Dik Trom en zijn Dorpsgenooten

Part 12

Chapter 124,181 wordsPublic domain

Dik keek den clown vastberaden aan en knikte hem toe.

"Vooruit maar!" zei hij.

"Ha-ha!" lachte de clown, die groote pret in het geval had, want hij vond dien dikken jongen meer dan vermakelijk en geloofde geen oogenblik, dat het hem gelukken zou, op den ezel te blijven zitten. 't Was immers nooit iemand gelukt?

Maar Piet van Dril en Jan Vos en zijn andere vrienden geloofden van wèl! Zij wisten wel, dat de ezel van Bertels hem er ook nooit af kon gooien.

"Ha, ha!" schreeuwde de clown. "Allo, Neef! -- Allo! -- Allo!"

Daar begon het lieve leven!

De ezel sloeg bijna achterover, zoo hoog verhief hij zich op zijn achterpooten, en Dik zou er ongetwijfeld afgegleden zijn, als zijn beenen niet in den teugel hadden gehangen. Als deze niet brak, kon hij onmogelijk vallen.

Toen gooide Neef zijn achterlijf hoog in de lucht, zoodat zijn neus bijna den grond raakte, maar Dik klemde den staart nog vaster tusschen zijn handen en bleef er aan hangen.

[Illustratie]

Een daverend gelach, gepaard met een oorverdoovend applaus weerklonk door de lucht. De menschen klapten in de handen en stampten met hun voeten, en 't lachen overstemde geheel het geschreeuw van den clown die maar voortdurend riep:

"Hallo, Neef! -- Vooruit, Neef! -- Hallo! -- Hallo!" -- En hij klapte met zijn zweep.

Weer steigerde Neef op zijn achterpooten omhoog, en toen dat niet hielp, op zijn voorpooten, maar hij kon zich zóó mal niet aanstellen, dat hij Dik van zijn rug kreeg.

Toen rende hij voorwaarts, -- en hield plotseling halt, -- maar Dik was er op verdacht geweest en had zich met al zijn kracht aan Neefs staart vastgehouden.

Neef vond het trekken aan dat lichaamsdeel blijkbaar ver van aardig, want hij keek nijdig achterom, en balkte:

"I-a! -- I-a!"

En toen balkte Dik hem, onder uitbundige vreugde van de toeschouwers na:

"I-a! -- I-a!"

En de jongens in de tent schreeuwden lachend

"I-a! -- I-a!"

En toen werd het een algemeen gebalk in de tent en een gelach, zooals er nog maar zelden gehoord was.

De ezel wist niet meer, hoe hij het had, en rende plotseling met een vaart vooruit, en nauwelijks had hij den burgemeester bereikt, of de Directeur, die het spelletje aan den ingang met het grootste genoegen had aangekeken, trad den circus binnen, en riep:

"Ho!"

Lachend drukte hij Dik de hand, en deze ontving uit de handen van den burgemeester de vier rijksdaalders.

De tent daverde van het applaus, en Dik boog met een leuk gezicht naar alle kanten. De clown liep al buigende achter hem aan.

Dik rammelde met de vier achterwielen, toen hij bij Piet en Jan terugkwam, en hij knikte zijn moeder toe, die hem trots toelachte. En zijn vader zei tegen zijn moeder:

"Griet, onze Dik is toch een bijzonder kind, -- en dat is-ie!"

"'t Is me een mooie grap!" zei Piet van Dril, die tranen in zijn oogen had van het lachen. "Je bent er op een vrijkaartje ingekomen en je gaat met vier rijksdaalders naar huis!"

Eindelijk was het gelach bedaard en werd ieders aandacht in beslag genomen door het laatste nummer van het programma.

't Was een belangwekkend schouwspel.

De zware leeuwenkooi werd door de twee olifanten tot in het midden van den circus getrokken. Daar werden de olifanten afgespannen en door de cornaks naar de stallen teruggebracht. Vlugge bedienden namen de luiken van den wagen weg, en toen waren de leeuwen voor allen zichtbaar.

Velen vonden het nu wel een beetje angstig in de tent, want zij vroegen zich af, wat er wel gebeuren zou, als er eens een van die dieren ontsnapte.

De leeuwen, die rustig lagen te slapen, werden wakker en rekten zich uit. Blijkbaar hadden zij eerst wel wat hinder van het schelle licht in de tent, maar dat ging spoedig voorbij.

Twee bedienden, gewapend met een geladen geweer, traden binnen en namen ieder aan een kant van de kooi plaats.

"Zeker om ze dood te schieten, als zij den temmer aanvallen," dacht Dik.

"Zeg Dik, zie je dat? Ze hebben ook nog pistolen in hun gordel," zei Piet van Dril.

"Revolvers," zei Dik.

Toen verscheen de temmer in den circus. Hij begaf zich naar de kooi. Daar bleef hij even staan en boog naar alle kanten.

't Werd doodstil in de tent. Ieder verkeerde in spanning, en velen bedachten hoe het dien jongen man wel te moede moest zijn, nu hij op het punt stond om in de kooi te gaan bij de leeuwen, die reeds zijn vader en grootvader hadden verslonden, zooals het gerucht ging.

Aan de rechtervoorzijde hing een klein ijzeren laddertje.

De temmer sloeg het naar beneden, want het kon om twee scharnieren draaien, en klom er tegen op. Met een vlugge beweging opende hij een smal deel van den getralieden zijwand, en vóór de menschen goed gezien hadden, hoe het in zijn werk ging, stond de man in de kooi en was de deur achter hem gesloten.

Hij had een kleine zweep in de hand, anders niets, maar in zijn gordel stak ook een revolver.

Zoodra hij binnengetreden was, weerklonk er een geweldig gebrul uit de kooi, dat de geheele tent vulde en menigeen een siddering door de leden joeg.

De temmer bleef doodstil staan, keek de leeuwen met fonkelenden blik aan, en gebood er een, bij hem te komen. Maar de leeuw gehoorzaamde hem niet.

De man herhaalde zijn bevel, en onwillig kroop de leeuw naar hem toe. Voor zijn voeten bleef hij liggen.

De temmer liet zich door het schrikkelijke dier een poot geven, en het beest moest voor hem mooi-zitten als een hondje, en eindelijk liet hij hem zijn grooten muil openen, en de temmer stak zijn hand daarin, en eindelijk tot ieders ontzetting zelfs zijn hoofd.

Eén hap, -- en hij was er geweest.

Maar de leeuw hapte niet. En toen begaf de temmer zich tusschen de andere leeuwen, die rustig waren blijven liggen, en hij joeg ze met zijn zweep overeind en sloeg hen, zodat zij woest werden en een bloeddorstig gebrul lieten hooren.

[Illustratie]

't Werd angstig om er naar te kijken.

De leeuwen werden hoe langer hoe boosaardiger en renden om den temmer heen en klemden zich aan de tralies vast, en een er van sprong tegen de getraliede zoldering aan en sloeg met zijn klauw naar hem.

Nu werd het inderdaad gevaarlijk voor den temmer.

Zonder de dieren een oogenblik uit het oog te verliezen, trok hij zich meer en meer naar het deurtje terug. De leeuwen brulden van woede en gaven alle blijken, dat zij zich met een sprong op hem wilden werpen...

Toen klonk plotseling een schot, en -- de temmer had het hok reeds verlaten en stond weer naast den wagen, buigende naar alle kanten.

't Ging zoo snel in zijn werk, dat Dik later niet eens wist te vertellen, hòè het gegaan was.

En nauwelijks had het schot weerklonken, of hij hoorde een gierend geluid achter zich, en omziende, bemerkte hij, dat het schot tevens het sein was geweest om de tent af te breken, want het zeil, dat rondom de palen gespannen was, was reeds naar beneden gehaald.

De menschen verlieten meer dan voldaan het beroemde paardenspel van den beroemden Mr. Sänger, en keerden naar huis terug.

En Dik ging meer dan opgetogen met zijn vader en moeder mede, terwijl hij de rijksdaalders liet rammelen, die hem in zijn diepen broekzak zaten.

[Illustratie: hoofdstuk kopstuk]

Veertiende Hoofdstuk.

Het schoolfeest.

Het was de laatste dag vóór de zomervacantie, maar -- er zou geen school gehouden worden, want het was de dag van het groote schoolfeest, waarnaar de jongens en meisjes al zoo lang hadden gehunkerd.

Alle kinderen van de school zouden er aan deelnemen, daar had de meester wel voor gezorgd. Er waren wel eenige kinderen geweest, die onmogelijk hadden kunnen sparen, maar de anderen hadden wat méér bijgedragen, en voor hetgeen er toen nog te kort was, had de meester eenige gegoeden aangesproken, die het hem met alle genoegen hadden gegeven. Zij zouden het meer dan jammer gevonden hebben, als die allerarmste kinderen niet hadden kunnen meêgaan.

Dik was 's morgens al vroeg in de weer, om voer voor zijn konijnen te snijden, en Nelly hield hem daarbij, als gewoonlijk gezelschap, evenals Gerrit, die voor zijn ontbijt zorgde, en herhaaldelijk riep:

"Dag Dik! Hier is Gerrit! Dag Helly! Hier is Gerrit!"

De vreugde stond Nelly op het gelaat te lezen en telkens zei ze:

"O Dik, wat ben ik blij, dat ik meê mag! Je weet niet, hoe blij ik ben!"

En Nelly wist niet, hoe blij Dik was, omdat hij het ongelukkige meisje dezen feestdag had bezorgd.

Nelly zag er nu al veel gezonder uit, dan toen zij pas op het dorp was komen wonen. Zij kreeg al weer een blosje op haar wangen en 't was haar aan te zien, dat er bij haar thuis al geen gebrek meer geleden werd. Zeker, weelde heerschte daar nog niet, want Vader en Moeder waren aan het sparen om de gemaakte schuld in Amsterdam af te doen, maar zij konden zich door Vaders verdiensten toch al weer voldoende voeden, en Vader werd ook alweer veel sterker. Zijn baas was zeer met hem ingenomen, want hij bleek iemand te zijn, die zijn vak volkomen verstond en ijverig van aard was. Geen moeite was hem te veel, om de tevredenheid van zijn baas te verwerven, en hij kreeg dikwijls overwerk, omdat Van Dril hem in de gelegenheid wilde stellen, zijn schuld spoedig af te doen.

Nelly zag er nu wàt lief uit in haar Zondagsche jurk en met haar mooie krullende haren, waar Moeder blijkbaar heel wat werk van had gemaakt. Zij was zoo grootsch, dat ze niet op het gras wilde gaan zitten uit vrees, dat zij zich vuil zou maken.

Piet van Dril was ook al op zijn mooist, toen hij bij hen kwam om te kijken, of de stoomboot nog niet op komst was.

"Is de boot er nog niet, Dik?" vroeg hij.

"Neen," zei Dik. "'t Wordt tijd voor hem, hè? Zeg, verbeeld je eens, dat hij niet kwam."

"'t Is niet te hopen," zei Piet. "Wat zouden we dan moeten beginnen!"

"Dag Dik! Dag Helly! Hier is Gerrit!" riep de kauw uit de verte.

Piet van Dril lachte.

"Zoo, is hij hier ook?" zei hij. "Zeg Dik, weet je nog wel van dien middag, toen hij in school kwam? Wat hebben we toen gelachen, zeg!"

"Of we!" zei Dik.

"O," zei Nelly, "dat was diezelfde middag, dat je die muis bij je hadt, hè?"

"Ja," zei Dik, die met grooten ijver gras sneed. "Om nooit te vergeten...."

"En toen je zoo lang hebt school moeten blijven," zei Nelly.

"Zoo," zei Piet van Dril, "je weet het nog goed."

Dik stond op. Zijn voorraad was groot genoeg.

Plotseling riep Piet, die met zijn hand boven de oogen het kanaal aftuurde:

"Zeg, kijk eens, Dik, daar ginds in de verte..."

"Ha ja," zei Dik, "een rookwolk! Daar komt de boot. Ik ga me dadelijk verkleeden, want met het grassnijden mocht ik mijn Zondagsche pak niet aan hebben van Moeder. Kom Nelly, -- ga je meê?"

Zij gingen haastig naar huis. De kauw vloog hen na en riep:

"Dag Dik! Dag Helly! Hier is Gerrit!"

"Ja ja, hoor, 't is goed!" riep Dik. "Ik heb geen tijd, om me met je te bemoeien."

Hij voerde zijn duiven en voorzag de ruiven van zijn konijnen voor den heelen dag van gras, en toen ging hij naar binnen om zich te verkleeden.

Een uurtje later was het heel druk aan den waterkant, voor de school. Alle vrouwtjes van het dorp stonden daar, om naar de boot te kijken, die rijk met vlaggetjes versierd was, en om de vreugde van de kinderen te zien, die nu op de speelplaats waren en hunkerden naar het oogenblik, waarop zij aan boord zouden gaan.

De grootste jongens, waaronder ook Dik, droegen de trommels met besmeerde kadetjes en krentenbroodjes aan boord, en Piet van Dril torste met Jan Vos een mand vol met flesschen limonade. Anderen belastten zich met de noodige glazen, om die naar de boot te brengen. De twee schooljuffrouwen liepen met de grootste meisjes op de speelplaats heen en weer, -- en iedereen zag er even vroolijk en opgewekt uit.

De meester hield natuurlijk nauwlettend toezicht op alles, wat er gebeurde. Eindelijk kwamen er ook zeven muzikanten op de speelplaats, met bolle wangen en koperen instrumenten, en zij hadden groene uniformen aan en reusachtige Duitsche petten op het hoofd. Er was een groote en een kleine trom bij.

Moeder Elswater kwam met Nelly aan den arm naar den meester toe.

"Zoo Nelly, ben je daar?" zei de meester, terwijl hij haar een hand gaf. "Ben je blij, dat je meêgaat?"

"O ja, meester, dolblij!" zei Nelly.

"Ze heeft vanmorgen haast niet kunnen eten van blijdschap, meester," zei vrouw Elswater. "Niet waar, kind?"

"O, die zullen er wel meer zijn," zei de meester lachend. "Maar dat is niets, hoor, we hebben daar op gerekend, en zoodra we afgevaren zijn, krijgt ieder al een lekker broodje met kaas."

[Illustratie: De kinderen wuifden naar de menschen, die aan den wal stonden. (Bladz. 225.)]

"En meester," zei vrouw Elswater wat zachter, -- "ik ben wel een beetje ongerust, -- want u weet --"

"Jawel, jawel," zei de meester, "heb maar geen zorg. De boot is rondom met vlechtdraad afgezet, zoodat het onmogelijk is, om overboord te vallen; en bovendien zullen wij wel op haar letten. -- Anneke! -- Anneke!"

Anneke kwam op een drafje aanloopen.

"Jullie kennen elkaar, hè?" zei de meester. "Mag Nelly..."

"O ja, m'st'r," zei Anneke, terwijl zij den arm van Nelly in den haren nam. "We hebben al afgesproken, dat we met ons allen voor haar zorgen zullen."

"Zoo, je bent een beste meid, hoor," zei de meester.

Toen riep hij alle kinderen om zich heen, zette hen in rijen van vier, en onder een vroolijken marsch ging het voorwaarts naar de boot. Zelf bracht de meester Nelly aan boord en toen volgden alle anderen. En toen de marsch ten einde was, begonnen de kinderen te zingen en te juichen, en zij wuifden naar de menschen, die aan den wal stonden en riepen:

"Hoezee! Hoezee!"

En de menschen wuifden lachend terug en riepen ook:

"Hoezee! Hoezee!"

De loopplank werd ingehaald, de stoomfluit gierde, en toen zette de boot zich in beweging onder de schetterende tonen der muziek.

Ha, dat was een genot, en menig jong moedertje aan den, wal had nog wel graag mede gewild met het levenslustige troepje daar aan boord.

De menschen keken de boot na en wuifden, tot zij haast uit het gezicht was, en zij waren vol lof voor den meester en de onderwijzeressen, die zich zooveel moeite wilden getroosten, om den kinderen zoo'n prettigen dag te bezorgen.

En een prettige dag zou het worden, daar behoefden zij niet aan te twijfelen, want het was prachtig weer en de zon zette alles in een feestgloed.

Zoo lang de boot tusschen de huizen van het dorp doorvoer, kwam er aan het gejuich geen einde, want overal kwamen de menschen voor de ramen of naar buiten, om de kinderen toe te wuiven, en de vlaggetjes wapperden zoo vroolijk en de muzikanten bliezen er zoo lustig op los.

Nelly genoot meer dan zij zeggen kon van de schetterende tonen der muziek en het vroolijke kindergezang en van het gejuich en gejoel om haar heen.

Zoodra de boot het dorp verlaten had, kregen de meester en de dames het druk, want toen moesten er broodjes worden rondgedeeld en kreeg elk kind een flink glas melk. De meester wist wel, dat velen van blijdschap 's morgens maar weinig of in het geheel niet hadden kunnen eten. En de glazen moesten na het gebruik weer frisch worden omgespoeld, wat ook een heel werk was. Gelukkig hielpen de grootste meisjes daar ijverig aan mede, want anders zou het voor de onderwijzeressen ongetwijfeld àl te druk zijn geworden.

Onder muziek, gepraat en gelach voeren zij tusschen welige landouwen door, waar vurige klaprozen en blauwe korenbloemen pronkten tusschen het golvend graan en bereikten eindelijk den ringdijk van den polder. Daar was een sluis, die toegang gaf tot een breede rivier, en de kinderen vonden het aardig te zien, hoe de boot langzaam in de sluis rees, tot zij het peil van de rivier had bereikt. Toen werden de sluisdeuren geopend en vervolgden zij hun tocht.

Ha, hier werd het veel levendiger op het water. Zij passeerden groote aken en tjalken, waarvan er sommige hoog beladen waren, en zij kwamen andere stoombooten tegen, waarvan het dek geheel bezet was met passagiers, daar met dit mooie weer bijna niemand beneden in de kajuit wilde zitten.

[Illustratie]

En dan werd het een gewuif en gejuich zonder eind, en wuifden de menschen van de andere booten terug.

"Hoera! Hoera!" klonk het dan uit honderd monden, en iedereen keek lachend naar de blijde kindergezichten, die er zoo gelukkig uitzagen en waarop de vreugde te lezen stond.

De meester vond het niet noodig, dat de kinderen stokstijf op hun plaats bleven zitten, want hij had de noodige voorzorgen genomen, dat niemand over boord kon vallen, of zij moesten al op de banken langs het boord gaan staan. Maar dat verbood hij met de grootste beslistheid en hij dreigde den eersten den besten, die het toch durfde wagen, naar beneden in de kajuit te zullen sturen, waar hij dan gedurende de geheele reis in zijn eentje mocht zitten.

De kinderen mochten zich dus vrij bewegen, en daar maakten zij graag gebruik van. De onderwijzeressen bedachten allerlei spelletjes, die zij op het dek konden doen, en zoodoende hadden zij IJmuiden bereikt, eer zij er erg in hadden.

Daar zouden zij van boord gaan, om langs het strand naar Wijk aan Zee te wandelen, en de boot zou intusschen naar Beverwijk varen, om daar de kinderen weer op te wachten voor de huisreis.

Maar voor zij van boord gingen, mochten zij zooveel eten, als zij maar wilden, want het zou lang duren, eer zij weer op de boot terug kwamen, en 't was onmogelijk, om de gesmeerde broodjes naar Wijk aan Zee mede te nemen. Nu, 't was dan ook ongelooflijk, hoeveel sommige kinderen konden eten, maar -- zij kregen ook alle dagen thuis lang niet zulke lekkere broodjes als hier aan boord. Bovendien kreeg iedereen nog een paar Amsterdamsche korstjes om op den wandeltocht mede te nemen.

Toen allen verzadigd waren, gingen zij van boord, en werd de wandeling aanvaard.

Maar o, hoe verbaasd keken zij op, toen zij het strand bereikt hadden en daar plotseling de groote, onmetelijke zee voor zich zagen. De zon speelde met de rustelooze golfjes zoodat zij wel van vloeibaar goud schenen, en hooge golven dicht bij het strand met hun schuimende koppen kookten en woelden, en stortten zich onder luid gebruis over elkander, om dan in brede deining naar het strand te vloeien. 't Was een grootsch gezicht, waarvan zij diep onder den indruk kwamen, zoodat zij ophielden met praten en lachen, en ademloos het schoone schouwspel aanstaarden. Want velen van hen hadden nog nooit de zee gezien en nog nooit haar onvolprezen majesteit bewonderd.

"Dàt is pas mooi," zei Dik zacht tegen Piet en Jan, die zijn onafscheidelijke kameraden waren. "'t Lijkt alles wel zilver en goud."

"Zie je die schepen in de verte?" zei Jan Vos.

"Ja, zeilschepen, maar stoombooten ook!" zei Piet van Dril. "Ik zie er een met drie schoorsteenen."

[Illustratie]

Anneke met Nelly aan haar arm kwam bij hen staan.

"Prachtig, hè!" zei Anneke opgetogen. "Heb je ooit zoo iets moois gezien?"

"'t Is -- 't is veel mooier dan het paardenspel," zei Dik zacht. "O, dat zou nog al wat schelen."

"En wat ruikt het hier eigenaardig," zei Nelly. "Ik ruik de zeelucht. Zijn de duinen hier hoog?"

De kinderen keken elkander een oogenblik aan en voelden allen een groot medelijden met het blinde meisje, dat van al het schoone hier aan het strand niets kon zien.

"Ja," zei Dik, "heel hoog. Zeg Nelly, als we te Wijk aan Zee zijn, zal ik met je tegen een duin opklimmen en er je bovenop brengen. Dan zul-je wel merken, dat ze hoog zijn."

"Komt kinderen, voorwaarts!" riep de meester. "Een vroolijke marsch asjeblieft, muzikanten, want het is nog een flinke wandeling. -- Kinderen, je behoeft niet in de rij te loopen, als je maar zorgt, niet achter te blijven."

En hij dacht er bij: "daar zal ik zelf ook wel voor zorgen."

De muziek viel in, en de kinderen liepen stoeiend verder. Anneke hield eerst een poosje Nelly aan de hand, maar de meisjes losten haar om de beurt af en ook liepen de onderwijzeressen wel met haar gearmd.

Het blinde kind genoot volop, misschien nog wel meer dan de anderen, want zij was maar zoo bitter weinig gewoon.

"Jakkes, wat is dat?" riep een van de meisjes uit, toen zij een glibberig voorwerp op het strand zag liggen.

"Een kwal!" zei de meester. "Blijf er maar af!"

"Ik denk er niet over om het op te rapen!" lachte Anneke. "Bah, wat vies!"

Velen liepen mooie schelpen en horentjes te zoeken, die er in overvloed over het strand verspreid lagen, en Dik speelde met zijn vrienden vlak langs de aanrollende golven en sprong weer haastig weg, als zij hem over de voeten dreigden te spoelen.

Dat spelletje gingen de andere jongens ook doen, en menigeen werd door de golven verrast en haalde een natte voeten. Maar daar werd niet over getreurd; zij gaven er niets om. Thuis zouden zij wel weer droge kousen aantrekken.

De meester vond het echter minder prettig, en daarom gaf hij verlof, dat zij hun kousen en schoenen mochten uittrekken.

[Illustratie]

"Dan blijven zij tenminste droog," dacht hij. En hij had wel gelijk, -- maar de jongens gingen nu veel verder in het water, zoodat hun broeken al heel gauw drijfnat werden, en dat was niet veel beter. Maar 't was warm weer, dus 't zou wel zoo erg veel kwaad niet kunnen. 't Ergste was, dat Bruin Boon allebei zijn kousen verloor, zonder het op te merken. Hij miste ze pas, toen Wijk aan Zee bereikt was, maar toen was het te laat.

Schreeuwend zat hij op een zandhoop.

"Wat is er?" vroeg de meester.

"'k Heb mijn kousen verloren," jammerde Bruin.

"Jij hebt ook altijd wat, Bruin," bromde de meester. "Nu, er is niets aan te doen, je bent ze kwijt. Ze zullen wel hier of daar in de zee liggen of op het strand zijn aangespoeld, maar je moogt ze niet gaan zoeken. Ik sta niet toe, dat een van de jongens zich van den troep verwijdert. Huil nu maar niet, -- ik zal er nog eens over denken, wat ik doen kan."

Ja, zij hadden thans Wijk aan Zee bereikt, waar een aantal badstoelen aan het strand stonden, met heeren of dames er in, die zaten te lezen of te handwerken. En er waren badkoetsjes, waarin de menschen, die in zee wilden gaan, zich konden ontkleeden. Dan werd het koetsje door een paard een eindje in het water gereden, en een oogenblik later kwamen de menschen er uit om een frisch bad te nemen. Dik vond het aardig, om dat alles aan te zien.

De kousen en schoenen der kinderen werden bij elkaar in een tentje, waar snoep- en speelgoed te koop was, in bewaring gegeven, en de meester huurde van een strandknecht drie badstoelen voor zich en de beide juffrouwen, want zij waren moede en warm geworden van de wandeling.

"Zijn er veel badgasten van 't jaar?" vroeg de meester aan den badknecht.

"O, dat gaat wel, mijnheer," was het antwoord. "Maar in Zandvoort en Scheveningen zullen er wel meer zijn," liet hij er lachend op volgen.

"Dat denk ik wel," zei de meester. "Daar is het veel drukker."

"Zeker, mijnheer, -- maar hier is het veel rustiger, en daarom geven velen de voorkeur aan Wijk aan Zee boven Scheveningen bij voorbeeld. Hier komen ze eens echt lekker uitrusten, begrijpt u?"

"O juist," zei de meester. "Kooplieden, die drukke zaken hebben, en zieken..."

"Zeker, dat is zoo, -- maar ook groote geleerden, die geestelijk vermoeid zijn. Ziet u, dien grijzen heer daar, -- in dien badstoel? Hij slaat nu juist zijn krant om.--"

"Ja, -- ik zie hem. Is dat een geleerde?"

"Ja mijnheer, dat is professor Donders, uit Utrecht. Hij komt hier bijna elken zomer, en zoo zijn er meer. Naast hem zit een professor uit Amsterdam, een vriend van hem."

De meester betaalde de huur voor de badstoelen en begaf zich naar de kinderen.

"Mogen we hier baden, meester?" vroegen ze.

"Ja, -- maar bij elkander blijven, hoor. Ik ga even het dorp in..."

"M'st'r, we hebben zoo'n dorst!" klaagden er sommigen.

"Daar weet ik raad op. Ik zal maken, dat er voor ieder over een half uurtje een glas heerlijke limonade wordt gebracht. En hoor eens, weten jullie nog wel, dat ik je onlangs, toen we het over Utrecht hadden, gesproken heb over een wereldberoemden professor in de oogheelkunde..."

"Profester Donders!" zei Dik.

"Juist, Dik. Kijk -- ginds zit die beroemde man, -- dáár -- in dien badstoel: Hij zit de courant te lezen. Vinden jullie het niet aardig, zoo'n beroemden man te zien?"