Dokter Helmond en zijn vrouw

Chapter 12

Chapter 123,995 wordsPublic domain

"Zou het niet jou plicht zijn Eva--nee, je bepaalde _wil_ om aanstonds te vertrekken, als een van je ouders stervende was?"

"Maar dat is nu zoo niet; en, ware mij zoo iets gemeld ik zou het je _zeggen_. Voor mij is 't echter genoeg dat Mijnheer _beveelt_ te gaan. Maar als hij dan aan zijn eigen vrouw de reden blieft te verzwijgen, waarom dat fatale besluit wordt genomen; wanneer hij zijn vrouw alle verstand ontzegt, en haar niet waardig acht om over 't geldige van dien plicht te oordeelen; wanneer het bewaren van de goede verstandhouding, het één zijn in alles, reeds op den zesden dag van 't huwelijk zoo prachtig wordt nageleefd, dan...."

"Eva, ik heb je gezegd dat de schijn tegen mij is; en ofschoon het waarlijk beter zou wezen dat ik zweeg, om je te toonen dat ik 't allerminst voor mijn wijfje een tiran of een despoot wil zijn--och je weet dat ook wel beter--zie dan hier; mij dunkt de drie laatste woorden van Van Hake's telegram zullen je doen gevoelen dat er reden genoeg is om nu te vertrekken, en een langer verblijf in Parijs eens tot later uit te stellen."

Terwijl Eva het _tot later uitstellen_ met een ongeloovig schouderophalen beantwoordt, toont Helmond haar het omgevouwen telegram.

Maar het sprak vanzelf dat Eva haar hoofd houdt afgewend: ze behoefde nu volstrekt geen opheldering meer. August kwam er een beetje al te laat mee. Trachtte hij nu door zulk een halfheid haar liefkozingen te herwinnen!

"Dankje Helmond; dankje wel. 't Is me nu totaal onverschillig."

"Maar Eva, als je me waarlijk liefhebt, lees dan, en oordeel of dit laatste niet reeds genoeg is."

Met zachten dwang doet hij haar het hoofd naar de zij van het papier wenden, en, ofschoon nog onwillig leest Eva nu de woorden:

"Donerie dangereusement malade!"

Een vuurrood overtoog eensklaps haar schoon gelaat. Ze gist zelfs van verre niet dat zij omtrent de ware reden van hun aanstaand vertrek door Helmond op een dwaalspoor is gebracht. Ze denkt er niet aan--ofschoon ze het weten kon--dat Donerie een ander tot dokter had.

In de eerste oogenblikken staat haar slechts die gevaarlijk zieke jonkman voor den geest, en dan, dan ziet ze daar Helmond aan haar zij: In haar blos heeft hij toch niets kunnen lezen--neen, want slechts een voorbijgaand medelijden, een plotselinge ontsteltenis, de verrassing heeft haar dat rood op de wangen gelegd. En, nu vlijt ze zich weder aan zijn borst, en als hij haar vaster aan het hart sluit dan fluistert hij:

"Dat blosje heeft me genoeg gezegd. O lief meelijdend wezen, als je nu altijd maar gelooven wilt dat ik geen tiran ben...."

"Stil August, stil, niets meer! Mijn lieve man _kent_ zijn plicht en ik nu den mijne!"

's Anderendaags reeds vroeg in den morgen verliet een fiacre met de koffers van Nº. 59 erop, het Hotel du Helder.

De eerste garçon die zooeven in de porte-cochèro zijn gelaat tot een recommandatiekaart verwerkte, en meesterlijk uitdrukte dat het vertrek der beide gasten zoowel voor zijn persoon als voor het hôtel een onherstelbaar verlies zou wezen, de garçon herinnert den commissionair die, bij het wegrollen der fiacre zich er aan vast klemt en op den bok springt, nog haastig: "Rue Lafayette vingtsix, Bassot bijoutier-joaillier;" waarna hij in het hôtel terugkeerend, den half duttenden portier voorbijgaat, en dan met een wenk van het hoofd naar buiten:

"Ça vaut la peine Gérard! Belle hollandaise!" en, rammelend met een paar vijffrankstukken in den zak: "Coquin de mari! C'est monsieur Bassot qui rira le dernier, hein!"

NEGENDE HOOFDSTUK.

Jacoba Van Barneveld weet niet dat August en Eva zich reeds op hun terugreis bevinden. Ze heeft uitgerekend dat er nog twaalf volle dagen vóór hun thuiskomst moeten verloopen.

Op haar schrijftafel ligt een blad papier gereed. Ze moet August schrijven. Ze heeft er eindelijk toe besloten. Nog wacht ze een oogenblik ofschoon het reeds halfelf is, en de brieven voor Parijs uiterlijk te één uur op het postkantoor moeten bezorgd zijn. Ja ze kan nog even wachten. Hendrik zal immers zoo aanstonds uit de stad terugkomen, want, behalve een boodschap bij de naaister, had hij niets te doen dan even bij baas Krul naar Donerie te vragen.

Jacoba luistert. Ze meende iemand bij haar kamerdeur te hooren.... maar ze heeft zich vergist.

--'t Is vreemd dat Hendrik zoo schrikkelijk lang uitblijft. Doch neen, de pendule zegt haar dat hij nauwelijks twintig minuten geleden vertrokken is.

Jacoba bladert in Longfellows gedichten. Dat mag een paar minuten duren, maar dan, dan staat ze weer op. Zichtbaar onrustig gaat ze naar de schrijftafel; een oogenblik later staat ze bij 't venster, waardoor ze het uitzicht heeft op het prachtige landschap met den zilveren Rijn; doch--geen seconde later is ze bij haar schrijftafel terug, en neergegleden in den gemakkelijk ronden stoel die er vóór staat, vat ze de pen om.... Maar neen, sneller dan ze zitten ging is ze weer opgestaan, en gaat nu de kamer uit.

Aan 't eind van den breeden corridor kan ze door het venster op 't hek van den straatweg zien. Nú kon Hendrik toch wel terug zijn.

"Ben je daar Coba?" vraagt een dame van omstreeks zestig zomermaanden, die uit de deur der groote groene logeerkamer op den corridor komt, en reeds gekleed voor het tweede ontbijt zich met hoed en parasol heeft gewapend om eerst nog een kleine wandeling op het boventerrein van _De Zonsberg_ te doen.

"Ja tante. Hé, ik had u niet gezien."

"Wacht je iemand?"

"Hendrik zou inkt meebrengen tante. Hij blijft vreeselijk lang weg."

"Hé, inkt. Je pa heeft altijd een heel kruikje.... Was dat leeg misschien? Wacht, er is nog wel wat op mijn kamer; je hebt zeker zoo heel veel niet noodig?"

"Een paar velletjes tante."

"Velletjes?"

"O, ik meen.... Maar Hendrik zal wel dadelijk komen. Dank u tante."

"Coba-lief kom eens hier; wat scheelt er aan?"

"Mij tante!?"

"Ja lieve kind, kom jij nu eens eventjes hier bij tante op de logeerkamer. Jawel, eens eventjes."

"Tante ik heb waarlijk geen tijd. Ik wacht op Hendrik, en ik moet me nog kleeden ook."

"Ja maar zoolang Hendrik er nog niet is, kun je wel even bij tante Hermine komen niewaar? We hebben uit mijn kamer juist het oog op het hek aan den straatweg. Voel je je weer niet zoo fiks Coba?"

"Jawel tante, ik voelde me juist van morgen weer heel flink."

"Och kom, is dat waarlijk zoo? Ik dacht dat je het maar aan je pa zei om hem gerust te stellen. Je bent toch erg bleek, lieve kind."

"Vindt u tante; ik ben _altijd_ bleek, dat is mijn natuurlijke kleur."

"Ja maar Coba, je oogen staan waarlijk een beetje flets. Papa merkte het gelukkig niet, maar ik kon wel zien dat je geschreid hadt toen je van morgen beneden kwaamt."

"Geschreid! ik!? Lieve hemel tante, geschreid! ik zou niet weten waarom."

"Nee ik ook niet Coba. Wie zou gelooven kunnen dat een meisje, dat zoo alles en alles heeft, en krijgen kan wat ze begeert, reden zou hebben om te schreien, maar...."

"'t Zou bespottelijk zijn tante."

Na dit gezegd te hebben wendt Jacoba zich van haar tante af en gaat weer haastig naar de deur.

"Jacoba hoor eens."

"Riept u?"

"Ja beste kind, kom nog eens even hier.--Zou je me een groot genoegen willen doen?"

"Als ik kan, zeker!"

Mevrouw Mansburg vat Jacoba's fijne hand, en haar vriendelijk aanziende zegt ze zeer overredend:

"Och, dan wou ik zoo graag dat je tante eens je vertrouwen schonkt. Er is iets dat je hindert. Jawel Coba; een vrouw van jaren en ondervinding zooals ik, ziet scherper dan een man, al is hij ook tienmaal een vader zooals je beste pa.--Je pa maakt zich erg ongerust over je gezondheid, veel meer dan hij weten wil."

"Maar ik verzeker u dat hij vandaag heel gerust is tante. Nadat ik gisteren zoo trouw ingenomen en van nacht zoo heerlijk geslapen heb, moest ik mij wel beter gevoelen. Ik heb het pa plechtig verzekerd, want ook hij heeft me in 't verhoor genomen."

"Heb je waarlijk _waarlijk_ zoo heerlijk geslapen Coba?"

"Tante, ik vind het erg verdrietig en compleet om iemand ziek te maken als men zich wél gevoelt, en iedereen ons dan telkens wil opdringen dat we slecht geslapen hebben, er slecht uitzien en zekerlijk ziek zijn. Er zijn immers voorbeelden van dat men gezonde maar aantrekkelijke personen zóó een ziekte op 't lijf heeft gepraat.--Ik vind u waarlijk heel lief tante, en ik hou ook heel veel van u, maar u moest mij heusch niet altijd zoo vragen, en--zooals u gisteren en van morgen telkens deedt--mij zoo van terzijde zitten aankijken. Ja ik weet wel dat het belangstelling is, maar ik voel dat het mij bepaald kwaad zou doen."

Mevrouw Mansburg begrijpt nu dat ze een krasse wending moet wagen om in 't belang van dat bleeke kind haar vertrouwde te worden:

"Op gevaar af dat je me lastig zult noemen, beantwoord mij deze ééne vraag: Is er iemand op de wereld dien je liever hebt dan papa?"

Of Jacoba op iets dergelijks heeft gerekend, althans haar gelaat teekent geen de minste ontroering.

"Dat is een zonderlinge vraag tante. Nee, zekerlijk is er niemand dien ik _zóó_ liefheb als mijn besten vader.--Ha daar komt Hendrik het hek in! Tot straks tante; bonjour!"

Mevrouw Mansburg heeft haar doel niet bereikt. Twee dagen na Helmonds huwelijk kwam ze bij haar broeder Van Barneveld op _De Zonsberg_ logeeren. Aanstonds heeft het haar getroffen zoo zwak en lijdend als Coba er uitzag; en, aanstonds had zij tevens Van Barnevelds onrust bemerkt, hoezeer hij die ook te verbergen zocht. En, zij heeft die onrust gedeeld, vooral den dag na haar aankomst, toen Jacoba--nadat men onder het theedrinken tamelijk druk over August en zijn jonge vrouw had gesproken--een soort van flauwte heeft gekregen met een zonderling benauwde ademhaling. Ofschoon mevrouw Mansburg die plotselinge ongesteldheid volstrekt niet voor gevaarlijk hield, en haar ondervinding schier dezelfde verklaring gaf als vroeger dokter Helmond heeft gegeven, zoo moest zij op Van Barnevelds krachtige maar wellicht slechts uitlokkende verzekering: dat het volstrekt _niets_ te beteekenen had, toch opmerken, dat Alexander het niet al te licht moest tellen, want--mevrouw sprak wel eens in beelden--dat er nooit een deur van zelf dichtging; was er geen hand die het deed dan deed het een tocht of rukwind misschien.

't Is reeds bekend dat Van Barnevelds heimelijke onrust, door de herhaling dier zenuw-attaque, en waarschijnlijk door het advies van zijne schoonzuster, aanmerkelijk was toegenomen; en, hoewel met tegenzin, heeft hij op het vragen der zuster langer over dat punt gesproken dan hem lief is geweest. 't Was zeer verklaarbaar dat hij mede de onderstelling heeft herhaald, of ook Helmonds huwelijk eenigen invloed op Coba's zenuwgestel kon hebben uitgeoefend. Ofschoon Coba bijna tien jaren jonger was dan hij, zoo waren ze toch, vóórdat August naar de academie ging, in Van Barnevelds huis als kinderen te zamen geweest. August hield bijzonder veel van zijn "klein bleekneusje;" en later als hij met vacanties over was, o wat kon hij haar dan mokkelen de aardige speelpop, het achtjarige zusje; rijden met haar op zijn knie de heele wereld rond, of straks op den rug door het gansche huis--en 't was een groot mooi huis in Den Haag--naar boven, de breede trappen op, al de kamers door, van de eene in de andere, de trappen weer af, totdat hij er doodmoe bij neerviel.

Ook later heeft August altijd getoond dat hij veel van Coba hield. Toen Helmond dokter te Romphuizen is geworden, en Van Barneveld daarna op _De Zonsberg_ kwam wonen, ging Helmond--vooral in den beginne, toen de praktijk niet zoo druk liep--er heel veel heen. Natuurlijk is dat later wel iets verminderd, maar geregeld kwam hij er toch een paar malen 's weeks dineeren, en, dan hadden die twee het altijd druk, zóó zelfs dat papa wel eens tweemaal aan "zijn partijtje" moest herinneren, want, van kwart over achten tot halftien speelde de generaal graag een ombertje en famille.

Ja, Coba hield veel van broeder August.--En, in de laatste twee jaren is er bovendien veel gebeurd. In die sombere dagen toen Philip door zijn schandelijk gedrag den oom en weldoener zulk een smaad had aangedaan, toen heeft haar zenuwgestel een sterken schok gekregen.

Van Barneveld wil het niet ontkennen dat hij Jacoba's voorspraak toen wel wat ruw heeft afgewezen. 't Is den eenigen keer geweest dat hij zijn kind harde woorden heeft toegevoegd, maar ze moest het gevoelen, dat de generaal Van Barneveld, van elk ander dan zijn pleegkind, bloed zou hebben geëischt voor zulk een smaad, en gevoelen ook dat men door het zoeken van zijn minderen, zooals Philip had gedaan met dat trouwen ver beneden zijn stand, tot alles instaat raakt, zelfs tot het verguizen, het beleedigen van hen aan wie men het meest is verschuldigd.

Jacoba heeft het begrepen; maar dat ze bij die droeve gebeurtenis alweder aan de zij van broeder August heeft gestaan, en niet eerder dan hij heeft willen berusten in het harde vonnis, 'twelk haar vader over Philip had uitgesproken, het pleitte opnieuw voor de genegenheid, die zij haar pleegbroeder toedroeg en de waarde die ze aan zijn zienswijze hechtte.

En dan, is Coba niet telkens weer zijn krachtige voorspraak geweest, wanneer de vader haar--en misschien wat al te veel--met zijn grieven over het huwelijk van August had lastiggevallen? Ja, Helmonds keuze heeft hem in den aanvang zeer gehinderd. Een oogenblik zelfs was het voornemen bij hem opgekomen om zijn toestemming te weigeren--voor zooverre die weigering beteekenis had,--en Jacoba zal er onder hebben geleden zooals zij telkens Helmonds voorspraak heeft moeten zijn. Immers, August had haar gezegd dat hij zoo onuitsprekelijk veel van Eva Armelo hield, en toch de liefde van zijn braven pleegvader zoo noode verliezen zou. Al wat ze kon heeft ze gedaan om haar vader met dat huwelijk te verzoenen. Ze heeft er aan herinnerd dat Eva's ouders, ofschoon ze van geringe afkomst waren, toch nu, door den rang van mijnheer, tot den "fatsoenlijken stand" behoorden; ze heeft de omstandigheid dat de kapitein om bijzondere redenen zoo vroeg is gepensioneerd,--redenen die Van Barneveld kende--weten te vergoelijken, door er op te wijzen hoe men nu--en zelfs in Romphuizen--er toch nooit meer van hoorde dat de familie en vooral mevrouw Armelo, dépenses maakte, die haar krachten te boven gingen. Wat Eva betrof, Jacoba heeft haar zeer geroemd, althans voor zooveel ze dat kon. Ze was zoo schoon, ze had zulk een slank figuur, zulk glanzend zwart haar, en daarbij zulke mooie donkerblauwe oogen. Wat speelde ze prachtig en wat zong ze overheerlijk!

Welnu, papa Van Barneveld heeft dan immers ook toegegeven. August moest het weten. In den aanvang had hij hem wel zijn bedenkingen gemaakt, en hem volgens zijn overtuiging, op de zwakke zij van Eva's karakter gewezen, maar--men weet het--ten laatste heeft hij toch "zooveel mogelijk het zijne gedaan om de onderlinge vrede en liefde te bewaren".

Inderdaad, er is genoeg geweest om een teeder gestel als dat van Jacoba te ondermijnen. En wanneer men nu Coba's zusterlijk gevoel voor August in rekening brengt, dewijl het toch vanzelf spreekt dat Helmond veel minder dan vroeger op _De Zonsberg_ zal kunnen zijn, en althans niet meer onverdeeld zooals vroeger, dan meent de generaal wel grond te hebben voor zijn overtuiging, dat dit huwelijk bij Jacoba zwaarder heeft gewogen dan hij het zich heeft voorgesteld, en dat het zijn plicht zal wezen om, zoodra August en Eva terug zullen komen--ofschoon met verstand, en steeds tegenover Helmonds vrouw met de leuze: "eenvoud en zuinigheid"--het veelvuldig samenzijn, vooral ter wille van Coba, zooveel mogelijk te bevorderen.

Driemaal achtereen heeft mevrouw Mansburg, na een veelbeteekenend ophalen van de wenkbrauwen, dat laatste besluit van haar zwager met een "Ja maar!" beantwoord, en ze dacht er bij: Mijn goede Van Barneveld, al ben je misschien een man die alleen door de juistheid van je blik de sterkste vesting zoudt nemen of een overmachtig leger verslaan, het vrouwenhart doorzie je _niet_!

_Ja maar_! er kon iets anders zijn. Er kon iets anders leven in Coba's boezem! En, 'tgeen mevrouw niet heeft uitgesproken, dat heeft Van Barneveld toch aanstonds moeten raden;

--Hoe, wat! zou zoo iets mogelijk wezen....!?

En zuster Hermine heeft nogmaals zeer sterk, zoowel haar schouders als wenkbrauwen naar boven getrokken. En, zij zou er zekerheid van hebben, dat beloofde ze vast. Maar inweerwil van haar goede bedoeling, en inweerwil van haar tact, mevrouw Mansburg heeft nóg geen zekerheid gekregen, ofschoon ze er "des ondanks" nog zekerder van is dan den vorigen dag.

"Welke boodschap heb je?" roept Jacoba den knecht toe die naar boven komt.

Hendrik wipt snel eenige trappen hooger en zegt dan:

"Compliment, nog hetzelfde juffrouw."

"Ik meen van de naaister?"

"O, dat ze zorgen zou dat het naar uw zin zou wezen juffrouw."

"En van de zij? En zou ze het vooral netjes doen?"

"O, zij had ze genoeg, en jawel, de juffrouw zou heel tevreden zijn."

"Heb je de taf?"

"Jawel juffrouw.--Alsjeblief."

"Best Hendrik!"--In het teruggaan zich even omwendend: "Niets beter met mijnheer Donerie?"

Hendrik, in 't naar beneden gaan stilstaande en omziende: "Nee juffrouw; 'tzelfde; eer minder, was de boodschap."

"Zoo!"

Op haar kamer gekomen sluit Jacoba de deur zeer zachtjes van binnen op het slot.

Van haar waschtafel neemt ze den flacon; doet een overvloedigen scheut eau de cologne in het water, dat ze zich in de waschkom heeft geschonken; dompelt er haar polsen in, en verfrischt daarna drie, vier keeren haar hoofd.

Nu zit ze weder voor haar papier. Een wijle tuurt ze op de kleine buste van Mendelssohn--in wiens trekken ze steeds een zekere overeenkomst met hem.... meent te zien; en dan, na een paar malen de pen te hebben opgenomen en weer weggeworpen; na nogmaals te zijn opgestaan, en ginder eenige oogenblikken op den stoel bij het venster te hebben gezeten, neemt ze eindelijk weer plaats voor het papier, en schrijft met bevende hand:

"Beste August!

"Altijd heb ik je liefgehad en vertrouwd als een dierbaren vriend. Sedert den dag van je vertrek had ik geen rustig uur. O, waarom heb ik niet gesproken toen je mij op dien avond zoo deelnemend ondervroegt. Ik wist toen reeds wat ik vreezen moest, maar kon niet denken dat mijn gevoel op zulk een harde proef zou worden gesteld. Och waarom moest ik huichelen; waarom je verbergen wat mij verteert...."

--Verbergen wat mij verteert? Hoe is het mogelijk dat deze woorden aan mijn pen zijn ontsnapt, denkt Jacoba; en dan, nadat ze de geschreven regels heeft herlezen:

--Nee, dat alles is bespottelijk; dat mag en dat kan zoo niet. Het papier wordt nu ijlings door midden gescheurd; en, op een ander blaadje schrijft ze:

"August!

"Bij papa's letteren voeg ik een paar woorden om je te zeggen dat ik mij, ofschoon zelve best in orde, zeer ernstig ongerust maak...."

--Maar dit kan evenmin blijven. Neen, ook August mag niet weten, niet vermoeden zelfs....

Weder staart Jacoba eenige oogenblikken in gedachten op Mendelssohns buste, terwijl ze het geschrevene in kleine stukjes scheurt.

--Ha! die inval komt als een lichtstraal. Ja, dát heeft haar wel voor den geest geschemerd, maar nu eensklaps is het helder geworden. Nogmaals neemt ze een ander blaadje en schrijft dan snel:

"Lieve August!

"Bij papa's letteren voeg ik een paar woorden om je te zeggen dat ik mij ernstiger ongesteld gevoel dan ik hem bekennen wil. Herhaalde flauwtes, binnenkoortsen en slapelooze nachten doen mij vreezen dat ik binnenkort onherstelbaar wezen zal indien, ja August, indien je niet spoedig terugkomt en mij behandelt zooals je dat voornemens waart. Om papa niet ongerust te maken heb ik hem gezegd dat ik mij zelfs beter gevoelde dan vóór je vertrek, en hem uit het hoofd gepraat om je over mij te schrijven, zooals hij een oogenblik van plan scheen, ten einde je te kennen te geven dat een spoediger terugkomst hem aangenaam wezen zou. Waartoe behoeft papa meer of langer in onrust te zijn dan noodzakelijk is. Doch om zijnentwil evenzeer, voelde ik mij verplicht je wel degelijk zelve te schrijven. Mij te verliezen zou hem zwaar vallen. Je gevoelt dat ik in geen geval zoo spreken zou indien wij--al ware het op een paar uren afstand--een goeden dokter hadden. Biermans, die onlangs Loovers kindje als klierachtig behandelde, totdat jij, er bijgeroepen, verklaarde dat het een hersenontsteking was, die man is òf afgeleefd òf nooit te vertrouwen geweest. Stel je waarlijk eenig belang in je zusje, August, keer dan aanstonds terug; ik zal je die liefde duizendmaal trachten te vergelden; maar ook, lieve broeder, laat in 'shemelsnaam niet blijken dat ik je zoo geschreven heb. Behandel mijn ziekte voor 't oog van papa maar luchtig, en geef als reden van die overhaaste terugkomst op, dat er hier een ernstige zieke was, die volstrekt onder je behandeling wilde zijn. Het treft in zooverre gelukkig dat er juist zulk een zieke is, hoewel het mij voor den armen sukkel spijt. Mijnheer Donerie is, zooals ik vernam, na den dag van je trouwen weer veel erger geworden, en om nu alles voor papa heel natuurlijk te maken, zal ik wel zorgen dat Biermans bij mijnheer Donerie zijn congé krijgt, of zelf verklaart een consult met je te wenschen. Och lieve August, wat verlang ik naar je komst; stel het niet uit want je ziet aan mijn schrift hoe ik beef van zwakte, en ik geloof zeker dat jij me beter zult maken. Wist ik niet dat je liefde voor je kleine zusje reeds voldoende zou zijn om je over alle bezwaren te doen heenstappen, de kans om den Romphuizer muziekmeester, den waarlijk niet ontalentvollen stumper, die in de kerk nog zoo zijn best deed, meteen weer beter te maken, die kans zou alleen reeds genoeg zijn om mijn geliefden broeder tot een spoedige terugkomst te bewegen. Donerie's ziekte komt in zooverre goed zegt pa, dat ik nu aan geen muziek kan doen.

"August, ik tel de uren, de minuten. De koorts verheft zich.....

Uwe Jacoba."

Of Jacoba inderdaad koorts heeft, of, dat haar stemming iets koortsachtigs had, zooveel is zeker dat een ongewoon blosje haar wangen kleurde toen zij den brief vouwde en, na het couvert te hebben dichtgeplakt, nog een tamelijk breed lak er op deed, om eindelijk het eenvoudige adres te schrijven: "Aan August."

Nu gaat ze naar haars vaders "bureau".

"Hier is mijn epistel voor onzen zwierbol, pa."

"Ah zoo Coba," zegt Van Barneveld die aan 't schrijven was: "ik dacht al, 't is kwartier voor twaalven; 't werd tijd. Om twaalf uur moet Hendrik er mee weg."

"Hendrik komt pas uit de stad terug pa. Ik wou 'm zelf even brengen. De uwe is immers klaar?"

Van Barneveld ziet haar verwonderd aan:

"Ja, hier is mijn brief, maar wou jij dien naar de stad brengen? Eer Willem de paarden klaar heeft, zal..."

"Nee ik wou te voet gaan."

"Te voet! Nú te voet.... jij! Heeft tante je daartoe bepraat?"

"Nee pa, maar August heeft wandelen zeer aangeraden.--Ik moet bij de naaister zijn. Hendrik heeft iets vergeten."

"Je schijnt vandaag bijzonder wèl te wezen, beste meid."

"O, ik ben weer heel flink!" Zij zoent den vader op zijn hooge voorhoofd: "Toe, sluit u nu mijn epistel in; 't wordt immers tijd beste pa?"

"Maar wat een vreeselijk lak Coba. Dat couvert dient er af.... Wil ik maar even?"

Jacoba ontneemt hem onverhoeds haar brief:

"O nee, wacht.... dat mag ik niet vergen, wacht!".... En met den brief snelt ze voort.

"Niet vergen! ha ha ha, niet vergen!" lacht Van Barneveld haar achterna: "dat noem ik discretie....!"

Maar eensklaps betrekt zijn gelaat. Jacoba's goed uiterlijk en haar vroolijke stemming hebben hem voor een oogenblik doen vergeten, 'tgeen hem toch sedert het gesprek met zijn schoonzuster gedurig als een akelig spooksel voor den geest heeft gestaan.

Zoo dat schrijven aan August op zich zelf niets beduiden mocht, dat zonderlinge wantrouwige wegrukken van den brief toen hij het couvert er af wilde doen, dat zegt iets meer.... ja! dat zegt veel _veel_ meer: