Dionyzos

Part 14

Chapter 143,975 wordsPublic domain

—O, Dionyzos, nu voel ik den wensch zwellen in mijn hart trouw te blijven aan mijn smart! Helaas, jij was de tros! Helaas, ik omhelsde den tros! Zij stroomde purper uit in mijn schoot! Ik glimlachte, ik glimlachte, ik bezwijmelde in purper geluk... Helaas, waar bleef mijn smart! Waar blijft zij? Waar is Thezeus? Ben ik hem ontrouw, als hij mij ontrouw was! Is de liefde een verworden? Ariadne zag den held, Ariadne zag den god! De held wreekte zich in liefde op haar, de god troostte haar in liefde! O tros, o god, o Dionyzos! Ik ween, omdat ik purperen vreugde kende, en omdat ik purperen vreugde niet weêrstond. O, zwakke ziel, die niet kàn blijven lijden! O, wanhoop, die zich wèl troosten laat! Helaas, blijde Dionyzos, helaas, gouden god, purperen tros, er is niets dan het glanzend verworden en schaduwend wisselen: er is niets, waarom wij stevig de handen slaan, niets waarom wij krachtig de armen prangen... Het wisselt en schaduwt in glans om ons rond, voor ons uit, en wij weenen om niets, en wij lachen om niets! O, edele god, gouden god, purperen god, o god van wondervreugde en trossenwonder, geef mij éen oogenblik de hechtheid des levens! Vast wil ik de hechtheid des levens als een marmeren zuil, al hang ik er in smart aan, groot, groot als mijn wanhoop om Thezeus was. Eén oogenblik de hechtheid des levens!? O, Dionyzos, ge glimlacht en ge schudt het hoofd, als of ge weet, als of ge weet, dat die zuil niet bestaat of verbrokkelt in onze omhelzing? Gij, om de brokkelende zuil, zoudt uw wingerd aanstonds laten weligen en de vreugde hare broosheid vermommen doen? O, vluchtig leven, o zwakke ziel! Waar gaan mijn wenschen en mijn smarten heen, waarheen mijn wellust en mijn wanhoop? In het ijle... in het ijle... Tooverspel van tinten! Zeepbel na zeepbel na zeepbel! Boven dat tooverspel en die zeepbellen glimlachen de eeuwige goden... Om niets was zoo droef mijn jeugd? Om niets verwekte vrees het Geloei? Om niets vluchtte ik met hem en verliet hij mij? Weêrschijn na weêrschijn na weêrschijn! Is dit bestaan dan de ernst waard! O, menaden, gij hebt gelijk! Woeste saters, gij hebt gelijk! Ariadne aanvaardt de vreugde! Dionyzos, ik aanvaard de vreugde! Maakt mij geheel, menaden, aan u gelijk: geeft mij het beestevel! Geeft mij den thyrs! Geeft mij een tamboerijn! Menaden, reikt mij de handen! Hier, ik zwier met u rond! Dit is uw tred, dit is uw danstred: ik ken hem, ik ken hem alreê! De vreugde is licht te aanvaarden! Over het Eiland, het eiland heen, lange keten van vreugde, vreugdevrouwenfestoen, schakel wil ik zijn met u mede...

En Ariadne, in den zwier van menaden en nymfen, danste meê en weg in haar wildheid, naar hoogere heuvelen en hoogere rotsen, en zij zag de Nereïden reien en haar wuifde Amfitrite tegen.

Maar de blijde god Dionyzos riep uit:

—O, Ampelos, Ampelos, kom!!

En hij wierp zich aan Fauns borst en klaagde:

—Zij aanvaardt de Vreugde, maar zij gelooft niet aan de Vreugde! Ampelos, haar stem klonk schril, toen de menaden zij riep!

—O, Dionyzos, nooit is zuiver de Vreugde te aanvaarden voor wie de Smart heeft gekend! Kende ik de Smart? Dionyzos, kende jijzelve de Smart? Dionyzos, kende Hermafroditos iets anders dan den Weemoed in cypressenschaduw? En kennen wij beiden de Vreugde het zuiverst niet? Herinner je, er was niets dan blijheid: ik droomde en ik werd wakker, den wijnstok in mijn palm, dien Zeus er zelve gevlijd had: je kwam, ik lokte je met mijn blijde wijze en viooltjes ontbloeiden onder je voet: wij zochten samen de gunstige plek en plantten den wijnstok, de Vreugde, en er was niets dan de Vreugde, er was niets dan de Vreugde! De Vreugde overwon overal! En waar de Smart haar weêrstond, werd zij verpletterd!

—O, Ampelos, ik spaarde de Smart voor het eerst!

—En de Smart aanvaardt de Vreugde met bitter hart!

—... Omdat ik de Smart zelve mij naderen voel!

—Dionyzos, wat zal de Smart je ooit naderen...

—Ik weifel, ik weifel, Ampelos: zal ik, IK de wereld verwinnen! Zie, mijn armen zijn als van een meisje...

—Dionyzos, ik weet nog, toen ik je zag, voor het eerst, als een lachende knaap, blij vroolijk, dartel en moedig... Je groeide, je borst werd breeder, je ronde arm spierde zich even... maar weemoed groefde dieper in je glanzenden blik van viool, en je hart, in mannelijker borst dan toen, versaagt, als het destijds nimmer versaagde...

—Ik weifel, o Ampelos, ik weet niet meer... Zie, zoo heerlijk schoon is de zonnige morgen, vreugde is er op eiland en zee, vreugde om Amfitrite en om Dionyzos... mijn wingerd weligend heerlijker dan ooit en ik... ik zoû weenen willen...! Ampelos, laat mij weenen in je arm... Vriend, neem mij teeder aan je borst... Laat mij je hart voelen kloppen... Ik ween, zie, mijn tranen vallen... Ik ben niet meer het kind, dat de nymfen van Nyza—nu de dartelste der Bassariden—opvoedden tusschen de anemonen; ik ben niet meer de knaap, tot wien neêrdaalden de Muzen met waardigen dans en edel rythmiesche maat; niet meer de dartele leerling van Silenos, die spotte met zijn wijsbegeerte; ik ben niet meer de allereerste wijnbouwer, blij, zalig om Zeus’ nieuwe gave aan zijn godenzoon... Ik ween, zie, ik ween, weemoedig... Mijn weg was éen zege... en ik ween... Ik overwon koninkrijken en landstreken, ik sprenkelde de vreugde overal, tot in Tartaros toe; mijn agavesteel versloeg de Giganten... En ik ween... Mijn ziel zwelt van weemoed... ik wil zijn als een kind... Ampelos, laat mij in je armen weenen, en troost mij... Zeg mij éen woord, dat mij troost... Geef mij troost, MAAR LAAT HET GEEN DRUIVETROS ZIJN... Neen, geen schaal, geen tros, geen vreugde... Ik verlang iets, ik weet niet wat... O, mijn moeder, Semele, gij verlangdet als ik... en Zeus willigde uw verlangen in! Gij verblaakte, zal ik òok verblaken? Vrouw van de aarde, ben ik uw zoon? Aarde, ben ik uw kind? Ween ik daarom? Ik verlang...: o wat verlang ik? Wat laat mij weenen en onrustig zijn, terwijl cymbelschel de Vreugde heerscht? Ampelos, o ik wensch, ik verlang... Ariadne de vreugde te sprenkelen, zóo dat zij die aanvaardt zonder bitterheid! Helaas, zie... zij lacht, zij zwiert, zij zwaait den thyrs, zij drinkt-uit de volle schaal... rondom haar juichen de dolle menaden... en ik zie haar groen juweelen oogen dol kijken met den blik van een ree, die Artemis jaagt! Ampelos, ik ben onmachtig... Ampelos, de smart overwint mij! Ariadne’s smart overwint mij! Eenmaal zal MIJN Smart... mij dooden!!

—O, mijn onsterfelijke god en mijn vriend, nooit zal de smart je dooden!

—Ik, ben ik onsterfelijk?

—Worden zal je het, langt eenmaal Hebe je nektar.

—En Ariadne?

—Wie weet...

—Ampelos, ik heb haar lief!

—Sedert wij, Dionyzos, spaarden de smart, verwon de smart ons... maar niet tot den dood!

—Overwint de smart ons... Overwint de smart je... Ampelos...?

—Mij...? De weemoed verwint mij zeer zeker...

—Waarom?

—Ik had Dionyzos lief als de Vreugde... Ik torste de zegevierende Vreugde op mijn schouders... Wij verwonnen de Wereld!

—Nog niet... nog niet geheel...

—De Weemoed verwint mij... Ik troost Dionyzos weemoediger dan Hermafroditos ooit was... En als de Smart...

—Als de Smart?

—Zal ik hem niet troostend omhelzen!

—Ampelos, waarom zal je Dionyzos, als hij de Smart is, niet troosten?

—Ik zie de Toekomst... ranken steeds als éen druiven weg: ik zie, een vrouw, een vrouw blank...

—Ariadne?

—Zij!

—Maar Ampelos?

—Ik niet!! O, de Weemoed verwint Dionyzos’ Faun...

—Waar is de eerste Vreugde!

—Waar is de Vreugde!

—Ampelos, bied mij den beker!

—Ik zie er geen!

—Ampelos, hier bied ik een tros je! Ampelos, ik beveel je: heb vreugde!!

Blauw omglansd, straalde de god heerlijk op, en hij reikte Faun den vollen tros. En Ampelos omhelsde dien woest, maar hij omhelsde tegelijkertijd Dionyzos.

—Zware tros! riep hij razend uit. Zware tros, Dionyzos, stroom uit in mijn omhelzing! Ik wankel onder je bezwijmeling!

—Ampelos, Ampelos, kom mee! riep Dionyzos vervoerd in zijn armen. Ginds zwieren zij allen, in hoogste verrukking; ginds zwiert Ariadne en wenkt mij!

En hij sleepte woest aan de hand Ampelos meê, die den gepletterden tros uit zijn omhelzing liet vallen...

Uit de schaduw der oleanders trad Hermafroditos te voorschijn, en hij zag den god en zijn Faun, de hand boven de oogen, lang na...

XIV.

Feest was arbeid tevens geweest en de saters, zonen van Pan, hadden overal, waar gunstig de plek was, den wijnstok Dionyzos’ geplant. Als éen groote tros zwol zelve het eiland purper, en nu de nacht donkerde, zonk de loome bewustloosheid van den slaap overal neêr als een betoovering over wijnbouwers en vierders van feest. De zee, ontvolkt van waterschepselen, gladde in Selene’s zilveren ernst zich strak als met blinkende lakens toe naar den einder, die huiverde, nauwlijks zichtbaar. De lucht welfde wolkenloos, en Selene stond vol en straalde... Onder den nieuwen wingerd drukte op wijndronken Naxos de slaap zwaar. De druivetriremen dreven roerloos; op het strand lagen, in de armen elkaâr, de uitgefeeste schepelingen. In de bosschages snorkten saters en slapende wilde beesten, getemd.

Op een violensponde lag Dionyzos.

Hij lag, het hoofd diep achterover, en zijn bronsblonde lokken, ontknoopt, stroomden over zijn schouders en op den grond. En hij lag, slapende, als een god, die lijdt. Over zijn voorhoofd pijnlijkte een ernst weemoedig, zijn mond was open en hij hijgde zachtjes. Zijn arm sleepte op den grond laag en zijn hand hield krampachtig grashalm omklampt. Toch, niettegenstaande zijn leed, was een blauwige schijn om hem, en Ariadne, van verre, alleen wakende nog, zag verwonderd naar dien bijna maneglans. En zij murmelde:

—Zie, hoe hij ligt en glanst!

Zij naderde en in de slaapstilte zag zij op hem en hem lijden.

—Hij lijdt!? En toch kent hij de Smart nog niet en lijdt hij niet om zijn eigene smart! Hij lijdt om Ariadne’s Smart... O, in den wilden dans heeft hij het mij herhaald: „nu voel ik den wensch zwellen in mijn hart te doen wisselen de smart voor de vreugde in glanzende levensverwording... maar zonder bitterheid, zonder bitterheid, Ariadne!” Helaas, ik heb het hoofd gebogen in een glimlach en zijn beker aanvaard. De woeste vreugde heeft mij verder gesleept, ik heb de woeste vreugde aanvaard! Aanvaard ik morgen Dionyzos’ eigen en edelere Vreugde? Dezen nacht al? Drukte ik hem, in een tros herschapen, al niet in weelde van liefde aan mijn lijf? Thezeus...! Thezeus...!! Wat is Thezeus ver! Waar is de nacht van gisteren, toen ik lag in Thezeus’ armen, in zijn liefde wreed maar mij goddelijk! Waar is de morgen des wreeden ontwakens, toen ik na veel weifelen en hopen de zwarte zeilen ten laatste aan den einder zag! Ver... ver is het alles heen... In het ijle, in het ijle... Tooverspel van tinten! Zeepbel na zeepbel na zeepbel! Weêrschijn na weêrschijn na weêrschijn! Helaas, wat kan ik, zwakke, tegen het goddelijk sterke leven! Wat kan mijn zwakke ziel tegen den troost, die haar overweldigt en haar bezwijmelde met purperen tros! Wat kan mijn smart tegen de goddelijk sterke vreugde der zee en des omwingerden eilands! Ik sta met mijn smart alleen in een duizendvoudige jubeling! Het jubelde van alle zijden naar mij toe: Dionyzos, Dionyzos! Hadde hij mij niet gespaard, de vreugde had mij verscheurd als een blijde leeuw een blatend en klagelijk lam! Hij spaarde mij, de vreugde verscheurde mij niet, maar zij omdrong mij van alle zijden. De lucht was vol van het vreugdegeschal. Zee en eiland bevolkten de dansen der vreugde. Ik dwaalde alleen met mijn smart! Ik weende alleen met mijn smart! Ik verborg mij onder wingerdtente en de Tros viel mij in den schoot! O, zwak lichaam, o zwakke ziel, zwakke smart die zich wèl troosten laat... Geen smart duurt langer dan de sterke Vreugde het wil, zoodra deze haar verwint... O smart, o smart, blijf bij mij! Wat roep ik, wat klaag ik, vergeefs! O, wat kan ik, zwakke, tegen het sterke leven, tegen de sterke Vreugde, wat kan ik tegen Dionyzos! Hij overwon mij, en spaarde mij... Goden, ik heb hem lief!! Thezeus, ik heb Dionyzos lief! Wreede held, Ariadne bemint den zachten wereldverwinnaar! Helaas, hij lijdt om mij! Edele god, gouden god, purperen god... hij lijdt de smart van Ariadne, want eigen smart weet hij niet! De vreugde zonder bitterheid...! Onverzoenlijke, gij zult het nooit willen... Afrodite, gij wilt het niet! Ik ben het kind van Pazifaë, ik ben een spruit van goudglorenden Helios... O, ik heb hem lief, ik heb hem lief! Ik ben het kind van mijn moeder: Afrodite bezielde ons altijd... Wat is dit voor een nieuwe liefde, die mij smelt in het hart, in de oogen met tranen, op den mond met een smachting naar zoenen! Trillend sta ik naast zijn sluimering en zie ik op zijn lijden neêr... O, hem niet meer lijden te laten; o, de vreugde alsemloos te aanvaarden! Het zoete van zijn beker alleen en niet de droesem van mijn smart... Smart? Heb ik smart? Ver... ver is mijn smart heen! In het ijle... in het ijle! Tooverspel van tinten! Zeepbel na zeepbel na zeepbel! Weêrschijn na weêrschijn na weêrschijn! Er is niets, er is geen smart... O, arme menschen, arme halfgoden! Gij lijdt en hebt lief om niets! Boven u glimlachen de goden sterk... Mijn ziel, ze herbloeit al weêr... Wat geeft het of ik er zelve om ween! Mijn ziel herbloeit, zij herbloeit! Zij is dronken van vreugde geweest, en nu, nu is zij smachtend naar vreugde weêr! Zijn edele vreugde na hun woeste vreugde... O, goden, ben ik gelukkig, gelukkig, terwijl ik ween? Thezeus... gij zijt ver: alle verschrikking, alle afschuw, alle wreedheid, alle wanhoop... het is alles, het is alles zoo ver...! Er is niets dan Naxos... Dionyzos’ Naxos... er is niets dan Dionyzos! Zijn vreugde! Een god... een god troostte mij! Dionyzos troostte Ariadne! De fluiten pepen troostvol, de cymbels sloegen goudschellen troost, de trossen stroomden purperen troost! O, stille nacht, o stille nacht van troost! O goden, ik ben gelukkig! Mijn tranen vloeien om mijn zwakke zelf, maar ik ben, o goden, ik ben gelukkig! Ik sla mijn armen uit, ik weet niet waarheen, van louter, van louter geluk! O, zoo zwak in smart, is Ariadne gelukkig! O, geluk, vluchtiger misschien dan de smart mij, o vreugde, waarheen slaan mijn armen uit? Dionyzos, Dionyzos, ontwaak! Ontwaak, ontwaak... Ik ben gelukkig!!

En op de knieën naast zijn violensponde viel Ariadne naast Dionyzos neêr en omhelsde zijn afhangende hand. Hij ontwaakte en hoorde haar laatste woord, en voelde op zijn hand haar zoen. Toen murmelde hij, nog slaap-, wijn- en leeddronken:

—O, Ariadne, nu voel ik den wensch zwellen in mijn hart...

—Te doen wisselen de smart met de vreugde... Maar zonder bitterheid, zonder bitterheid.

—Ja, zonder bitterheid, Ariadne...

—Dionyzos, ik bèn gelukkig! Ik ween om mijn zwakheid, maar helaas, Ariadne is gelukkig!

—Sprenkel ik vreugde, Ariadne...

—Ja... Dionyzos, vreugde en geluk, gelúk! Zie, ik ween aan je voeten, omdat alles, alles, zoo ver is... Thezeus, verschrikking, afschuw, wreedheid en wanhoop... en omdat ik heel bang ben voor het geluk, dat heel broos zal zijn, als de smart al zoo broos was... Maar ik ben gelukkig, ik ben gelukkig! Wat kan tegen het sterke Geluk! Wat kan Ariadne’s zwakke smart tegen het overstelpende sterke geluk! Vreugde en geluk zijn als krachtige saters, smart was als een weenende nymf zwak! Vreugde en smart, rood als wijn, goud als zon, schaterend als Dionyzos, verkrachtten mijn arme zwakke smart in het druivegenot, en de zee lachte, de lucht lachte, de aarde lachte... àlle, alle goden lachten, schaterlachten om de arme verwonnen smart! Goden, ik hoor zelfs Thezeus lachen! Alleen... ik hoor niet Afrodite’s lach en ik vrees voor die schijnkracht van geluk en van vreugde...

Op zijn sponde zat de god overeind en hij hield Ariadne in zijn armen. Zij zag hem aan, hij zat in glans als in eigen maneschijn en van zijn voorhoofd was het leed opgeklaard. Rustig, zelfbewust en jong heerlijk zat hij en hield zijn bruid in de armen, heerlijk schoone dochter van Helios’ dochter. En hij zeide:

—Ik weet, dat ik de Vreugde ben, en dat heel sterk is mijn Vreugde! Ik weet, dat ik de Vreugde altijd was, en ik gloei van trots, omdat ik de wereld overwin, aardsch erfdeel, door Zeus mij beloofd! Hoor, Ariadne, de Vreugde zal altijd krachtiger zijn dan de smart! Heerschen over de wereld zal altijd mijn Vreugde! O, zaligheid, zaligheid: Dionyzos heerscht, zijn Vreugde heerscht! Ariadne, welk geluk zwelt in mijn ziel! Sprenkelde ik je de vreugde, Ariadne? Is er geen alsemdrop meer in den beker? O, zaligheid, o, zaligheid; o, vreugde... O Zeus, heb dank voor mijn kracht, en mijn erfgoed! Wat ziekte in mij van weemoed en weifeling! Waar is Ampelos, opdat ik hem vraag...! Wat twijfelde ik ooit toch aan mijzelven... O, zaligheid, o zaligheid... Zie, Ariadne, ik sta op...: ik ben een man; ik groeide van vreugdekind en van vreugdeknaap tot een vreugdeman; ik voel mij sterk en onoverwinlijk...! Dit is omdat krachtig mijn Vreugde is, onoverwinlijk, en omdat ik ze overàl sprenkel! De wereld sprenkel ik ze over! O zaligheid, o zaligheid... Ariadne, ik ben gelukkig... Wat dacht ik aan Smart toch en welke smart kan mij treffen, nu ik Ariadne’s smart heb gelenigd en haar vreugde heb gesprenkeld! O zaligheid, o zaligheid: ik verlang naar den nieuwen dag! Bruid, ik smacht naar den nieuwen morgen! Grijze schemering, vlied! Eos, verschijn! O, zaligheid, Dionyzos, gelukkig, vreest niet de broosheid van zijn geluk... Stil Ariadne, twijfel niet... Hier, in mijn arm voer ik je voort naar het strand van de kalme zee! Zoolang mijn zeereis dure, zal geen storm woeden: Poseidoon heeft mij lief; hij gladt-uit zijn waterwegen! O, zij hebben mij allen lief...! Ik sprenkel ook vreugde hun, den grooten goden. Zij zien lachende op mij neêr, als ik strijd... Zij hebben mij allen lief...! Stil, o bruid, twijfel niet! Zij hebben mij allen lief...: Afrodite... zij heeft mij lief... Zij kàn Dionyzos zijn bede niet weigeren. Stil Ariadne stil, nu bid ik tot Afrodite... In den nauwelijks rozigen morgen, o Afrodite, hoor mijn bede... Ik ben Dionyzos, die je roept... Zie, dit is Ariadne, en je toornde haar als je deedt alle de haren. Je gaaft haar de liefde en je strafte haar in liefde! O, goudene Afrodite, is het aan godin, zoo duive-lieftallig, en zoo overmachtig schoon, te zweren wraak zoo onverbiddelijk? Afrodite, hoor: als een sterveling gewoon, bidt Dionyzos bij de zee, uit wier schuim je oprees verblindend: wees Ariadne en wees mij genadig! Niet anders dan als een herder, die je twee tortels brengt in je tempel, bidt Dionyzos, zoon van Zeus, god der vreugde, verwinnaar der wereld tot het morgenland toe: O, Afrodite, wees ons genadig! Wees onze liefde, ons geluk genadig! O Afrodite, wees de Vreugde genadig!!

Zoo bad de blijde god Dionyzos en hoewel zijn gebed smeekte en nog niet juichte, was hij vol vertrouwen, in Afrodite, en in Zeus, zijn vader. En hij stond aan de parelige morgenzee, en zag naar den pareligen morgenhemel, achter wiens azuur de goden, zijn goddelijke broeders en zusters, en onder hen Afrodite, hem zeker wel, Ariadne in de armen, schuchter,—welgevallig glimlachend zouden gade slaan. Hij stond en de blik vol vertrouwen, violenblauw, zocht in den hemel, die klaarde; zijn oor luisterde als naderde op zijn bede antwoord; zijn glimlach was een jeugdig blijde zelfbewustheid. Zijn hand streelde Ariadne’s zongoudene haar, en zij, aan zijn hart, hoorde zijn liefde. Een angst voor de Onverzoenlijke deed haar eigen hart kloppen onstuimig. Zoû de wreede godin, schrik van Kreta, geesel harer in verdwaaldheid bemind hebbende moeder, hooren en een teeken geven? Wat verwachtte haar goddelijke bruidegom? Zij zag op van Dionyzos’ borst. Zij zag uit over de zee. Het krokoskleurig gewaad van Eos was reeds in ijlte verbleekt en Ariadne schrikte op, omdat aan den einder, uit de breed ontslotene poorten, in helderder uitstraling van goud, als op goudenen heirweg, die zich langs den hemel rondde, Helios verscheen, in de zonnevuisten de blinkende leidsels des vurigen, schuimblanken vierspans! Nooit had zij den god, vader harer verdwaasde moeder Pazifaë, zoo in zijn zonneglans gezien. De dag, plotseling, gloeiend van glorie, straalde wijd, wijd uit over de aarde en over de zee: het was of de zee zich uitbreidde, blauwer; het was of zij overal eilanden zag liggen, die zij nog niet had gezien; het was of zich vergoddelijkte de menschelijke wereld, het geurige eiland van haar smart en geluk. Uit de zee, hier en daar, overal, doken de Nereïden op, zingende elkaâr toe, wuifden elkander, wezen met den vinger uit... Wezen zij naar de glorie van Helios, die nu mende zijn stralend vierspan den hemelheirweg op, hij staande triomfantelijk in de zonnekar? Neen, zij wezen lager, naar de Oostelijke poort, die, nog niet gesloten, uitvloeide een parelen lichtstroom... En plots zàg Ariadne, en gaf zij een kreet, en klampte zich aan Dionyzos. Want zij had herkend en in Dionyzos’ arm stierf zij bijna van angst, hijgend. Zij had herkend! Op den parelen lichtstroom, die na Helios’ goudgloed schoot uit de steeds opene poort, dobberde over de kalme zee, nauwelijks morgenbriesgerimpeld, een heel groote schulp, en op die parelmoêrige dobbering naderde-aan Afrodite zelve! In doodangst zag Ariadne toe. Zij had de godin, vijandin haars geslachts, nooit gezien en zij wist niet, wat zoû gaan gebeuren. Zij gaf een kreet, half in zwijm tegen haar bruidegom aan. Maar in een parelen glorie, te heerlijker, daar Helios zoo straalde, dobberde nader op haar schulp de godin, die stond; en de druk van haar teen stuurde de schulp, naar het scheen, waar zij wilde, in de richting van Naxos, van Dionyzos. Zij was zoo schoon, dat Ariadne ontzette. Zij was zoo schoon, dat de Nereïden staakten den zang, en openmonds bleven staren. Zij stond in hare kalme overheersching van bovenmatige schoonheid, en haar glimlach omdreef haar met een hellen glans, en toch was die glimlach er een van een kind, een bedorven kind en allerlieveling. Het hoofd geneigd ter zijde, glimlachte Afrodite. Hare schoonheid boetseerde haar in levend albasten lijnen, die heel week en nauwelijks wisselden. Hare schoonheid was een lieftalligheid, die kon goddelijk zijn, een lieftalligheid eeuwig en oppermachtig. Nader aandobberend, staarde Ariadne haar aan, en vergat, dat zij heur vijandin was. Het zuiver edele van het gelaat versmolt al te groote strengheid in den glimlach, die glansde. Van de heel ronde kruin golfde het haar opgeknoopt als een vloeiend goud en kruivende licht. De rozebladronde schouders, de leliënde armen, de dubbelgeroosde boezem, liervormig de heupen, de bloemestengelende beenen, voet, van welk éen stuurde de schulp, schenen uit tastbaar licht geschapen, en het licht bezield met leven en god-vrouwelijkheid. En zij was zoo schoon, dat zij op dit oogenblik van overglanzing nauwelijks verzinnelijkte tot welken zweem ook van wellust. Uit de zee waren de tritonen gedoken, en, de godin herkennende, toeterden zij schel hun hoornschelpfanfare. Uit de oleander- en laurierbosschages waren aangestroomd de faunen en saters en heel Dionyzos’ leger bevolkte in dicht gedrang het strand, maar zoo schoon was Afrodite, dat onbewegelijk saters en faunen stonden, geboeid door hare schoonheid alleen, van welke nooit wederga was gezien. Bij haar werden de Nereïden en nymfen lieftallige schepselen, onbeduidend, en Ariadne’s zonnige schoonheid verbleekte tot een schim. Zoo naderde Afrodite. Geheel de zee zag haar aan, lucht zag haar aan, alle schepselen staarden haar tegen. Zij was de heerlijkheid van hemel en aarde. Zij scheen het niet te weten. Zij glimlachte alleen en scheen niet te weten, dat glànsde haar glimlach. Rondom haar fladderden eroten en wierpen rozen neêr. Hare triomf was onvergelijkelijk met welken triomf ook op aarde... Aan de kim was de poort gesloten, Helios verijlde in het azuur; het parelige pad verbleekte, maar om Afrodite schitterden haar eigen glans en haar glimlach.