Dik Trom en zijn Dorpsgenooten
Part 2
"En toen de werkstaking eindelijk opgeheven werd, kreeg ik een hevigen typhus, die mij aan den rand van het graf bracht. Toen kwam onze grootste ellende. Niemand wilde ons borgen, zoodat mijn vrouw genoodzaakt was, onze mooie meubeltjes een voor een naar den lommerd te brengen of te verkoopen. We hielden ten slotte niet anders over dan wat rommel. Had zij nu nog maar uit werken kunnen gaan, om wat te verdienen, dan zouden we niet zoo diep in de armoede geraakt zijn, maar zij kon niet besluiten, om mij naar het gasthuis te laten brengen, en wilde mij zelf verplegen. Ja, ja, 't was een bange, treurige tijd. En mijn ziekte werd zoo hevig, dat zelfs de dokter begon te vreezen, dat ik er meê heen zou gaan. Doch ik ben er Goddank bovenop gekomen, en toen ik weer mocht opstaan, stond ons besluit vast, om Amsterdam zoo spoedig mogelijk te verlaten en weer werk ergens op een dorp te zoeken. Mijn vrouw was doodop van de doorgestane ellende en zorgen, en ons kind was vervallen als sneeuw voor de zon. En we hebben geluk gehad. Ik las in een courant een advertentie van baas Van Dril, die een knecht vroeg, en toen ben ik er dadelijk op afgegaan met het gelukkige gevolg, dat ik aangenomen werd, ik geloof uit medelijden..."
"Best mogelijk," zei vrouw Trom. "Van Dril is een beste, brave man, en je zult een goeden baas aan hem hebben."
"En zoo zijn we dan hier gekomen," besloot de smid, "sterk ben ik nog wel niet, maar 't zal wel weer gaan. Als we eerst onze schuld in Amsterdam maar hebben afgedaan...."
"Is gelukkig niet zoo'n groote som," zei vrouw Elswater. "Als we elke week een paar gulden kunnen overhouden, zullen we den achterstal spoedig ingehaald hebben. Intusschen zijn we blij, dat we hier zulke vriendelijke buren hebben mogen vinden. We zijn u van harte dankbaar. En Nelly heeft al dadelijk een aardig buurjongetje getroffen. Ja, ja, Dik, ik heb het straks wel gezien, hoe je jouw stuk worst op haar bord hebt geschoven."
"O," riep Nelly uit, met een kleur tot achter haar ooren, "als ik dat geweten had, zou ik het niet opgegeten hebben."
Dik kreeg ook een kleur, want hij had gedacht, dat niemand het gezien had.
"Een heel verschil, als je die twee vergelijkt," zei Elswater. "Dik zoo rond als een tonnetje en met een paar wangen als luchtballons, en Nelly zoo bleek en magertjes. Maar dat zal hier wel beter worden, willen we hopen. Hier hebben we volop zonneschijn en frissche lucht, en zullen we wel weer wat in onze maag krijgen ook. Ik begin weer met nieuwen moed, en ik heb een gevoel in me, of ik weer een nieuw leven begin. Komaan, vrouwtje, we hebben het nog druk vandaag, want we moeten ons huisje nog inrichten en gezellig maken, al zijn we dan ook onze mooiste zaakjes kwijt. Ook dat zal wel weer in orde komen, als we tijd van leven hebben. Nogmaals hartelijk dank voor uw goedheid, buurtjes."
Zij stonden op en verlieten de kamer, maar Dik nam Nelly bij de hand, en zei:
"Ga je mee, dan zal ik je mijn duiven laten zi...."
Maar opeens bedacht hij, dat het meisje blind was, en hij slikte het laatste woord haastig in. En opnieuw werd hij met innig medelijden vervuld.
"Ik wil ze graag zien, Dik," zei het meisje eenvoudig. "Dat woord mag je gerust zeggen; ik zeg het zelf ook. Maar dan bedoel ik, dat ik hun klapwieken en hun kirren hoor, en dan neem ik ze in mijn handen, als ik kan, en dan voel ik hun kleine kopjes, en hun vleugels, en hun staart en hun warme lijfje, en dan zeg ik, dat ik ze gezien heb."
"Goed, ga dan meê," zei Dik. "Ik heb mooie duiven, en ook konijnen."
"Hier in de kamer en in het achterhuis hoef je mijn hand niet vast te houden, want als ik ergens maar eenmaal geweest ben, weet ik er den weg wel. Dáár is de deur, hè?"
"Ja," zei Dik verbaasd. "Dat is knap, Nelly."
Het meisje strekte de handen een weinig naar voren en vond op den tast de deur. Dik volgde haar in het achterhuis.
"Dáár is het vuur, hè?" zei ze. "Ik voel de warmte. Rechtsom kom ik aan de buitendeur, -- maar daar is een drempel, die een beetje hoog is. Zijn je duiven en konijnen buiten?"
"Ja," zei Dik, die haar vol verwondering volgde. Zij liep haast met een zekerheid, of zij een paar goede oogen had. "Jij bent handig, hoor."
"O, in Amsterdam ging ik wel alleen de straat op, om boodschappen te doen. Niet ver van huis natuurlijk, maar bij ons in het slop en om de hoeken wist ik de winkels wel te vinden. Geef me nu een hand, Dik, maar wacht eens even."
En met de woorden: "Mag ik?" betastte zij zijn hoofd, zijn wangen, en zijn lichaam. Toen begon zij te lachen.
"Zoo, nu weet ik, hoe je er uitziet. Maar je bent een dikkerd, hoor. Heb jij je pet altijd achterste-voor op? De klep zit in je hals. Dat is grappig, zeg. Ga je nog op school?"
"Ja, straks moet ik er weer naar toe. Laten we nu gaan."
Hij bracht het meisje achter het huis, waar de duiven al dadelijk klapwiekend om zijn hoofd gingen vliegen Ze wisten wel, dat zij nu voer kregen. Eén ging hem zelfs op zijn pet zitten en een paar namen op zijn schouders plaats.
"Zoo mak zijn ze," zei Dik trotsch. "Ze pikken het voer uit mijn hand. Wil jij dat ook graag hebben?"
"Ja, ja, o dolgraag," zei Nelly.
"Hier is de voerbak. Als jij ze een paar maal gevoerd hebt, zijn ze al aan je gewend, en dan zijn ze heelemaal niet bang meer. Toe, voer ze nu met kleine handjesvol."
Nelly deed het, en ze voelde al spoedig een paar duiven op den voerbak komen. Zij strekte haar hand met wat voer uit, en pik-pik deden een paar brutaaltjes. Nelly's vreugde kende geen grenzen.
"Zou ik er eentje beet kunnen pakken?" vroeg ze.
"Probeer het maar," zei Dik, die met vreugde zag, hoe het blinde meisje genoot. "Ze zijn erg mak."
Na een paar vruchtelooze pogingen gelukte het Nelly inderdaad een duifje te grijpen. Zij streelde het zacht over zijn kopje en vleugels, gleed met haar vingers langs zijn staartje en hield het zachte rompje in haar beide handen vast, zoodat zij het hartje van het beest voelde kloppen.
"O, hoe schattig," zei ze. "Hoe ziet deze er uit, Dik?"
"Wit. Ken jij de kleuren? Je hebt ze toch nooit gezien?"
"Neen, maar ik stel me ze voor. O, hoe lief!"
Zij streelde haar wangen met het gevangen duifje en kuste zijn kleine kopje. "O, wat lief! Wat schattig!"
Dik kreeg hoe langer hoe meer medelijden met het blinde meisje, dat nog nooit haar ouders had gezien, en nog nooit de wereld in al haar pracht had kunnen bewonderen. O, hij vond het indroevig. Hij had wel zijn armen om haar heen willen slaan en haar zacht tegen zich aandrukken, om haar te doen voelen, dat hij haar vriendje was.
"Wil jij er een paar van mij hebben?" vroeg hij. "Ik zal aan Moeder vragen, of ik ze je geven mag."
Nelly kreeg een kleur op haar wangen. Ze liet het duifje weer vliegen en zei:
"Zou jij ze me willen geven, Dik? O, wat goed van je..."
Maar opeens betrok haar gelaat, en ze liet er haastig op volgen:
"Later, Dik, nu nog niet..."
"Waarom niet?" vroeg Dik. "Waarom nu niet en later wel?"
[Illustratie]
"Vader en Moeder kunnen nu nog geen geld missen, om voer te koopen," zei ze op eenvoudigen toon. "We moeten zuinig wezen."
"O," zei Dik. "Kijk, -- voel je dat? Er zit een pauwstaartje op je schouder. Aardig, hè? Vind-je ze niet doodmak?"
"Is deze ook wit?"
"Ja, maar ik heb ook blauwe postduiven, en mooie bruintjes...."
"En groene? En géle?"
Dik lachte.
"Neen, groene en gele duiven heb ik nog nooit gezien. Die zijn er niet. Zie zoo, het voer is op. Ga je meê naar mijn konijnen?"
"Ja, graag."
Dik bracht er haar, en hij haalde een konijn uit het hok en gaf het haar in haar armen, waar het stil bleef zitten.
"O, hoe zacht," zei Nelly, het dier streelende. "Je Vader heeft die hokken zeker gemaakt?"
"Ja, -- maar hoe weet jij dat?"
"Och, ik dacht wel, dat je vader timmerman was."
"Waarom?" vroeg Dik verbaasd.
Nelly lachte hardop.
"Waarom?" herhaalde ze. "Als ik het zeg, geloof je 't toch niet. Ik heb het geroken!"
"Geroken?" vroeg Dik vol bewondering over zooveel schranderheid en opmerkingsgave.
"O, wij blinden weten veel meer, dan jullie gelooven en weten. Ik rook duidelijk een houtlucht aan je vader, toen hij bij me stond. En daarom dacht ik, dat hij wel timmerman zou zijn."
"Je bent slim," zei Dik.
"Neen, ik ben maar een dom meisje," zei Nelly, terwijl haar gezichtje betrok.
"Dom?" zei Dik. "Neen, hoor, -- dom lang niet."
"Maar ik kan niets," zei Nelly. "Alleen allerlei handwerken, die Moeder mij geleerd heeft."
"Heb je nooit school gegaan?" vroeg Dik, terwijl hij het konijn weer in het hok zette.
"Neen, toen we nog op ons dorp woonden, ging ik niet school, omdat ik toch niets zien kon. De meester zei, dat het niet ging en dat het lastig was. In Amsterdam is er wel een school voor blinden, en het plan was ook wel, dat ik daar naar toe zou gaan. Maar er is niets van gekomen. We hebben er maar enkele maanden gewoond en er niets dan narigheid beleefd."
"Jammer," zei Dik. "Zeg Nelly, voel eens, hier heb ik nog meer konijnen. Een heeft er zes jongen. Als je een hokje hadt, zou je er wel eentje mogen hebben. Konijnenvoer kost niet veel. Je snijdt het maar aan den kant van den weg. Maar neen, dat gaat niet. Je zoudt misschien in het water vallen en verdrinken."
"Och, ik heb toch geen hokje. Voer je ze alleen maar gras en klaver?"
"Meestal wel. Maar deze voedster krijgt ook wel wat gerst van me. Wacht, ik zal wat halen. Dadelijk ben ik weer terug."
[Illustratie]
Dik ging naar den voerbak in het schuurtje. Hij deed het deksel van de kist open, -- en zag op het voer een groote muis, die zich lekker aan de gerstkorreltjes te goed deed.
"Ha, jou kleine dief!" riep Dik, en dadelijk probeerde hij de muis te grijpen. Maar het ding liet zich niet gemakkelijk vangen. Het holde door de kist heen en weer, klom tegen de wanden op, viel weer naar beneden, en was overal, behalve op de plaats, waar Dik het meende te grijpen. Een paar maal gelukte het haar bijna zelfs, om uit de voerkist te ontsnappen, wat Dik alleen beletten kon, door vlug het deksel te laten vallen.
"Wacht, baasje!" zei hij. "Je zit hier goed opgesloten. Ik zal eerst een doos halen, om er je in op te bergen, en een langen draad garen, om aan je poot te binden. Zoo gemakkelijk kom je niet van me af."
Hij haastte zich naar de woonkamer, waar zijn vader zijn dutje deed in zijn leuningstoel. Dat deed hij elken middag na het eten, dat was zoo zijn gewoonte geworden. Hij moest ook elken morgen zoo vroeg op.
Dik haalde een groote poederdoos uit de kast en voorzag zich van een langen draad zwart garen. Daarmede gewapend begaf hij zich naar de voerkist en begon zijn jacht op den kleinen, vluggen snoeper opnieuw. Telkens meende hij haar te hebben, maar even dikwijls glipte zij hem tusschen zijn vingers door.
"Toch mòèt ik je hebben," zei Dik. En hij greep links en rechts, tot hij eindelijk den staart van het muisje tusschen zijn vingers geklemd hield.
"Piep! Piep!" schreeuwde het kleine ding.
"Ja, -- piep -- piep!" deed Dik haar na. "Au, leelijkerd, niet bijten!"
Het muisje beet hem in haar angst in zijn vinger.
Maar Dik liet zich daardoor niet van streek brengen. Hij greep de muis in zijn volle hand, en bond haar behendig den draad aan haar poot. Toen sloot hij haar in de doos op. De draad hing er buiten, en Dik wond dien om de doos. Aan het einde maakte hij een lus waar hij zijn vingers door kon steken, en het deksel voorzag hij van een gat, wel zoo groot, dat de spitse snoet van het muisje er doorheen kon, maar waardoor het toch niet kon ontsnappen.
"Zie zoo," zei Dik lachend. "Daar zit je goed, en je zult er niet gemakkelijk uitkomen."
Hij stak het heele gevalletje in den zak van zijn wijde broek, nam een paar handen met gerst, en keerde naar Nelly en de konijnen terug.
"Zoo, ben je daar eindelijk?" vroeg Nelly met een lachje. "Ik was al bang, dat je niet meer terug zoudt komen."
"En jou hier in den steek laten?" vroeg Dik, terwijl hij het voer in het hok deed. "Dat zou ik nooit doen, hoor."
"Maar je bleef toch erg lang weg..."
"Ja, ik heb een muis gevangen. Hier heb ik hem. 'k Heb hem een draadje aan z'n poot gebonden en in een doos gedaan."
"Een muis? Hè, hoe griezelig! Haal hem er niet uit, hoor Dik!"
"Wil ik hem in je hals laten loopen?" vroeg Dik plagend.
"Neen, neen, o neen!" gilde Nelly, met uitgestrekte handen. "Ik vind muizen zoo eng! Niet doen, Dik..."
"Wees maar niet bang," zei Dik. "'k Zal het heusch niet doen. Ik zei het maar om te plagen."
"Ik geloof, dat jij ondeugend bent, Dik," zei Nelly. "Moet je nog niet naar school?"
"Ja, 't zal zoetjes-aan tijd worden. Ik geloof, dat Vader al naar zijn werk is. Gaat jouw Vader morgen naar Van Dril?"
"Ja. -- Vader is erg knap," zei Nelly met rechtmatigen trots. "Hij is erg knap in machinerie en zoo, en in allerlei ander werk ook. Zeg, Dik, wat ga je met die muis doen? Waarom laat je hem niet loopen?"
"Wat ik er meê ga doen? Wel, pret maken, -- er Anneke meê nazitten en de andere meisjes. Dan gillen ze moord en brand, want ze zijn er bang van. En daarom laat ik hem niet loopen, zie je, -- nu nog niet ten minste, en niet zoo dicht bij mijn kist met gerst. Dan snoept hij maar."
"Dag Dik!" klonk op dit oogenblik een eigenaardige volle stem.
"Wie is dat?" vroeg Nelly zacht.
"Dat is mijn kauw," zei Dik.
"Een kauw? Wat is een kauw?"
"Hier is Gerrit!" klonk het weer, en op hetzelfde oogenblik vloog er een kleine roek op Dik's schouder.
"Dag Dik! Hier is Gerrit!" zei het beest.
"Een klein soort van kraai," zei Dik, terwijl hij den vogel greep. "Hier heb je hem. Hij kan wel aardig praten, hè?"
Nelly nam hem in haar handen en juichte van pleizier.
"Dag Dik! Hier is Gerrit!" riep de kauw, terwijl hij zijn kopje ophief en Nelly eigenwijs met zijn kleine kraaloogjes aankeek. Maar dat kon Nelly natuurlijk niet zien.
"Wat een leuk beest," zei ze. "En wat praat hij aardig. Heb jij hem dat geleerd?"
"Ja," zei Dik. "Een kauw praat niet zoo gemakkelijk als een papegaai, maar deze is verbazend leerzaam. -- Dag Gerrit!"
"Dag Dik! Hier is Gerrit!" riep de kauw.
"Nelly! Nelly! Nelly!" riep Dik.
"Hier is Gerrit!" snaterde het beest.
"Neen, baasje," zei Dik. "Je moet 'Nelly' zeggen. Nelly! Nelly! Nelly!"
"Dag Dik! Ga je meê?" riep de vogel.
[Illustratie: "Ziezoo," zei vrouw Trom, "nu zijn wij gereed." (Bladz. 20)]
"Nelly! Nelly! Nelly!" riep Dik.
En Nelly, die graag wilde, dat de vogel haar naam ook napraatte, riep onophoudelijk:
"Nelly! Nelly! Nelly!"
"Gerrit! Hier is Gerrit!" riep het beest.
"Nelly! Nelly! Nelly!" riepen Dik en Nelly om het hardst.
"Helly! Helly! Helly!" riep de kauw.
"Goed gedaan!" zei Dik. "Houd hem maar een poosje bij je, Nelly, want ik moet weg. 't Wordt mijn tijd voor school. Zal ik je thuisbrengen?"
Hij nam Nelly bij de hand en liep met haar naar het huisje, waar alle meubeltjes nu reeds binnengedragen waren. Dik merkte op, dat alles er tamelijk armoedig uitzag.
"Kijk eens, Moeder, een kauw!" riep Nelly haar moeder toe. "En o, hij kan zoo leuk praten. Nelly! Nelly! Nelly!"
"Helly! Dag Dik! Hier is Gerrit. Dag Helly! Dag Helly!"
"Dag!" riep Dik zijn buurmeisje toe. En innig verheugd, dat hij het ongelukkige, blinde kind zooveel genoegen had bereid, begaf hij zich op weg naar school. In de verte hoorde hij Nelly nog roepen:
"Nelly! Dag Nelly! Dag Nelly!"
En hij onderscheidde de malle stem van Gerrit, die haar antwoordde:
"Dag Helly! Hier is Gerrit! Dag Helly!"
Op de speelplaats bleef Bruin hem een geducht eind uit de voeten. Bruintje wist wel, dat Dik op dit oogenblik in het geheel geen vriendschappelijke gevoelens jegens hem koesterde, en de ondervinding had hem herhaaldelijk geleerd, dat Dik harde handen had, vooral als hij boos was.
Maar Dik dacht op dit oogenblik niet aan Bruin. Hij was te zeer vervuld met de gedachte aan het ongelukkige, blinde kind, dat zijn buurmeisje geworden was, en hij nam zich voor, altijd vriendelijk en behulpzaam jegens haar te zijn.
Hij vertelde van haar aan Jan Vos en Piet van Dril, en die vonden het heel belangwekkend.
"Ik wist wel, dat we een nieuwen knecht kregen," zei Piet, "maar dat zij een blind meisje hadden, wist ik niet. Wat zielig, hè?"
"Vreeselijk," zei Dik. "Ik moet er aldoor aan denken. Maar ze is bij de hand, hoor, dat kan ik je verzekeren."
Op dit oogenblik sloeg de meester met zijn knokkels een marsch op een van de ruiten ten teeken, dat de school aanging.
Allen gingen naar binnen.
[Illustratie: hoofdstuk staartstuk]
[Illustratie: hoofdstuk kopstuk]
Derde Hoofdstuk.
"Dag Dik, -- hier is Gerrit!"
De meester had de kaart van Nederland voor de klasse gehangen. De kinderen zouden dus een les in aardrijkskunde krijgen. Gewoonlijk vond Dik dat wel prettig, maar ditmaal was zijn aandacht er niet heelemaal bij. Telkens speelde zijn nieuwe buurmeisje hem door het hoofd, en dan bedacht hij, hoeveel vreugde dit arme kind wel moest ontberen in haar leven. Altijd was het duisternis rondom haar, er was voor haar om zoo te zeggen geen verschil tusschen den dag en den nacht. Neen, voor haar was het altijd nacht. Nooit had zij haar ouders gezien, nooit het gouden zonnelicht, dat de wereld zoo mooi maakt, nooit de bloemen met haar schitterende kleuren, nooit de prachtige vlinders, die bloemen onder de dieren. Zij moest aan de hand geleid worden en kon niet gaan, waarheen zij wilde. Ach, zij had wel een ongelukkig lot.
Dik was zoozeer in zijn gedachten verdiept, dat hij niet eens hoorde, dat hem wat gevraagd werd.
"Hoor je me niet, Dik Trom?" klonk tamelijk streng de stem van den onderwijzer.
Dik richtte zich met een schok op, toen Piet van Dril, die naast hem zat, hem met een elleboogstoot waarschuwde. Dik zag, dat Bruin, op de bank vlak vóór hem, met een lachend gezicht spottend omkeek.
"Waar zit jij met je gedachten, Dik?" vroeg de meester. "Je hoort niet eens, dat ik je wat vraag. Ik zal het nog eens zeggen:
"Welke waters komen bij Utrecht te zamen?"
Bruin zat nog spottend achterom te kijken.
"Kijk voor je, Bruine Boon," bromde Dik hem toe. "De Vaartsche Rijn, de Kromme Rijn, de Vecht, de Eem...."
"Ho, ho, Dik, de Eem niet, die loopt langs Amersfoort. Welke nog?" Dik wist niet meer.
"De Oude Rijn," fluisterde Piet van Dril.
"De Oude Rijn!" galmde Dik.
"Goed, -- nu ben je er weer bij. En hoe heet de hoofdstad?"
"Dag Dik! Hier is Gerrit!" klonk het plotseling door het openstaande tuimelraam. De heele klasse schoot in een lach.
"Wat is dat?" vroeg de meester. "Wat is dat voor malligheid?"
"Dag Helly! Dag Dik! Dag Helly! Dag Dik! Hier is Gerrit!"
"De kauw van Dik Trom!" riep Anneke lachend uit, "Daar zit hij op het tuimelraam!"
't Werd een geweldig gelach in de klasse, en iedereen keek naar Dik's kauwtje, dat dood op zijn gemak bleef zitten rondkijken. Dik maakte van de gelegenheid gebruik, om Bruin Boon een paar gevoelige opstoppers te geven.
[Illustratie]
Bruin stak zijn vinger op.
"Au!" riep hij. "M'st'r, M'st'r, Dik Trom slaat me!"
"Dag Dik! Hier is Gerrit! Ga je meê, Dik! Dag Helly!"
't Werd een verbazend tumult in de klasse.
"Stilte!" gebood de meester op strengen toon. Allen bedaarden, behalve Bruin Boon, die nog half in zijn bank stond ent zijn vinger in de hoogte hield.
"M'st'r, Dik Trom stompt me! Dik Trom...."
"Wil je zwijgen, jongen!" riep de meester. "Oogenblikkelijk, als je geen straf wilt oploopen!"
Bruin ging met een pijnlijk gezicht zitten.
"Dag Dik! Dag Nelly!" riep de kauw.
De meester ging met den kaartenstok, die tamelijk lang was, naar het raam, en zwaaide er mede langs den vogel, om hem weg te jagen.
"Ksssst! Ksssst!" riep hij.
De vogel vloog van het tuimelraam het lokaal binnen, tot groote vreugde van de jongens en meisjes, die uitgelaten werden van de pret. Zij zwaaiden niet hun armen en riepen: "Kssst! Kssst!"
De kauw werd bang door al die drukte en vloog angstig heen en weer. De kinderen stonden overeind in de banken, en sommigen waren er zelfs bovenop geklommen.
Eindelijk zette het kauwtje zich op den bovenrand van het bord, en de meester ging er dadelijk met zijn stok op af, om de achtervolging voort te zetten.
't Werd een gejoel, dat hooren en zien den meester bijna verging. En de vogel wist van angst niet, waar hij zich bergen moest.
Hij werd weer opgejaagd, en vloog angstig door het lokaal rond.
"Ksssst! Ksssst!" siste het door de klasse.
Het kauwtje wilde wel weer graag naar bulten, maar kon in zijn verbouwereerdheid het reddende tuimelraam niet meer vinden.
De meester werd boos om de stoornis die de vogel veroorzaakte en door het tumult in de klasse. Nijdig sloeg hij naar Gerrit, telkens als deze dicht in zijn nabijheid kwam.
[Illustratie]
"Dat is valsch!" bromde Dik. "Het beest weet toch niet, dat hij hier niet komen mag. Hij heeft geen menschenverstand."
Maar even later lachte hij weer met de anderen mede, want hij hield wel van zoo'n intervalletje in school. Hoe meer lawaai daar, hoe liever. Tot zijn genoegen zag hij, dat de meester herhaaldelijk missloeg.
Eindelijk ging de vogel in de nok van het dak op een steunijzer zitten. Toen herstelde de meester de orde.
"Daar zit hij goed, jongens. Stilte nu asjeblief!"
Dit laatste klonk op zoo'n gebiedenden toon, dat het lawaai als met een tooverslag verstomde. De kinderen begrepen, dat oppassen thans de boodschap was, want de meester liet niet met zich spotten.
"Aanstonds begint de pret weer," fluisterde Dik Zijn vriend Piet van Dril toe. "Hij blijft daar toch niet zitten."
"Ik hoop het," ademde Piet haast onhoorbaar.
"Laten we voortgaan met de les," zei de meester, terwijl hij plaats nam op zijn stoel naast het lessenaartje op vier hooge pooten, dat tegen de voorste bank geschoven was.
"Bij wien was ik ook weer gebleven?" vervolgde de meester. "O ja, bij Dik Trom. Die zou me de waters noemen, die bij Utrecht samen komen. Ga je gang, Dik."
"De Kromme Rijn, de Oude Rijn, de Vaartsche Rijn en de Vecht," galmde Dik wel wat hard voor het mooi, maar hij was door het gebeurde met zijn kauwtje in een vroolijke stemming geraakt en zijn blinde buurmeisje thans geheel vergeten.
"'t Is goed, Dik, maar je hoeft niet zoo te schreeuwen, ik ben niet doof. Noem nu nog de voornaamste plaatsen uit de provincie Utrecht."
"Amersfoort, Zeist, Driebergen, Doorn, Amerongen, Wijk bij Duurstede, De Bilt, Harmelen, Driebergen, Zuilen, Maarsen, Breukelen, Loenen, en -- enne -- enne ----"
"'t Gaat nog al, Dik, al haspel je ze wat raar door mekaar...."
"Dat rijmt!" bromde Dik tegen Piet, en Piet schoot er om in een lach.
"Maar je hebt de hoofdstad vergeten, Dik, en daar begin je gewoonlijk meê, is 't niet."
"Utrecht!" schreeuwde Dik.
"'k Bèn niet doof, heb ik je al gezegd. Waardoor is Utrecht bekend?"
"Door zijn paardenmarkt," zei Dik, die een liefhebber van paarden was en ze dus het voornaamste vond.
"Waardoor nog meer?"
"Door de munt, m'st'r."
"Heel goed. En dan nog?"
"Utrecht heeft een hoogeschool," zei Dik.
"Heel goed. Je hebt een 8, Dik. Ik ben tevreden over je."
"Ik ook," bromde Dik tegen Piet.
"Zeg jij eens, Piet van Dril, wie geven les aan een hoogeschool?"
"Dominé's, m'st'r," beweerde Piet, tot groote pret van de anderen. De meester schoot ook weer in een lach.
"Neen, Pietje, je kunt er voor dominé studeeren, en waarvoor nog meer? Ik heb je dat toch de vorige week verteld."
"Voor advocaat en voor dokter en voor pastoor...."
"Mis Piet, alweer mis. Roomsch-Katholieken hebben hun aparte scholen, om tot geestelijke te worden opgeleid, o. a. te Voorhout en te Warmond. Waar liggen die beide plaatsten?"
"In Friesland," beweerde Piet, tot groote pret alweer van de anderen.
"In Zuid-Holland," fluisterde Dik hem in.
"In Zuid-Holland bedoel ik, m'st'r," schreeuwde Piet, zoo hard hij kon.
Bruin verhief zich in zijn bank, stak zijn vinger op, en klikte: "M'st'r, -- Dik Trom zegt hem voor!"
"Dan is Dik een flauwe jongen en jij bent een laffe klikspaan," bestrafte de meester. "Je houdt je mond hoor Dik, jij hebt je beurt al gehad. Goed, Piet, in Zuid-Holland. En wie geven nu les aan de hoogescholen?"
"Meesters!" beweerde Piet.