Part 2
—Ampelos weet niet van triomf, noch van overwinning, maar Ampelos weet, wat, zoo het Zeus ware, een goddelijke droom hem te doen beval! Te spelen de melodie, die ik speelde, opdat je àl te snelle voeten niet zouden verdwalen... en, zoo je mij gevonden hadt en genaderd ware over dezen vloer van viooltjes... je, Dionyzos, te geven den staf, dien mijn hand heeft omklemd in mijn sluimering. Zie hem hier, o god, en ontvang hem...
—Deze staf! zei Dionyzos teleurgesteld en hij zag naar den groenen stok, dien de Faun, Ampelos, hem bood. Deze staf zoû mijn schepter zijn... Deze staf zoû mij zijn wat mijn vader Zeus is zijn bliksem, Poseidoôn zijn drietand... Deze staf, deze groene stok...
De Faun naderde, en beiden, Dionyzos en Faun, bezagen den staf aandachtig.
—Zie, Dionyzos, zei de Faun, Ampelos; dit is geen staf, als een herder uit dor hout zoû gesneden hebben. Deze staf is groen hout en leeft, en zweet van ambergeurige sappen. Deze staf is er een, die zwelt van geheimzinnige levenskiem. Zoo het Zeus ware, die hem vlijde in mijn hand, om ze je te overhandigen dezen morgen van vreugde, zal het geen staf zijn, waardeloos als herdersstaf, of welke boomtak uit het takrijke woud. Dàn zal deze stok zijn een levende schepter van blijde vroolijke toekomst... Zie, zijn knoesten en knoopen: ze leven! Geuriger is dit hout dan alle viooltjes te zamen, en de geur is die van boschbes en braam, maar geperst tot een heftiger heerlijkheid en de aroom vertienvoudigd in bezwijmelende kracht... Deze stok is een wonderstok. Wat er meê te doen, zoû zijn wellicht...
—Wat zoû wellicht met mijn stok te doen zijn, o Faun?
—Hem te planten op een gunstige plek en te zien of hij uitbot tot vreugde... Met je eigen godenhand hem te planten, o Dionyzos... Kom, zoeken wij samen de plek...
—Ik ken niet dit woud...
—Ik ken het... Kom meê... Zie, het heele woud juicht, dat een god is gekomen. Schrik de hamadryaden niet weg met je glans... Doe of je ze niet let, Dionyzos... Er is een wuiven tot in de opperste twijgen, er is een vonkelen van oogen tusschen de looveringen dicht... Hier is het zonnegoud en daar lachend oogenblauw blij... Kom, Dionyzos.
—Ik volg je...
—Ik speel de wijze, al gaande... Ik de wijze al spelende, zal mijn lied onbewust ons leiden ter goede en gunstige plaatsen. Waar zonen van Pan, hier en daar, beantwoorden de blijde wijze, als vogelen antwoorden aan vogel, en waar zij ons lokken, zijn de gunstige plekken, ter keuze om te planten tot vreugde onzen stok...
—Hoor...!
—Er antwoorden mij al dra... Hoor nu, Dionyzos... Nu, van overal, weêrschallen op mijn fluitje schel, als echo op echo, de schelle fluitjes der schalke zonen van Pan... O, er zijn tàl van gunstige plaatsen. De aarde, onze moeder, is mild en vol goedheid... Welke kant zullen wij uitgaan, zeg, Dionyzos. Kies...
—Kies ik?
—Ja. Keuze van god, onbewust, zal onfeilbaar zijn boven mijn keuze.
—Ginds uit...
—Recht?
—Ik hoor een schelle fluit antwoorden je fluit, recht voor ons uit...
—Gaan wij...
Zij gingen. O, het woud schalde van fluit overal... De Pansfluiten overal klaterden uit, antwoordden des spelenden Fauns blijde wijze... En de vogelen er tusschen, kwinkelden dol, niet begrijpend, dat het er schetterde scheller dan zij, in het woud, waar anders maar éven de rietjes der Panskinderen droomden. Rechtuit ging de spelende Faun, vlak op den hiel volgde hem Dionyzos, verblijd om al het gelok, dat met heel teedere gamma’s snel daalde en steeg, in het rond... Of overal parelen vielen uit de rinkelende lucht, of in de lucht parelen werden opgeworpen. Of overal druppelen neêrtintelden dauwig, of òpfonteinde overal druppelend watergepoeier... Of snelle beekjes afvloten en stroompjes rotsblokken overbruischten... Een liquide dalen en stijgen overal, overal, en het was geen water, maar klank... Boven al dien klank uit peep helder de Faun zijn blijde fluitwijze breeder... Maar altijd en overal en meer en meer antwoordden wel duizende fluitjes blij.
Daar opende het woud op zonnige vlakte: de rotswand kartelde weg; in de verte sneed de blauwe einder der zee gladrecht het lichtere azuur van de lucht. En Dionyzos zag den kleinen Pan, die hem gelokt had, nu schuw over den rotswand ijlen, zijn fluitje nog aan de lippen, zijn vinger nog in de trilling van spelen. Hij ijlde weg, schuw voor den god, die blank geschitterd was uit het donkere steeneikenwoud te voorschijn. Hij ijlde weg op zijn vlugge bokspootjes, schelmschuin nog omkijkend en sidderend zijn staartje. En even gedonkerd en ruig tegen het lichte luchtazuur, huppelde hij schichtig, en ter andere rotszijde dalende, verdween hij tusschen de scherpe kloven...
—Hier is de gunstige plek, zei de Faun.
—Wat zal het geven, Ampelos, mijn stok hier te planten!
—Vreugde, vermoed ik.
—Vreugde?
—Zoeken wij de állergunstigste plek, zeide Ampelos en hij bezag aandachtig de knoesten en knoopen van den tooverstaf, die scheen sappig te zwellen van leven. Deze stok zal niet hoog wassen tot boometrots, als de eiken, die ritselen van heilige orakels. Woudschaduw zal hij niet geven, en eer dan mannelijk van trots, schijnt vrouwelijk deze plant mij van vreugde te zullen uitbotten, en, vruchtbare moederplant, te zullen vruchtbaar leven wekken overal, onder de verliefde zoenen van Helios. Zie, al is krachtig de plant, in mijn hand buigt zij om week en lenig, als een nymfelijf, dat zich wringt... Wordt uit het geheim van dit hout nieuw leven gewekt, dan zal het steun moeten vinden, als voor duizend verliefde nymfe-armen. De gunstigste plek is deze, en, zag ik dit hout als boometrots, zoo plantte ik in het midden van dezen wat zandigen grond mijn stok, maar nu uit de zwellende knoesten ik raad zwierende weekheid van leniger rankengroei, zoû ik mijn vreugdestok willen planten tegen den rotswand daar ginds, opdat zij, de ranken, dadelijk steun vinden voor haar zeker wat dartelen en dollen overmoed... Die zoû anders de ranken rekken over den grond, als eene naar liefde hijgende ze overal strekken uit te-vergeefs... en de dieren des wouds zouden over ze gaan en ze vertrappen, onwetend en dom... Daarom, o Dionyzos, is mijn raad: plant den stok dicht tegen den rots aan...
—En je raad, mijn Faun, voel ik onfeilbaar... Alleen... als ik droomde de overwinning van héél de wereld, o Ampelos, van HEEL de wereld... wat vang ik dan aan een stok te planten op een zandige plek, aan tegen een rotswand... Wat zal, bot mijn zoo heerlijke plant hier uit, hare verliefde rank de wereld mij winnen...? Zal zij de wereld omhelzen en boeien voor mij? Duister schijnt mij de wil van mijn vader Zeus...
—Dionyzos, het woud is in vreugde... Zie Dionyzos, het woud is in vreugde... De wereld is in vreugde, omdat zij wellicht vóórgevoelt haar heerlijken overwinnaar in jou! Zie, trilde ooit de hemel zoo hel azuur? Orakelden ooit zoo geheimzinnig de ritselende eikenbladeren? Schalden ooit zoo schel overal, overal, duizende fluitjes der zonen van Pan, ons lokkend, hier, daar, overal? Overal lokken zij naar gunstige plekken! Wij kozen de allergunstigste, want wij kozen je keuze, o mijn god, en je heilige onbewustheid leidde ons... O, Dionyzos, twijfel niet aan je droom, en twijfel niet aan de waarde van dezen staf, waaruit je de overwinning zal woekeren met ranken zeker over heel de wereld... Kom, plant nu den stok.
—Ik?
—Ja...
—Mijn hand zal beven, o Faun, als ik plant... Mijn hart zal sidderen van toekomstverwachting. Ik? Plant ik? Plant voor mij!
—Neen Dionyzos, plant zelve den stok. Want zoodra je godehand hem zal omvatten en in de aarde, losgewoeld, planten, zal de groene vrouwelijkheid er van trillen, als onder vasten greep van omhelzing! Dionyzos, plant den stok! Wat dunkt je van hier, waar de middagzon aànslaàt tegen het rotssteen? De plant zal er zijn als een nymf, vast tegen den rots aangedrukt en overgeleverd aan de verliefde genade van een goudblakenden god, van Helios zelven, o Dionyzos...
—Hier, o Faun, ja hier dunkt mij de allergunstigste plek nu... O, voel het rotssteen, het is een vuur. De aarde gloeit onder mijn voeten.
—Ik woel de aarde los...
—Aroom stijgt uit de aarde op...
—Zoo is het diep genoeg... Wortel zal schieten de stok, Dionyzos, plant je, met beide handen, hem met liefde nu in dezen kuil...
—O, met liefde plant ik hem! Stok, bot uit! Edel hout, rank weelderig naar alle zijden!... Zeus, plant ik mijn overwinning?
—Nu zamelen mijn handen den zandgrond weêr dicht om den stok, Dionyzos... Dionyzos, de stok rijst als een mysterie omhoog...
—Is het niet, als gebeurt er een wonder? De stok, eerst recht, kronkelt...
—Als een verliefd nymfelijf...
—Dat Helios blaakt...
—O, zie Dionyzos, zie... De stok, in een zwelling van zijne sappen, schiet hooger op met zijne kronkeling, als een wonderplant, die plotseling wast...
—Uit de knoesten, die openbreken, strekken als verliefde armen zich de takken, en voelen uit naar den rotssteenwand, alsof zij bezwijmelen van eigen nieuw leven en niet weten waarheen... Nu trillen de teederder twijgen uit...
—Nu sidderen van groen de twijgen en de bladeren ontplooien... O, Dionyzos, dit is een nieuwe boom, en hij zal zijn je eigen, Dionyzos! De druiveboom, die is voorspeld!
—Faun, zie, mijn druiveboom heerlijkt uit in kronkelende ranken en van nooit nog gezien ooft zwellen er kleine besjes aan...
—De besjes zwellen...
—Zij zwellen... Voller worden de trossen...
—Zacht rozig bleek eerst, purperen de trossen, en hangen nu zwaar...
—De ranken rekken verder over den rotswand...
—En krinkelend als met klauwtjes teêr, hechten zij zich vast aan het steen...
—En kronkelen haar rankjes om iedere punt, die uitsteekt... O, mijn wonderboom, o mijn wonderboom, o mijn heerlijke druivewingerd! Faun, kom, plukken wij een tros, en proeven wij dien om te weten hoe smaakt ooft zoo nieuw. Ja, van boschbes en braam is de geur, maar heftiger te zamen geperst en de aroom vertienvoudigd in bezwijmelende kracht! Hier, Faun, ik pluk er een tros af... Zie, hoe heerlijk mijn tros mooi is! Zie, hoe heerlijk... Een waas als van eersten dageraad ligt over de even gepurperde blauwte, als een schuchterheid over een gloed! En hoe zwaar is mijn tros! Nauwlijks kan ik hem beuren... Nu til ik hem met beide handen omhoog om hem vonkelen te doen in de zon. In iedere druif trilt als een roode drop, zichtbaar en schitterend door den wazigen glans van de schil. Hoe zwaar, hoe zwaar is mijn tros... Ik vrees, de steel zal breken... Ik neem den tros in beide handen nu vast, ook al ontwijden mijn vingers het waas... De tros bloost in mijn palmen, als of hij blaakt in mijn liefkoozing! O Faun, nu te zoenen, te zoenen mijn tros... Maar hij is zoo zwaar, dat ik mij schrap op de voeten moet zetten; mijn lendenen buigen achterover, mijn spieren spannen om hem op te tillen naar de gretigheid van mijn lippen toe. Nu, o nu, lig je, tros, op mijn mond! Nu, o nu drukt je mijn mond te pletter! Als een even gepurperde zwaarte blauw ligt de tros over mijn gelaat, streelt mijne oogen, die zich sluiten, zoekt met zijn druiven mijn hijgende lippen en purperkraalt af tot op mijn borst in mijn armen, die hem tegenhouden! Zware, zware tros... een roode geur zweet als een walm uit je op... Zware, zware tros, ik wankel onder je bezwijmeling... O Faun, ik zie, mijn oogleden even geopend tusschen de druiven, dat je deedt als ik, en plukte een tros, en hem bracht aan je lippen verliefd... Zware, zware tros... o, nu val ik onder je zwaarte... Nu lig ik in het warm gestoofde zand en je ligt zwaar op mijn hart, op mijn mond! Mijn purperen wellust, kom! Hier in mijne armen druk ik je te pletter! Tegen mijn hart, op mijn mond! Faun, ik perste den tros, omdat ik bezwijmelde onder mijn wellust, en niet weêrhouden kon den drang van mijn armen. Nu stroomt zijn roode bloed, mij langs de lippen en over mijn leden! O, Faun, ik zie, rood bloed stroomt je de lippen en de leden over? Je perste den tros!! O Faun, nu druipt mij het bloed in den mond en rilt langs mijn verhemelte! Nu zamel ik de gekneusde druiven, woest, woest, in de kramp van mijn hand, en pers ze razende uit, boven mijn mond: Faun, het bloed van den tros, verkracht, stroomt met een rijken straal, stroomt mij binnen en gloeit tot in mijn merg! Nog een tros, een andere tros! Weg, de geperste schillen, die flauw afvielen over mij heen! Ik slinger de leêge rank! Ik wil op: een andere tros! Mijn beenen wankelen, Faun, van zaligheid, zoo nieuw, zoo groót en zoo purper! Een andere tros, hier! O Faun, zie!! Ik zag nog niet, verblind voor iets anders dan eigen gewaarwording, maar nu ik pluk, zie ik...: over heel den rotswand woekert mijn wingerd! Heerlijke rijkdom, goddelijke gave! Een andere tros, een andere! Op mijn mond, tegen mijn oogen, dat ze meêdrinken; op mijn borst, dat ik mij er in baad! O, tros, stroom uit in mijne omhelzing! Tros na tros, stroomt uit in mijn omhelzing! Rotswand van trossen, kom, druk ik je uit in mijn omhelzing! Ik wil mijn armen zoo wijd, dat ik je, rotswand van trossen, geheel te pletter druk in mijn omhelzing—ook al zoû ik zelve sterven, verpletterd onder je zwaarte en verdronken in den stroom van je bloed! O Faun, kennen de goden daarboven in goudblanken Olympos dit blakend genot! Neen, neen, zij kennen het niet. Het was het genot, dat MIJ Zeus gaf, mijn vader! Het is het genot van de lachende aarde en de wereld, die ik juichend verwinnen zal! Mijn genot zal mijn macht zijn! Genietende zal ik heerschen, zwijmelen, overwinnen! Woekeren overal uit wil ik mijn wingerd nu laten! Rotswand na rotswand over! O Faun, pluk meer, o Faun pluk meer, pluk àlle trossen, die je hand kan bereiken!
—Dionyzos!
—O, Faun, pluk meer...
—Dionyzos, pluk niet alle! Zie, al wankel je onder de hevigheid van het genot... Er is maat...
—Wat geef ik om maat! Laat maat houden de waardige Muzen... ik wil geen maat, ik wil geen maat! De onmatige wellust wil ik!
Nu, wankelend, klom Dionyzos den rotswand op, maar hij struikelde tusschen de ranken, en viel, lachende, tusschen de trossen, waar hij bleef liggen, lachende, als een groote vogel in een purperblauw nest. Op kon hij niet meer komen, om zijn lach en om zijne bezwijmeling, en de Faun moest hem helpen: Dionyzos sloeg om Fauns hals bei zijn armen en sterke Ampelos tilde hem hoog uit der ranken verwarring en klom met hem af.
—Dionyzos, nu plukken wij ranken, om ze te toonen hier en daar, om ze te planten op gunstige plekken, op alle, waar ons riepen Pans fluitjes...
—Faun, nu plukken wij ranken, om ze te toonen mijn waardigen meester, wijsgeerigen Silenos, en de liefelijke nymfen van Nyza, mijn eeuwig jeugdige pleegmoeders...
En zij plukten ranken lang, waar de zware trossen aanhingen tot op den grond, maar zoo was Dionyzos bezwijmeld, dat hij trapte de trossen, en wankelde; om hem stroomde rood bloed... Dan lachte hij en boog zich en in de hand schepte hij het op, en dronk het zich uit de palm...
—O Dionyzos, o Dionyzos! riep de Faun; hoog rijst Helios aan den middag... brandende schieten zijn pijlen hier; ginds droomen de schaduwen van het donkere woud! Kom Dionyzos, toef nu niet langer; dronken van druiven en zongestoofd zal je neêrvallen in de gloeiende zanden en zal kracht je ontbeeren weêr op te staan... Dan zal je zijn als een overwonnene, Dionyzos, in steê van een wereldverwinnaar! Dionyzos, nu hebben wij trossen geplukt; Dionyzos, kom nu meê... Kom, ik til je in mijn armen; ik tors je tot waar ik woon in mijn mossige boschtent, daar waar ik dezen nacht, ter eere je komst, duizende viooltjes deed bloeien. Dionyzos, kom, ik til je... Nu heb ik je op mijn schouder; hier, draag de trossen, sla de rank je over de schouders, hoû de ranken nu vast in je vuist... laat ze niet vallen, o Dionyzos, de kostelijke wingerdtakken... sleep niet in het zand de wazige trossen... Toon ze onbezoedeld te Nyza! Kom, nu draag ik je voort... O, de zanden schroeien mijn zolen... omdat Helios erbarmingloos is in dit uur! Hier naderen wij de eerste schaduwen... Hier rijzen de steeneiken... hier is al koeler de schaduw... Overal, Dionyzos, zien de hamadryaden uit... Nog, in de verte, zachtjes, verklinken de Pansfluitjes, even weemoediger, omdat wij niet hier en daar zijn gekomen, omdat wij niet overal zijn gekomen! Fluiten, schalt helder op: wij komen, wij komen overal, wij komen op alle gunstige plekken! Dionyzos triomfeert over àlle gunstige plekken... Hoor, Dionyzos, nu schallen zij helderder, omdat ik hun beloofde je komst! Sla een arm om mijn hals, Dionyzos, want je wankelt op mijn schouder, en zwikken zal je en de kostelijke trossen zal je verliezen. Sla een arm om mijn hals... Zoo, zoo ijl ik vlugger... Zoo hoû ik je vast, zoo hoû ik je vast... zoo ijl ik met je het woud door... door al het nieuwsgierig gespie van de boomnymfen, die nog niet weten wat druiven zijn! Hamadryaden, dit zijn druiven! Zie, dit zijn welige wingerdranken! Zie, dit is purperen genot! Hij, dien ik draag, is de koning van het blijde genot en de god van het juichende leven: dat wat hij geven gaat aan héél de wereld, om haar te overwinnen! O, de gelukkige menschen, de zalige volkeren, wie hij het blijde genot en het juichende leven zal geven, in spillende, spillende overdaad...! gelukkiger dan goden zullen zij zijn, zoo zij weten te genieten genot, zoo zij weten te juichen het leven! Dionyzos, hier naderen wij mijn tent van dichte looveren...; al zwaait als uit offerschaal je de walm van mijn viooltjes te moet... Duizende bloemetjes van dezen nacht: eert Dionyzos, hij komt! Hij komt, ik draag hem al als een overwinnaar, in zegetocht! Geheel het woud heeft hem toegejuicht! Alle gunstige plekken trillen hem tegen! Hij komt, hij zal overal komen! Hier, o mijn god, rust hier uit... rust hier uit, hooger je hoofd op viooltjes en mos... Hij slaapt al... nog in mijn armen, die hem nedervlijen op zijn geurige bed; hij slaapt al en zijn mond is open in een glimlach—onbewuste herinnering aan zijn genot... Slaap, Dionyzos, slaap... Stemmen van het woud, zwijgt... laat Dionyzos sluimeren... in de warme ure des middags... Hamadryaden, nadert... nadert éven op lichte teen, geluideloos... geluideloos... nadert, nadert maar... Zie, dit is Dionyzos... Zie, hamadryaden, dit zijn druiven... Hier, neem een paar trossen, en proef ze druif voor druif, opdat je wete wat is de gave van Dionyzos... Aanschouwt hem even, en gaat dan stil... Hij is heerlijk als een god, die hij is... en hij is òns verwant en der aarde... Hij, hij is onze koning... Stemmen van het woud, zwijgt... fluiten, zwijgt... vogelen, zwijgt... wateren, zwijgt... bries tusschen boomen, zwijg...: Dionyzos... Dionyzos sluimert...
II.
Dien avond, zinkend de zon achter verre bergen in geleidelijk verwelken der hemelen, dwaalden de nymfen van Nyza om langs de boorden der meergladde zee, schimmeblank bijna, oneigenlijk in vallende schaduw breedgebladerder vijgeboomen, mimoza’s in bloei nog even opgelende met stuifgepoeier van bloesemwemeling, als der laatste dagkleuren kreet. Het was als zweefden de nymfen uit schaduwen aan in schaduwen: hare tengere blankheden schemerden uit en wischten zich weg; zij doken uit gedonker, in vaag zusterlijke omhelzing en ommedoling, zichtbaarder even tegen de parelklaardere zeevlakte, die de bergen, van nacht alreê amethyst, afsloten met donkerder wal—en zij verloren zich op nieuw, of zij droomen waren, die waasden... Een stilte dreef als eene betoovering: zoo stil sloop de nacht aan over de aarde, dat Silenos, liggend tegen een boomstam, hoorde van visschen roeiklapperen de staartjes...
—Waar of nu Dionyzos blijft... mijmerde Silenos. O, hij ontgroeit aan bezadigde wijsheid... Waar is de tijd, dat daalden de waardige Muzen neêr, en hij zat in haar midden en luisterde met kinderaandacht naar haar edele woorden. Zij leerden hem het ontstaan van hemel en goden, zij leerden hem zang en reidans, en hij danste met haar negenen. Mij schemert nog de edele zweving der ronde voor de oogen: nog zie ik de negen vrouwen schoon en verheven en lieflijk, en het blijde kind in haar midden volgen hare zangwijze en danszwevenden stap over anemonen, die nauwelijks bogen onder tred zoo licht... Dat was maat, dat was edele kunst... De nymfen schaarden omheen, en het was éen vreugde van edele beweging, éen vreugde van edelen klank. Nu is het kind groeiende, nu is hij bloeiende tot jongen man, tot hij de goddelijke grens van zijn groeibloei bereikt heeft en zal ZIJN voor de eeuwigheid jong, zonder te vreezen de droefheid van den iederen dag onverbiddelijk naderenden ouderdom. O, wel gelukkig de jonge god, die nooit dien weemoed zal kennen... Ik was jong, maar ik word ouder; ik word oud, de weemoed van het einde nadert mij al... Maar wat stoort hem de ziel toch, den laatsten tijd... als of hij toekomst wachtende is, en vervulling van goddelijk lot, droomt hij, en is onrustig zijn slaap, en zijn dartel en onbezonnen zijn dagen van vreemd verlangen, en niet weten wat willen... als of de beemden van Nyza te klein hem worden met de veilige bergen aan de parelige zee, die nooit de stormwinden beroeren, daar zij breken tegen zoo hooge wal. Zoon van Zeus is hij god, maar waarover hij godheerschen zal, is nog de duistere toekomst, en zelfs de Muzen, die het àlles weten, hebben nooit doen raden wat zal zijn Dionyzos’ taak. Ik, ik ben bang voor de toekomst! Zij nadert... Wat zal zij zijn? Onrust en strijd wellicht, zwerven en zwerven ver... terwijl Nyza is een beemd van vreugde en van kalmte, uiterst geschikt om te peinzen over de raadsels van onszelve, en die der geheele natuur. Ik, ik ben bang voor de toekomst! O, waar blijft nu Dionyzos... Toch kan ik hem niet in den vallenden nacht gaan zoeken...: mijn oude beenen zullen struikelen over boomwortelen, en mijn oogen zien niet door de schaduwen van den vallenden nacht... Waar of Dionyzos nu blijft... Hoor, trilt er niet in de verte een fluit? Of vergis ik mij en suizen mijn ooren van louter stilte? Ja ik vergiste mij; mij suizen de ooren... Maar neen... er klinkt een naderende fluit... Ook de nymfen daar schijnen te hooren... Zij verzamelen zich... zij spieden uit! Het is een fluit, het is een fluit! Duidelijker zingt de wijze op, en... ik herken ze wel: is ze niet de blijde wijze, die lokte Dionyzos diep in het midden van het donkere woud? Wat of hij vond... Zoû nu de blijde wijze hem kondigen aan? Komt hij? Ione, zeg mij... zoo jij het bent, die daar ommedwaalt, wit als een nevel aan den boord van de zee, Ione... is dat Dionyzos? Komt Dionyzos terug? Ja... zij wenkt mij van ja... Kom, ik ga hem te moet...
Hij rekte zich loom en lui en stond op. Heller door de stilte van nacht, naderde de blijde wijze en plotseling lachten de nymfen van Nyza, vroolijk om het blijde geluid... Bladeren bruischten even, er kraakten gevallen takken onder het naderen van stappen. Plots steeg de wijze heel snel, trillerde als een vogel hoog in de lucht, en viel neêr met losse druppelen. Toen zweeg de fluit en het lachen der nymfen antwoordde de lach van Dionyzos.