Chapter 8
Soms sterven de dieren van honger, wanneer een ijzige storm alle voerplaatsen bevroren houdt,--en dit is ook nog veel minder erg dan ziekte, onder welken vorm dan ook--; dat weet iedereen die wel eens dagenlang zonder eten is geweest. Lang voordat de pijn begint, wordt elke gevoelsprikkel al afgestompt door een droomerige loomheid.--Soms zijn brand of overstrooming de oorzaak, maar dan vertrouwt het dier vast en zeker op zijn pooten of wieken--dat doet hij immers altijd--en gaat op de vlucht, totdat het einde hem snel en zeker inhaalt. Die aan 't gevaar ontsnappen, kruipen dicht bij elkaar op de veilige plaatsen en vergeten alles, hun natuurlijke vijandschap zelfs; niets dan een groote verbaasdheid blijft hun bij over wat er toch gebeurd is. In één woord, zoolang de dieren het eeuwige leven nog niet bezitten en lastig of gevaarlijk konden worden door hun groeiend aantal, is de natuur barmhartig; ook dan wanneer zij onverbiddelijk optreedt, want zij zorgt dat de dood voor haar kinderen niet pijnlijk of verschrikkelijk is. En wat van de dieren geldt gold ook eenmaal van den mensch, totdat hij op allerlei uitvindingen zon om van ziekte iets ondraaglijks te maken en een vijand van den dood.
Het dient wel in herinnering te worden gehouden dat al die laatste, hier genoemde gevallen treffende afwijkingen zijn en geen regel in het bosch. Verreweg de meeste dieren zonderen zich rustig af als hun tijd gekomen is; en niemand vermeldt iets over hun dood--omdat een mensch slechts oog heeft voor uitzonderingen. Hij verlangt een wonder, maar ziet de zonsondergangen niet. Er komt iets dat het dier uit zijn dagelijksche doen roept: de ouderdom of een natuurlijke ziekte raakt hem zachtjes aan, op een wijze zooals hij 't nog nooit eerder gevoeld heeft. Hij sluipt, gehoorzaam aan het waarschuwende instinct van zijn geslacht, weg en zoekt een plaatsje uit waar niemand hem vinden zal eer hij weer beter is. De beek murmelt, terwijl ze naar de zee gaat; het water kabbelt en frutselt op de kiezelsteentjes, als de koelte het wiegelt; de wind suizelt in de pijnboomen--het oude, lieve slaapliedje, dat hij hoorde toen zijn ooren voor het eerst de wereldharmonie in zich opnamen. De schaduwen lengen, de schemering wordt dichter; zijn oogen worden zoo zwaar; hij sluimert in. En zijn laatste bewuste gedachte--van den dood weet hij immers niets af--is dat hij 's morgens weer zal ontwaken, als het licht hem roept.
DE INDIAANSCHE NAMEN.
Cheokhes, kie-ok-ez', de Amerikaansche "mink", een ottersoort.
Cheplahgan, tsjep-la'-guan, de Canadeesche arend.
Ch'geegeelokh-sis, tsj-dsjie-dsjie'-lok-siz, de zwartkopmees: parus atricapillus.
Chigwooltz, tsjigg-woelts', de stierkikvorsch.
Clote Scarpe, Kloot Skaarp, een fabelachtige held van de noordelijke Indianen, zooals Hiawatha.
Commoossie, kom-moe-sie', een kleine schuilplaats of hut, van bast en takken gemaakt.
Deedeeaskh, die-die'-ask, de blauwe gaai.
Eleemos, el-ie'mos, de vos.
Hawahak, ha-wa-hek', de havik.
Hukweem, huk-wiem', de groote noordelijke duiker of ijsduiker.
Ismaques, is-ma-kwez', de vischarend.
Kagax, ke'-guaks, de wezel.
Kakagos, ka-ka-guoz, de raaf.
K'dunk, k'dunk', de pad.
Keeokuskh, kie-o-kusk', de muskusrat.
Keeonekh, kie'-o-nek, de otter.
Killoleet, kil'-loe-liet, de witkeel-musch.
Kookooskoos, koe-koes-koes', de groote oehoe.
Koskomenos, kos'-kom-ie-nos', de ijsvogel.
Kupkawis, kup-kee'-wiz: syrnium nebulosum, een gestreepte uil.
Kwaseekho, kwa-ziek'o, de zaagbek.
Lhoks, loks, de panter.
Malsun, mel'-sun, de wolf.
Meeko, mie'-ko, de roode eekhoorn.
Megaleep, meg'-a-liep, de caribou of 't N.-Amerikaansche rendier.
Milicete, mil'-i-siet, de naam van een Indiaanschen stam, ook Malicete geschreven.
Mitches, mit'-sjes, het gekraagde hazelhoen, een soort "grouse": bonasia umbellis of Amerikaansche "patrijs".
Moktaques, mok-ta'-kwes, de haas.
Mooween, moe-wien', de zwarte beer.
Musquash, mus'kwosj, de muskusrat.
Nemox, nem'-moks, Pekquam, pek-wem, de vischmarter uit N.-Amer.
Quoskh, kwosk, de blauwe reiger.
Seksagadagee, sek'-sa-guee-da'-guie, het Canadeesche hazelhoen, ook een soort "grouse".
Skooktum, skoek'-tum, de forel.
Tookhees, tok'-ies, de boschmuis.
Umquenawis, um-kwie-na'-wiz, de eland.
Unk-Wunk, unk'-wunk, het stekelvarken.
Upweekis, up-wiek'-is, de Canadeesche lynx.
Whitooweek, wit'-oe-wiek, de houtsnip.
AANTEEKENINGEN
[1] Een Indiaansche metgezel van den schrijver.
[2] I Samuel 9 : 2: Van zijn schouderen en opwaarts was hij (Saul) hooger dan al het volk.
[3] Blackfish of Tautoga Americana.
[4] Dirca palustris.
[5] Een Amerikaansche benaming voor allerlei ongevaarlijke slangen.
Van William J. Long verschijnen in de vertaling van Cilia Stoffel met teekeningen van Charles Copeland:
1 Dierenleven in de Wildernis (3de druk) 2 Kijkjes in het Dierenleven (2de druk) 3 Het Boschvolkje 4 Op Eenzame Zwerftochten 5 Boschgeheimen 6 Een Broertje van den Beer 7 Op Herten Uit 8 Zonder Geweer op Jacht 9 De Witte Wolf 10 Langs Dierenpaden in het Hooge Noorden
End of Project Gutenberg's Dierenleven in de wildernis, by William J. Long