; een kwartiertje heen en een kwartiertje terug.--Ei, wat zou je ervan zeggen als papa eens meeging, hé?--Maar kindlief, hoe beef je zoo?"

"Uw handen drukken wat zwaar pa."

"O popje, popje! Hij zoent haar op de wang: "Kom kruidje-roer-me-niet, dan gauw maar den hoed opgezet. Hier heb ik den mijne. Tante zullen we natuurlijk vragen om van de partij te wezen."

"Hoor eens pa-lief. 't Zou mij waarlijk geneeren als u en tante meegingt. Ik heb allerlei met Elsje te bepraten. Laten we van middag te zamen naar den boschwachter rijden, en dáár wandelen; maar nu, naar de stad om mijn commissies te doen, waarlijk, nú ga ik liever _alleen_!"

TIENDE HOOFDSTUK.

't Sloeg op den Romphuizer toren juist halféén toen Jacoba Van Barneveld den brief aan 't adres van "Monsieur le docteur A Helmond, Hotel du Helder, rue du Helder, Paris," zorgvuldig in de brievenbus liet glijden. Om van het postkantoor naar de woning van Elsje de naaister te komen, moest zij de eerste straat rechts nemen. Maar Jacoba kiest haar weg ter linkerzij. De groote kerk langs gaande, vermindert zij een oogenblik haar tred, terwijl ze het oog slaat op een der hooge kruisramen, en straks op het kleine poortje dat--zooals dikwijls voor bijzondere catechisaties in de consistoriekamer--ook nu openstaat. Toch vervolgt ze haar weg. Aan 't eind der Korte Kerkstraat gekomen, loopt ze den timmerwinkel van baas Krul voorbij. Zes huizen verder staat ze stil. Wie haar gadesloeg zou op haar gelaat een uitdrukking bespeurd hebben alsof zij zich iets herinnerde 't geen ze bijna vergeten had.--Een oogenblik later staat ze in de werkplaats van Baas Krul, en verzoekt hem op _De Zonsberg_ te komen teneinde er iets aan een van haar meubels te veranderen:

"Dat kun je immers wel, baas?"

"Kunnen, ja juffrouw, wat dat betreft, zoo goed als de beste; maar omdat ik nooit voor menheer den ginderaal heb gewerkt, zoo ben ik een beetje schrompiljeus om Kraals het brood uit den mond te stooten."

"O werk jij nooit voor pa; ik dacht het. Nee, dan.... dan.... Ik wist dat niet. Maar in alle geval kun je voor mij wel iets maken, bijvoorbeeld, een kistje niewaar? Zieje, voor mij. Jawel, zoo'n vierkant kistje."

"Meent uwe zoo'n soort van naaidoosje zal ik maar zeggen?"

"Precies, zooals je d'r wel meer hebt gemaakt."

"Wel meer? wel meer? O ja, uwe meent misschien iets zooals voor Mietje Ten Hoed?"

"Ja baas, zoo iets bedoel ik juist, maar dan heel netjes."

"Nou, dat mot de juffrouw maar aan me overlaten. Als de juffrouw de astrantigheid wil hebben is eventjes mee achter te komen, dan kan ze eigens is zien wat baas Krul met den fijnen beitel al knutselen kan. Kom maar mee asjeblief.--Ga binnen juffrouw.--Dat is de freule van _De Zonsberg_, moeder; die wou ik eens eventjes m'n kleine poppe-lindekastje laten zien.--Wacht, zet jij die wieg is opzij.... Nou watbliefje? Al dat kleine snijwerk dat gaat uit de hand, niewaar moeder? Ja juffrouw, wat de stakker die boven leit me d'r over vercomplimenteerd hêt dat zal ik niet navertellen; maar die was d'r gek na, en weet je wat ik en de vrouw al gezeid hebben: als ie weer beter wordt dan...."

"Wien meen je?" vraagt Jacoba.

"Wien ik meen? Weet de juffrouw dan niet dat de muziekmeester Donerie hier bij _mijn_ woont? Och hemel, welzeker! ik dacht dat je dat wist omdat de knecht nog strakjes...."

"O ja, nu je 't zegt, ja, nu weet ik ook wel dat de muziekmeester hier boven woont; bij een timmerman--jawel!"

"Al zeven jaren answiet m'n lieve mensch! Maar wat ik zeggen wou: als ie door Gods goedheid weer beter mocht worden, dan ware ik en de vrouw overeenkomstig geworden om menheer Donerie dat kastje voor zooveel als een muziekkastje op z'n kamer te zetten. Och 't is zoo'n gemoedsvol man."

"Ja zeker dat is ie," zucht de vrouw: "en nou leit ie daar als 'en geraamte.--Zoek ie 't een of ander juffrouw....? Och ja, ik begrijp wel, 't zal je zeker aandoen, want de juffrouw is immers ook van menheers eeleeves, en de heele grootheid van Romphuizen laat naar 'm vragen."

"Dat doet de ginderaal net zoowel vrouw."

"Ik strij 'et niet tegen Krul, daarvan niet; maar ik zeg alleen dat ie veul vriendschap uit de stad ondervindt; al die vruchten en zeleitjes; maar och heere, wat zon ie gebruiken!"

"Is het zoo.... erg met menheer Donerie?"

"Lieve juffrouw, als je d'r mijn naar vraagt, dan zeg ik...." De vrouw zegt niets, maar haalt de schouders op en zet een zeer bedenkelijk gezicht.

"Maar wat scheelt hem eigenlijk?"

"Ja, dat is de affaire juffrouw. Dokter Biermans zei dit, maar menheer Van Hake die gisteren hier was, heeft--zoo van achteren op--laten blijken dat ie den drank liever niet nemen moest, omdat...."

"Hei hola vrouw! nou ga je buiten je boekje; menheer Van Hake zei nadrukkelijk dat ie dat heel onder de roos zei, want anders ging ie z'n kompetensie te buiten."

"Nou Krul, we benne immers onder de roos, want de juffrouw zal d'r niet van spreken niewaar?"

"En gebruikt menheer Donerie nu in 't geheel geen medicijnen?" vraagt Jacoba.

Man en vrouw Krul zien elkander veelbeteekenend aan:

"Wel nee juffrouw. Nee zekerlijk niet!" zegt vrouw Krul.

"Hoor is Antje, laten we nou voor God en ons geweten niet liegen. Als de juffrouw d'r niet van gesproken had dan zouwen we gezwegen hebben, maar in stilte--jawel vrouw, waarheid bovenal--ziet u, in stilte heeft menheer Van Hake...."

Vrouw Krul, die op Jacoba's gelaat iets zag voorbijgaan 'twelk ze voor een teeken van bijzondere goedkeuring hield, valt haar man in de rede.

"Jawel, toen heeft menheer Van Hake 's avonds 't een of ander uit de aptheek gebrocht, en we hebben van nacht met bloedzuigers getobd, och Heere! en ofschoon 't niet beter is, menheer Van Hake zei strakjes nog,--altijd onder de roos--dat ie zonder dat alles den dag niet gehaald had."

"'t Zou heel jammer zijn geweest;" zegt Jacoba terwijl ze zich omwendt en naar de deur gaat: "Ik hoop er het beste van!"

Juffrouw Krul maakte bij zich zelve de opmerking dat het gevoel der _grootheid_ toch gauw bekoelde. Hoe koud was dat antwoord.

Krul heeft iets dergelijks gevoeld; 'tgeen hem te meer trof omdat de juffrouw niemendal van zijn poppe-lindekastje heeft gezegd, geen boe of ba:

"Jammer! ja, als je d'r jammer van zeggen kunt, dan zeg ik dat het krek jammer zou zijn; en dan het adee dat zoo'n mensch--onder ons gezeid en gezwegen--verknoeid is."

Jacoba blijft bij de deur staan, en omziende zegt ze als viel haar wat in:

"Als dokter Helmond hem behandeld had dan zou het zoo erg misschien niet geworden zijn?"

"Net wat we samen gezeid hebben juffrouw," herneemt Krul: "en 't ergste is dat hij nu juist op reis moest wezen, en zoo wijd van hier; want om je de waarheid te zeggen, dat ie menheer Helmond uwes broer of neef, niewaar, beter vertrouwde dan den ouwen Biermans, dat kon je al lang merken; niewaar Antje?"

"Ja. Ojee! als ie ielde dan was het schering en inslag: Helmond, Helmond, en allerlei; maar van Biermans hoorde je nooit."

"Als menheer Donerie er zoo op aandrong dan is het toch vreemd dat jelui dokter Helmond niet hebt laten telegrafeeren."

Krul ziet zijn vrouw met beteekenis aan:

"Nou Antje, wat heb ik gezeid?"

"Jij, nee wat heb _ik_ gezeid! Ik! En daarom heb ik menheer Van Hake ook eigenlijk gesproken; maar die wou d'r niet aan; die durfde voor een patiënt van Biermans geen telegraaf sturen; dat kon en mocht hij niet doen. Zieje juffrouw, dat het aan ons niet lee....!"

"Maar mij dunkt, jelui zult er toch de naasten toe wezen. Ik heb er mij niet mee te bemoeien, maar de verantwoording zou me wat zwaar zijn."

"Ja waarachtig Antje, de juffrouw heeft gelijk. Ziet u, als we wisten, niewaar, dat dokter zou komen; en waar ie ergens bezeild was, dan...."

"Ja Krul--maar zoo'n telegraaf.... en...."

"Eigenlijk heb ik geen tijd," zegt Coba, meer naderbij komend: "maar als jelui d'r zoo op gesteld bent, dan wil ik wel even zoo'n telegram opschrijven; om je plezier te doen natuurlijk, en omdat menheer boven er zoo op aandringt."

"Aandringen; nu ja, aandringen is de rechte benaming wel niet, maar...."

"Jawel Krul, dat roepen: Helmond, Helmond, dat noem ik aandringen."

"In één woord, als jelui er bij _mij_ op aandringt, geeft dan maar een stukje papier...."

Krul en de vrouw zien rond alsof ze het gevraagde op den vloer zouden vinden, maar eindelijk zegt Antje:

"Je zakboek Krul!"

"Ah ja Juist!--Wacht."--Hij scheurt er een blad uit en biedt het met zijn timmermanspotlood Jacoba aan.

"Heb je geen inkt?"

Weer zien de echtgenooten hun kamertje rond.--Nee, in dat glazen fleschje, waaruit een vuil stompje ganzepen steekt, is niets dan een weinig verdroogd zwart te ontdekken.

"Zie dat is nou spijtig, maar inkt hebben we niet in huis;" zegt Krul.

Jacoba met het oog op een "Onze Vader" in sierlijk schrift aan den muur, vraagt, blijkbaar afgetrokken maar toch met een bijzonderen nadruk op het voorlaatste woord:

"Hé! geen inkt in het _heele_ huis!"

"Wel Krul, nou zou je niet eens aan _boven_ denken;" zegt de vrouw: "Op de voorkamer van meneer is een heele toestel."

"Accoord, dat wou ik net zeggen!" herneemt de man: "loop jij maar eventjes naar boven en haal het hier."

"Maar dan moet je den zieke storen;" zegt Coba met eenige trilling in de stem, terwijl ze steeds het "Onze Vader" ziet.

"Nee, excuus juffrouw, menheer leit achter."

"Ah--zoo--heeft ie een vóór- en achterkamertje?"'

"Kamertje!!" vallen Krul en de vrouw schier gelijktijdig uit, en de laatste vervolgt: "Nou 't benne in 't geheel geen kamertjes, maar zuivere _kamers_ hoor! en heelemaal op z'n grootelui's gemeubieljeerd. Nee, als de juffrouw ze zien wil, kom dan maar is mee--asjeblief?"

Jacoba met den rug naar de echtgenooten Krul, wijdt haar bijzondere aandacht aan een paar zwarte knipsels naar reeds overleden Romphuizer dominee's.

"En als de juffrouw van schilderijen houdt, zooals ik zie dat ze doet," zegt Krul: "dan kan ze daar nog m'n eigen vrouws vader en moeder in miliatuur zien hangen, dat was ook grootheid, niewaar moeder?"

Vrouw Krul blijft niet in gebreke om dit volmondig toe te stemmen. De herinnering aan die--altijd eenigszins betrekkelijke grootheid, verlevendigt haar wensch dat de juffrouw van _De Zonsberg_ eens zien zal, hoe haar eigen huis er boven uitziet, en niet langer zal denken dat het zoo min is.

In 't einde zal ze echter dien wensch moeten opgeven. Juffrouw Van Barneveld schijnt niets nieuwsgierig te zijn.

"Nou Antje," zegt Krul gemoedelijk: "we moeten de juffrouw niet forceeren. Ik zal maar eventjes dat inktpotje halen; de trap is ook nog al stik voor de juffrouw."

"Och nee, wat dat betreft," zegt Coba: "als je erop gesteld bent, och dan wil ik waarlijk wel eventjes meegaan."

't Was goed dat vrouw Krul op de trap achteraan kwam--een oogenblik werd Coba zoo raar, doch 't duurde één oogenblik slechts, en zonder dat de timmermansvrouw er iets van behoefde te merken, kwam Coba boven.

"Hier juffrouw asjeblieft: hier heb je nou de voorkamer. Dáár, die deur, dat is de slaapkamer. Ik spreek wat zachtjes omdat de stakker daar leit, weet u, en als ie me hoort dan wil ie me graag hebben ook."

"Ligt ie dan alleen, heel alleen?" zegt Jacoba zeer snel.

"Dat is te zeggen, nee, m'n oudste dochtertje, zoo'n aankomeling, die zit bij 'em, en past 'em op, als _ik_ of m'n man d'r niet bij benne. Wacht, gaat uwe nou hier maar in. Hé, dat hadt je zoo niet verwacht! Riant niewaar? Prebeer die stoelen maar eens, ekfetief paardenhaar! Onderwijl zal ik toch is eventjes kijken of ie nog slaapt. Och als 'et maar rust was!"

Na deze woorden verlaat vrouw Krul het zooeven binnengetreden vertrek; ontdoet zich op het portaal van haar pantoffels, en gaat op de kousen het slaapkamertje van Donerie in.

Jacoba is alleen.

--Zou het mogelijk zijn dat iemand het kloppen hoorde van mijn hart, denkt ze, terwijl ze de eene hand erop houdt gedrukt en die vluchtig aan het voorhoofd brengt: Wat heb ik gedaan! Hier te komen, hier!--Zie, dat moet zijn piano wezen.--Dat vrouwenkopje er boven....?--Zou dat misschien het portret zijn van eene.... die....?

Met een snellen blik heeft Jacoba zich overtuigd dat het bedoelde portret een gravure is. Maar, 't is de zeer fraaie gravure van een beeldschoon meisje.--Een huivering overvalt Van Barnevelds dochter. Toevallig heeft ze haar eigen bleek en mager gezichtje in den spiegel gezien.

--Stil, daar komt de vrouw terug:

"Goddank!" zegt ze: "ofschoon hij niet slaapt, hij ligt toch rustig. Och lieve God, de stakker! Maartje zei dat ie straks nog driemaal in 't ielen Helmond riep: en dan van den kapitein Armelo en z'n familie ielt ie ook. Maar omdat ie den dokter noemt, blijf ik er bij dat we dokter met de telegraaf moeten hier halen. Wacht, hier is inkt in overvloed, als je nou schrijven wilt...?--Je bent d'r toch óók ontdaan van juffrouw; ik zie 'et aan je bevende hand."

Jacoba verklaarde wel bewogen te zijn en wel medelijden met den zieke te hebben, maar dat beven kwam toch van iets anders ... de trap was tamelijk steil; en zie, terwijl ze schreef lag haar pols op den scherpen rand der tafel.... Doch, nu beeft ze niet meer....

--Ja tóch, nu wel, Maar o God, wie zou er ook _niet_ gebeefd hebben van dien droeven kreet.

Met een ontsteld gezicht vertoont zich Maartje op den drempel en wenkt hare moeder.

Nogmaals blijft Jacoba alleen.--Zij luistert.... Bitter pijnlijke kreten doen zich telkens hooren. Aan een onduldbaar lijden moet die arme kranke ten prooi zijn. Terwijl de moeder met haar kind de deur der ziekenkamer opent en er binnengaat, snijdt een schrikkelijke wanhoopskreet de luisterende Jacoba door de ziel.--Nu klinken die kreten weer doffer. Men had de deur gesloten. Nochtans de woorden, die hij somwijlen met verheffing uitgalmt, zijn wel verstaanbaar te midden van een klankenvloed zonder samenhang--treffend gelijk plotselinge ratelslagen bij het doffer dondergerommel van verre.

Jacoba's hart bonst met pijnlijk geweld. Op den drempel der voorkamer, starend in de richting der deur van Donerie's slaapvertrek, staat ze met het hoofd voorovergebogen en zich vastklemmend aan den deurpost.

O God! zóó erg heeft ze niet gedacht dat het wezen zou. Daar moet aanstonds, _aanstonds_ hulp komen: een professor uit Utrecht! O, dat is een vreeselijke ijlkoorts. Hoor:

"Laat mij!!--Laat los!!" zoo klinkt het: "Ik wil haar grijpen! Zij vliegt over de daken. Zie maar, verscheurd door een tijger...! Laat los! ik ben een tijger!... Heisa! Laat los! ik moet haar vangen! In de secretaire. Ho! ho! pakt hem! pakt hem! Helmond! O, o! Helmond!"

In hetzelfde oogenblik stormt het kind van den timmerman angstig geworden ter ziekenkamer uit.

"Vader! vader! help!" roept het gillend aan de trap.

Jacoba weet niet meer waar ze zich bevindt; het donkere portaal is haar als een graf; maar altijd hoort ze toch die kreten; ja, ondanks haar verdooving nu zelfs sterker dan te voren. O, wat klaaglijk gesteun. Wat vreeselijke smart in dien toon.--Ha, nu weet ze weer waar ze zich bevindt. Ginder ligt de jonkman wiens dierbaar beeld haar geheele ziel vervult. Daar ginder ijlt en lijdt hij; en ruwe handen verzwaren zijn lijden misschien! En zij, wat moet, wat mag ze doen? Zal ze haar zachte handen drukken op dat schoone, nu kranke voorhoofd? Hem zoete woorden toefluisteren, om zoo mogelijk kalmte te brengen in dat verhitte brein? Met koud water die blanke slapen bevochtigen; immer koelend totdat een zachte slaap zijn oogleden sluit; en dan waken aan zijn sponde, en den doodsengel verjagen door de innigste gebeden? Hem met haar adem bijstaan als de zijne te ontvlieden dreigt; hem liefkoozen ... zoenen op die bleeke lippen...!?

Neen! neen!! O groote God, neen! dat heeft Jacoba niet gezegd; zelfs niet _gedacht_ in dezen stond.--Al rijten die vreeselijke kreten haar ook den boezem vaneen, geen schrede mag zij verder. Daar is een krachtige stem in haar binnenste die 't haar verbiedt; en immers, voor haar verbeelding staat daar een dreigende vader, die vertwijfelen zou indien hij vermoeden kon wat er omgaat in het hart van zijn teergeliefde eenige dochter.

Van hier dan Jacoba! Spoed! Verzend dat telegram, of, doe nóg sneller hulp opdagen, de beste die te bekomen is. Maar voort, van hier!--En toch, moet zij de stem van dien arme dan hooren, zoo angstig, zoo radeloos bijwijlen, en zonder hem te zien? O God, al is hij dan niet meer gelijk voorheen, zooals hij dikwijls naast haar zat, met de glimmend zwarte krulharen en den fijnen knevel scherp geteekend tegen het mannelijk blank van zijn edel welgevormd gelaat; al zijn die donkerbruine oogen, nú de oogen vol geestdrift niet wanneer hij met den fijnbesneden mond aan zijn gretig luisterende leerlinge van den kunstroem der klassieken sprak; al moet de schoone kloeke jonkman, nu ten prooi aan de vreeselijkste ijlkoortsen, slechts de schaduw zijn van 't geen hij zoo kort geleden nog was, ach, kan zij dan vanhier gaan zonder een enkelen blik te werpen in dat vertrek; zonder den juisten indruk te hebben van zijn toestand; zonder hem nog eens, o God! misschien voor 't _laatst_ te hebben aanschouwd?

Zie, de deur der ziekenkamer staat op een kier. Met bonzend hart en op de toonen zachtkens voorwaarts komend, doet ze een schrede in de richting dier kamer ... een tweede ... een.... Neen, eensklaps deinst ze terug:

"Laat los! Hoor je niet, los!" roept Donerie weder; en akelig klinkt zijn hijgende stem: "Zij is de mijne!--Ha! Op de voorkamer is ze. Laat los! of ze vliegt het raam uit; over de daken. Ha: heisa! los!"

Een dreun, een slag heeft Jacoba nog gehoord. Toen is het nacht voor haar geworden, heelemaal nacht.

ELFDE HOOFDSTUK.

't Is een oud, misschien een goed gebruik in het stadje Romphuizen, dat de torenklok der gemeente verkondigt wanneer er een doode naar zijn laatste rustplaats wordt gevoerd. De klok had echter heden niet noodig haar droef "memento mori" te doen klinken, want reeds voordat ze haar stem verhief, was er veel volk op de been. Geen wonder, er zal wat bijzonders te zien en te hooren zijn.

Ginder, buiten de zoogenaamde Zijperpoort, trekt de zwarte stoet langzaam voorwaarts, en de zware lindenlaan in, op wier helft het groote kerkhofhek reeds geopend staat.

De zon lacht en spartelt zoo vroolijk in de breede laan alsof het een feeststoet ware, die zich onder de vallende bloesems voortbewoog.

Spotte zij misschien met den vreeselijken huilebalk wanneer zij tusschen de bladeren door, snelle lichten op dat zinlooze hoofddeksel kantte? Lachte zij met den terugstootenden lijkwagen als ze vonken spatte op die doodshoofden en gekruiste beenderen, op de doodskoppen vooral, die natuurlijk niet zien kunnen--dat er een zon aan den hemel, en het heelal met ontelbare werelden doorzaaid is.

Wanneer men op de Zijperbrug bleef staan en van daar de laan inzag, dan was er nochtans iets plechtigs, ja iets aangrijpends in dien optocht.

Onder het tintelend groen der zware linden, verloor de hooge koets zich van lieverlede in een fijn-blauwe tint. Zoo van verre had die lijkwagen wel eenige overeenkomst met een monument, een vierkant grafgesteente met een urn er boven op.

En zie, aan den voet van dat monument verheft zich, boven de golvende menigte, een zilverwit voorwerp--juist blinkend in een zonnestraal. 't Is de kleine zilveren harp boven de rooskleurige banier der muziek- en zangvereeniging "Koning David". Het rood satijn der banier met zijn zilveren letters is door een zwart floers omgeven, maar nochtans komt die kleur--evenals die blinkende harpknop erboven--steeds zeer duidelijk uit tegen den vaalblauwen toon van dat monument, den langzaam wegschuivenden wagen.

En de golvende schaar, wier aanblik het hart met weemoedigen ernst vervult, zij getuigt het mede dat er in dezen lentemorgen geen gewone begrafenis plaats heeft. Immers, 't zijn niet enkel mannen en jongelingen die den wagen volgen. Neen, meer dan dertig meisjes en jonge vrouwen gaan met kloppende harten mede, om aan een afgestorvene, die haar zoo lief was, nog een laatste hulde te brengen, en straks bij de versch gedolven groeve saam te stemmen in het lied waarvan de slotzang luidt:

Slaap zacht! Op den krans dien we u vlochten, Slaap zacht! Tot den morgen die u wacht. Goeden nacht! Goeden nacht!

Hoor, het geboem-bam der torenklok dreunt nog voort. En zie, de lijkkist van de zwarte sprei ontdaan, staat reeds boven de groeve.

Met bevende hand heeft een der meisjes een frisschen lauwerkrans op het deksel der kist gelegd, terwijl een jonge vrouw van de andere zijde genaderd, er eene van immortellen daarnevens plaatst.

't Is nu dominee Hoogerberg die op de lijkkist toetreedt en straks, na een korte inleiding, zijn hartelijke toespraak aldus vervolgt:

"Ja, een wolk nam hem weg van deze aarde. Nog ruischt ons de Hymme in de ooren, die hij deed klinken toen twee geliefden zich voor het oog des Almachtigen hadden vereenigd, en hij, instemmend met hun blijdschap, als een andere David heerlijke tonen lokte uit zijn verheven speeltuig. En,--dat die tonen de laatste zouden zijn! Velen onzer wisten het ternauwernood dat hij zich ongesteld gevoelde op dien morgen, en geen enkele was er die vermoeden kon dat reeds de kille hand des doods hem had aangegrepen toen nog zijn vingeren het orgel deden juichen: "Loof, loof den Heer mijne ziel!"