Chapter 1
Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading Team at https://www.pgdp.net/
Dokter Helmond en zijn vrouw
Door
J. J. Cremer
Achtste Druk
A. W. Sijthoff's Uitgeversmij--Leiden.
JACOB JAN CREMER.
1 September 1827-5 Juni 1880.
Toen _Cremer_ nog leefde, was er soms in de gehoorzalen van onze groote en kleine steden een treffend tooneel te bespieden.
Dames en heeren uit de voornamere kringen, anders zeldzaam bij _Nederlandsche_ voordrachten, thans te laat gekomen, daar al de plaatsen reeds een uur te voren bezet waren, stonden zeer verlegen, maar volkomen waardig, uit te zien naar de eene of andere open plek. Een stoel op de verhevenheid naast den spreker, was alles wat overbleef. Eenvoudig, maar toch bewust van zijne kracht, trad _Cremer_ voorzichtig door de dichte rijen zijner hoorders. Zoodra hij begon, ving zijne overwinning aan. Hij greep onmiddellijk in de gemoederen, sloeg terstond den juisten toon aan. Zijne klankvolle, met meesterlijke berekening ingehouden stem drong overal door. Zijn geheel eenig talent van nabootsen sleepte zelfs den stugsten hoorder mee.
Welk een gloed in de voordracht, als hij den opgeblazen domtrotschen boer uit het "_Pauweveerke_" in zijn sjees doet voorthollen over den weg; hoe zacht en teeder klinkt de stem van _Kruuzemuntje_, als zij grootmoeder voorleest uit het sprookjesboek; welk eene schalkheid, als hij eene Overbetuwsche _Romeo_ en _Julia_ doet vrijen in den kersenboomgaard; welk eene kracht als hij den veerman _Dorus Giesels_ met zijne boot over de rivier laat roeien bij opkomenden storm--dit alles maakte _Cremer_ tot den grootsten dramatischen kunstenaar van ons vaderland in den verhevensten zin van het woord.
I.
_Cremer_, in de schoone Geldersche dreven geboren (te Arnhem den 1sten September 1827), meestal vertoevende op den Oldenhoff, het buitengoed zijns vaders, bij Driel, kwam van zijn jeugd af in aanraking met de Geldersche boerenwereld, die hij weldra--hij schreef zijne eerste dorpsvertelling op den Oldenhoff in 1850--met zooveel meesterschap zou voorstellen. Het is algemeen bekend, dat hij begon met het schilderen van Geldersche bosschen, maar spoedig boeide hem de Betuwsche menschenwereld oneindig meer dan de frissche Geldersche natuur. De rijkdom zijner waarnemingen deed zich beter, deed zich krachtiger gelden op het papier dan op het doek, en zoo is _Cremer_ de algemeen beminde novellist en romanschrijver geworden, die aan het bloeiend tijdperk onzer Romantiek zooveel luister wist bij te zetten.
Ik zal het genot door de lezing of door zijne voordracht der "_Betuwsche Novellen_" mij herhaaldelijk geschonken, niet licht vergeten. Hoe dikwijls vergezelde ik hem, als hij zijne beide rijke Betuwsche boeren, _Meeuwsen_ en diens zoon _Gijs_, van hun dorp naar Amsterdam doet reizen om de Kermis te zien. Aardig vooral is de schildering der rampen van de twee gegoede dorpers, die met allerlei slag van beleefde afzetters in aanraking komen. Het klagen van _Meeuwsen_, wanneer hij met eene plaatskaart der eerste klasse in den tochtigen derde-klasse-waggon zijne verzuchtingen begint met: "Slechte woar veur 't geld!"--de openhartigheid van Gijs, als hij in den omnibus op de vraag van den conducteur: "Waarheen?"--grinnekend antwoordt:--"Ik? Noar de Karmis, is 't niet, voader?"--zijne kinderlijke dankbaarheid, als een knecht uit den Doelen hem zijn reiszak afneemt en hij beweert, dat het "veul te vrindelijk" is--de kluchtige naïeveteit van beiden, vader en zoon--als ze, in twee verschillende vertrekken opgesloten, elkander toeroepen door het houten beschot: "Jong! woar zit ie? Wat zuwwe nou doen? Kom toch is hier?" en _Gijs_ antwoordt: "Mag dat voader?"--de verlegenheid van denzelfden _Gijs_, die, als hij eten bestellen moet, een reiziger aanspreekt, welke hem het zelfstandignaamwoord "Ezel!" toesnauwt--al deze en honderd andere kleine trekken zijn van eene verrassende comische kracht en getuigen tevens van zooveel fijne studie en trouwe schildering der werkelijkheid, dat ze aan _Cremers_ arbeid eene schitterende toekomst waarborgen.
De "_Betuwsche novellen_" leggen nog altijd het zwaarst gewicht in de weegschaal van des schrijvers roem. "_Deine Meu_" "_Oan 't kleine revierke_", "_'t Pauweveerke_", "_'t Kriekende Kriekske_", "_Kruuzemuntje_"--vooral dit laatste verhaal, zoo voortreffelijk gespeeld bij de voordracht--blijven de immer groenende twijgen aan _Cremers_ lauwerkrans. Er was eenmaal gedurende eene vergadering der redactie van "_de(n) Nederlandsche(n) Spectator_" een geleerde strijd over het nut en de wenschelijkheid van dialecten in novelle en roman. _Bakhuizen van den Brink_, die in _Cremers_ "_Oan 't kleine revierke_" bladerde en las, legde het boekske weg met de ernstige verklaring, dat hij er een paar dagen uit zijn leven voor geven wilde, mocht hij auteur worden van bladzijden als deze [1].
Allerliefst is de vertelling van "_Kruuzemuntje_." Dit aardig boerenkind wordt door _Bol_, den veldwachter--den slimmerik, die een beetje te veel "klaart en rooje-jenevert" zegt de Burgemeester--beschuldigd, van appels te hebben gestolen. Zeldzaam is een eenvoudig gegeven zoo geestig uitgewerkt. De aartsdomme Burgemeester, de handige Secretaris, de plompe veldwachter, het onschuldige kind, vormen een aantrekkelijk tafereel, waarvan de indruk nog verhoogd wordt, als men Grootmoeder en _Arie_, _Kruuzemuntjes_ vader, heeft leeren kennen.
Naast _Cremers_ dorpsvertellingen staan zijne novellen en romans uit het Nederlandsche stadsleven met eene eigenaardige strekking. _Cremer_ heeft evenals _Charles Dickens_ door zijne pen maatschappelijke hervormingen willen invoeren. _Dickens_ tuchtigde in "_Nickleby_" den ellendigen staat der kostscholen in Yorkshire, in "_Nelly_" ("_Old Curiosity Shop_") en "_Hard Times_" het verschrikkelijke lot van fabrieksvrouwen en fabriekskinderen; in "_Chuzzlewit_" de slavernij en de kwade praktijken der Yankees; in "_Dombey_" den geldtrots; in "_Copperfield_" de juridische knoeierijen van _Doctors Commons_; in "_Bleak House_" de nog grooter misbruiken van het kanselarijhof en de evangelisatie-dolheid van sommige domme Engelsche vrouwen; eindelijk in "_Little Dorrit_" den tragen gang van het Engelsch staatsbestuur.
Zoo strafte _Cremer_ in zijne "_Betuwsche novellen_" de zeven hoofdzonden telkens in het type van den eenen of anderen boer; zoo schrijft hij een pleidooi voor Frederiksoord en de Maatschappij van Weldadigheid in zijn "_Wouter Linge_". _Cremer_ heeft Frederiksoord bezocht, hij heeft gezien hoe dringend daar behoefte is aan stoffelijke ondersteuning. De teekening der geduldige liefde van _Anna Linge_ en _Willem_ is eene idylle met de strekking, om de aandacht te vestigen op eene instelling, wier voortreffelijkheid door onze landgenooten niet altijd op den juisten prijs wordt geschat. Een vermogend en edelmoedig Nederlander te Batavia, las _Cremers_ "_Wouter Linge_" en zond, onder omslag, een paar flinke bankpapiertjes naar Frederiksoord. Het feit is welsprekend en behoeft geene toelichting.
In "_Fabriekskinderen_" onderneemt hij een veldtocht tegen een groot onrecht in Nederland--de exploitatie van het kind door de ouders in de fabrieksteden; "van ouwers"--als Juffrouw _Baks_ zegt--"die zuipen en luieren en d'r eigen onmondig vleesch voor den kost laten zorgen." Met dit voortreffelijk kunstwerk had _Cremer_ veel geluk. De wet _Van Houten_ zal ter zijner eer blijven getuigen, hoe een dichter, ondanks duizenden ongunstige omstandigheden van eigenaardig Nederlandsche kleur, invloed oefende ten goede op de achtbare Nederlandsche wetgevende Macht.
In de grootere romans, die hij sedert 1867 begon te schrijven, streeft hij naar een dergelijk doel. "_Anna Rooze_" is een warm pleidooi tegen praeventieve inhechtenisneming, "_Hanna de Freule_" behandelt werkstakingen en de sociale quaestie, "_Tooneelspelers_" hekelen de vooroordeelen, in Nederland zeer ten onrechte tegen den stand en de personen van tooneelkunstenaars gekoesterd.
II.
Het verdienstelijke, het ongemeene in _Cremer_ is, dat hij de goedheid van zijn hart op treffende wijze in zijn kunstwerk openbaart. _Cremer_ heeft zijne natuurgenooten lief en gevoelt een diep medelijden voor ieder verdrukt, of onrechtvaardig ter zijde gesteld schepsel. Zijn warm hart voor al wat edel is en rechtvaardig, doet hem ijveren tegen elk onrecht, dat hij meent te ontdekken. In de teekening van booze naturen is hij niet zoo gelukkig, als in de schildering van edele menschen; hij verstaat de kunst om nobele karakters voor den schijn van eentonigheid te bewaren.
Het best zal men hem waardeeren, wanneer men een paar uitgelezen plaatsen uit zijne werken bijeenbrengt.
Onder de beste reken ik het volgende.
In de eerste plaats geef ik den aanhef van "_Wiege-Mie_", een der oudste en aantrekkelijkste der Overbetuwsche novellen:
"Hei je 't neis uut 't darp al geheurd?" vroeg de daglooner Peter Janssen aan zijne vrouw, die bezig was om voor haar vermoeiden echtgenoot de avondpap op te zetten. "Hei je 't al geheurd, Net, hoe miseroabel gauw de weduwvrouw van Cloas Hermsen hoar man is noagestapt?"
"Wàt zei je!" riep de huismoeder verbaasd, terwijl ze den aarden schotel met pap op tafel zette. "Is manke Heintje dood? Wel jong, jong, die twee hebben mekoar dan niet lang allinnig geloaten. Cloas is van de leinte gesturven en Heintje,--da's nou krek zes moanden loater! Jong, jong, 't is veur Wiege-Mie 'en heel ding, woar mot ze noa toe? ze het niks, geen spier; neejen en breien kan ze, moar da's alles, en ik geleuf niet, dat ze 't nog al te best duut.--Nou, stil, bloagen!" vervolgde vrouw Janssen, hare vier spruiten toesprekende, die hunkerend de roggemeelpap zagen dampen; "Moeder kan niet alles tegeliek! Hè'k nou ooit van m'n lêven! ze zal zoo um de vieftig zin gewêst en Wiege-Mie was met Sint-Jan achttien joaren in 't darp. Loawwe erst bidden, Peter, de kienders drammen en sjenken, da'k m'n iegen woorden niet heuren kan!"
Janssen nam het pijpje uit den mond, drukte de pet voor de oogen en vrouw Janssen gaf haar oudsten telg een duw, met een dreigenden wenk, om de oogen dicht te doen.
Men bad.--Peter bad ernstig met een dankbaar hart. Willem, zijn buurman, had zulk heerlijk avondeten niet voor zijne vrouw en kinderen. Zijn gebed was reeds geëindigd, maar, toen hij over den rand van zijne pet de wangen van zijne goede vrouw en de kinderen beschouwde, toen deed hij de oogen weer dicht en zei nog eens: "Ik dank u, goede en groote God, amen!"
Behaagt hier de eenvoud in de kleine landelijke woning, scherper wordt de toon van den dichter, als hij in "_Fabriekskinderen_" den rijken, edelmoedigen student tegenover het tienjarig straatjongetje zet, in den winternacht slapende op eene stoep gevonden. De student redde het kind van doodvriezen, nam het in zijne armen naar zijne kamer en legde het in zijn ledikant. Met de uiterste oplettendheid waakte de student voor zijn pleegzoon. Hij liet hem uitslapen, trok hem eene oude overjas aan en sloeg de mouwen tot vrijmaking van de handjes, halverwege om. Daarna zet hij hem op de sofa van zijne studeerkamer en overlaadt hij hem met krentenbroodjes en waterchocolade. De arme duivel van een fabrieksjongen zet groote oogen op:
--"Ben jij 'en prins?" klinkt het zachtkens van _Sanders_ lippen, en het jongske, wiens vrees na het kostelijk onthaal voor een groot deel was geweken, werpt een schuwen blik op zijn gastheer, doch slaat de oogen ook aanstonds weer neer.--"Ik? wel nee!" lacht _Willem_, uit zijn gemijmer ontwakende, "maar, als ik het was, zou je dan wel altijd bij zoo'n prins willen blijven?"--"Jawel" zegt _Sander_.--"Waarom?"--"Om ditte!"--zegt de jongen en likt nog langs den rand van den grooten chocoladekop. "Hadtje dit nooit geproefd?"--Het ventje grinnikt, alsof hij wil zeggen: "Dat kun je begrijpen."--"'k Dacht eerst, dat het mosterd was," zegt hij iets later.--"Mosterd?"--"Ja, die haalt moeder in een potje, en 's middags, als we van 't febriek kommen, dan krijgen we aardappels met zoo'n beetje mosterd in 't water."--"Niets anders?"--"Ja, soms wel een scheutje azijn. Vader en moeder eten spek, maar da's gallig voor de kinders, zeit moeder."--"Beesten!" roept _Willem_.--Neen, _Sander_, schrik maar zoo niet, dat geldt niet u of een van uws gelijken; hoor maar, hij vraagt u weer vriendelijk:--"En hoe heet je vader?"--"Dat weet ik niet," is het antwoord.--"Maar, jij, hoe heet jij?"--"_Sander Zwarte_."--"En wat doet je vader?"--"Hè, hè," grinnikt de jongen: "moeder zeit zuipen."--"Maar wat is hij dan van zijn ambacht?"--"Ambacht?" grinnikt het kind.... daar had hij nooit van gehoord.--"Waar verdient hij zijn centen mee?"--"Dat doen wellui."--"En hoe oud benje al, ventje; benje al zeven?"--"Ikke," zegt het jongske, "ikke ben tien."
In de geheele letterkundige werkzaamheid van _Cremer_ is geen knapper, geen meesterlijker bladzijde te vinden, misschien wel naïever, teederder, roerender.
Zoo bijvoorbeeld, in "_Anna Rooze_", als hij de geschiedenis der Veluwsche boerendeerne, _Hanneke Schoffels_, verhaalt. _Hanneke_ wordt onschuldig van kindermoord beticht. De schijn is tegen haar. Evenwel is zij zich van een anderen misstap bewust, zoodat ze, na een slapeloozen nacht, in den vroegen winter-uchtend voor haar stoel neerknielt en bidt:
"O Lieve Heere Jezus! wa'k oe verzuuken mag, loat 't niet uutkommen, nee! Voader zal mi'en vluuken en Joost.... O, God! ik zal wel tweemoalen Zundags noar de kerke goan; en van 't loon uutlegge veur den arme, vier duite wêks, of ook wel 'n stuuver. O Lieve Heere Jezus, ik was een kiende en...."
En ze was verleid door een Veluwschen schelm.
Zij wordt weggejaagd uit de pastorie, waar zij dient. Zij vlucht luid schreiend "noar moeders huus toe." Daar valt een aandoenlijk tafereel voor. De vader vreest het ergste, en stuift op. De moeder denkt alleen als een moeder kan denken. Zij verloochent de innige liefde voor haar kind niet.
Hanneke staat te klappertanden en vader ziet haar aan en herhaalt met krachtige stem zijne vraag: wat er dan was, dat haar op dat late uur van 't domineeshuis naar moeder joeg.--"Zie je dan niet Berend"--zegt de moeder--"dat ze hoast niet sprêken kan, zoo kolde ze is--kom hier Hanneke; hier op de vuurploate. 'k Zeg, loat ze erst bekommen, eer ze proaten zal. God, kiend! oe hande zin as' steen.... Hier, goat er zitten; hier op mien stoel."--Berend stelt zich in den weg. Hevig: "Ik vroag wàt, wàt, wàt er is?"--"Man, wês toch wiezer, altied den driftkop! Oe kiend is dood van de kolde, da's nommer een...."
Kan het moederhart treffelijker getuigen, dan met dit eenvoudige woord:--"_Oe kiend is dood van de kolde, da's nommer een._"--Het is mogelijk, dat elders de zielkundige studie van meer ontwikkelde, en rijker aangelegde karakters een hooger kunsteffect zal kunnen bereiken, maar mij boeit deze eenvoudige teekening, mij sleept dit kleine drama in eene Veluwsche boerenwoning mee; ik ben er den edelen dichter dankbaar voor, en hoop, dat zulke bladzijden den letterkundigen naam van _Cremer_ in de toekomst zullen handhaven.
Dus voortgaande zou men eene vrij uitvoerige bloemlezing uit _Cremers_ novellen en romans kunnen verzamelen. De lezer zijner thans opnieuw uitgegeven werken zal deze poging gemakkelijk zelf kunnen voortzetten. Ik wijs nog op enkele voortreffelijke bladzijden in "_Anna Rooze_"--de heldin met haar vader, den zeeofficier, bij het graf der jong overleden moeder; de beschrijving van den storm, die uit het Overmaassche zich verheft en Rotterdam teistert--alles voortreffelijk werk, evenals de teekening van de fabriek in "_Hanna de freule_", als _Hein Pronk_, de stoker, nieuwe kolen in den vuurgloed werpt en het dreunend gerucht der werktuigen elk ander geluid onhoorbaar maakt.
III.
Stelt men de vraag, waardoor de arbeid van _Cremer_ zich onderscheidt, wat zijn naam zal doen leven voor het nageslacht, dan behoort men te wijzen op zijne onmiskenbare verdienste als Nederlandsche _dorpsnovellist_.
_Cremer_ was niet de eerste, die de hand legde op de in onze eeuw zoo hartelijk geliefde stof--de dorpsvertelling. In 1844 had onze _Van Koetsveld_ met zijne "_Schetsen uit de Pastory te Mastland_" het eerst de aandacht voor het Zuid-Hollandsche dorpsleven gewonnen. En zelfs _Van Koetsveld_ was niet de allereerste, zijn boek verscheen eenige jaren na de "_Camera Obscura_", waarin reeds "_'s Winters buiten_", "_Gerrit Witse_" met het dorp Van _Claartje Donze_, en de "_Nederlandsche Karakterschetsen_" met "_Teun, de(n) jager_" voorkomen. En reeds vroeger, 1821 en 1822, las men in de "_Vaderlandsche Letteroefeningen_": "_Leven en wandelingen van Meester Maarten Vroeg_", in 1826 te Haarlem in twee deelen uitgegeven. De Nederlandsche nieuwere dorpsvertelling begint dus met _Jacob Vosmaer_ en _Van Koetsveld_. Want er is ook eene oudere, die in de 17de eeuw onder den titel van "_Arcadia's_" zeer veel werd gelezen. De moderne dorpsnovelle, zooals _Cremer_ die schreef, stamt eensdeels van _J. H. Voss_ ("_Luize_", 1784) en van _Goethe_ ("_Hermann und Dorothea_", 1796), anderdeels van Sir _Walter Scott_, die tafereelen teekende uit het leven der Hooglanden en der Orkney-eilanden. Omstreeks 1830 begint men in verschillende landen de aandacht op kleine landstreken en dorpen te vestigen. De schildering van het onbekende, kleine, maar frissche dorpsleven gaf afwisseling, na de reusachtige doeken der historische romanschrijvers, na de bonte tafereelen uit het high-life der groote hoofdsteden van Europa.
Naast _Walter Scott_ komt aan Duitschland de eer toe de moderne dorpsvertelling het eerst te hebben voortgebracht. De bekende Zwitsersche paedagoog _Pestalozzi_ begon met eene schildering van het boerenleven in zijn "_Lienhard und Gertrud_" (1781), een boek, bestemd het volk te leeren en te verheffen, evenals _Zschokkes_ "_Oswald, oder das Goldmacherdorf_" (1817), dat evenwel lager staat omdat het droger, gekunstelder is van toon. Eerst in 1836 gaf Albert Bitzius zijn "_Bauernspiegel oder Lebensgeschichte des Jeremias Gotthelf_" die alom grooten opgang maakte en den schrijver zelfs als "den Shakspere van het dorpsleven" deed prijzen. Eenige jaren later kwam _Gotthelf_ met zijn "_Uli der Knecht_"--_Bitzius_ had zich den naam van zijn eersten held tot pseudoniem gekozen--welk boek aan een Nederlandschen dorpspredikant _Van Schaik_, de gelegenheid gaf (1852), om er eene quasi-oorspronkelijke Drentsche geschiedenis "_Geert_" uit saam te stellen.
Na _Gotthelf_ oogste _Berthold Auerbach_ de schoonste lauweren met zijne dorpsschetsen uit het Zwabische leven, _Immermann_ met zijne Westfaalsche tafereelen, eindelijk gunden beiden den schepter aan _Fritz Reuter_, den schepper der Voor-Pommersche en Mecklenburgsche dorpsgeschiedenissen. Deze specialiseering der stof kwam steeds meer in zwang, zoodat _Klaas Groth_ de dichter van het Ditmarsche volksleven, _Moritz Jókai_ de gevierde novellist van de Magyaarsche boeren, _Sacher-Masoch_ de geschiedschrijver der Karpatische bergbevolking werd. Russische boeren werden door _Tourguénief_ en _Tolstoi_ behandeld, voor Elzas-Lotharingen traden _Erckmann-Chatrian_, voor de Vlaamsche dorpen _Hendrik Conscience_, _Sleeckx_ en de gezusters _Loveling_ op.
Niet het minst vloeide uit het jonge Amerika stof voor deze afdeeling der romantische litteratuur. Daar was het frissche natuurleven, de nog onbeschreven schoonheid van tropische planten en bosschenweelde te waardeeren, daar vormde zich eene rij van novellendichters, die weldra blijvenden roem in de oude wereld zouden winnen. 't Eerst kwam _Friedrich Gerstäcker_, om weldra overtroffen te worden door zijn geheimzinnigen landsman, _Charles Sealsfield_, die eigenlijk _Karl Postl_ heette, en sedert 1834 met zijne "_Trans-Atlantische Reise-Skizzen_" een grooten naam maakte. _Gerstäcker_ gaf den indruk van oppervlakkige stofferij, _Sealsfield_ schilderde de wording van een nieuwen staat, Texas, met onmiskenbare juistheid van waarneming en verblindend coloriet. Beiden stonden in nauwe betrekking tot _Fennimore Cooper_, die het eerst al de aantrekkelijke poëtische frischheid van de nieuwe wereld in zijne beroemde romans had geopenbaard. Ook Fransche dichters betraden het Amerikaansch terrein. _Gabriel Ferry_ schilderde met opmerkelijk talent de Mexikaansche wildernissen, een gebied ook betreden door den Ierschen Kapitein _Mayne Reid_, die zich berucht maakte door de vermetelheid zijner "onjuistheden." _Gustave Aimard_ werd de lieveling der nieuwsgierige jongelingschap, _Xavier Marmier_ schonk eenige Egyptische en Noordsche natuurtafereelen, terwijl _Jules Verne_ een ongehoorden bijval verwierf door de geheele stof der natuurwetenschap op meesterlijke wijze in romantischen vorm te gieten.
De Amerikanen gingen op den ingeslagen weg voort. Wat _Sealsfield_ voor Texas gedaan had, deed _Bret Harte_ voor Californië en _Mark Twain_ voor Nevada. Beide jongere schrijvers trokken terstond de algemeene aandacht, omdat zij geheel onbekende typen van menschen, geheel onbekende zeden ten tooneele brachten. Juist dit verlangen onzer eeuw naar het nieuwe, naar zedenschilderingen, en teekeningen van verborgen of weinig bezochte plekjes uit de oude of nieuwe wereld, heeft den naam van de meeste der genoemde kunstenaars beroemd gemaakt. De Nederlandsche dominee _Van Schaik_--reeds genoemd als kopiïst van _Gotthelf_--poogde later een West-Indischen roman te schrijven.
Het onbetwistbaar meesterschap van _Multatuli_ in zijn éénigen kolonialen roman, de onderhoudende Oost-Indische verhalen van _Ritter_, _Van Hoëvell_, _Van Rees_, _Groneman_, _Perelaer_, mevrouw _Frank_ en _Annie Foore_ stelden _Van Schaik_ in de schaduw. Maar meer nog werd hij overtroffen, toen _Cremer_ zijne _Over-Betuwsche_ en _Veluwsche_ schetsen begon te schrijven. _Cremer_ maakte een school van schrijvers, die hem allen met meer of minder talent navolgden: _Van Duinen_ (_Thineus_), met Groningsche, _Lesturgeon_ met Drentsche, _Beunke_ met Zeeuwsche, _Heeren_ met Overijselsche, _Hollidee_ met Noord-Brabantsche en _Seipgens_ met Limburgsche zedenschilderingen.
_Cremer_ werd voor Nederland in betrekking tot de Betuwe, wat _Fritz Reuter_ voor Duitschland in betrekking tot Mecklenburg en Voor-Pommeren geworden is. _Cremer_ neemt in de geschiedenis onzer letteren de plaats in dier talentvolle kunstenaars, welke elders eene bijzondere zijde van het volksleven _het eerst_ hebben beschreven. _Moritz Jókai_ deed voor het Magyaarsche landleven, _Auerbach_ voor de Schwartzwälder boeren, _Gotthelf_ voor de Zwitsersche, wat _Cremer_ voor onze goedhartige naïeve Betuwers deed. En daarom bekleedt _Cremer_ een geheel eigenaardigen rang als Geldersch dorpsverteller, hooger dan als romanschrijver, dan als dramatisch auteur. Mocht men willen aanmerken, dat _Cremer_ zich bijzonder op het vak van miniatuurschildering heeft toegelegd in afwijking van de breede epische manier door _Reuter_ en _Auerbach_ gevolgd, dan stem ik dit gaarne toe, onder voorwaarde, dat men tevens erkenne, hoe beider wijze van opvatting en schildering hare eigenaardige, talentvolle aantrekkelijkheid bezit, hoe _Cremer_ daarom aanspraak heeft op de dankbaarheid van het geheele Nederlandsche volk.
Dr. JAN TEN BRINK.
AANTEEKENINGEN
[1] Het eerst medegedeeld door A.L.H. _Ising_, in "_de(n) Nederlandsche(n) Spectator_" van 1880, n°. 24.
[2] _Berm-rand_, het gras langs den straatweg.
DOKTER HELMOND EN ZIJN VROUW.
EERSTE HOOFDSTUK.
Aan het eind van een kleinen stadstuin, nabij een ouderwetsch poortje in den tuinmuur, staat een prachtig bloeiende roode meidoorn.
En zie, terwijl hij met een stroom van geuren den hof vervult, staat daar in zijn vriendelijk lommer een minnend paar, dat, dicht aaneengesloten, zeer zachtjes fluistert.
Wat ze spreken zou slechts de meidoorn kunnen verstaan,--maar immers een meidoorn heeft geen ooren.
"Ja liefste Eva, morgen zal het zijn! Morgen! en dan voor altijd aan elkaar verbonden!"