Chapter 6
Dat is juist zoo mooi van alle groote dieren, van de sterkste zelfs: dat ze nooit wreed zijn, slechts nemen wat ze noodig hebben om in hun behoeften te voorzien. Zijn zij verzadigd, dan treedt er een wapenstilstand in, dien zij nooit zullen breken. Zij leven met alle wezens, met groot en klein, op voet van vrede, en stom, onbewust deelen zij in de harmonie der wereld, die den diepen grondslag vormt van al haar wanklanken aan de oppervlakte. Zoo is ook het lied van de zee niet te hooren, of we moeten ver verwijderd zijn van het gedonder aan de kust.
Dit weet dat kleine, wilde goedje drommels goed; als dus een adelaar of een andere roofvogel of een roofdier niet op jacht is--negen van de tien keer--, toont niet éen dier zich bang voor hem, hoe schuw of weerloos het ook is. Ten langen leste worden mijn oogen moe van het kijken naar dien edelen vogel--zoo'n klein, klein stipje op den eindeloozen, blauwen achtergrond. Dan denk ik aan de vreugde van zijn machtige, vrije leven, aan het droevige van ons onnatuurlijk menschenbestaan, en er komt plotseling een floers voor mijn oogen.
Als mijn blik de diepe kolk weer opzoekt en op de zachte oppervlakte rust, die glanst in stille kleuren, beweegt het kalme water aan mijn voeten. Daar is ook leven. De vreugde hoort niet alleen in de hemelen thuis, maar is op aarde evenzeer.
Een lange tak van een gevelden boom lag een eind in de rivier, en het uiteinde wiebelde en zwiepte regelmatig in den stroom op en neer. Terwijl ik naar den adelaar keek, had een kleine schildpad den tak ontdekt en was er over heen gaan liggen, met éen poot om een knoest geklemd, voor een houvast; de andere bengelden en zwaaiden onverschillig heen en weer om goed het evenwicht te bewaren onder het wippen--op en neer, op en neer. De groote, ruischende rivier deed eigenlijk het werk en speelde het zwijgende spelletje mee. Zoo lang als ik naar haar bleef kijken--wel den halven morgen--lag zij daar te bengelen, te wiegelen, op en neer te zwiepen, verheugde zij zich in haar klein leventje. Dat was nog niet groot genoeg om te beseffen wat genot eigenlijk is, maar zij was behaaglijk gestemd door licht en beweging, en mij dunkt dat ze genoot van iets welluidends in den stroom onder zich, zwakken weerklank van de ruischende, kabbelende, fluitende muziek, waar lucht en bosschen aan alle kanten mee vervuld waren.
Het leven is heerlijk voor de boschbewoners. Daarvan getuigde immers de groote adelaar hoog in de lucht; daarvan getuigde de kleine schildpad, die op en neer lag te wippen over haar tak aan mijn voeten; daarvan getuigde elk zingend vogeltje en elke springende zalm, en elke kikker die aan den oever zat te kwaken, en elk insect dat mij in den warmen zonneschijn om de ooren gonsde. Plotseling trof iets mij als heel merkwaardig, iets waarvan de beteekenis tot nog toe nooit recht tot mij doorgedrongen was: al die jaren dat ik nu de dieren gadesloeg in de natuur--niet om er verslag van te geven of er een verhaal over te schrijven, maar enkel en alleen om voor mezelf waar te nemen en te begrijpen wat ze uitvoerden, wat ze dachten en voelden--ben ik nog nooit een dier tegengekomen dat niet gelukkig was; altijd en overal was levenslust hun voornaamste kenmerk. Ik heb allerlei slag van dieren van heel nabij leeren kennen; dieren wier geheele natuur één vraagteeken scheen, zooals een paar blauwe gaaien, en kalkoenen en herten, en een eland dien ik langen tijd niet van mijn kamp af kon houden; andere al te teeder, als die groote, groene kikvorsch, die zich met een innigheid aan mij hechtte, geheel in tegenspraak met zijn kille bloed; weer andere dwaas, zooals het hertje dat zijn leidsvrouw nooit wilde volgen; of ook gemelijk en kwaadaardig, als die groote mannetjeseland, die mij eerst kwam opnemen en toen tweemaal probeerde mij te dooden; maar al die dieren, groot of klein, maakten altijd den indruk alsof het leven hun een schuimenden beker bood. Er was er niet een, of hij genoot van zijn kracht en leefde vroolijk voort, zelfs in tijden van gevaar en gebrek. Dat soort van zorg en angst waar ons menschelijk leven op schipbreuk lijdt ontbrak daar geheel en al.
Eens op een morgen stond ik in het uitgestrekte bosch aan een dierenpad naar een hert te kijken, dat door honden achtervolgd werd. Op het meer had ik al naar de heele geschiedenis geluisterd--eerst het begeerige gesnuif, het hooge, gillende keffen, waar een versch spoor mee aangekondigd wordt; daarna het woeste, bassende koor, dat den bergrug galmend opstoof en verried hoe er een hert op de been was, dat door de vlucht zijn leven trachtte te redden. Ik kende de gewoonten van de herten uit die streek wel zoo'n beetje; wist ook dat de jagers op de loer lagen aan gindschen kant van den heuvelrug, bij een meer dat het hert al weken geleden verlaten had; dus sloeg ik de richting in naar een geliefkoosd hertenpad, om het voorbij te laten glippen en de honden weg te ranselen als zij aankwamen. Want een hertenjacht met honden is een afschuwelijk vermaak--bij de wet geoorloofd of niet. Evenmin maakt het verschil of de honden bastaard-mormels zijn, die speuren, of buitenlandsche hazewinden met een stamboom, die alleen op hun oogen afgaan en gevolgd worden door een stoet volbloed-paarden.
Toen ik mij op weg naar het hertenpad bevond, gebeurde er iets merkwaardigs. Schuin uit de hoogte schoot een groote arend forsch en zeker in het struikgewas voor mij neer, om een oogenblik later weer op te stijgen, een en al teleurstelling klaarblijkelijk, naar de uitdrukking van zijn wezen te oordeelen. Ik sloop voorzichtig naar de struiken toe, om eens te onderzoeken wat hij daar toch te maken had; ook om de scherpte van mijn blik eens met den zijnen te meten; en daar zag ik eerst een, toen vijf of zes volwassen jonge patrijzen, in hun schuilplaats tusschen de bruine bladeren gedoken, die zich blijkbaar verkneukelden over de bewonderenswaardige kleur die de natuur hun gegeven had, en blij waren dat het stilliggen, zooals hun moeder hun leerde, zoo'n groote uitwerking had: hen beschermde tot het gevaar geweken was. Er was geen sprake van dat zij angst voelden of bang waren voor een kleinen domoor, die zijn kopje zou kunnen bewegen en de aandacht van den arend op hen vestigen. Een oogenblik later gleden ze allemaal weg, hun kopjes naar mij gewend om mij nieuwsgierig te bekijken, met zacht, vragend _kwit-kwit?_ En dadelijk gingen ze de droge frambozen oppikken, die daar in overvloed verspreid lagen. Ook niet een van hen dacht meer aan den arend, die daarnet was neergeschoten. En waarom ook? Hadden ze hem daar juist niet heerlijk voor den mal gehouden, en keken ze niet scherp genoeg uit hun oogen om het weer te doen, als het noodig mocht wezen?
Ik liep daarover te peinzen en mij te verbazen over die wonderlijke soort van vrees, die geen eigenlijke vrees is, niets geen overeenkomst heeft met onzen angst voor de toekomst, maar slechts groote waakzaamheid beteekent,--toen er een gekraak in de takken ontstond en er een groote bok langs het pad kwam aanspringen. Vlak bij mij stond hij stil om zich luisterend om te keeren, met zijn gewei te schudden en hard met zijn pooten te stampen, verontwaardigd over zoo'n spektakel in zijn rustige wouden; toen snelde hij langs mij heen. Onder zijn fluweelen huid werkten zijn forsche spieren als goed gesmeerde machinedeelen. In plaats van daarna zijn weg in de richting van het water te volgen, sprong hij een gevallen boomtronk over, dien hij--heerlijk vertoon van kracht--zoo sierlijk "nam", alsof het spelenderwijs geschiedde, en stoof het moeras in, om den geur dien zijn vluchtende hoeven achterlieten te verdelgen.
Een paar uur later zag ik hem langs een ander hertenpad rustig het meer ingaan en met statige, ferme slagen naar den overkant zwemmen. Daar stond hij een oogenblik stil om zich af te schudden en te luisteren naar het hondengeblaf in de verte. Hij had naar hartelust gedraafd, had zijn stevige spieren eens gespannen, en had geen zin meer om zich verder te vermoeien door nog langer te rennen, nu hij toch zoo gemakkelijk van die luidruchtige bende af kon komen. Maar vrees sprak er niet uit de wijze waarop hij zijn gewei schudde; evenmin uit het booze stampen van zijn voorpooten. Hij was in het volle bewustzijn van zijn kracht, had de innige overtuiging dat hij handig genoeg was om voor zichzelf te zorgen bij het nemen der machtige sprongen, die hem als een vogel over de omgevallen boomtronken lichtten, naar de zwijgende schuilhoeken van de wijde bosschen; en geen ander gevoel bezielde hem.
Ik weet wel dat het soms heel anders afloopt, als een hert gewoonweg afgejakkerd en door honden of wolven gedood wordt. Maar ik heb ze herhaaldelijk door honden achtervolgd gezien en bijgewoond dat grijze boschwolven hun op 't spoor waren; en toch heb ik een hert nog nooit zijn volmaakt zelfvertrouwen of zijn grootsch gevoel van meerderheid tegenover zijn achtervolgers zien verliezen. Eens, de sneeuw lag dik, heb ik een hert het leven gered; net op 't nippertje, want de honden hadden hem al ingesloten. Tot het laatste oogenblik toe dat hij nog ééns opsprong, om daarna zijn kop rustig neer te leggen op de sneeuwkorst, heb ik geen enkel blijk waargenomen van den vreeselijken angst, de angstige opgewondenheid, die wij altijd aan achtervolgde dieren toeschrijven.
Datzelfde geldt ook bij vossen en zelfs bij hazen en konijnen. De zwakke en domme eindigen hun leven al jong onder de nagels of de klauwen van sterker dieren. De rest is al zoo dikwijls ontkomen, heeft al zoo stelselmatig gespeeld en gedraafd, tot elke spier, elke zenuw volkomen is afgericht voor haar werk, dat ze er geen oogenblik aan schijnen te denken hoe er eindelijk een gevaar kan komen en zegevieren.
Let er eens op hoe die honden een vos door het winterwoud jagen. Hun pooten, opengehaald aan doornstruiken en harde aardkluiten, laten een rood spoor achter op de sneeuw; ze hebben alle bloedige punten aan hun staart, doordat het uiteinde er afgeslagen is met hun woest gekwispel. Het helpt niet of ge al roept; ge kunt ze nauwelijks met stokslagen van het spoor brengen. Het lijkt wel of ze half dol zijn, gehypnotiseerd door den geur die hun in den neus dringt. Als ze blindelings door het bosch rennen, klinkt hun woest geblaf, vooral wanneer gij er dicht bij zijt, u bijna pijnlijk in de ooren, door de inspanning die er uit spreekt. En het schijnt voor hen geen verschil te maken, of ze hun vos vangen of niet, want als hij vlak voor hen neergeschoten wordt, snuffelen ze slechts een oogenblik verbaasd aan zijn lichaam, wentelen zich in de sneeuw, en tijgen er weer op uit om een ander spoor te zoeken. Gewoonlijk rent de vos den geheelen dag door; dan volgen ze hem tot hun pooten pijn doen en ze moe zijn; daarna gaan ze een poosje liggen slapen en 's morgens komen ze weer thuis aanhinken.
Laten we de honden nu eens vóor zijn en Reintje bij het vossenpad opwachten. Daar is 't gejaagde dier. Hij komt er aangesprongen, zoo licht als een veertje op den wind, met zijn staart als een groote, wuivende veer achter zich aan, staat stil om naar het plompe gedraaf van zijn vervolgers te luisteren, maakt een paar bokkesprongen, zelfvoldaan als hij is, jaagt--wanneer het een jonge vos is--zijn staart achterna, loopt kris en kras zijn spoor door elkaar, draaft naar de beek en springt van den eenen steen op den anderen; kiest daarna voorzichtig zijn weg over droge plekken, die den reuk niet vasthouden, naar den top van den heuvel, waar hij het gevaar prachtig kan overzien, en rolt zich op een warme rots ineen voor een dutje. Zoodra het geblaf hem te dichtbij komt glipt hij aan den anderen kant de helling af, waar het is alsof de wind hem naar den volgenden heuvel blaast. Ook hier bestaan er uitzonderingen; maar zij bevestigen slechts dien grooten regel van het dierenleven: vroolijkheid overal, zelfs dan wanneer wij een wilden doodsangst zouden verwachten. Onder alle vossen die ik met woest jachtgeweld achter zich aan mijn blikken zag voorbijgaan, heb ik er slechts éen ontdekt, die niet den indruk gaf alsof hij veel meer pret had dan de honden die op hem joegen. Dat is de reden waarom hij zoo zelden in zijn hol vlucht, dat hem zoo eenvoudig en gemakkelijk tegen alles zou vrijwaren, als hij maar wilde. Is het mooi weer, dan blijft hij den geheelen dag op de been, maar als het loopen hem zwaar valt of zijn staart nat wordt in de brijige sneeuw, draaft hij een poosje om zijn spieren los te maken, en glipt dan in zijn hol, waar hij rustig gaat liggen. De honden mogen blaffen wat ze willen: de grond is bevroren en zij kunnen hem niet uitgraven.
Ik vertel deze drie verhalen--van den patrijs, van het hert, van den vos--en ondertusschen duiken er in mijn herinnering nog wel twintig andere op, die ik wel niet hoef op te schrijven, en die alle zooveel bewijzen zijn dat het leven heerlijk is voor de kinderen der natuur; zoo heerlijk, dat de blijdschap door de koude niet kan worden bekoeld; dat het gevaar ze niet kan overstelpen, de honger haar zelfs niet doodt. Dit blijkt uit al wat in 't wild leeft, van het allerkleinste zangvogeltje, dat bij 't zonnegloren te midden van tallooze vijanden zijn zoete liedje aanheft, tot den grooten adelaar, die daar veilig op de lucht rust, wel duizend voet boven de hoogste bergspits; en van het boschmuisje, dat zijn sneeuwgangen dapper vlak onder de klauwen van den hongerigen vos, van de wilde kat graaft, tot den grooten eland, die met zijn borst een berkeboom neerduwt om van den top te eten, als de takken van eschdoorn en lederhout [4] tijdens de noorderstormen diep onder de sneeuw begraven zijn.
Ik heb herten gezien, zoo mager als de Indianen op afbeeldingen uit een streek door hongersnood geteisterd; zoo uitgeteerd, dat al hun ribben als hoepels uit hun ingezonken flanken staken. En toch speelden de jongen met elkaar, toen zij door de kale, onttakelde bosschen rondzwierven om voedsel te zoeken. En ik heb in het Noorden aan den zoom gestaan van de wanhopig eenzame vlakten, als de ijzige rukwinden over die verlatenheid gierden en het was alsof alle behaaglijkheid zoo diep begraven lag, dat alleen de raad van Jobs vrouw: "zegen God en sterf", er toepasselijk scheen te zijn; en midden in die godslastering... fladderende vlerkjes, geglim en gefonkel van heldere oogjes, getwetter van zwartkopmeesjes, verheugd aan 't roepen tegen elkaar, druk bezig de takken die de vorst in ijs genepen hield van onder tot boven na te zoeken, naar het beetje dat de natuur daar in 't najaar wel ergens verstopt zou hebben, in de dagen van overvloed. Op eens een aardig, helder geluid, alsof er een engel op een fluitje had geblazen, een liefdesbetuiging, dat het tinkelde over de troostelooze verlatenheid, om mij te vertellen dat het lente werd en dat het leven ondertusschen wel het leven waard was--zelfs hier.
Eén ding is zeker: de natuur zorgt zoo goed voor haar kinderen--geeft ze eten zonder zorgen, stille kleuren om niet in 't oog te loopen, en rappe pootjes om mee weg te snellen--dat ze zelden over iets anders denken dan over de gewone levensbehoeften en levensvreugden, voor zoover ik heb opgemerkt. Slechts dan als we het dier van boven af beschouwen, het eens een oogenblik zielkundig bestudeeren, en bedenken hoe prachtig de natuur haar voorzorgen genomen heeft om hem alle ellende van een angstwekkend voorgevoel te besparen, kunnen wij ons zijn blijdschap begrijpen.
In de eerste plaats mist hij het leed dat wijzelf inwendig lijden, ook door ons medelijden met onze naasten. Tenminste drievierde van al ons leed is geestelijk, komt voort uit een overwerkt zenuwgestel of een overspannen verbeelding. Wanneer het alleen uit die werkelijke pijn bestond die we in onze beenen, in onzen rug voelen, dan zouden wij ons geplaagd bestaan nog wel een poosje kunnen voortsleepen en een even hoogen leeftijd bereiken als beren of eekhoorntjes. Want het dier bezit geen groote geestvermogens--niet genoeg in alle geval om daardoor zijn zorg meer dan te verdubbelen--en geen greintje verbeelding om het hem lastig te maken. Uw vriend die aan Christian-Science doet zou weinig houvast aan hem hebben, zou hem even glad en moeilijk te vatten vinden als een kerkkoepel. Is hij ziek, dan beseft hij dit ook en gaat als een verstandig dier slapen; is hij gezond, dan heeft hij geen geloof van noode om hem van die waarheid te overtuigen. Hij heeft stellig ook zijn smart wel, maar deze bestaat alleen uit pijn in zijn pooten en in zijn rug, en ook in dit opzicht is zijn zenuwgestel veel grover dan het onze en zijn pijn minder hevig. Dan houdt hij er een uitstekenden, kerngezonden aanleg op na, wijdt slechts zoo weinig mogelijk aandacht aan zijn pijn en maakt er geen drukte van.
Bij het behandelen van gewonde dieren heeft het mij herhaaldelijk getroffen dat ze mij toestonden hun wonden te verbinden, de gebroken botjes weer op hun plaats te duwen, zelfs het vleesch weg te knippen, zoodra ik maar eenmaal hun vertrouwen gewonnen had en zij niet bang waren dat ik ze moedwillig kwaad zou doen; ze lieten dan bijna niet merken dat ze pijn leden. Het is een feit, dat die pijn bij de onze vergeleken slechts zeer gering is.
Ik heb in de bosschen wel eens gekneusde en gewonde dieren gevonden, die bloedden ten gevolge van een dier woeste gevechten welke ze in den paartijd met elkaar houden. De eerste gedachte die bij iemand opkomt, is natuurlijk: hoe vinnige pijn die vreeselijke wonden zullen doen als ze koud worden; maar nu komt de natuur, die ervaren dokter, en binnen tien minuten heeft zij ze in haar macht door haar bekwame behandeling. Zij verzinken in een loome sluimering en droomen even pijnloos en zonder zorgen als een opiumschuiver. Uren-, dagenlang blijven zij daar dan in dien kalmen toestand van verdooving liggen, tot ze weer in staat zijn door het bosch te zwerven om voedsel te zoeken, of totdat de Dood zachtkens nadert en ze doet inslapen.
Ik heb wel eens dieren met een leelijke kogelwond gezien, die bedaard aan het eten waren of kalm lagen te rusten; wel forellen, waar de halve kaak van afgescheurd was en die doodgewoon naar dezelfde vlieg kwamen happen die hen gewond had; ik heb gezien hoe een muskusrat met haar tanden haar eigen poot afbeet om los te komen uit een val waar zij tusschen geklemd zat (geheel tegen mijn zin, waarde lezer, want ik heb net zoo'n hekel aan die dingen als u); maar nog nooit heb ik een dier gezien, dat ook maar een honderdste van de pijn voelde die een gewoon mensch onder zulke omstandigheden zou lijden.
Kinderen die aan dezelfde ziekte lijden als oudere menschen hebben veel minder uit te staan dan de laatsten, en wilde volken minder dan beschaafde. Deze feiten leveren dus een nog sterker bewijs, hoe het dier, dat onze geestvermogens, onze verbeeldingskracht of ons teerbesnaarde zenuwgestel ten eenenmale mist, aan onze pijn en aan ons leed ook zoo goed als ontkomt. En dat is maar een van de vele verstandige maatregelen die de natuur neemt, om degenen die het minst in staat zijn pijn te verdragen bijna geheel te sparen.
Louter geestelijk lijdt het dier slechts in een enkel opzicht: wanneer het treurt over het verlies van metgezel of -gezellin, of van zijn jongen. En daar hebben wij ook alleen nog de uitzonderingen van gelezene--dan nog heel zeldzame uitzonderingen,--die ook al gekleurd waren door de menschelijke verbeelding; dat is nu eenmaal niet anders, en op die wijze zijn wij tot onze schromelijk overdreven voorstellingen omtrent dierenleed gekomen.
Het nest van een vogelwijfje is verstoord. De storm werpt het naar beneden, of de zwarte slang [5] kronkelt er zich om heen, of een kwajongen haalt het uit zonder er veel bij te denken, of de beroeps-eierverzamelaar--verwenscht zij zijn naam en bezigheid!--bergt het in zijn gruwelkast. Het wijfje blijft maar zelden langer dan een paar uur op de plek rondvliegen; dan glipt ze weg naar grooter eenzaamheid. Over een dag of wat heeft ze alweer een ander nest en heeft ze de eieren waarop ze zit te broeden handiger verborgen. Dit is geen zeldzaamheid, maar overal regel in het blijde vogelleven. Gelukkig maar, voor hen en voor ons, dat het zoo gaat, want anders zou er geen jubelend morgenkoor weerklinken, zou het woud steeds vervuld zijn van klaagliederen.
Wanneer de jongen van vogels en andere dieren door hongerige sluipers worden geroofd of gedood, duurt het verdriet van de moeder wat langer. Ook dan is de natuur weldadig. Het moederlijk genegenheidsgevoel voor de hulpelooze jongen, waardoor het 's zomers zoo'n genot is in de wildernis rond te kijken, is slechts een voorbijgaand instinct, dat op zijn langst een week of wat duurt. Daarna verdwijnen de jongen om voor zichzelf te zorgen, en de moeder laat ze graag gaan, want ze beseft dat ze nu zichzelf eens een beetje in het vleesch kan zetten tegen den kouden winter.
Als er een ongeluk heeft plaats gehad en de tijd om te nestelen nog niet is verstreken, verspilt het wijfje slechts een paar uur met nutteloos getreur, bouwt dan een nieuw nest of graaft een beter hol, brengt haar jongen in een nog eenzamer schuilhoek ter wereld en vergeet haar verlies spoedig geheel onder het grootbrengen en lesgeven van haar nieuwe kleintjes. Dit gaat gauwer in zijn werk en er wordt minder zorg aan besteed, omdat de tijd maar kort is. Het is in 't oog loopend, hoeveel minder goed er voor die latere jongen gezorgd wordt dan voor de vorige;--elken nazomer kunt ge dit in de bosschen waarnemen. Het wijfje moet een bepaalden tijd aan zichzelf hebben, om voor den winter gereed te komen, en dien neemt ze gewoonlijk zonder er zich om te bekommeren of haar jongen klaar zijn of niet. In tijden van hongersnood en schaarschte zijn het nu voornamelijk die tweede soort van jongen, waar roofvogels en roofdieren van leven. Hun onderricht is niet zoo in de puntjes geweest, zoodat ze gemakkelijker gesnapt worden; en weer is dit geen zeldzaamheid, maar de groote wet in het dierenleven.
Er is nog een verstandige maatregel dien de Natuur neemt. Zij heeft voor het hert en den patrijs te zorgen, maar moet ook aan den panter en den uil denken, die haar aanroepen als ze hongerig zijn. En hoe kon zij dat wonder van tegenstrijdigheid doen geschieden zonder onzen haat, onzen hartgrondigen afkeer op te wekken, als ze haar andere kinderen ook het menschelijk leed en de menschelijke smart toekende, waar onze fijngevoelige verbeelding ze zoo dikwijls mee bedeelt.
Hoe 't ook zij met die kleine grieven en kwellingen, zij vallen alleen aan de wijfjes ten deel. Ik heb bijna zonder uitzondering bij de mannetjes niet alleen geen verdriet kunnen waarnemen, maar zij schijnen het verlies van hun jongen zelfs wel prettig te vinden. Ten deele omdat ze nu weer op hun eigen houtje voedsel mogen zoeken--want het mannetje is uit den aard der zaak een zelfzuchtig zieltje zonder zorg--maar ook omdat het heerlijk vooruitzicht hun wijfje nog eens voor zich te winnen daardoor opnieuw voor hen opengaat.
De tweede groote oorzaak van die blijdschap in het dierenleven is deze: dat het dier geen vrees kent. Zijn bezorgdheid, heinde en ver onder zijn soortgenooten verbreid, is eigenlijk het behoud van al dat kleine goedje in de natuur, en verschilt zoo volkomen van onzen wereldschen angst en zorgen, dat we misschien liever van waakzaamheid of schuwheid of achterdocht moesten spreken om strikt waar te zijn. Het dient nog eens in herinnering gebracht dat die dierlijke angst niet instinctmatig is, maar eenvoudig een zaak van al of niet goed leeren, en nieuwsgierigheid een veel sterker trek bij de dieren is dan vrees. De wereld is zoo vol dingen die zij niet begrijpen, dat ze er steeds naar hunkeren om er nog een beetje meer van te snappen.