Dik Trom en zijn Dorpsgenooten
Part 6
"En hij zal zijn gummi-stok meebrengen," prevelde hij. "Net goed! Zoo'n gummistok slaat ze de beenderen haast stuk, heb ik wel eens hooren zeggen. Net goed! Voor mijn part slaat hij ze dood, dien Dik Trom in de eerste plaats. Ja ja, als hij er één te pakken krijgt, hoop ik, dat het die Dik Trom is en dat hij hem dan met dien gummi-stok een pak ransel geeft, dat hij niet meer loopen kan. Hè -- hè -- hè, en dat hij, als hij kruipende van tusschen de frambozenstruiken weggaat, -- dat dan Kees hem nog op zijn nek springt en hem de ooren van het hoofd afbijt. Hè -- hè -- hè -- hè, -- ik gooi mijn geld niet weg, maar het zou me toch nog wel een kwartje waard zijn, om dàt te zien. -- Kijk, het begint al mooi donker te worden, en over een half uurtje kunnen de kwajongens hun gang gaan. Als Flipsen er dan maar is, laat de lieverdjes dan maar komen. Of verbeeld je nu eens, dat Flipsen in het geheel niet kwam, -- maar dàt zou ik hem betaald zetten, hoor, dat zou ik hem betaald zetten!"
Mulder had zijn huisje bereikt en liep den boomgaard in om nog even naar Kees te gaan kijken.
"Kees! Kees! Waar ben je?" riep hij.
Ha, Kees zat nog op dezelfde plaats ongeveer, -- boven in den boom. Hij keek even naar Mulder en nam verder geen notitie van hem.
"Kees! Kees! Kom hier! Kom bij den baas!" riep Mulder. En grinnikend om zijn eigen aardigheid, liet hij er op volgen:
"Kom hier, Kees, dan krijg je geen nootje, -- hè -- hè -- hè -- hè!"
Maar Kees kwam niet.
[Illustratie]
"De baas lust ze zelf wel, Kees!" zei Mulder. -- "Kom hier, Kees! Wil je wel eens komen!"
Hij greep het touw en rukte er aan met al zijn kracht.
Toen zag Mulder, waarom Kees hem niet gehoorzaamde.
Het touw zat boven in den boom om een paar takken vastgedraaid en Kees had alle vrijheid van beweging verloren.
Hij kon naar boven, noch naar beneden.
"Zoo, dat is mooi slim van me geweest. Ik had hem niet aan een boom moeten vastbinden, maar aan den kalen paal, die daar ginds staat; dan had het touw niet in de takken verward kunnen raken. Hoe krijg ik dat mormel nu naar beneden? Ik bedank er voor, om in den boom te klimmen. Die aap zou me naar mijn keel kunnen vliegen en mij den strot afbijten. Dank je! Hu, -- verbeeld je eens, dat dàt gebeurde! Weet je wat, als Flipsen straks komt, zal ik het hèm laten doen. Flipsen weet niet, dat het zoo'n kwaadaardig monster is. Als hij dat wist, deed hij het vast en zeker niet. -- Maar neen, Flipsen zal er tòch wel voor bedanken. Hij is op 't oogenblik veel te nijdig en zal zeggen, dat hij als veldwachter wel verplicht is, om op de dieven te passen, maar niet, om een kwaadaardigen aap boven uit een boom te halen. -- Enfin, Kees moet er dan vannacht maar blijven zitten, dan zullen we morgen wel zien, wat er aan te doen is. Desnoods schiet ik hem dood. -- Gelukkig, dat ik Flipsen gewaarschuwd heb. Die kan het zaakje met zijn gummi-stok trouwens best alleen opknappen, -- zonder dien aap."
Mulder begaf zich naar zijn huisje. Hij ontsloot de deur en stapte binnen, maar hij deed er den grendel weer op, want 's avonds had hij zijn deur altijd op slot.
Toen stak hij de lamp op.
"'t Is zonde van de olie," mompelde de vrek. "Maar de jongens moeten kunnen zien, dat ik in huis ben, en daaruit opmaken, dat zij vrij spel hebben."
Hij deed de luiken voor het raam, maar in elk luik was een opening gezaagd in den vorm van een hart. Door die openingen boven in de luiken drong het licht van de lamp naar buiten.
"Zie zoo, alles is klaar," mompelde de vrek. "Nu eerst een stukje brood eten en dan maar rustig afwachten, wat er gebeuren zal."
Hij sneed zich een paar dunne boterhammen en smeerde er spaarzaam wat boter op, maar eigenlijk vond hij dat toch zonde van de kostelijke boter. Daarom schraapte hij er die met zijn mes zoo goed mogelijk weer af.
"Overdaad is niet noodig!" mompelde de vrek, terwijl hij de boter weer in het oude, gebarsten vlootje deed. "Er zit zoo genoeg op." -- Hij had honger en beet gretig in zijn brood.
"'t Is niet te veel, -- maar te veel schaadt en is nadeelig voor de gezondheid," dacht hij. "'t Is niet nodig, dat ik dik en vet word, Je hebt er maar last van. Jammer toch wel, dat Kees in den boom gevangen zit. Ik had er me zooveel genoegen van voorgesteld, als hij die jongens het vleesch van de beenen scheurde."
[Illustratie]
Mulder wist op dit oogenblik niet, dat Kees al niet meer in den boom zat. Toen hij bemerkte, dat hij in zijn eigen touw verward geraakt was en al zijn rukken en sjorren hem de vrijheid niet terug gaf, had hij met zijn beide handen het touw aangegrepen en aan zijn mond gebracht. Met zijn sterke tanden had hij het spoedig doorgebeten, en toen was hij dood op zijn gemak den boom uitgeklauterd en den tuin ingewandeld. Een klein stukje touw, niet veel meer dan een halsband, was er maar van overgeschoten. De rest zat nog in en om de takken van den boom.
Kees snuffelde den heelen tuin door om te zien, of er niets van zijn gading was en hij hield zonder eenig gewetensbezwaar geducht huis onder de vruchten van zijn baas. 't Speet hem wel, dat hij nergens noten kon vinden, maar de andere vruchten versmaadde hij geenszins. Hij at er zijn buikje rond en dik van, ging toen, niet ver van de aardbei- en frambozebedden in een boom zitten, goed verscholen tusschen het dichte loover, zoodat hij zoo goed als onzichtbaar was, kneep zijn oogen dicht en viel in slaap.
Maar dat alles wist Mulder niet. Deze zocht de kruimeltjes brood op, die op de tafel gevallen waren en at ze op. Toen keek hij hongerig naar de kast, want hij had nog lang niet genoeg.
"Zou ik nog een dun, -- dun sneetje nemen?" mompelde hij begeerig, en hij likte zijn dunne lippen.
Hij stond op en ging naar de kast.
Ja, daar lag het brood.
Hij strekte de handen uit, -- maar plotseling trok hij ze terug, wierp de deur dicht en ging op zijn stoel bij de tafel zitten.
"Neen," mompelde hij: "Niet doen, -- 'k heb genoeg gegeten. Waarom zou ik..."
"Tik -- tik -- tik!" klonk het tegen de ruiten.
"Hè -- ho -- hu! Wat is dat!" mompelde de vrek verschrikt.
"Ben je daar, Mulder?" klonk een gedempte stem.
"Geen antwoord geven!" prevelde Mulder. "'t Kon wel een dief wezen."
"Tik -- tik -- tik!" klonk het nogmaals. "Ben je daar, Mulder?"
Ha, 't was de stem van Flipsen; Mulder herkende haar duidelijk.
"Ja, -- wie daar?" riep hij.
"Ik ben het, ik, Flipsen!" werd er geroepen. "'k Wil je maar even zeggen, dat ik er bèn!"
"Ha ja -- juist, ja ja -- dat is goed, Flipsen. -- En -- enne -- en heb je den gummi-stok meêgebracht?"
"Laat dat maar aan mij over!" bromde Flipsen. "Als ik er een in handen krijg, zal hij zijn besten dag niet hebben, -- dat beloof ik hem."
"Goed zoo -- hè -- hè -- hè!" grinnikte Mulder. "Ga je gang maar! Hoe harder hoe liever!"
Flipsen verwijderde zich van het raam en verschool zich ergens tusschen het geboomte, dicht bij de aardbeiën en frambozen. En Mulder zat met open ooren te luisteren, of er nog geen angstgeschrei van een of anderen kwajongen tot hem doordrong.
"Ik ben nieuwsgierig, wien van hen hij te pakken zal krijgen," dacht Mulder.
"Allemaal tegelijk, -- neen, dat zal niet gaan. Enfin, als hij er maar ééntje goed zijn portie geeft, dan zal de schrik er bij de anderen ook wel in komen. Ik hoop maar, dat het die Dik Trom is." --
Hij hield zijn blik op de klok gericht. De groote wijzer ging langzaam, maar zeker verder.
En Mulder hoorde nog maar niet het angstgeschrei van den een of anderen jongen, tot zijn grooten spijt.
Dat kon trouwens ook niet, want de jongens waren nog diep in het land aan het polsstokspringen. Zij amuseerden zich kostelijk, want Jan van Bakel had zijn sprong te kort genomen en dientengevolge twee natte voeten opgeloopen, en Arie Klaro was zijdelings in de sloot terecht gekomen, waardoor zijn linkerarm, linkerdij en linkerbeen een frisch bad hadden ondergaan. Hij zag er wel een beetje tegenop om thuis te komen, maar alle anderen hadden groote pret. En de een durfde nog meer te wagen dan de ander, hoewel het al erg donker geworden was.
"Durf jij hier over dezen hoek te springen, Dik?" vroeg Jan Vos op een plek, waar twee slooten elkander onder een rechten hoek ontmoetten.
"Wel ja, waarom niet?" zei Dik. "Geef den stok maar hier. Maar jullie moeten het mij nadoen, hoor!"
[Illustratie]
Dik spuugde in zijn handen, wat hij altijd deed, als de zaken kritiek werden, trok de klep van zijn pet diep in zijn nek, boog een paar maal achter- en voorover, en nam toen zijn sprong.
Ha, 't scheelde maar een haartje, of hij was er toch.
"Wat zeg je daarvan?" riep hij een beetje trotsch den anderen toe. Hij wierp den stok over en vervolgde:
"Nu jij, Jan Vos! 't Is jouw beurt."
"Jongen, jongen," zei Jan weifelend, terwijl hij zich achter zijn oor krabde.
"'t is zoo'n sprong! Zou ik het wel wagen?"
"Ha ha, Jantje is bang!" tergde Dik.
"Kom Jan, durf je niet?"
"Laat mij maar eerst!" riep Piet van Dril, terwijl hij Jan den stok uit de handen nam. "Ik durf wèl! Wat Dik kan, kan ik ook."
"Houd je goed, Piet," zei Dik. "Neem je sprong niet te kort, want de onderkant is hier slap, hoor. Je zakt er in weg."
"Hoepla, daar gaat hij!" riep Piet.
En met een prachtigen sprong kwam hij aan den overkant terecht.
"Goed gedaan, Piet!" zei Dik. "Nu jij, Jan Vos!"
"Maar ik ga naar huis," riep een van de jongens.
"Kijk eens, hoe donker het al wordt. 'k Wed, dat het al aardig laat is."
"Dan ga ik meê," riepen een paar anderen. "Ik mag zoo erg laat niet thuiskomen."
"Ik ga ook naar huis," zei Jan Vos, die niet veel lust had op den laten avond nog een nat pak te halen.
"Jantje durft niet!" zei Dik.
"Neen, Jantje durft niet!" zei ook Piet.
"Dàt zal ik je laten zien," zei Jan Vos, die de spotternij van zijn twee vrienden niet langer wilde aanhooren.
Piet wierp hem den stok toe, en Jan nam hem stevig tusschen zijn beide handen.
"Dáár dan!" riep hij. "Een -- twee -- drie!"
Hij nam zijn sprong, en kwam triomfantelijk tusschen Dik en Piet aan den overkant.
"Zie je wel, dat ik durf!" riep hij hun toe.
"Of je durft," zei Dik. "Maar dat wist ik ook wel. Kijk, de anderen gaan naar huis. 't Wordt onze tijd langzamerhand ook, hè?"
"Ja, laten we gaan," zei Piet.
De drie jongens sprongen over een smaller gedeelte terug, waar zij geen gevaar hadden om in de sloot terecht te komen. Dik wierp den polsstok over zijn schouder, floot aan Kolos, die op eenigen afstand een rattenhol openkrabde, en toen sloegen ook zij den weg naar huis in.
Mulder zat intusschen nog trouw te wachten en met opengesperde ooren te luisteren, maar nog altijd was er geen angstgeschrei tot hem doorgedrongen. De jongens waren er zeker nog niet.
Hij tuurde wel tienmaal per minuut naar de klok.
"Ze blijven lang weg," mompelde hij. "Ze zullen toch niet gemerkt hebben, dat ik naar Flipsen gegaan ben? Of misschien hebben gezien, dat Flipsen hier kwam? Maar neen, dat kan niet, -- dat is onmogelijk. Ze zullen wel komen en wachten eerst, dat het goed donker geworden is.
Hoewel, donker is het al genoeg. Hè -- hè -- hè, die gummi-stok, die gummi-stok, -- wat is dat een goed idée geweest van Flipsen. Hij slaat ze de beenderen er mede stuk -- hè -- hè -- hè! Wat heb ik daar een schik in!"
Weer wachtte Mulder een kwartier, en nog waren de jongens niet gekomen.
Toen, -- opeens betrok het gelaat van den vrek.
"Ja, dat moest hij eens probeeren," prevelde hij. "Flipsen moest het eens wagen, zelf mijn aardbeiën en frambozen op te eten, terwijl hij daar op de loer ligt. Hij moest het eens wagen!
Maar toch, -- hij is er best toe in staat! Zoo'n brave jongen zal hij in zijn jeugd ook wel niet geweest zijn, daar ziet hij niet naar uit, en hij zal nòg wel een aardbeitje en een framboosje lusten. Ha, als hij daar het hart eens toe had, ik zou hem aanklagen bij den burgemeester en dan kostte het hem zijn betrekking, zoo vast als tweemaal twee vier. -- En wie weet, hoeveel de kerel er wel opeet, al was het alleen maar om mij te plagen en zich op mij te wreken, want hij was méér dan nijdig, dat zag ik duidelijk."
Mulder stond op en liep ongedurig door de kamer heen en weer. Hij balde zijn vuisten, en zei:
"O, -- 't is niet om uit te staan! Hij zal van mijn vruchten afblijven, of ik zal het hem duur betaald zetten. Wie weet, hoeveel hij er al opheeft! En die jongens hoor ik nog maar niet. -- Zoo'n dief! Die past op de anderen, en zelf doet hij misschien niet anders, dan mijn vruchten stelen! Waarom komt hij nog niet eens aan de ruiten tikken, ten teeken, dat hij niet aan mijn frambozen zit? Maar dat houd ik niet langer uit! Ik wil zekerheid hebben! Ik laat mij mijn kostelijke vruchten maar niet goedsmoeds afhandig maken. Besluipen zal ik hem, en wee Flipsen, als hij mij bedriegt! Dan zal het hem bezuren!"
De vrek begaf zich naar het achterhuis en schoof voorzichtig den grendel van de deur. Onhoorbaar zacht deed hij deze op een kier en kroop op handen en voeten den tuin in. De deur trok hij achter zich dicht. Alles ging zoo stil in zijn werk, dat Flipsen het onmogelijk gehoord kon hebben, of hij had al in de onmiddellijke nabijheid van de deur moeten zijn. En daar was hij niet.
"Wat is het ellendig donker," bromde de vrek. "Aanstonds kruip ik nog met mijn hoofd tegen een boom aan. Maar beloeren zal ik hem, en als hij mij bedriegt, zal hem aanklagen, -- zoo'n dief!"
Voorzichtig, voetje voor voetje, of eigenlijk knietje voor knietje kroop hij verder in de richting van de plaats, waar de aardbeiën en frambozen groeiden, en hij zorgde er wel voor, zoo dicht mogelijk onder het kreupelhout te blijven, want daar liep hij het minste gevaar, gezien te worden.
't Was doodstil in den tuin.
"Waar zou Flipsen wezen?" dacht de vrek. "O, natuurlijk, bij de vruchten, net zooals ik al dacht. Waar wou hij anders zijn, die dief? Maar berouwen zal het hem, berouwen zal het hem."
Ha, hij had de frambozen thans bereikt. Zou Flipsen tusschen de struiken liggen en zich aan de sappige vruchten te goed doen?
Met zijn oogen trachtte hij de duisternis te doorboren.
Maar dat trachtte Flipsen ook te doen.
Hoor, klonk daar niet eenig geritsel?
Flipsen spitste de ooren.
Zouden de jongens dan toch in aantocht zijn? Hij had hen niet hooren komen. Maar dat was ook niet noodig. Als hij hen nù maar hoorde, nu zij dicht bij de frambozen kwamen.
Flipsen klemde den gummi-stok tusschen zijn vingers, en luisterde met inspanning.
Zijn oogen begonnen te fonkelen.
O, -- maar hij bedroog zich niet, -- neen, neen, de jongens waren hem niet te glad af. Hij hoorde duidelijk het geschuifel van iemand, die zich voortbewoog in de richting van de aardbeiën en frambozen. Zijn lang geduld zou dan toch worden beloond.
Hoor, -- 't was duidelijk, en ja, -- daar zag hij ongetwijfeld de gestalte van iemand, die over den grond kroop.
Als een kat, die op een muis loert, maakte Flipsen zich gereed voor den sprong.
Hij stond met gebogen rug, de kin vooruit.
En op 't volgende oogenblik wierp hij zich op den dief, die de frambozen nu ongeveer bereikt had.
Hij drukte den dief tegen den grond, zette hem de linkerknie op den rug, hief hij zijn gummi-stok omhoog, en sloeg onbarmhartig op zijn gevangene los.
Mulder wist het eerste oogenblik, toen Flipsen hem op zijn rug sprong, niet, wat er aan de hand was. Hij werd plat op den grond gedrukt en kermde van schrik en ontsteltenis. Maar toen daalde plotseling een regen van slagen op hem neer, waarvan de eene nog meer pijn veroorzaakte dan de andere. En Flipsen liet in zijn woede zijn slagen met zooveel geschreeuw gepaard gaan, dat hij van den dief geen woord verstond. 't kon hem trouwens ook niets schelen, wat deze zeide of deed. Hij zou hem dat stelen ééns en voor altijd op afdoende wijze afleeren en al den anderen den lust ontnemen, om het ooit weer te probeeren.
't Hagelde slagen met den gummi-stok op den vrek, die op den grond lag te krimpen van de pijn.
"Dáár! -- Dáár! -- Dáár! -- Dáár!" schreeuwde Flipsen, en zijn gummistok ging zonder ophouden omhoog, om weer striemend op zijn slachtoffer neer te dalen.
"O, -- o, -- de gummi-stok, -- de ellendige gummistok," kermde de gierigaard. "O, Flipsen, houd toch op, -- ik ben het, -- ik, Mulder, -- houd toch op ----"
"Dáár! -- Dáár! -- Daar!" -- schreeuwde Flipsen die van geen ophouden wist. "Jou leelijke vruchtendief! Waag het nu nog eens, -- dáár! Dáár! Daar!"
"Flipsen," kermde Mulder, krimpend van de pijn, -- "ik sterf! O, die gummi-stok, -- die gum -- mi- -- o, o, au, au, -- o, houd toch op!"
"Dáár! -- Daar! -- Dá... o, mijn hemel, wat is dat?" schreeuwde Flipsen ontsteld. Hij voelde, hoe een groot voorwerp hem op zijn rug sprong en hem de nagels in zijn hals groefde, en hem krabde en beet op alle plaatsen, waar hij maar gekrabd en gebeten kon worden. 't Veroorzaakte hem helsche pijn, en hij kroop op den grond rond, zonder haast te weten, wat hij deed.
"Wat is dat? Wat -- o, o, -- wat een pijn -- wie doet dat -- o!"
Kees zat den veldwachter bovenop zijn rug en vierde aan al zijn booze neigingen bot. Hij beet en krabde zonder ophouden, tot Flipsen eindelijk, schreeuwende van de pijn al zijn geestkracht verzamelde, het ongure beest van zich afschudde en, met achterlating van zijn gummi-stok, haastig op de vlucht sloeg.
Hij en de vrek kermden om het hardst en de aap maakte ook de erbarmelijkste geluiden, zoodat Dik Trom en de andere jongens, die op den terugweg naar huis den landweg afliepen langs den tuin van Mulder, niet wisten, wat zij hoorden.
Zij dachten er al niet eens meer aan, om vruchten te gaan stelen, want zij hadden zich veel te goed vermaakt met het springen.
"Wat is hier te doen? Hoor dat gekerm eens!" zei Dik.
En allen stonden stil om te luisteren.
Opeens zagen zij Flipsen het hek doorsnellen, met zijn handen achter tegen zijn hals.
"O, o, o, Wat een pijn! Wat een pijn!" kermde hij. En haastig sloeg hij den weg in naar huis.
"Ook een rare geschiedenis!" zei Dik. "Rara -- wat is dat?"
Maar niemand wist het, en zij vervolgden hun weg.
Mulder kroop kermend naar zijn huisje.
"O, die gummi-stok, -- die gummi-stok!" kermde hij.
Hij deed de deur open, richtte zich aan de klink met groote moeite omhoog, ontkleedde zich zoo goed en zoo kwaad als het ging, en kroop in bed.
Den volgenden morgen zag hij bont en blauw, en toen Flipsen zijn gummi-stok kwam halen, zat diens hals in een dik verband.
[Illustratie: hoofdstuk staartstuk]
[Illustratie: hoofdstuk kopstuk]
Achtste Hoofdstuk.
Dik verloot jonge konijntjes.
Dik was al heel vroeg opgestaan, en daar had hij geen spijt van, want het was een mooie morgen. De vogels sjilpten en zongen in de boomen, en de bloemen geurden heerlijk.
Met een mes in de hand kwam hij naar buiten. Hij haalde een mand uit het schuurtje, om er het gras en de klaver in te doen, die hij wilde gaan snijden aan den kant van het kanaal.
Nauwelijks verscheen hij in den tuin achter de schuur, of zijn duiven vlogen klapwiekend om hem heen en een paar zetten zich op zijn schouders en zijn hoofd. 't Was, of zij hem goeden morgen kwamen zeggen.
"Koer! Koer!" riep hij hun toe.
En hij zag, hoe de konijnen zich op hun achterpooten verhieven en met hun voorpootjes door de tralies krabbelden.
"Ja, ja!" riep Dik hun toe. "Dadelijk, hoor! Ik zie het wel, dat de ruiven leeg zijn. Maar jullie eten ook dag en nacht aan één stuk door, geloof ik. Geduld een beetje, asjeblief. Ik moet het eerst nog gaan snijden. -- En als ik terugkom, krijgen jullie ook, hoor!" riep hij tegen de duiven.
"Dag Dik, hier is Gerrit!" riep zijn kauw, die op zijn schouder kwam zitten en eerst nijdig naar een duif pikte, om haar van dat plekje, dat hij als zijn persoonlijk eigendom beschouwde, weg te jagen. Maar de duif had geen lust, om voor zoo'n brutale vlerk als een kauw te wijken, en pikte venijnig terug. Duiven lijken wel heel zachtaardige diertjes, maar zij laten zich de kaas allerminst van het brood nemen en weten hun snavels terdege te gebruiken.
't Werd een formeele vechtpartij op Dik's schouder, tot groot vermaak van Dik. De duif klapte met haar vleugels, om de kauw weg te jagen, en de kauw pikte nijdig met haar langen, puntigen snavel in het lijf van de duif.
"Dag Dik!" werd er op eenigen afstand geroepen.
"O, -- daar is Nelly!" riep Dik. Hij keerde zich om en zag het blinde meisje in buurmans tuin staan.
"Ga je de duiven voeren?" vroeg Nelly.
"Straks, -- eerst moet ik nog gras en klaver snijden, Ga je meê?"
"Graag!" zei Nelly.
Voorzichtig liep zij den tuin door, toen over het pad langs het huis, en kwam zoo in het voortuintje.
Dik joeg de duif en de kauw van zijn schouder, wierp zijn mes in de mand, die hij in zijn linkerhand nam, en begaf zich naar Nelly, om haar mede te nemen naar den kanaalkant.
"Dag Helly! Hier is Gerrit!" riep de kauw, toen hij het meisje zag.
"Kom hier, Gerrit, -- kom hier, Gerrit!" riep Nelly, terwijl Zij haar vrije hand uitstrekte. Dadelijk kwam Gerrit op haar arm zitten. Dat vond Nelly prettig.
"Dag Gerrit!" riep zij tegen hem.
"Dag Helly! Hier is Gerrit! Dag Dik!"
Dik bracht het meisje naar den overkant van den weg, en zei, nadat hij een mooi plaatsje voor haar opgezocht had:
"Hier Nelly, -- ga nu hier zitten, -- in het gras!"
Nelly deed het, en toen hij het blinde meisje daar zag zitten, zoo hulpbehoevend, zoo geheel afhankelijk van anderen, overmeesterde hem weer een gevoel van onuitsprekelijk medelijden, en zijn stem klonk zacht en teeder, toen hij zeide:
"Je zit aan den kant van het kanaal, Nelly, een groote armslengte er maar van af. Zul-je je niet vooruit bewegen? Je gezicht is naar het water gekeerd."
"Ja ja, dank je wel," zei Nelly, "ik begreep het al, voordat je me het zei. Wees maar niet ongerust, Dik, ik zal wel stil blijven zitten. Dag Gerrit! Waar ben je, Gerrit? Kom hier, Gerrit! Kom bij Nelly, Gerrit!"
Gerrit wandelde aan den kant van het water en pikte daar wurmpjes en insecten van den grond op.
"Hier is Gerrit!" schreeuwde hij terug, maar hij ging niet naar Nelly toe. Hij had het veel te druk, om voor zijn ontbijt te zorgen.
"Kom Gerrit! Kom hier, Gerrit!" riep Nelly.
Gerrit gaf geen antwoord. Hij was juist bezig, een grooten worm uit den grond te trekken, waar de worm zich met al zijn kracht tegen verzette. Maar 't hielp niet, en weldra was hij door Gerrit's keelgat verdwenen.
"Hier is Gerrit!" schreeuwde hij toen. "Dag Helly!"
Dik was ijverig aan het snijden. Zijn mes was vlijmscherp, daar zorgde hij altijd wel voor. De eene handvol na de andere wierp hij in de mand, en hij pikte zooveel melkdistels uit den grond, als hij maar kon, want daar waren de konijnen dol op.
"Schiet je goed op, Dik?" riep Nelly hem toe. "Wat is het prachtig weer hè?"
"Heerlijk," zei Dik. "Ja, ik schiet best op, maar ik heb veel te snijden, want ik zorg 's morgens altijd voor den heelen dag, en ik wil niet, dat mijn konijnen honger lijden."
"Kom Gerrit!" riep Nelly. "Kom Gerrit! Waar is Gerrit?"
"Hier is Gerrit!" riep de kauw uit de verte, maar hij kwam niet.
"Hij zoekt zijn eten," riep Dik het meisje toe.
"Hij zorgt misschien 's morgens óók voor den heelen dag, net als jij," merkte Nelly lachend op.
"Hij lust anders heel wat, hoor," zei Dik. "Ik geloof niet, dat hij ooit genoeg heeft."
"Hier is Gerrit!" riep de kauw, die op Nelly's schouder vloog.
"Behalve nù dan toch," zei Nelly. "Zie je wel, hij komt uit eigen beweging bij me, en dat zou hij niet doen, als hij nog honger had."
Nelly nam de kauw in haar hand en hield hem tegen haar wang. Dik verwijderde zich hoe langer hoe verder, om gras en klaver te zoeken. Maar telkens keek hij even naar Nelly om te zien, of zij wel voorzichtig was en niet dichter hij het water kwam.
"Zeg Dik, vader is vanmorgen al naar zijn baas gegaan!" riep Nelly hem toe.
"Zoo," zei Dik. "Kijk, daar komt Anneke! -- Dag Anneke, hier is Nelly, je weet wel, van wie ik je verteld heb."
"O," zei Anneke, en zij keek naar het blinde meisje. Dik had haar verteld, hoeveel medelijden hij met haar had.
Zij ging bij haar in het gras zitten, en zei:
"Jij bent Nelly, hè? Ik heet Anneke. O, heb je Dik's kauw daar? Vind je hem niet aardig?"