Dik Trom en zijn Dorpsgenooten

Part 13

Chapter 131,829 wordsPublic domain

Ja, dat vonden zij allen, maar veel notitie namen zij niet van hem. De meester vroeg de twee dames, goed toezicht te houden gedurende zijn afwezigheid, en de kinderen gingen op bloote voeten in de zee loopen. Hun gejoel en gejuich klonk ver in het rond.

Nelly was alleen achtergebleven, en Dik stond naast haar. Hij hield haar hand in de zijne en zijn blik onafgebroken op den beroemden man in den badstoel gericht. Zijn gezicht stond hoogst ernstig en blijkbaar was hij in gedachten verdiept.

"Wat hebben ze een pleizier, hè Dik?" zei het blinde meisje, dat het gejuich der kinderen hoorde.

Maar Dik gaf geen antwoord. Hij had niet eens gehoord, dat Nelly wat tegen hem zeide.

"Wat hebben ze een pleizier, hè Dik?" zei ze nog eens, en zij gaf hem een rukje aan zijn hand.

"Wat? -- Wie?" vroeg Dik, blijkbaar nog in gedachten verdiept.

Maar opeens greep hij haar hand stevig vast, en zei:

"Kom Nelly, -- ga meê, ---- hierheen!"

En hij trok haar haastig voort naar den badstoel, waarin de wereldberoemde man gezeten was.

Daar bleef hij staan en hij trok aan de klep van zijn pet, wat hij altijd deed, als hij een gewichtig plan koesterde.

Maar hij zei niets, -- en de professor las in zijn krant.

Opeens keek de geleerde man echter op en toen zag hij den dikken jongen staan met het meisje aan zijn hand, en hij merkte op, hoe de jongen hem onafgebroken aanstaarde.

Hij moest er even om lachen.

Dik bleef hem aanstaren, zonder iets te zeggen, en weer trok hij de klep van zijn pet dieper in zijn hals.

De professor lachte nogmaals. Hij vond dien dikzak bijzonder vermakelijk.

Maar opeens wees Dik naar zijn pet, bij wijze van groet, en zei:

"Mijnheer -- Profester -- ik --"

"Wel jonge, wat is er?" vroeg de heer. "Wou jij me wat vragen?"

"Ja m'st'r, --" zei. Dik, die vreemde heeren bij vergissing bijna altijd den titel van meester gaf, omdat hij dien heel hoog vond.

De heer glimlachte er om. "Nu, -- wat dan?" vroeg hij vriendelijk, toen Dik bleef steken.

"M'st'r, -- Profester," zei Dik, -- "meester zegt, dat u zoo beroemd is, omdat u blinde menschen weer ziende kunt maken...."

De heer lachte nogmaals, en nu trok het zijn aandacht, dat Dik een meisje aan de hand hield, dat half achter hem was blijven staan.

"Zoo," zei hij, "zegt de meester dat? En wat wil je nu?"

"M'st'r, -- Profester, dit meisje is blind," zei Dik, terwijl hij Nelly een weinig naar voren trok. "Wil u haar ook beter maken?"

De heer keek thans zeer ernstig.

"Wie heeft je bij me gezonden?" vroeg hij.

"Niemand, m'st'r," zei Dik. "Ik ben zelf gekomen."

"Is dat meisje je zusje?"

"Neen m'st'r -- Profester -- 't is mijn buurmeisje. We wonen hier ver vandaan op een dorpje, en de meester heeft ons op school over u verteld..."

"Zoo, zoo!" zei de heer vriendelijk. Hij strekte de hand uit naar het blinde meisje en vervolgde:

"Breng haar eens bij me, jongen."

Dik deed het. Hij voelde Nelly's hand beven in de zijne. De professor keek het kind in de oogen en tilde haar oogleden op. Hij vroeg allerlei dingen aan het meisje, en sprak toen een poosje geen enkel woord meer. Herhaaldelijk tilde hij haar oogleden op en Nelly moest haar oogen bewegen. Dik keek in de grootste spanning naar alles, wat hij deed. Toen verzonk de professor in diep gepeins, dat kon Dik, die geen oog van hem afwendde, duidelijk zien. Dik beefde van spanning.

Eindelijk zag hij, dat de professor zijn blik op hem richtte, en toen wees hij uit pure beleefdheid naar zijn pet, en vroeg:

"Kan het, m'st'r?"

De geleerde man glimlachte.

"Mijn beste jongen," zei hij vriendelijk, -- "dat weet ik nog niet. Ik zou haar oogen eerst eens op mijn gemak moeten onderzoeken, en dat kan ik hier niet doen, dat moet in Utrecht gebeuren en ik heb er allerlei instrumenten bij noodig. -- Maar dit kan ik je wel zeggen, m'n jongen, dat ik herstel zeker niet onmogelijk acht..."

Dik, die Nelly's hand weer in de zijne genomen had, voelde, dat die sterk begon te beven, en toen hij Nelly aankeek, zag hij, dat ze doodsbleek geworden was.

De vriendelijke heer vervolgde:

"Dit zou ik natuurlijk niet zeggen, als ik er geen goede redenen voor had. Je kon er wel eens groote vreugde van beleven, dikke jongen, dat je mij hier een visite hebt gemaakt..."

"Hoeveel kost het, m'st'r?" vroeg Dik. "Nelly is maar een...."

Nu lachte de heer hardop.

"'t Is vermakelijk!" mompelde hij. "Hoor eens, kereltje, ik maak even graag arme menschen weer beter, als rijke, en 't kost niets, hoor. Ga maar vroolijk spelen met je kornuiten, en vraag den meester, of hij straks eens even bij me wil komen."

Dik's hart klopte van blijdschap in zijn borst als een hamer. Hij nam zijn pet heelemaal van zijn hoofd, wat hem maar een enkelen keer in zijn leven overkwam, en zei:

"Dank u vel, m'st'r -- Profester -- dank u wel."

En Nelly stamelde, door haar vreugdetranen en snikken heen:

"O, -- wat ben ik u dankbaar,... ik weet haast niet..."

"Jawel, 't is goed, kinderen. Gaat maar vroolijk spelen, heel vroolijk, want het is vandaag een gelukkige dag voor je."

Hij gaf Dik en Nelly een hand, en het tweetal begaf zich naar den meester, die juist uit het dorp terugkeerde, waar hij limonade had besteld voor de kinderen en kousen had gekocht voor Bruin Boon, die toch niet barrevoets bij zijn moeder kon terugkomen.

En toen de meester hoorde, wat Dik gedaan had, keek hij den jongen een poosje sprakeloos van verbazing aan, tot hij hem eindelijk op den schouder klopte en zei:

"Dik, hoe het in je hoofd opgekomen is, weet ik niet, maar je bent een wonderbaarlijke jongen en je hebt een hart, van goud."

En hij spoedde zich naar den beroemden man in den badstoel en bleef wel langer dan een kwartier met hem praten.

Dik en Nelly waren stil van vreugde, en zonder spreken klom Dik met haar tegen een hooge duin op, zoals Dik haar beloofd had. En toen zag hij, dat groote tranen het meisje langs de bleeke wangen vloeiden, tranen van blijdschap en geluk.

"O, Dik!" zei ze herhaaldelijk. "Wat ben ik blij, dat je dàt gedaan hebt!"

Na een uurtje keerden zij naar het strand terug, en alle jongens en meisjes keken Nelly en Dik aan, want de meester had aan Anneke verteld, wat Dik gedaan had en dat de professor wel haast met zekerheid kon voorspellen, dat hij Nelly het gezicht terug zou kunnen geven, en allen waren er opgetogen over en bewonderden Dik, die uit eigen beweging naar den beroemden man gegaan was om hem te vragen, of hij Nelly beter wilde maken.

Dik plaste weldra met Piet en Jan door het water, dat de droppels hem om de ooren spatten, en Nelly zat bij de dames in het zand voor de strandstoelen, en dacht over het groote geluk, dat er misschien voor haar was weggelegd.

's Middags om vijf uur werd de vroolijke troep weer verzameld, om de huisreis te aanvaarden. Zij wandelden het dorp door, naar de tram, waar de wagens reeds gereed stonden. De meester had het alles zoo vooruit besteld. En toen allen goed en wel gezeten waren, zette de tram zich in beweging. 't Was een heerlijk ritje naar Beverwijk, waar zij veel te vroeg aankwamen naar hun zin.

"Zoo'n dag moest tweemaal zoolang duren als een gewone schooldag," zei Piet van Dril.

"Er moest nooit een einde aan komen," zei Jan Vos.

Vier, aan vier liepen zij het stadje door, met muziek die zoo vroolijk blies, dat alle Beverwijkers even voor de ramen kwamen, om naar hen te kijken, en een juichkreet steeg uit den kindertroep op, toen zij bij het omslaan van een hoek plotseling de boot voor zich zagen, waarvan de vlaggetjes vroolijk wapperden als om hen te begroeten.

Zoodra zij aan boord waren, werd er proviand uitgedeeld, want de meester en de onderwijzeressen begrepen wel, dat zij allen flink honger zouden hebben gekregen. De kadetjes met koek lieten zich dan ook uitstekend smaken en Dik at er meer op, dan ooit.

De huisreis werd nog veel vroolijker, dan de heenreis was geweest. De muziek speelde schoolliedjes, die de kinderen uit volle borst meêzongen, en er werden allerlei spelletjes gedaan en gedanst en gesprongen uit den treure.

En toen het dorp in het gezicht kwam, waar het op de brug zwart zag van de menschen, die op de aankomst van de boot stonden te wachten, toen werd het een wuiven en juichen en joelen zonder einde. De menschen aan den wal werden er zelfs door medegesleept en voelden zich, of zij zelf aan den prettigen tocht hadden deelgenomen. Zoo leven de moeders in het geluk hunner kinderen.

Eindelijk lag de boot aan wal, en de kinderen stapten van boord en bedankten den meester en de dames voor den heerlijken dag, dien zij hadden gehad, en keerden opgetogen naar huis terug. Neen, dezen dag zouden zij nooit van hun leven vergeten.

En toen Nelly door Anneke bij haar moeder werd gebracht, die natuurlijk ook bij de aankomst aanwezig was, toen sloeg zij haar armen om haar moeders hals en snikte haar toe, terwijl vreugdetranen haar langs de wangen vloeiden:

"O Moeder, -- O Moedertje -- wat ben ik gelukkig!"

En 's avonds kwam de meester bij hen aan huis, en vertelde, dat de beroemde professor allen moed gegeven had, dat Nelly later zou kunnen zien, en dat zij in begin October, als de vacanties aan de hoogeschool afgeloopen waren, in het ooglijdersgesticht te Utrecht kon worden opgenomen, om zich onder zijn behandeling te stellen.

Wat heerschte er toen een onbeschrijflijke vreugde in het huisje van den eenvoudigen smid! 's Avonds gingen zij gezamenlijk naar de buren, om Dik hun dank te betuigen, voor hetgeen hij gedaan had.

[Illustratie]

En moeder Trom had ook al tranen in haar oogen, en vader Trom plukte aan zijn vlassige bakkebaardjes en beweerde tegen zijn vrouw, "dat Dik een bijzonder kind was, en dat was-ie!"

Het bleek later, dat de beroemde geleerde goed gezien had, want nog vóór Sinterklaas keerde Nelly uit Utrecht terug met oogen, waarvoor de wereld zich in al haar schoonheid ontplooide en die schitterden van een ongekend geluk.

EIND.

[Transcriber's Notes: Dit boek bevat een aantal zetfouten. De volgende zetfouten zijn gecorrigeerd:

[kieviten op eenigen afstond] -> [kieviten op eenigen afstand] [midden in de sloot.."] -> [midden in de sloot."] [Die zwomen op] -> [Die zwommen op] [een slimen streek] -> [een slimmen streek] ["Dag Gerrit! Zeg eens, "dag Nelly!"] -> ["Dag Gerrit! Zeg eens, 'dag Nelly!'"] [wat de meesster zeer goed] -> [wat de meester zeer goed] [Als hij iemand mishaddelt] -> [Als hij iemand mishandelt] [wel tiemaal wakker] -> [wel tienmaal wakker] [den cricus rond. Het] -> [den circus rond. Het]

Er zijn ook enkele interpunctie fouten gecorrigeerd maar worden hier niet verder genoemd. ]

End of Project Gutenberg's Dik Trom en zijn Dorpsgenooten, by C. Joh. Kieviet