Chapter 10
Wat Eva betrof, die guitenstreekjes waren haar even onverschillig als de geheele familie Woudberg. Hier te zitten terwijl August met dien ouden vriend--nota bene--over de wet op het geneeskundig staatstoezicht sprak, terwijl die mevrouw van de lieve jeugd verhaalde, en haar ventje van drie jaren versjes liet brabbelen! Hier te zitten in een saai, tamelijk donker Amsterdamsch zaaltje, met het uitzicht op een slecht begroeid tuintje met leelijke hooge huizen er achter, neen, dat was op den eersten dag van 't reisje inderdaad niet verkwikkelijk, en, op net oogenblik dat mevrouw Woudberg even de schreiende kleinste uit de berceau nam, en mijnheer Woudberg een boek ging halen waarin men iets zou nazien--'tgeen August hem echter mede graag geschonken had--in dat oogenblik gaf Eva haar August fluisterend en met een wenk te kennen, dat ze hier niet langer wilde blijven, en vooral niet _alleen_ terwijl hij, zooals afgesproken was, dat andere bezoek ging brengen.
Woudberg en zijn vrouw waren bij het afscheid recht dankbaar en gevoelig voor de allerliefste visite:
"We mogen er heusch wel trotsch op zijn," besloot mevrouw: "want om je de waarheid te zeggen, in de eerste dagen na ons trouwen--niewaar Es--toen bedankten we voor familie en vrienden."
Terwijl de vrienden Woudberg er bij stonden, heeft August aan den koetsier gelast om naar 't hotel terug te rijden; maar nu nabij den hoek eener zijgracht, tikt hij op het voorglas, en beveelt: "Tuinstraat No. Twaalf."
"Ik dacht een oogenblik dat je besloten hadt er méé heen te gaan _Eva_."
"Maar August, hoe kon je dat denken?"
"Nee 't is ook waar. Ofschoon.... 'k zeg alleen, dat ik het een oogenblik _dacht_."
"'t Was dunkt me al wel, lief mannetje, dat ik mee naar je vriend ging. Je hebt zelf gehoord hoe andere menschen over dat bezoeken van vrienden en familie op hun huwelijksreisje denken."
"Ja zeker, 't was al heel lief van je om aanstonds toe te geven. Maar ik dacht nu.... een eigen broer!"
"'t Spijt me lieve, dat je er nog over gedacht hebt; ik meende dat we vast...."
"Zeker mijn wijfje, we hebben dat _vast_ afgesproken."
"'t Zou hen toch ook geneeren August."
"Juist kind; 't kwam me nog een oogenblik voor dat ze 't hartelijk zouden vinden; een bewijs van belangstelling, maar...."
"Och nee August, wie vroeger in weelde was, wordt niet graag in zijn armoede bezocht, en 't minst door nieuw aangetrouwde familie."
"Ja, 't zal beter zijn dat ik alleen ga. Je bent ook wel wat heel chic gekleed. Nee nee, _heel goed_ en _lief gekleed_ beste kind, uitmuntend voor de Woudbergs en voor mij; maar, voor dáár.--Dus blijf je dan zoolang in het rijtuig?"
"Niet te lang beste man.--Ha! ik kan me, in dien tijd zoo'n reistaschje koopen."
't Zag er sjofel uit in die Tuinstraat. De hooge smalle huizen waren meestal zeer verveloos. In de kelders hoorde men ijzer smeden, ton-kuipen, hanen kakelen en kinders schreeuwen. Hier zag men groenten uitgestald; daar rood en ander lijnwaad te drogen gehangen over de grauwe leuning van een smalle hooge stoep. Ginder bij een pothuis stonden eenige vrouwen rondom een kruiwagen met doode bot. Een terugkeerende armenlijkwagen laveerde tusschen turfkarren en turfmanden door, en een der heeren bidders die met afhangende beenen erop zat, liefkoosde in 't voorbijrijden met de versleten punt van zijn gegespten schoen, eene jonge Tuinstraatsche, wie deze vreemdsoortige liefkoozing echter gansch niet beviel, en haar met een weinig vleienden grauw beantwoordde.
Helmond is uitgestapt, en heeft den koetsier gelast om mevrouw naar een voorname galanteriewinkel te brengen; over een groot half uur moest hij hier terug zijn.
No. 12 was een van de fatsoenlijkste huizen in de Tuinstraat. In het kelderhuis woonde een schoenlapper; op de eerste verdieping een oud heer met een goudsche pijp, een nicht, twee katten en een papegaai, en een verdieping hooger.....
"Jawel meheer, gaat uwé maar gerust naar boven," zegt de nicht, die een rist uien in de hand, en een kat aan haar boezem heeft: "meheer Hellemond is voor een half uurtje thuis gekomen. Voorzichtig, de trap is een beetje gesleten. Oom zou 'em opknappen, ziet uwé, maar oom is een oud mensch, en...."
Helmond is reeds naar boven gegaan.
't Zag er zeer armoedig maar toch ordentelijk uit in het kleine vertrek 't welk August is binnengestapt. Op het oogenblik dat hij in die kamer kwam, heeft een jonge zeer slanke vrouw met prachtig zwartgolvend haar, door de deur die naar een achterkamer leidde, dat vertrek verlaten.
De bezoeker heeft de jonge vrouw nog even van terzij kunnen zien. Hij zou haar zeker gegroet hebben; maar zij, ze heeft gedaan alsof ze hem niet zag. August meende dat ze vreeselijk wit was geworden.
"Hoe gaat het Philip?" zegt de oudere broeder terwijl hij den jongere de hand reikt.
"'t Zou valsch van me wezen August, indien ik je welkom heette en je de hand gaf.--Als je me wat te zeggen hebt, en wilt zitten, daar staat een stoel--als ie je niet te _gemeen_ is."
"Op dien toon had ik het niet verwacht Philip."
"Dat spijt me. 't Is me een bewijs dat je met al je menschenkennis en geleerdheid, op dit oogenblik niet verder ziet dan je neus lang is."
"Ik kom je opzoeken als broer; mij dunkt dat ik niets beters kan doen om je te toonen dat ik je altijd als mijn goeden Philip het beste hart heb toegedragen. Philip, kom, geef me de hand?"
"Zeg eens, je noemt me _goed_ August; maar weet je wel dat ik me zelf vervloekt _laag_ zou vinden als ik je aanstonds die hand gaf?"
"Nog eens Philip, zulk een ontvangst had ik niet verwacht;--wanneer ik die had kunnen voorzien...."
"Dan zou je niet hier zijn gekomen, 't Ware misschien beter geweest."
"Philip, goeje kerel! wat heb ik gedaan dat je mij...."
"Wat je gedaan hebt August? _Niets_! waarachtig, je hebt _niets niemendal_ gedaan!"
"Je bedoelt....?"
"Ik bedoel alles wat je zeer goed begrijpt."
"Zeg niet Philip, dat ik _niets_ gedaan heb. Ben ik niet je krachtige voorspraak bij oom geweest? Ik zou er van gezwegen hebben indien je me niet het tegendeel verweten hadt. Is het mijn schuld dat oom...."
"Wie spreekt van je schuld! Je bent zoo onschuldig als een lam. Je broederlijke raadgevingen bewaar ik als goud. Daar ginds in de la van dat meubel--_gemeen_ hê zoo'n houten kast--daar ligt nog die prachtige brief. De slotregels waren heel mooi; ik ken ze van buiten. Hoor: "Keer berouwvol tot onzen besten oom en weldoener terug. Zeg hem dat je in onbezonnen drift die woorden hebt gesproken. Zet beste Philip, die liaison uit je hoofd; waarlijk ze zal je ongelukkig maken. Een student! en zonder eenig fortuin! Wees verstandig; later zul je zelf inzien dat het doorzetten van dat huwelijk je ongeluk zou geweest zijn. Mijn beste broeder had, zoover ik weet, nooit een zin voor het _gemeene_...."--Genoeg! Wat je met dat laatste woord bedoelde, daar wil ik mij nu zelf geen oogenblik in verdiepen. Als ik het deed dan ging mij 't bloed aan 't koken, dan.... dan.... Wat jij gemeen durfde noemen August, het is de _vrouw_ die ik liever heb dan mijn leven, en jij--je hebt oom helpen opzetten tegen die vrouw!"
"Bij al wat heilig is Philip, dat is _onwaar_!"
"Zweer niet; ik heb je immers den slotregel van je mooien brief herhaald."
"Philip, nu het een feit is geworden wat ik voor onverstandig hield, en nóg houd--je ziet het, ik ben oprecht evenals jij--nu zou je broederlijk handelen met dien brief voor een deel ongeschreven te beschouwen. Ja ik noemde het onverstandig een meisje te trouwen dat...."
"De man die meineed en ontrouw voor verstand wil laten doorgaan, dien veracht ik. Als jij het doet, ga dan naar dien edelen generaal die je zulke principes leerde, en folter mij niet meer."
"Philip, waarachtig, je oordeelt onrechtvaardig; en wanneer ik je minder liefhad, dan zou ik zelfs je harde woorden niet verdragen. Er is verschil in de opvatting van trouw aan zijn woord. Dat verschil verklaart veel, zoo niet alles.--Oom wierp je tegen: "Wie zijn woord houdt in een _kwade_ zaak, is een verrader van zich zelf." Maar genoeg. Wat oom betreft, hij vergeeft je de woorden niet, die hem wel vreeselijk moesten grieven en waardoor zijn verzet te krachtiger is geworden. Zeer stellig heeft hij nog onlangs verklaard daar nooit op terug te komen, en bovendien bleef hij onverzettelijk bij zijn besluit om je nooit meer, noch bij zijn leven noch na zijn dood, iets van het zijne te doen genieten, maar...."
"Wie heeft hem dat gevraagd? Wie? Wat meent hij wel de...."
"Zacht Philip! bedenk dat ik hem liefheb, en dat hij van der jeugd afaan onze weldoener is geweest."
"Had hij zich onzer niet aangetrokken, ik zou misschien een ambacht geleerd hebben, en gelukkiger zijn."
"Je bent dus _niet_ gelukkig Philip?"
"Wie zegt dat!"
"Niet ik. Maar je omgeving; je.... in één woord, alles doet mij vermoeden dat je met moeielijkheden te kampen hebt.--Laat mij even uitspreken Philip, en je bittere grieven trachten weg te nemen. Geloof mij, terwijl ik sedert lang, maar tevergeefs, op 't spoor van je verblijf zocht te komen, was het steeds mijn voornemen je te bezoeken en je te zeggen, dat ik zooveel ik mag en kan, wil bijdragen om je geluk te helpen bevorderen. Nee, luister nu een oogenblik! Al keur ik niet alles goed wat je deedt, en al heb ik getracht je van die liaison af te brengen, in mijn ziel heb ik je altijd om je trouw aan dat meisje geëerd en liefgehad. Zoo je meent dat ik oom--dewijl ik meer met hem dan met mijn opgewonden broeder instemde--tegen dien eenigen broeder of zelf tegen dat meisje heb opgezet, dan dwaal je Philip."
"Genoeg August, genoeg! Ik denk er het mijne van."
"Je gelooft me niet? Waarvoor zie je mij dan aan? Zou ik hier komen om je als broeder de hand te reiken wanneer er bedrog was in mijn hart? Philip, misken mij dan niet. Ik ben kalm, maar je weet toch dat ik evenals jij het bloed der Helmonds in de aders heb. Kom Philip, geef mij de hand; roep je vrouw; zeg haar dat August haar graag een broederlijken zoen wil geven. Laat er geen kloof zijn tusschen ons, al loopen onze wegen wat uiteen. Mij gaat het goed in mijn praktijk; jij hebt het niet breed. Weiger mij niet Philip, om je van tijd tot tijd metterdaad te toonen dat ik je broer ben. Neem vast dit bagatel. Kom Flip, pak aan, eer je je vrouwtje roept. Je waart immers altijd mijn goede opbruisende maar eerlijke kameraad. Neem aan Philip!"
Slechts een oogenblik heeft er in de donkere oogen van den jongsten broeder iets geflikkerd, 'twelk strijd verried bij het zien van dat bankbriefje van veertig gulden. 't Is echter een schier ondeelbaar oogenblik geweest.--Terwijl August, die geen plaats had genomen, voor de tafel is blijven staan, stond Philip nog aan de andere zijde ervan naast het venster:
"Dus, zakelijk gesproken, zou je waarlijk zijn hier gekomen August, om ons te toonen dat je de vrouw die mij dierbaar is, als je zuster wilt erkennen en liefhebben? Je weet het, zij is de dochter van een gering acteur. Haar misdaad was,--stil, ik wil ervan spreken--haar misdaad was dat ze mij op mijn eerewoord geloofde.--Toen ik haar trouw had beloofd, toen was ze voor 't oog van God mijn vrouw, als moest de wet ons verbond nog bekrachtigen. Dat alles is geschied. Zonder middelen om mijn studies ten einde te brengen, moest ik uitzien naar een middel van bestaan. Beiden gevoelden we roeping voor het tooneel. Met het oog echter op de kleingeestige wereld, bedenkend dat mijn naam ook de naam van mijn broeder was, maar 't meest--ik erken het--om mijn Virginie niet bloot te stellen aan de vele ellenden van zulk een leven in ons vaderland, besloten we daarvan af te zien. Op dit oogenblik August, is je schoonzuster de vrouw van een tweeden klerk op het bureau van een begrafenisfonds. Na al wat er tusschen ons voorviel--stil, laat mij nu óók uitspreken--na de bedreiging in den straks genoemden brief, dat ik er niet op behoefde te rekenen ooit eenigen steun van je te zullen ontvangen...."
"Maar Philip, ik heb immers gezegd dat je een brief uit die dagen van spanning niet meer in rekening brengen moet."
"Ik weet het, maar je begrijpt toch dat ik me zelf verachten zou indien ik nu aalmoezen van je aannam. Van dat geld kan geen sprake zijn; berg het gerust in je portefeuille. We spreken er nu slechts over, of ik geen laagheid bega met mijn broeder de hand te geven, en mijn vrouw niet compromitteer met haar aan dien broeder voor te stellen."
"Maar Philip!"
De jongste Helmond schijnt reeds lang te hebben geaarzeld. Hij was in tweestrijd of hij rechtstreeks op zijn doel zou afgaan. Een oogenblik heeft hij naar buiten gezien; nu kijkt hij den broeder fiks in de oogen en herneemt:
"Je bent getrouwd; gisteren. Ik las het van morgen in de Haarlemsche krant die mijn huisbaas me leent."
"Ik kon je geen kennisgeving zenden omdat ik eerst dezen morgen je adres heb uitgevonden."
"Genoeg, ik wist het, August. Door dezelfde omstandigheid die je, eerder dan ik verwachtte, mijn adres deed vinden, vernam ik dat je in de stad waart. Ofschoon ik het in 't geheel niet wenschte, zoo voorzag ik de mogelijkheid dat je mij bezoeken zoudt, en nam zooveel ik kon maatregelen dat je mijn vrouw niet alleen zoudt vinden. Mijn voorgevoel heeft me niet bedrogen; en gave God dat ik nu zeggen kon, je verkeerd te hebben beoordeeld."
Minder gevoelig dan hij de laatste woorden sprak, vraagt nu de Jonge Helmond snel:
"Dus August, je schaamt je de vrouw van je broer niet, en wilt haar de eer geven die haar toekomt....?"
"Ja Philip, twijfel niet meer. Komaan, roep je vrouwtje!"
Philip zwijgt een oogenblik, en dan eensklaps met een stem die van dien inwendigen strijd getuigt, zegt hij bijna snerpend:
"Roep jij eerst de jouwe!"
"Wat! wát meen je?" zegt de oudere broeder, en Philip ziet hem bleek worden; "Haar roepen! hoe zou ik haar roepen! Zij is...."
"In het hotel misschien?"
"Ja, ik denk het.--Tenminste...."
"Hoe! is die, dáár.... is _dát_ dan je vrouw niet?" herneemt Philip met fonkelende oogen terwijl hij naar beneden in de straat wijst: "Is de mooie dame die zoo op- en rondkijkt uit die vigilante, niet dezelfde die je straks de hand hebt gegeven toen je er uitstapte, zeg....?"
"Nu ja, zij is het; maar kon ik haar wagen aan een ontvangst als deze.... aan....?"
"Ha! alsof ik mijn wereld niet kende! Was zij aanstonds meegekomen, ik geloof dat hier de ontvangst een heel andere zou geweest zijn!--Nee, je roept haar niet. Natuurlijk! ik begrijp dat je haar met roepen _kunt_."
"Men kan toch van een jonge vrouw niet vergen Philip, dat zij op den eersten dag van haar huwelijk bezoeken aflegt."
"Maar wel bezoeken bij vrienden op de Prinsengracht! Ha! nu kunje toch liegen niewaar? Toen ik van 't kantoor kwam heb ik dienzelfden voerman bij den ouden academievriend voor de deur zien staan. Zie je wel, dat ik vervloekt laag zou hebben gedaan met je de hand te geven. Zie je wel!--In een achterafhoek van Amsterdam, op een stille bovenkamer, daar zul je, door niemand gezien, aan die vrouw--ha! die _gemeene_ vrouw! een hand willen geven! 't Kon soms het reisgenot vergallen als je bedacht, dat daar in de Amsterdamsche achterbuurt een broeder gebrek leed omdat hij, zonder die hulde, geen aalmoes had aangenomen. Maar Goddank, je aalmoes behoeven we evenmin als je schijn vertooning van hartelijkheid. Zie, ik zou je kunnen verachten indien ik niet wist dat je van nature goed waart.--Maar pijnig me nu niet langer. Doe me 't genoegen deze kamer te verlaten. Die plaats dáár, dat is de plaats van mijn vrouw. Niemand zal haar verhinderen hier te zijn zoo ze dat verkiest. Boven alles ter wereld staat _zij_; ze is me als een deel van m'n lichaam.--August, ga heen!"
De oudere Helmond heeft zich vast voorgenomen om kalm te blijven. De valsche positie waarin hij zich tegenover dien trouwen maar dikwijls onbesuisden broeder bevindt; zijn eigen sluimerend vermoeden dat Eva--al mocht ze tot een bezoek te overreden zijn--toch niet veel goeds zal bewerken; de wensch van zijn edel hart, dat Philip en hij als broeders mochten scheiden, dit alles werkt samen om hem toegevend te stemmen.
Hij heeft wel ingezien dat een karakter als Philip door dit bezoek--terwijl August's jonge vrouw daar wacht in dat rijtuig--zich eer beleedigd dan aangenaam getroffen moest gevoelen. Eensklaps tot een besluit gekomen zegt hij nu zacht met liefde:
"Philip, om je vriendschap te herwinnen zou mij in dit oogenblik bijna geen opoffering te groot zijn. Geloof mij nu. Maar ook, gebruik nog eens je kloek verstand: Doe ik niet alles wat je met reden van mij verlangen kunt, wanneer ik hier kom om je vrouw als mijn zuster te omhelzen? Maar ook, kan ik een jonge vrouw, die gisteren nog mijn bruid was, reeds heden dwingen...."
"Nu is 't waarlijk genoeg August. Je kalmte zou me haast razend maken; maar ik beheersch me ter wille van de vrouw die dáár is, dáár in die kamer, en die ons waarschijnlijk woord voor woord zal verstaan. Weet nu kort en goed, dat ik ten opzichte van de moeder van mijn kind geen halfheid versta. Wil je mijn broederhart, waarachtig! kom dan met je jonge vrouw, mij en mijn eenige met open armen en zonder woorden te gemoet. Wij zijn broeders, zij zusters. Mij liefhebben en haar miskennen dat is mij beleedigen, ja, erger: _trappen_! Versta je August: is je die vriendschap ernst, dan ben je hier onze gasten; dan gaan de beide Helmonds met hunne vrouwen dezen avond te zamen naar park of opera. Nog eens, die mijn vriendschap verlangt, die _respecteere_ allereerst de vrouw die mij lief is boven alles!"
"Maar broeder Philip, zou er dan volgens je meening niets, volstrekt niets bestaan, waardoor mijn jonge vrouw er tegen op kon zien om aanstonds.... Nee, 't zijn geen verwijten; maar, in oprechtheid, is Virginie dan altijd, _altijd_ zoo te _respecteeren_ geweest als je verlangt dat ze nu.... gerespecteerd zal worden?"
August Helmond moest wel in een zonderling bewogen toestand verkeeren om in deze oogenblikken en op die wijze, zulk een teedere snaar te durven aanroeren.
Philips oogen schoten vonken vuur. De leuning van den stoel, dien hij in de hand houdt, kraakt in zijn vuist.--Moest hij dát komen verwijten; hier, in haar eigen woning, ja, in haar eigen oor!--Is dan het kind te beschuldigen wanneer een dolle stoeier het een breekbaar voorwerp uit de hand slaat; wanneer een zoete vleier het overreedt om hem een kostbaar kleinood ter bewaring te geven!
"Drijf en terg mij niet tot een uiterste!" snerpt Philip zijn ouderen broeder toe, terwijl hij hem doodsbleek met bevende lippen blijft aanstaren: "Ga heen, ga heen zeg ik je! Bezoedel met je vormelijk slijk ons rein geluk niet. Vertrek! dit is een _gemeene_ woning; maar zij is de _onze_! Die er een vinger naar mijn schat durft uitsteken, dien kon ik den kop verpletteren, al was hij duizendmaal mijn broeder.... Ga heen zeg ik je!"
"Philip bij God, ik wil vrede en liefde!"'
"Zwijg!" dondert de broeder: "zwijg of anders!"
Op hetzelfde oogenblik, dat hij den stoel nogmaals doet kraken, gaat de deur open, waardoor de slanke vrouw straks is verdwenen. Zichtbaar ontroerd treedt ze nu de kamer weer binnen. Haar ontroering verwinnend ziet ze vluchtig naar Philip, op wiens gelaat zich verbazing in den toorn heeft gemengd, en terwijl zij den bezoeker noch een schrede naderbijkomt, zegt ze zacht doch met klem:
"Mijn man verzoekt u te vertrekken mijnheer.... _Ons kindje slaapt_!"
ACHTSTE HOOFDSTUK.
Ofschoon dokter Helmond na de afgelegde bezoeken een drukkende hoofdpijn had, zoo wilde hij toch daarom zijn reisplan niet wijzigen, en vertrok nog dienzelfden middag met zijn Eva naar Rotterdam, om den anderen morgen van daar de reis naar Frankrijks hoofdstad te kunnen vervolgen.
Eva heeft als een lief en erg meelijdend vrouwtje, zoowel te Amsterdam als later in den trein, en ook in hun logement te Rotterdam, al het mogelijke gedaan om op hare beurt dien geliefden dokter eens spoedig geheel weer beter te maken. Of het baten mocht of niet, ze heeft bijna een fleschje eau de cologne op dat dierbare voorhoofd "verblazen."
Wat keek hij lief maar droevig als hij zoo'n pijn had, die goede dóór en dóór edele August. Eva kon het niet laten om hem een paar malen een zoen op die gesloten oogen te drukken, Wie zou, als hij, zoo óvergoedhartig zijn geweest om bijna een geheelen dag van die reis te willen opofferen, alleen--ja, want daarom is het toch inderdaad geweest--alleen om in een Amsterdamsche achterbuurt, een bezoek te brengen aan een jongeren broeder die zich allerinfaamst gedragen had? Zeker mocht het een bewijs zijn van Helmonds overgroote vergevingsgezindheid en bijna overdreven geringschatting van zich zelven, dat hij de minste heeft willen wezen, en een lichtmis de hand ter verzoening--ja wat méér zegt, zijn hulp en financieele ondersteuning had aangeboden. Ofschoon August bij het terugkomen uit dat huis haar nog gevraagd heeft, of ze er niet toe besluiten kon om toch even binnen te gaan, en die menschen als broer en zuster te begroeten, zoo heeft hij ook aanstonds moeten toestemmen, dat hij haar aan zulk een ontmoeting toch niet wagen mocht.--Zij is niet trotsch of hoogmoedig--of het moest op haar besten dokter wezen, want haar "beetje schoonheid is nu immers haar eigendom niet meer,"--maar een vrouw, en vooral een jonggehuwde vrouw, behoort haar weg met bedachtzaamheid te kiezen en zeer omzichtig in de keus van haar gezelschap te zijn.--Die woning in de Tuinstraat was er geen waarin Eva, zonder zeer in 't oog te loopen, kon binnengaan. En dan, behalve een doldriftigen lichtmis, zou zij er een vrouw vinden die--voortgekomen uit een der laagste en "meest zedelooze" standen der maatschappij,--niet heeft geaarzeld om met opoffering van haar eer, het ongeluk van een onnadenkend jonkman te bewerken.--Nee, August heeft het aanstonds moeten erkennen dat zijn jonge echtgenoote niet, als zuster, de vrouw kon omhelzen, die reeds als meisje tot zulk een peil was gezonken.
Uit Helmonds weinige woorden heeft Eva wel kunnen opmaken dat dit bezoek hem niet zoo aangenaam is geweest als hij het zich had voorgesteld; en, ofschoon August beweerde dat ze het zich moest verbeeld hebben, zij vergist zich niet dat ze bij hun wegrijden van die woning, een man voor een der bovenvensters heeft bemerkt die, met verwoede pikzwarte oogen naar beneden zag, en--zij meende het zeker--een dreigende vuist hield opgeheven.
's Anderendaags mocht August in het Badhotel te Rotterdam verkwikt ontwaken, en gevoelde hij zich met een helder hoofd en aan de zij van zijn schoone nu weer lachende Eva, een geheel ander mensch.
--Wat hij ten opzichte van Philip heeft kunnen doen, dat heeft hij gedaan. Die overtuiging wischt de droeve herinnering weg aan dien eersten dag na het huwelijksfeest.--Indien Eva had kunnen besluiten er binnen te gaan, dan... Maar neen, 't zou niet verstandig en zelfs niet kiesch zijn geweest indien hij sterker daarop had aangedrongen. Goddank, die storm is voorbij.
--Wat ziet zijn engel er lief en vroolijk uit, terwijl ze hem--bijna ten afreize gereed--met een zoen de kleine reistasch om den schouder hangt. En hij, hij sluit haar in zijn armen en zegt:
"Nu zal het dan ernst met Parijs worden mijn heerlijk vrouwtje." "Hadt je mijn raad gevolgd lieve, dan ware we er al gisteren geweest;" antwoordt Eva, terwijl ze half lachend met den vinger dreigt.
Maar hij:
"Toch is het zoo beter lief kind."
En Eva--of zij hem niet begreep:
"Ik ben tenminste maar blij dat die hoofdpijn verdwenen is."
Geen half uur later snelde het gelukkige echtpaar op de breede vleugels van den stoom de vele genietingen te gemoet, die vooral het jonge vrouwtje reeds van verre toelachten uit die heerlijke wereldstad.