Dik Trom en zijn Dorpsgenooten

Part 10

Chapter 104,270 wordsPublic domain

De clown ging de jongens voor naar de stallen, waar al de paarden stonden, en zij zagen de pikeurs, die ze de zadels oplegden, omdat het tijd werd voor den optocht. De clown had blijkbaar haast. Hij bracht hen naar een wagen met licht traliewerk waar de honden en apen in opgesloten waren, en zei, terwijl hij de deur daarvan opende: "Doe den aap hier maar in."

"Jawel," zei Dik, die in de vreemde omgeving haast niet wist, waarheen het eerst te kijken, -- "alles goed en wel, maar eerst betalen, zie je!"

"Vertrouw je me niet?" zei de Clown. "Wacht maar even."

Hij bleef slechts enkele seconden weg.

"Hier, -- zes vrijkaarten derden rang en een gulden."

"Dank je," zei Dik.

Hij deed Caesar den ketting af, en de deur van de kooi werd achter den aap gesloten.

"En ga nu maar dadelijk weg, want de optocht gaat beginnen," zei de Clown, die blijkbaar bijzonder met zijn koopje ingenomen was. De vrijkaarten kostten hem geen geld, dus kwam de aap hem slechts op een enkelen gulden.

En Dik was den koning te rijk.

"Wat moet jij met al die vrijkaarten doen?" vroeg Piet van Dril.

"Zes vrijkaarten!" riep Jan Vos uit, "'t is me geen kleinigheid!"

"Wat ik er meê doen moet?" vroeg Dik. "Kijk, deze is voor Vader, deze voor Moeder, deze voor mij, die voor jou, Piet, asjeblief, pak aan, deze voor jou, Jan Vos, -- hier, en deze voor Anneke, en dan ben ik ze alle zes kwijt..."

"Dat noem ik royale!" riep Jan Vos uit, terwijl hij een kleur kreeg van blijdschap. "Dank je, Dik! Dank je wel!"

"En ik dank je ook," zei Piet.

"Jammer, dat mijn buurmeisje blind is," zei Dik. "Ze kan er toch niets van zien. Als dat het geval niet geweest was, had ik er zeven gevraagd..."

"En je hadt ze gekregen ook," zei Piet. "Wat had hij, een zin in den aap!"

"Jongen jongen wat ben ik blij met dat kaartje!" zei Jan Vos herhaaldelijk. "Goed, dat je maar niet dadelijk toehapte, Dik. Zes vrijkaartjes en nog een gulden toe, -- 't is prachtig!"

Dik stak zijn gulden en zijn kaartjes in zijn zak, want er klonk uit de tent een krachtige klaroenstoot. De optocht zou zeker beginnen. Op den weg en de bruggen zag het thans zwart van de menschen, want alleen de zieken en zeer ouden waren in de huizen achtergebleven.

Eerst verschenen weer de vier herauten. Ze reden tot bij de groote brug en hielden daar halt. Toen kwam weer het rijtuig, thans bespannen met zes prachtige schimmels, die weer bereden werden door jockeys. In het rijtuig zat de Directeur, de beroemde Mr. Sänger. Daarachter verscheen de leeuwenkooi op den weg, tot verrassing van allen, die het zagen, getrokken door twee olifanten.

"O, kijk eens! Kijk eens!" klonk het overal. "Olifanten voor een wagen!"

"'t Is de leeuwenkooi," riep Dik tegen Jan en Piet. "Kijk, de luiken zijn er afgedaan en je ziet de leeuwen in het hok! Ha, wat een beesten, kijk, die eene slaat met zijn klauw naar den anderen, zie je dat? Aanstonds verscheuren ze mekaar nog."

"Bij elken olifant loopt een oppasser," zei Piet.

"Ho, -- daar staan ze stil. Er komt zeker nog meer. Kijk, de wagen met muzikanten!"

Maar die konden Dik niet veel schelen, nu de olifanten zoo dicht bij hem stonden. Hij drong tusschen de menschen door, om er nog dichter bij te komen, en Piet en Jan volgden hem op de hielen. Zoo kwamen zij vlak bij de leeuwenkooi, maar het onderste gedeelte daarvan was zoodanig ingericht, dat alleen de temmer de leeuwen bereiken kon, hetgeen gedaan was, om ongelukken te voorkomen.

Vlak bij den wagen stond een jonge, forsche man, met een geweldig grooten knevel. Hij had een kort rijzweepje in de hand en scheen in het geheel niet bang van de leeuwen, die trouwens heel rustig waren en waarvan er sommige zelfs sliepen.

"Mooie beesten," zei Piet. "Zie je die manen?"

"Ja," zei Jan Vos, die verrukt naar zijn toegangskaartje stond te kijken. O, wat was hij daar blij mede.

"Maar er zijn er ook zònder manen."

"Dat zijn de leeuwinnen," zei Piet.

Dik zei niets, maar hij bekeek den man, die vlak bij de kooi stond, van het hoofd tot de voeten, en hij vroeg zich af, wat die man daar doen moest.

Opeens begreep hij, wie het was.

"Zeg jongens," zei hij, "kijk, dat is de leeuwentemmer..."

"Zou je denken?" zei Piet van Dril.

"Ongetwijfeld," zei Dik. "Kijk, hij steekt zijn hand door de tralies en streelt den leeuw over zijn kop! Wat een mak beest, hè?"

"'t Lijkt maar zoo," zei Piet. "Zou jij je hand door de tralies durven steken, Dik?"

"Wel ja, -- waarom niet!" zei Dik.

"Doe het dan eens, Dik. Dàt zou ik wel eens willen zien. Je durft toch niet! Bluffer!"

"Nu niet!" zei Dik.

"Hè, hè, hè!" grinnikte Piet. "Wanneer dan wèl?"

"Als de leeuwen er uit zijn," zei Dik met een lachje.

Piet en Jan lachten ook.

"Zeg jongens," zei Dik, "weet je, dat de vader en de grootvader van dien leeuwentemmer al door hen verslonden zijn?"

"Ja, -- dat is algemeen bekend," beweerde Jan, die zijn toegangskaartje weer eens uit zijn zak te voorschijn haalde, om het nogmaals te bekijken.

"Welke leeuw zou het gedaan hebben?" vroeg Dik. "Ik denk die daarachter in den wagen. Zie je wel, hoe valsch hij naar den temmer kijkt? Ha, hij gaapt, hij heeft trek! Wat een tanden, hè?"

"Ha, ha, daar komt een wagen met clowns uit de stallen!" riep Jan opgetogen uit. "Kijk ze er eens mal uitzien!"

"Die olifanten zijn ook wel leuk om te zien," zei Dik. "Bij elken olifant is een cornak, zie je wel?"

"Ja," zei Piet. "Durf jij zoo'n olifant een koekje te geven, Dik? Of heb je er niet meer? Vanmorgen zaten je zakken vol."

"'k Durf best," zei Dik.

"Net als met je hand door de tralies, hè?"

"Wil je 't zien?" vroeg Dik.

Hij ging zoo dicht mogelijk naar den olifant toe en keek met een lachend gezicht den cornak aan. Hij diepte een koekje uit zijn zak op en stak het den oppasser toe, maar deze wenkte lachend, dat Dik het den olifant zelf mocht geven. Maar Jan Vos, die een beetje banger van aard was, riep hem toe:

"Niet doen, Dik, -- hij steekt zijn slurf al naar je uit, en hij heeft er zijn vorigen oppasser meê doodgeslagen..."

Doch Dik hoorde hem niet eens. Hij ging nog een stapje vooruit, en stak het koekje tusschen de lippen van de slurf. Dik lachte, want hij vond het grappig. De olifant greep het koekje vast en deponeerde het met een vlugge beweging in zijn bek.

"Wat een groote slagtanden heeft hij," dacht Dik. Maar op 't zelfde oogenblik voelde hij het einde van de slurf al weer over zijn hand glijden.

Het groote, logge beest vroeg om nòg een koekje, en de andere olifant, stak ook zijn slurf naar hem toe. Hij klapte met zijn ooren en maakte een vreemd, trompetterig geluid. Blijkbaar was hij jaloersch op zijn makker, die van Dik een klontje suiker kreeg, en onmiddellijk weer zijn slurf toestak. Die dikke jongen beviel hem wel, hij streek hem met zijn slurf over zijn bolle wangen.

De cornak moest er hardop om lachen, en Dik ook. Hij pakte de slurf onbevreesd beet, en gaf den anderen olifant ook een klontje.

Op dit oogenblik klonk er een krachtige klaroenstoot, ten teeken dat de stoet geformeerd was en de optocht kon beginnen. De muziek viel met daverend geweld in, en de trommen bomden zoo hard, dat de leeuwen er van begonnen te brullen.

Voorwaarts ging het.

Dik keerde zich om; ten einde zich weer bij zijn makkers te voegen, toen hem plotseling iets vreemds overkwam, iets, wat hem het eerste oogenblik een rilling over de leden joeg. Hij voelde namelijk opeens iets hards en vochtigs in zijn hals, werd toen met een krachtigen ruk bij zijn kraag gegrepen, en als een veertje in de hoogte getild.

't Was de olifant, die deze grappen met hem uithaalde. Het beviel het beest in het geheel niet, dat Dik met zijn lekkere koekjes en klontjes hem in den steek ging laten en hij besloot onmiddellijk, hem dat te beletten. Daarom pakte hij Dik zonder boe of ba te zeggen bij zijn kraag, hief hem in de hoogte en slingerde hem tamelijk hardhandig over zijn kop heen op zijn nek. Met een smak kwam Dik op het logge dier terecht, zonder in het eerste moment te begrijpen, wat er met hem gebeurde.

De cornak lachte dat het schaterde, en hij trok Dik, die tamelijk schots en scheef op den rug van den olifant terecht was gekomen, met een ruk overeind, uit vrees, dat hij anders op den grond zou vallen.

Daar zat Dik dus onverwachts op den rug van een olifant, en hij moest er om lachen, of hij wilde of niet, zoo fijn vond hij het.

En de jongens lachten ook en riepen juichend:

"Hoera! Hoera! Dik op den olifant! Dik op den olifant!"

En alle menschen op de brug lachten, en zij wezen elkander Dik aan, die daar zoo hoog en vroolijk bijna op den kop van het logge dier zat en zoo den optocht door het dorp ging medemaken. Dik keek triomfantelijk van af zijn hoogen en zeldzamen zetel op de lachende menigte neer, en hij wuifde den menschen links en rechts toe, zooals de Koningin doet, als zij in de een of andere stad haar feestelijken intocht houdt.

Maar ook klonk er een kreet van angst en schrik.

't Was Dik's moeder, die hem slaakte. Zij was met haar man en met de buren ook nog even naar de drukte gaan kijken. Nelly liep aan den arm van haar moeder. Zij stonden midden op de brug, toen de stoet zich in beweging zette.

Opeens zag toen moeder Trom, welk een gevaarlijke zitplaats door haar dikken jongen werd ingenomen, en in haar angst slaakte zij een hevigen gil, en zij greep Trom bij zijn arm en wees hem naar den olifant, op wiens nek Dik triomfantelijk troonde.

"Genadige hemel!" gilde Griet. "Jan, kijk eens, dáár -- daar op dien olifant -- daar zit Dik -- O hemel!"

Trom sperde zijn oogen zoo wijd mogelijk open, plukte in zijn verbazing kleine vlokjes uit zijn vlassige bakkebaardjes en zei:

"Griet, wil ik je eens wat zeggen? Onze Dik is een bijzonder kind, -- en dat is-ie!"

Op hetzelfde oogenblik ontstond er een groot gedrang onder de menigte, want de stoet nam zijn weg over de brug, en allen, die daar stonden, maakten zich haastig uit de voeten. Ha, de brug dreunde onder de pooten der logge olifanten, die de leeuwenkooi voorttrokken, en toen zij de brug over waren, zag Dik zijn vader en moeder en de nieuwe buren, en hij wuifde hun lachend toe.

"Nelly! Nelly!" riep hij, "ik zit op den rug van een olifant!"

En Nelly knikte in de richting vanwaar zij Dik's stem hoorde, en zij wuifde haar buurjongen toe, die zoo vriendelijk voor haar was en van wien zij al zooveel hield.

"Houd-je goed vast, Dik!" gilde zijn moeder hem in haar angst toe, maar toen zij zag, hoe Dik zich op zijn gemak voelde, en hoe de menschen hem toelachten en hoe grappig zij hem vonden, -- toen bedaarde haar angst en moest zij er ook om lachen.

Trouwens, haar aandacht werd spoedig afgeleid, want er was verwonderlijk veel voor haar en haar eenvoudige dorpsgenooten te zien.

De leeuwen trokken ieders aandacht, en de leeuwentemmer niet minder, dien zij met eerbiedigen schroom aanschouwden, en den Directeur vonden zij een wondermensch, en de rijders en rijdsters de deftigste heeren en dames van de wereld, en de clowns, die biljetten rondstrooiden, onweerstaanbaar grappig en koddig, en de muziek in een woord verrukkelijk.

Nelly genoot van dit laatste onuitsprekelijk, en een blosje kleurde haar anders zoo bleeke wangen.

Dik bleef gedurende den geheelen optocht op den olifant zitten en dit beest stak hem herhaaldelijk zijn slurf toe, om nog een lekker hapje te krijgen.

Om ruim vier uur keerde de stoet in de stallen terug, en toen verliet Dik met behulp van den cornak zijn hoogen zetel.

Op het dorp en zelfs in den geheelen polder was er bijna niemand, die niet besloten was, 's avonds naar de voorstelling te gaan.

Mr. Sänger had met zijn geweldige reclame zijn doel volkomen bereikt.

1) Goeden morgen, mijnheer, hoe vaart u? 2) Spreekt u Engelsch? 3) Verstaat u me? 4) Vaarwel, mijnheer.

[Illustratie: hoofdstuk kopstuk]

Twaalfde Hoofdstuk.

In het paardenspel.

Dik begaf zich eerst naar Anneke, die een gat in de lucht sprong, toen hij haar het vrijkaartje gaf, zoo blij was zij er mede, en toen ging hij naar huis, waar hij aan zijn vader en moeder vertelde, dat hij den aap verkocht had, en dat hij een toegangskaart voor hen had, en dat hij nu geld genoeg bezat om Nelly met het schoolfeest mede te laten gaan, als de meester daartoe zijn toestemming wilde geven.

"En dat doet hij wel, Dik," zei zijn Moeder. "De meester is een braaf man, en als hij weet, dat het arme kind blind is, zal hij het je niet weigeren..."

"En dat zal hij!" viel zijn vader in.

"Maar Dik, wat ben ik geschrokken, toen ik je daar zoo onverwachts op dien olifant zag zitten," zei Moeder.

"En dat ben ik!" zei zijn vader.

"O Moeder, wat vond ik dat heerlijk! Neen, dat had ik nooit kunnen denken, dat ik nog eens op den rug van een olifant aan een optocht zou deelnemen," zei Dik lachend. "'t Was fijn, hoor! En lachen, dat de menschen deden..."

"En dat deden ze," zei vader Trom.

"Maar hoe kwam je er toch zoo op, Dik?" vroeg zijn moeder.

"De olifant pakte me bij mijn kraag en gooide me zelf over zijn kop heen op zijn rug, Moeder. Ik schrok me eerst haast een ongeluk!"

"En dat deed ik," zei zijn Vader, die zijn dikken zoon met blijkbare bewondering zat aan te staren.

"'t Was goed, dat de kornac me greep..."

"Wie?" vroeg zijn moeder, die nog nooit van een kornac had gehoord.

"De oppasser," zei Dik, -- "want anders was ik er stellig afgevallen. Ik kwam tamelijk schots en scheef op zijn rug terecht. Zeg Moeder, is u niet blij met dat kaartje?"

"Of ik!" zei Moeder. "Ik wil er dolgraag heen..."

"En dat wil ik," zei Vader.

"Moeder, weet u, wat ik nu doen ga? Ik ga naar den meester, om te vragen, of Nelly met het schoolfeest meê mag. De meester zal nu wel thuis zijn, denk ik."

"Goed Dik, ga maar, en neem het geld mede, dan behoef jij er niet langer op te passen."

"Ja," zei Dik.

Hij haalde een kwartje uit zijn spaarpot en ging naar het huis van den meester, die naast de school woonde.

Het dienstmeisje kwam voor.

"Wel Dik?" vroeg zij lachend, want zij had Dik op den olifant zien zitten en vond hem een koddigen jongen. "Ben je niet gevallen? Je zat daar hoog en droog, Dik, op dien olifant."

"Ja, hè!" zei Dik. "Is de meester thuis?"

"Jawel, wat is er?"

"'k Wou den meester graag even spreken."

"Kom dan maar zoo lang in de vestibule, Dik," zei het meisje. "Dan zal ik hem gaan roepen."

Dik bleef in de vestibule wachten en verkeerde in spanning, wat de meester zeggen zou.

"Als hij het maar goed vindt," dacht Dik.

Al spoedig kwam de meester.

Dik nam zijn pet in zijn hand, en zei: "Dag meester."

"Dag Dik, -- wat is er?"

"Meester," zei Dik, terwijl hij den gulden en het kwartje van tusschen de koekkruimels uit zijn wijden broekzak opdiepte, en ze den meester toestak, -- "meester, hier heb ik vijf en twintig stuiver, en nu wou ik u vragen, of asjeblief mijn buurmeisje met het schoolfeest meê mag...."

"Wie is dat?" vroeg de meester.

"Nelly Elswater," zei Dik. "Ze woont nog maar enkele dagen naast ons."

"Zoo. -- Maar Dik, ze gaat niet school, -- en 't is een feest uitsluitend voor de schoolkinderen. Steek dat geld maar weer in je zak, jongen, want daar kan ik heusch niet aan beginnen. Op die manier zouden er nog wel honderd kunnen vragen, of ze meê mogen. Dat kan niet, hoor."

Dit antwoord was voor Dik een schrikkelijke teleurstelling. Hij keek den meester smeekend aan, en zei:

"Maar meester, 't is..."

"Neen, neen, Dik," viel de meester hem in de rede, "geef haar dat geld maar terug; ik kan er werkelijk niet aan beginnen, zeg haar dat maar."

"Ze weet er niets van, meester," zei Dik droevig, want het speet hem meer dan erg, dat de meester er niets van hooren wilde. "En 't is haar geld niet."

"Is dat geld niet van haar, Dik?" vroeg de meester. "Van wien is het dan?"

"Van mij, meester," zei Dik blozend; hij had het liever voor den meester niet willen weten. Niemand had er immers mede noodig?

"Van jou? -- Hoe kom je daaraan?" vroeg de meester verwonderd, daar hij wel wist, dat het geld de familie Trom niet op den rug groeide.

"Meester, ik heb het opgespaard, -- ik heb er drie konijntjes voor verloot en vanmiddag heb ik er de rest bijverdiend..."

"Ik begrijp er niets van," zei de meester. "Zeg me nu eens kort en goed, hoe je er toe komt, om zooveel geld voor dat buurkind uit te geven."

"Ze is blind, m'st'r, en ik heb zoo'n medelijden met haar, en -- enne -- ze is erg arm, m'st'r, want haar vader is lang erg ziek geweest, enne -- enne... Vader en Moeder vinden het goed -- van het geld m'st'r..."

De meester keek Dik aan met een eigenaardige tinteling in zijn oogen en Dik keek bedroefd naar den grond. Het speet hem zoo, dat de meester het niet goed vond.

"Ha," dacht de meester in zichzelven, -- "daar heb je Dik weer op-en-top. Daar spaart hij me weer uit zuiver medelijden met een arm, blind meisje het geld op, om haar een prettigen dag te bezorgen. 't Is een wonderlijke jongen! --" En luid liet hij er op volgen:

"Zoo zoo, Dik, is dat meisje arm?"

"Ja m'st'r."

"En blind?"

"Ja m'st'r. Ze is blind geboren."

"En heb jij uit medelijden dat geld voor haar opgespaard."

Dik zei niets, maar knikte.

"En weet ze dat?"

"Neen meester, -- ze weet er niets van, -- niemand weet het, dan alleen Vader en Moeder..."

"En die vinden het dus goed?"

"Ja m'st'r."

"Hoe oud is dat meisje?"

"Twaalf jaar, m'st'r."

"Zoo Dik. Nu, ik vind het ook goed, hoor. Ze mag meê!"

Dik keek den meester dankbaar aan, en een oogenblik later liep hij op een draf naar de buren.

"Nelly!" zei hij met een kleur van blijdschap. "Nelly!"

"Wat is er, Dik?" vroeg het meisje.

"Nelly, ik heb een prettige boodschap voor je. Je mag meê met het schoolfeest. De meester vindt het goed."

Nelly sprong verrast van haar stoel op en kreeg een kleur tot achter haar ooren van blijdschap.

"O Dik!" riep zij uit, terwijl zij in haar handen klapte. "Mag ik meê? Wat heerlijk! Wat lief van den meester! Ik wist niet eens, dat hij me kende. O Dik, wat ben ik blij!"

"Op een dorp kennen de menschen elkander al heel gauw," zei Dik. "De meester heeft zelf tegen me gezegd, dat je meê mag..."

"Maar het geld, Dik --" zei Nelly opeens, terwijl haar gezicht betrok.

"Daar heeft de meester niet eens over gesproken!" zei Dik. "Hij heeft me alleen maar gezegd, dat je meê moogt. Fijn hè? Maar nu ga ik naar huis, want wij gaan vanavond allemaal naar het paardenspel! Dag!"

"Dag!" riep Nelly.

En Dik ging naar huis, minstens even blij als het blinde meisje, dat hij zoo'n groote vreugde had bezorgd. Zijn boterhammen smaakten hem verrukkelijk, en hij vertelde aan zijn vader en moeder, wat de meester gezegd had, en hoe blij Nelly was.

En toen ging hij achter de schuur, om zijn beesten te voeren, maar hij was er pas, of hij hoorde Nelly al aankomen.

"O Dik, wat ben ik blij!" zei ze, terwijl ze de korreltjes graan rondom zich strooide voor de duifjes, die koerden en op den voerbak kwamen zitten.

En Nelly kon zich maar niet begrijpen, hoe het mogelijk was, dat de meester haar kende, en zij zei wel honderdmaal, dat zij hem zoo'n vriendelijk man vond, omdat hij haar zoo maar voor niets aan het schoolfeest wilde laten deelnemen, en dat zij morgen, na kerktijd, als de meester thuis was, met haar vader en moeder naar hem toe zou gaan, om hem te bedanken voor zijn goedheid.

"Ja ja," zei Dik, -- "dat is wel goed, hoor. Ik vind het ook vriendelijk van hem."

En hij gaf zijn konijnen een extra portie gras en klaver, omdat hij het zoo'n buitengewoon hoogen feestdag vond. Toen ging hij naar binnen om zijn Zondagsche pak aan te trekken, en om ruim half acht sloot de familie Trom de deur achter zich dicht, om zich naar het Paardenspel te begeven.

De ingang was schitterend verlicht, en Dik zag, hoe de menschen naar binnen stroomden. Er heerschte een bijzondere drukte op het dorp en er was veel gerij, want boeren en boerinnen kwamen met paard en rijtuig, sommigen zelfs van ver uit den omtrek. De stalknechts van Café "Goud uit Schuim" hadden haast geen handen genoeg, om allen op tijd te bedienen, en vele boeren zagen zich verplicht zelf uit te spannen en hun paarden op stal te zetten.

Aan het loket zag het zwart van de menschen, die plaatskaarten kwamen koopen, maar daar behoefde Dik zich niet mede te vermoeien.

"'t Is maar gemakkelijk, dat wij onze kaartjes al hebben," zei hij.

"En dat is het," zei Vader Trom.

"Ga jij maar voor, Dik," zei zijn moeder. "Jij weet hier den weg al zoo'n beetje."

Dat deed Dik, en met behulp van een bediende; wiens taak het was de toeschouwers hun plaatsen aan te wijzen, had hij al spoedig de bank gevonden, die voor hem bestemd was.

Jan Vos en Piet van Dril waren er al en wenkten hem al uit de verte toe, en toen zij nog maar een paar minuten zaten, kwam Anneke binnenstappen en nam naast vrouw Trom plaats.

"Wat een ruimte, wat een ruimte!" zei vrouw Trom vol bewondering.

"En wat een menschen," zei Trom.

"We zitten hier fijn, hè Dik?" zei Jan Vos, die nog schrikkelijk dankbaar was voor het kaartje, dat Dik hem bezorgd had.

"Ja," zei Dik, "we zullen het hier prachtig kunnen zien. Kijk, daar ginds zit de burgemeester -- zie je wel? Dáár, -- vlak vooraan, beneden..."

"Eerste rang!" zei Piet van Dril.

"En de notaris, en de dokter, en de meester, en de secretaris, en mijnheer Denappel, --" zei Dik. "Dure plaatsen, zeg."

"Maar wij zitten hier ook best," zei Jan Vos. "Zeg Dik, dat heb ik aan jou te danken --"

"'t Mocht wat," zei Dik.

[Illustratie]

"Niet?" zei Jan Vos. "Aan jou niet? Aan wien dan, zou ik wel willen vragen..."

"Aan den aap!" lachte Dik. "Kijk, ze hebben zaagsel op den grond gestrooid, en zand, anders glijden de paarden uit."

"Wat komen er een menschen hè?" zei Piet. "Ze blijven maar..."

"Bom -- bom -- bom -- tetteretet!" viel de muziek in. De muzikanten zaten op een verhooging tegenover de jongens.

Moeder Trom schrok er eventjes van, want zij was er heel niet op verdacht geweest, maar zij vond het prachtig in één woord. Zulke schetterende muziek had zij nog nooit in haar leven gehoord.

"Zie je daar den doorgang naar de stallen?" vroeg Dik. "Daar komen de paarden door den circus binnen."

"'k Wou, dat zij maar alvast begonnen," zei Jan. "Wat zitten we hier fijn, hè? Haast de mooiste plaatsen uit het heele spel, -- om alles goed te zien, bedoel ik natuurlijk."

't Werd tjokvol in de tent, en tegen acht uur zweeg de muziek.

Toen zwegen ook de menschen, want zij begrepen, dat de vertooning nu weldra zou beginnen. Ze hoorden eindelijk de torenklok acht slaan.

Even later werden de gordijnen voor den ingang dichtgeschoven, en de gordijnen, die den toegang tot de stallen afsloten, geopend.

Op dat oogenblik heerschte er een ademlooze stilte in de tent. De verwachting was hoog gespannen.

Ha, -- daar kwam wat.

Een rijknecht, keurig gekleed, leidde een prachtig raspaard den circus binnen. In het midden bleef hij staan.

Toen verschenen er nog twaalf rijknechts, die zich aan den ingang in twee rijen schaarden. 't Scheen wel een eerewacht, dacht Dik.

En dat had hij nog zoo ver niet mis, want nauwelijks hadden zij hun plaatsen ingenomen, of de beroemde Directeur Mr. Sänger trad tusschen hen door tot in het midden van den circus.

Hij was geheel in het zwart gekleed, met een laag uitgesneden vest. Hij nam zijn hoogen hoed in de hand en boog naar verschillende kanten voor het publiek, dat hem met handgeklap begroette.

[Illustratie: "En alle menschen op de brug lachten, en zij wezen elkander Dik aan, die daar zoo hoog en vroolijk bijna op den kop van het logge dier zat en zoo den optocht door het dorp ging medemaken. Dik keek triomfantelijk van af zijn hoogen en zeldzamen zetel op de lachende menigte neer, en hij wuifde den menschen links en rechts toe, zooals de Koningin doet, als zij in de een of andere stad haar feestelijken intocht houdt. (Bladz. 181.)"]

"Zie je dien gouden horloge-ketting?" vroeg Jan Vos zacht. "Wat zal die man rijk zijn."

Maar Jan en Piet antwoordden niet. Al hun aandacht was bij den Directeur, die zijn hoed weer opzette en met behulp van zijn rijknecht het mooie paard besteeg.