Dik Trom en zijn Dorpsgenooten
Part 3
"Natuurlijk, meesters, dat spreekt van zelf. En heel knappe meesters ook. In Utrecht heb je er b. v. een, die wereldberoemd is. Maar hoe heeten ze? Zeg jij dat eens, Jan Vos."
"Professoren," zei Jan.
"Goed! En weet je ook, hoe die wereldberoemde professor uit Utrecht heet, of heb ik jullie dat nog niet verteld?"
"Neen, m'st'r," klonk het uit vele monden. "'t Is professor Donders, een beroemd oogheelkundige. Hij is door geheel Europa beroemd, en zelfs komen er wel menschen uit Amerika over, om zich door hem te laten behandelen."
Dik luisterde met open mond.
Hij stak zijn vinger op.
"Wel, Dik?"
"M'st'r, kan hij blinde menschen weer ziende maken?"
"Dat zal hij dikwijls genoeg gedaan hebben, Dik. Door niets krijgt men geen wereldberoemdheid."
"Ook, als ze blind geboren zijn m'st'r?" vroeg Dik.
"Misschien wel. Dat kan ik niet beoordeelen. 't Zal er van afhangen, wat de oorzaak van de blindheid is, niet waar? Sommige gevallen zijn ongeneeslijk, en andere kunnen heter worden. Nu is het jouw beurt, Anneke. Welke plaatsen ken je aan de Vecht?"
"Renen, Wijk bij Duurstede...."
"Glad mis, Anneke. Ik zeg niet aan den Rijn, maar aan de Vecht. Je moet beter nadenken, meisje."
[Illustratie]
"Dag Dik, ga je meê?" riep de kauw, die weer heelemaal gekalmeerd was en eigenwijs naar beneden zat te kijken.
"Daar begint dat vervelende gezeur weer met dien vogel," zei de meester knorrig. "Van wien is dat beest toch?"
"Van Dik Trom," riepen verschillende stemmen.
"Vang hem dan en breng hem naar buiten, Dik," gebood de meester. "Hij stuurt de heele les in de war."
Dik keek met een onnoozel gezicht naar boven, naar den vogel, die in de nok van het gebouw zat. Het was een lokaal zonder zolder, dus waren de gebinten en steunijzers zichtbaar.
"Ik kan er niet bij, m'st'r," zei Dik droog.
Iedereen schoot in een lach, de meester zelf ook.
"Neen, dat begrijp ik. Maar....."
"Dag Helly, hier is Gerrit. Ga je meê, Dik?"
"Maar je weet misschien wel een middel, om ons van hem te verlossen. Met mijn stok kan ik niet bij hem komen."
"Dat zou niet helpen ook," zei Dik. "Daar wordt hij maar schuw van. Mag ik hem lokken, m'st'r?"
"'t Kan me niet schelen, wat je doet, als wij hem maar kwijt raken."
Dik liep uit zijn bank tot onder het steunijzer en riep: "Gerrit! Waar is Gerrit!"
"Hier is Gerrit!" riep de kauw, tot groote pret van de kinderen.
"Stilte!" gebood de meester, "anders krijgen we dezelfde vliegpartij weer van zooeven, en dit is niet noodig. Wie lawaai maakt, krijgt strafwerk na schooltijd. Dus houdt je kalm!"
't Lawaai, dat weer begon te ontstaan, verstomde oogenblikkelijk.
"Waar is Gerrit?" herhaalde Dik, "Waar is Gerrit?"
"Hier is Gerrit! Dag Dik, ga je meê? Dag Helly! Dag Helly!"
"Kom Gerrit!" riep Dik, en hij stak zijn arm naar den vogel uit.
"Kom hier, Gerrit!...."
Aller oogen waren op den vogel gericht. Zou hij komen? Zie, hij richtte zich op en sloeg de vleugels uit.
"Gerrit! Kom hier, Gerrit!" hield Dik vol.
Opeens sprong het kauwtje op en vloog naar Dik. Tot groote pret van de heele klasse ging hij op Dik's hoofd zitten.
Toen greep Dik hem.
"Gelukkig! Eindelijk zullen wij dan van dien plaaggeest verlost worden. Breng hem buiten, Dik..."
"Ja m'st'r, maar als U de ramen niet dichtdoet, komt hij weer naar binnen....."
"'t Is wat lekkers met die warmte," zei de meester. "Maar enfin, wat het zwaarst is, moet het zwaarst wegen. Dirk Langereis, doe jij de ramen dicht."
Dirk gehoorzaamde, en Dik bracht zijn kauwtje naar buiten. Hij wierp hem hoog in de lucht en zag hem wegvliegen in de richting van zijn huis. Hij keek hem na, zoolang hij kon, en keerde toen in de school terug. "Meester, hij is naar huis gevlogen, de ramen kunnen wel weer opengezet worden."
"Goed, -- zet ze dan open," zei de meester, die bezig was de kaart van voor het bord weg te nemen en haar aan den muur te hangen, op haar gewone plaats. De aardrijkskundige les was dus wel een beetje overhaast geëindigd, wat de schuld was van het kauwtje. De meester vond het beter, de kinderen stil werk te laten doen.
"Kijk eens," zei hij, naar het bord wijzende, "daar staan vijf mooie sommetjes voor de liefhebbers. Ik ben benieuwd wie van jullie ze alle vijf goed krijgt. Dan zit er een mooie 10 aan, zooals je weet. No. 1 is een vormsom no. 2 een inhouds-, en no. 3 een oppervlakte-berekening, no. 4 een aardig rentesommetje en no. 5 van twee treinen, die elkander tegemoet rijden. Gemakkelijk zijn ze nu direct niet, maar wie goed nadenkt, kan ze alle vijf maken. Begin dus maar met moed."
De rekenschriften werden te voorschijn gehaald, en weldra zaten allen met de hoofden over hun werk gebogen. De heele klasse hield van rekenen, zelfs de meisjes, en dat zij er allen zoo van hielden, was het geheim van den meester, die den kinderen lust tot ingespannen arbeid wist in te boezemen. Hij was een uitstekend onderwijzer.
Zelf nam hij ook een stukje papier, om te berekenen, welke uitkomsten de sommen hadden. Dat vergemakkelijkte hem de correctie heel wat.
't Werd nu doodstil in de klasse. Men kon, om zoo te zeggen, een speld hooren vallen.
Dik werkte ook met ijver. Hij rekende graag, en hij rustte nooit, voor hij ze alle vijf gevonden had. Als hem dat een enkelen keer mislukte, was hij lang niet tevreden.
"Wat een groote breuken in die vormsom," fluisterde hij Piet toe.
"Bar!" zei Piet. "Stil nou!"
Zij werkten voort.
Na enkele minuten zei Dik:
"'k Heb hem!"
"Ik ook!" zei Piet. "Er komt een mooi getal uit."
"2 1/2," zei Dik.
"Ja, dat heb ik ook. Nu no. 2."
Piet van Dril was ook een goed rekenaar. Hij en Dik wedijverden altijd, wie de meeste goed zou hebben. Maar zij keken nooit bij elkander af. Voor afkijken hadden zij niets dan afkeer. Mekaar voorzeggen deden zij dikwijls genoeg, maar dat vonden zij niet erg. Maar afkijken, neen, dat zouden zij nooit doen. Na eenigen tijd zei piet:
"Ik heb no. 2 ook."
"Wacht even..., ja, nu heb ik hem: 3 d. M. onder den rand.
"Juist," zei Piet. "Die twee zullen wij alvast wel goed hebben."
Met moed begonnen zij aan de derde som. "O jé, wat gemakkelijk," zei Dik na een poosje. "'k Heb hem haast al af."
"Ik ook," zei Piet. "Zes gulden den meter, hè?"
"Ja. -- Zeg Piet, ik heb een muis."
"Een muis?" vroeg Piet. "Waar? Bij je thuis?"
"Neen hoor, eerst mijn sommen afmaken...."
Plotseling klonk de stem van den meester:
"Dik Trom en Piet van Dril zitten te babbelen! Jullie werkt toch niet Samen? Of kijken jullie af?"
"Neen, m'st'r!" klonk het verontwaardigd uit twee monden.
"Neen, neen, ik geloof het ook wel niet, maar jullie moeten ook den schijn vermijden, -- en niet met elkander praten."
De jongens begonnen aan een rente-sommetje, en dat bleek moeilijker te zijn, dan het er uitzag. Zij konden den knoop van de som eerst geen van beiden vinden. Daarom besloot Dik eerst no. 5 te gaan maken. Ha, die viel hem meê en stond weldra kant en klaar op het papier. "Ik heb hem," zei Piet van Dril even later, no. 4 bedoelende.
"Ik heb de vijfde eerst gemaakt," zei Dik. "Die is niet moeilijk."
"No. 4 vind je ook wel," zei Piet.
"Piet van Dril en Dik zitten daar weer te praten!" klonk de stem van den meester. "Ik geloof toch inderdaad, dat jullie de sommen samen maakt."
"Neen m'st'r, echt niet!" zei Dik, en Piet ontkende ook uit alle macht.
De meester kwam naar hun bank, en nam de beide schriften in de handen, om de sommen, die zij reeds ingeschreven hadden, met elkander te vergelijken.
Al dadelijk merkte hij op, dat de antwoorden wel gelijk waren, en dat zij ze goed hadden, maar dat de wijze van oplossen toch hier en daar verschilde. Ook zag hij, dat Dik de vijfde som gemaakt had, en Piet de vierde.
Hij gaf hun de schriften terug, en zei:
"'t Is in orde, jongens. Ik heb je ten onrechte van afkijken verdacht. Maar je moet niet met elkander praten. Dan is het je eigen schuld, als ik wat ergs van je denk."
De jongens zetten zich weer aan den arbeid, en Dik was nu ook zoo gelukkig de vierde te vinden, terwijl Piet de vijfde maakte.
"Zie zoo, ik heb ze af," zei Piet.
"Ik ook," zei Dik. "Maar zeg, laten we nu net doen, of we nog niet klaar zijn, want anders schrijft de meester nog een groote vormsom op, om ons aan het werk te houden."
"Bah, geen zin meer," zei Piet.
"Ik ook niet," fluisterde Dik.
[Illustratie: hoofdstuk kopstuk]
Vierde Hoofdstuk.
Het gestoorde rekenuurtje.
Beiden Zaten ze een poosje doodstil over hun kladschrift gebogen, en teekenden er leelijke kereltjes in met groote neuzen, kromme beenen en steile haren.
Eindelijk zei Piet zacht:
"Zeg Dik, waar is je muis? Leeft hij nog?"
"In mijn zak," zei Dik. "Waarom wou hij doodgegaan zijn?"
"Laat hem eens zien," vroeg Piet.
Dik dolf de gevangenis met de gekerkerde uit zijn broekzak op.
"Kijk, hier in de doos," zei hij. Hij hield de doos onder de tafel.
"Hè -- hè -- hè, ik zie zijn snoet door het gaatje!" grinnikte Piet zacht. "Waarvoor dient die draad?"
"Zit aan zijn poot," zei Dik, met een schuinen blik naar den meester. Deze stond echter in zijn lessenaar naar iets te zoeken. Hij had geen erg in de jongens.
"Laat hem eens eventjes loopen, hier, -- tusschen ons in," zei Piet. "Als je 't draadje vasthoudt kan hij toch niet weg."
Dik had er wel zin in. Hij keek nog eens schuin naar den meester, en toen hij zag, dat deze niet op hem lette, stak hij zijn vinger door het lusje van den draad, en deed het deksel van de doos. Deze zette hij in zijn lessenaar.
Zoodra het deksel er af was, wipte de muis er uit en zette het op een loopen, regelrecht op Piet af.
Wat had Piet een pret. Hij lachte bijna hardop.
De muis liep over Piet's been, en telkens, als hij te ver afdwaalde, trok Dik haar langzaam achteruit. De twee jongens keken herhaaldelijk schichtig naar den meester, maar bleven voorovergebogen zitten, om den schijn te geven, dat zij nog hard aan het werk waren. Wat hadden zij een pret. De muis trippelde tusschen de beide jongens op de bank heen en weer, en kroop eindelijk, wel een beetje tot diens schrik in de mouwen van Piet.
"Hu, -- trek hem achteruit! Hij zit in mijn mouw..." Piet kreeg een rilling over zijn rug.
Maar Dik trok niet. Hij vond het veel te leuk, dat Piet er zoo akelig van werd, en liet het muisje stil begaan.
"Trek dan toch!" riep Piet, wel wat hard voor het mooi, en hij streek met een driftige beweging over zijn mouw. "Hij zit me al haast bij m'n elleboog! -- Trek dan toch!"
"Wat hebben jullie daar onder de tafel?" fluisterde Bruin Boon, die zijn sommen niet kon vinden en zich van verveling uitrekte en achterom keek.
"'t Gaat je niet aan!" bromde Dik. "Kijk maar voor je......"
"Trek -- trek dan toch!" zei Piet angstig en driftig. "Hij zit nu al boven in mijn mouw!"
Hij strekte zijn arm onder de tafel uit en schudde zoo hard hij kon. Dik grinnikte van pleizier.
"Wat is dat daar?" klonk de stem van den meester.
Dik trok de muis uit Piet's mouw en greep haar vast.
"Piep! Piep!" schreeuwde het kleine ding.
"Hè, -- wie piept daar?" vroeg de meester. "Wie maakt dat geluidje daar? Jij, Piet van Dril?"
Piet, die alweer diep over zijn kladschrift gebogen zat, keek met een verbaasd gezicht op, en zei:
"Ik? -- Piepen? -- Neen m'st'r, ik niet!"
"Jij dan, Dik Trom?"
Dood-onschuldig keek Dik den meester aan.
"Neen m'st'r, ik ook niet."
De muis zat alweer veilig en wel in zijn zak, opgesloten in de poederdoos.
"Geen malligheid, asjeblief, jongens," zei de meester, terwijl hij naar hun bank kwam. "Ik wil weten, wie daar piepte."
"Ik niet, m'st'r," zei Dik.
"Ik deed het ook niet," zei Piet.
"Kom eens uit je bank! Ik wil weten, wat er aan de hand is."
Dik en Piet gingen naast de bank staan, en de meester inspecteerde hun lessenaars, maar hij vond niets bijzonders.
Hij keek hun nog eens scherp in de oogen, maar Piet en Dik blikten hem met een onschuldig gezicht aan, of zij van den prins geen kwaad wisten.
"Gaat maar zitten. Is je werk af?"
"Bijna," zei Dik. "Ik moet de laatste som nog inschrijven."
Dat was waar. Hij en Dik wachtten met het inschrijven van de laatste som altijd het uiterste nippertje af, om te kunnen zeggen, dat zij nog niet klaar waren. Zij wisten wel, dat de meester anders, om hen bezig te houden, nog een groote vormsom op het bord schreef, en dat hadden zij liever niet. Zij konden het toch niet helpen, dat zij hun sommen altijd het eerst afhadden? De anderen zaten allen ook nu nog ingespannen te werken. Alleen hadden zij even lachend omgekeken naar Piet en Dik, toen het gepiep van de muis door het lokaal klonk. Zij begrepen wel, dat er iets aan de hand was, maar wàt het was, wisten zij natuurlijk niet. Dat wisten alleen Dik en Piet maar.
De meester begaf zich naar zijn lessenaar, waarin hij blijkbaar iets zocht, dat hij niet vinden kon, en de twee jongens bogen zich weer diep over hun kladschrift.
Dik teekende er een menschelijke figuur in, waarvan de ribben te zien waren, en hij maakte er een doodshoofd op met holle oogen en opengesperde kaken, waarvan de ijselijk groote tanden en kiezen bloot lagen.
Hij stootte Piet met zijn knie aan, en fluisterde:
"Kijk eens, de witte dood van Pierlala!"
En beiden grinnikten van pret.
"Dat scheelde zooeven een beetje, hè?" zei Piet zacht.
"En òf!" fluisterde Dik.
"Zit hij weer in je zak?"
"Ja. De meester kon hem lekker niet vinden."
"Laat hem nog eens loopen loopen!" zei Piet.
"In je mouw?" vroeg Dik, terwijl zijn hand in zijn diepen zak verdween. De doos kwam weer te voorschijn. Piet werkte schijnbaar met den grootsten ijver, maar hij fluisterde:
"Laat hem op de tafel loopen, Dik, niet meer op de bank. Anders worden we weer gesnapt."
De muis kwam op de tafel, doch Dik gaf haar maar weinig vrijheid van beweging. Hij durfde niet al te best, want de meester was streng, en Dik had niet veel zin om school te blijven met dit mooie weer.
De muis voelde wel, dat zij kort gehouden werd.
Maar zoo was er voor de jongens niet veel aardigheid aan. "Geef hem de ruimte, Dik," zei Piet.
Dik deed het, en het muisje kuierde over het schuine tafelvlak heen en weer. Eindelijk kwam zij op het horizontale gedeelte, waarin de inktpotten stonden. Zij trippelde van het eene einde naar het andere, tot zijn staart in den inktpot terecht kwam.
"Kijk eens," zei Dik, wiens oogen straalden van genot. "Zijn staart zit in den inktpot."
Hij gaf een rukje aan den draad, en de muis liep op een drafje weg, over het schrift van Piet. Haar natte zwarte staartje slierde over Piet's schrift, en teekende er van boven tot onder een groote inktvlek op.
"Ben je gek!" zei Piet in zijn eersten schrik. "Kijk eens wat een vlek. Die lamme muis!"
Dik proestte van het lachen en haalde de muis met bekwamen spoed naar zich toe. "'t Is gelukkig mijn kladschrift maar; verbeeld je eens, dat het mijn netschrift was," fluisterde Piet, die zich haastte, het vuile blad er uit te scheuren. Hij stak het in zijn zak, en vestigde toen zijn aandacht weer op het mutsje, dat op Dik's lessenaar liep.
[Illustratie]
Bruin Boon rekte zich achterover. Hij kon de sommen niet vinden, en werd altijd vervelend van rekenen.
De muis klauterde hem tegen zijn rug op en kroop hem tusschen zijn kraag. Het beestje had van een onbewaakt oogenblik gebruik gemaakt, om zich dit kleine uitstapje te veroorloven.
Bruin voelde het beest tusschen zijn hals en zijn kraag loopen.
Hu! Een rilling voer hem over zijn rug. Wat was dat voor griezeligs? Deed Dik Trom dat misschien?
Hij wilde omkijken, maar het voorwerp bewoog zich langs zijn hals in dalende richting.
Hij streek haastig met zijn vinger tusschen zijn goed door en voelde, dat daar iets leefde.
Dik trok zoo hard hij kon, om de muis naar zich toe te halen, want hij vreesde thans het ergste. Maar tot zijn schrik brak de draad en verkeerde hij in de onmogelijkheid om het beestje te bemachtigen.
"Ai! Ai!" schreeuwde Bruin Boon luidkeels, terwijl in zijn bank overeind vloog en onder teekenen van den grootsten angst met zijn vinger tusschen zijn kraag voelde. "Een beest! Een beest in mijn hals!" gilde Bruin, die in zijn ontsteltenis uit zijn bank vloog en op den vloer stond te trappelen van angst en schrik.
Dik en Piet bogen diep over hun werk en schreven haastig hun laatste som in. Maar zij zaten te schudden van het lachen, en konden eindelijk onmogelijk verder schijven.
Trouwens, niemand in de klasse werkte meer. Allen waren verbaasd over het geschreeuw van Bruin en over zijn malle bewegingen, en zaten hem lachend aan te kijken.
[Illustratie]
Dik stootte Piet met zijn knie aan en zat te proesten van 't lachen. Piet ook, maar toch fluisterde hij Dik toe:
"Maar dat loopt mis, Dik."
"Ik vrees het ook," zei Dik.
De meester had haastig zijn lessenaar verlaten en was naar Bruin gegaan. Zijn gezicht stond hoogst ernstig en er lagen rimpels in zijn voorhoofd.
Bruin hield niet op met gillen, en hij trappelde van angst voortdurend op den vloer.
"Ai! O! Een beest in mijn hals! Een groot beest!"
"Haal het er dan uit!" gebood de meester, die niet wist, welk beest het was en niet veel lust scheen te heb ben, de behulpzame hand te bieden.
"O, ik kan niet -- ai, -- o, -- het gaat op mijn rug!"
De kinderen gierden het thans uit van de pret.
"Haal het er uit, Bruin!" gebood de meester met verheffing van stem. "Maak je kleeren los, als je er anders niet bij kunt!"
"O, -- o, -- o!" gilde Bruin, die in zijn ontsteltenis zijn boord niet kon los krijgen. In zijn angst gaf hij er een hevigen ruk aan, zoodat de knoop er afsprong.
De meester trok zijn kleeren wat weg, en hoewel met tegenzin, stak hij zijn hand tusschen Bruin's goed.
Ha, daar voelde hij wat, maar hij trok een vies gezicht, want het leek wel een worm.
Een oogenblik weifelde hij, of hij zijn onderzoek wel zou voortzetten, maar hij kreeg medelijden met Bruin, die niet ophield met schreeuwen en lamenteeren. De jongen stond geen oogenblik stil.
"Houd je kalm, Bruin," zei hij, "ik voel al wat."
Hij greep den worm aan en trok hem omhoog, maar wat hij voor een worm had aangezien, was de staart van de muis, die nu boven de kraag van Bruin te voorschijn kwam. 't Ging blijkbaar niet gemakkelijk, het beest naar boven te halen.
De meester gaf een rukje, -- en daar klauterde hem plotseling de muis tegen zijn vingers op.
"Hu!" riep de meester, die in het eerste ogenblik niet begreep, wat er gebeurde, en de muis van zich afschudde.
"Een muis! Een muis!" schreeuwde Dik, die zich hield, of hij erg verwonderd was.
"Een muis! Een muis!" riep ook Piet. "Daar loopt hij over de bank, dáár, bij Anneke!"
Inderdaad wipte het muisje, dat zich plotseling geheel in vrijheid voelde, met groote snelheid van de eene bank op de andere, en verwekte overal, vooral onder de meisjes, de grootste ontsteltenis.
Anneke sprong onder het slaken van een gil op de bank en hield krampachtig haar rokken om haar beenen geklemd.
"Daar loopt hij! Daar loopt hij, -- dáár, bij Mina!"
Mina gilde nog harder dan Anneke, en stond in minder dan geen tijd op de bank.
"Hier is hij!" riep Jan Vos.
"Dáár, nu is hij dáár hij Jansje van Vooren!"
Jansje gilde en schreeuwde van angst, en liep zoo hard het lokaal door, als zij kon.
Er zat eindelijk geen meisje meer op haar plaats. Bijna allen waren op de banken gevlucht, maar daar waren zij evenmin veilig, want de muis bleek heel gemakkelijk tegen de harde planken te kunnen opklauteren.
't Was een gegil en lawaai van belang in de school.
De jongens liepen, wat zij konden, de muis achterna, om haar te grijpen, maar zij grepen herhaaldelijk mis, want het muisje was vlugger, dan alle jongens bij elkaar.
Dik en Piet hielpen ijverig mede.
"Daar loopt hij!" schreeuwde Dik. "Hij heeft een draadje aan zijn poot!" liet hij er op volgen, alsof hij een spiksplinternieuwe ontdekking deed.
De meester trachtte de orde te herstellen.
"Kinderen, stilte!" gebood hij. "Gaat zitten, meisjes en weest maar niet bang. Hij zal je heusch niet opeten; 't is maar een muisje. De jongens zullen hem wel vangen."
Maar 't was voor doovemansooren gepraat. De meisjes zouden voor al het geld ter wereld hun vluchtheuvels niet hebben durven verlaten, en zij hoorden eigenlijk niet eens, wat de meester zei.
De jongens renden als dollen achter het muisje, dat zich nu hier, dan daar liet zien.
"Stilte!" gebood de meester nogmaals.
Maar 't hielp niet.
Opeens was het muisje verdwenen.
Hoe de jongens ook keken en zochten, zij zagen het nergens meer.
"Hij is weg!" riep Dik.
En van verschillende kanten klonk het
"Hij is weg! hij is weg!"
"Wie nu niet oogenblikkelijk gaat zitten, moet om vier uur nablijven!" zei de meester gebiedend. "Binnen drie tellen, hoor, -- een, -- twee, -- drie!"
't Werd nu ernst, dat begrepen allen, en iedereen nam zijn plaats weer in. De jongens hadden groote pret, en Dik en Piet stootten elkander weer met hun knieën aan.
Alleen Bruin had geen pret. Hij zat doodstil op zijn bank en zag nog spierwit van den doorgestanen schrik. En hij beefde over al zijn leden.
't Werd nu weer bladstil in de klasse.
"Wie heeft die muis meêgebracht?" vroeg de meester, Maar niemand antwoordde. Er waren er maar twee die het wisten, en die wilden het liever niet zeggen.
"Een moet haar toch meegebracht hebben," zei de meester. "'t Was geen toeval, dat het beest hier was, want hij had een draadje aan zijn poot. Hoe kwam die muis in je hals Bruin?"
[Illustratie]
"Hij kroop tegen mijn rug op en kwam zoo in mijn kraag," zei Bruin, wien opnieuw een huivering door de leden ging.
"Dan moet jij er hem tusschen gestopt hebben, Dik," zei de meester. "Jij zit vlak achter Bruin Boon."
Dik keek den meester met een paar dood-onschuldige oogen aan, en zeide kalm en plechtig:
"Neen m'st'r, ik heb hem niet in zijn kraag gestopt."
Dat was ook waar, want de muis was er uit eigen beweging ingeloopen.
"Je jokt, Dik," zei de meester. "'t Is me nu ook duidelijk, waar vanmiddag dat gepiep vandaan kwam. Jij hebt die muis in de school gebracht, en niemand anders. Ontken dat maar niet en zit niet te jokken."
"Ik jok niet," zei Dik.
"Jij jokt wèl," zei de meester driftig. "Spreek de waarheid: heb jij die muis meegebracht, ja of neen?"
"Ja m'st'r, maar u vroeg, of ik hem in Bruin's kraag had gestopt. Daar is hij zelf tusschen gekropen."
"Zoo, -- dus jij hebt hem meêgebracht? Dan ben jij in allen gevalle de oorzaak van de opschudding! 't Is me een mooie middag! Eerst die kauw van je, en dan die muis...."
"Die kauw had ik niet meêgebracht," zei Dik.
"Zwijg! Je blijft om vier uur minstens een uur na, heb je dat begrepen? En nu gaan we door met ons werk. We gaan niet naar huis, voordat de sommen af zijn. Dat hebben jullie aan den grappigen Dik te danken."
De kinderen werkten thans weer met ijver, want zij wisten dat de meester, als hij eenmaal iets gezegd had, er geen haarbreed van afweek.
Dik en Piet waren de eersten, die hun sommen afhadden en hun schriften inleverden.
Toen Dik zijn werk op den lessenaar van den meester neerlegde, keek deze hem een oogenblik aan, en hij dacht:
"Kijk, daar is hij weer het eerst met zijn werk klaar en 't is toch zoo'n ondeugende rakker. Je kunt hem geen oogenblik vertrouwen. En toch is het de aardigste jongen van de heele klasse. Je kunt onmogelijk boos op hem blijven."
De meester wachtte zich echter wel, van zijn vriendelijke gezindheid jegens den jeugdigen zondaar ook maar het geringste te doen blijken. Integendeel, hij zei op gestrengen toon:
"Zoo, heb je ze af? Heb jij met al je grappigheden nog tijd kunnen vinden, om je sommen te maken? Ik ben boos op je, Dik! Ga jij maar eens tweehonderd maal schrijven:
_Ik heb mij vanmiddag in de school zeer onbehoorlijk gedragen._"
"Ai," dacht Dik, "wat is dat een groote regel."
Hij keerde naar zijn bank terug, maar toen hij Bruin passeerde, streek hij hem met zijn vinger haastig tusschen zijn halskraag, wat Bruin opnieuw een rilling over zijn leden joeg, tot groote pret van Dik, die wel zag, hoe hij er van schrok.