Dierenleven in de wildernis

Chapter 5

Chapter 54,153 wordsPublic domain

Ik voor mij weet zeker dat Deedeeaskh er nooit achter is kunnen komen wat hij wel van mij moest denken. In het begin sloeg hij altijd alarm als ik naderde, waarop de vischarenden in kringen boven hun nest kwamen zweven en met vlammende, gele oogen in het kreupelhout tuurden, om te zien welk gevaar er dreigde. Nadat ik mij echter een paar maal verborgen had, en dan geen aanstalten maakte om het nest te verstoren of de hongerige gasten kwaad te doen, die aan kwamen sluipen om zich aan de milde gaven van den vischarend te goed te doen, maakte Deedeeaskh uit dat ik een lui schepsel was en geen kwaad kon; maar hij zou toch een oogje op mij houden. Hij raakte nooit over die nieuwsgierigheid heen, om er achter te komen wat ik er eigenlijk had te maken. Wanneer ik hem ver weg waande, vond ik hem soms vlak boven mijn hoofd op een tak, waar hij aandachtig naar mij zat te kijken. Ging ik heen, dan volgde hij mij fluitend naar mijn kano; maar de vischarenden riep hij niet weer, behalve wanneer de een of andere ongewone beweging van mij zijn argwaan opwekte; en na één blik op mij vlogen ze dadelijk weer in kringen weg, alsof ze beseften dat ze voor niets bang hoefden te wezen. Ze hadden mij zoo dikwijls aan het visschen gezien, dat zij mij stellig wel meenden te begrijpen.

Die vogels hielden er een merkwaardige gewoonte op na, die ik nooit eerder had opgemerkt. Af en toe--als het weer dreigde om te slaan of als de vogels en hun jongen verzadigd waren--steeg Ismaques de lucht in, tot hij een geweldige hoogte bereikt had; dan bleef hij langzaam in kringen rondzeilen, met zijn breede wieken uitgespannen in den wind, alsof hij een gewone kiekendief was die plezier had en boven alles verheven op de wereld neerkeek. Plotseling liet hij zich met een helderen, doordringenden kreet, om aan te kondigen wat hij van plan was, als een schietlood wel duizend voet naar beneden vallen, hield zich midden in de lucht weer in evenwicht en laveerde op het nest beneden in den sparretop aan, draaiend en duikend en duikelend en onderwijl van verrukking zijn wilde kreten slakend;--net als een houtsnip naar zijn bruine wijfje, beneden in het elzenhout, komt neerschieten: wentelend en buitelend en twetterend. Daarna steeg Ismaques weer naar boven om zijn duizelingwekkenden val opnieuw te vertoonen, terwijl zijn wijfje, dat grooter is, rustig op den sparretop stond en de vischarendjes op den rand van het nest heen en weer sprongen en het uitpiepten van verbazing en verrukking over die verbijsterende vertooning van _hun_ papa!

Er is geen twijfel aan, of dit is een van de gewoonten die Ismaques er in het voorjaar op nahoudt om een bewonderenden blik te verwerven uit de doordringende, gele oogen van zijn wijfje; maar ik merkte dat hij er meer gebruik van maakte, toen de jonge vischarenden al een mooie, breede vlucht begonnen te krijgen en hij en zijn vrouw ze er op alle mogelijke vriendelijke manieren toe trachtten te krijgen het nest uit te komen. Daarom heb ik wel eens gedacht--zonder ook maar eenigszins in staat te zijn die veronderstelling te staven--of hij op deze merkwaardige wijze, door ze te vertoonen hoe wonderbaarlijk mooi er kan worden gevlogen, bij zijn jongen den lust niet wilde opwekken het zelf te doen.

HOE DE KLEINE VISSCHERS LES KREGEN.

Eens op een dag, dat ik weer tusschen de rotsen zat te hengelen en moeder vischarend op mijn vischwater kwam af zeilen, klonk haar kreet niet als gewoonlijk: _Tsjip, tsj'wie! Tsjip, tsjip, tsip, tsj'wie-ie-ie?_ Dat was de groet van den visscher wel, o ja, duidelijk genoeg, maar het klonk anders, er was iets zegevierends en voldaans in, zoo iets van: "kijk nu eens hier!" Eer ik mijn hoofd om kon draaien--want ik had net beet--volgden er nog meer geluiden: _pip, pip, pip, tsj'wie! pip, tsj'wie! pip, tsj'wie-ie!_ Wonderlijk verwarde geluiden, die mij alle een "goede vangst" toeriepen. Ik hoefde mij niet eens om te keeren, maar begreep zoo al wel dat er nog twee visschers waren bijgekomen om in het gilde te worden opgenomen.

De moeder, die dadelijk aan haar meerdere grootte en donkerder teekening op de borst is te herkennen, zwenkte op mij af toen ik mij omkeerde en vloog recht over mij heen, met haar beide kleintjes achter zich aan, die dapper klapwiekten. Toen ik een paar dagen tevoren een uitstapje naar een ander meer maakte om grooter forellen te zoeken, stonden de jonge vischarenden nog op het nest en hielden zich doof voor de betuigingen van de oude vogels, dat het tijd werd hun groote vleugels eens te gaan gebruiken. Het laatste wat ik door mijn verrekijker van hen zag was de moeder in een boom en de vader in een anderen, elk met een visch in den bek, dien zij den jongen voorhielden. De leege ruimte tusschen hen in was slechts tergend klein en in vischarendtaal beduidden ze de jongen dat ze hem maar moesten komen halen. De kleintjes, van hun kant, rekten hongerig hals en vleugels uit en probeerden den visch naar zich toe te fluiten, zooals iemand zou doen die een hond van den overkant der straat bij zich roept. Tijdens mijn korte afwezigheid hadden moederlijke list en moederlijk geduld hun goede uitwerking gedaan. De jongen vlogen al best. Nu waren ze blijkbaar op hun eerste vischles uit, en ik hield zelfs met hengelen op, om eens op te letten hoe dat in zijn werk zou gaan (mijn aas zonk in de modder, waar een aal mijn vischhaken al gauw in een ouden boomwortel verward maakte); want Ismaques en zijn familie visschen niet uit instinct, maar hebben het zich eenvoudig aangewend. Evenals de jonge otters weten zij alleen uit dagelijksche ondervinding dat visch hun eigenlijke voedsel is, en geen hazelhoenders en geen konijntjes. Stond het aan henzelf, vooral wanneer ze met vleesch grootgebracht en daarna waren losgelaten, dan zouden ze dadelijk tot de oude havikengewoonten terugkeeren en in het bosch gaan jagen--wat veel gemakkelijker is. Dus wanneer ze visch zullen vangen, moet hun dit van den eersten dag aan dat ze uitvliegen geleerd zijn; en het is altijd een boeiend gezicht eens na te gaan op welke wijze dit aangepakt wordt. De jonge vischarenden vlogen zwaar, in kleine onregelmatige kringen, en tuurden ondertusschen met hun onervaren oogen onderzoekend over het water om hun eersten slag te slaan. Boven hen kringde de moeder met breeden, gelijkmatigen vleugelslag, en gaf den jongen beginnelingen, die ingewijd zouden worden in de heerlijke, oude geheimen van het visschen, door fluiten de richting aan. Er was visch bij de vleet, maar dat beteekent voor een vischarend nog niets, want hij moet zijn prooi tamelijk dicht aan de oppervlakte zien, eer hij neerschiet. Op het meer stond een vrij sterke golfslag en de zon scheen er vroolijk over, zoodat de jonge visschers lang geen gemakkelijk werk hadden, tusschen dat blikkerende licht en dat rumoerige watervlak. Ze hadden nog niet zoo'n scherpen blik om dadelijk te weten wanneer ze neer moeten schieten. Bij elk zilverachtig geglinster daar in de diepte hielden ze plotseling op en riepen: _pip!_ "daar heb je d'r een!" _Pip, pip!_ "daar gaat-ie!" als een jongen die voor het eerst beet heeft. Maar een kort, scherp fluitje van de moeder hield hen in, voordat zij zich nog hadden laten vallen; en dan klapwiekten ze onder groot protest naar haar toe: ze konden hem best vangen, als zij het hun maar eens liet probeeren.

Terwijl ze over mij heenkringden naar den uitgang van het meer, kreeg een van die kleine kerels een glimp van mijn zwartvisch tusschen de rotsen in 't oog. _Pip, tsj'wie-ie!_ floot hij, en daar schoten ze me met z'n beide als vuurpijlen naar beneden. Ze hadden honger, en daar lag visch in overvloed, en ze hadden heelemaal niet gemerkt dat ik daar doodstil tusschen de rotsen zat. _Pip, pip, pip_, hoezee! klonk schril hun gefluit onder het dalen.

Maar ik en mijn vischvoorraad waren het eerste geweest wat de vogelmoeder in het oog gekregen had, toen zij om de landtong heenvloog; dus ze kwam aanschieten om ze op een half boozen, half angstigen toon te berispen, dien ik nog nooit eerder van haar gehoord had: _Tsjip, tsjip, tsjip, Tsjip! Tsjip!_--en die elken keer als zij hem weer slaakte schriller en scherper werd, tot zij er op letten en omzwenkten. Toen werden zij in een grooten boog apart genomen en wijs en kalm toegesproken, voordat ze weer mochten gaan visschen.

En als ze daar nu boven een uitstekende zandbank rondwiekten, altijd maar in de rondte, ziet een van de kleintjes een visch en vliegt wat lager om hem te volgen. De moeder ziet het, en als ze merkt dat de visch schuin naar de oppervlakte komt, laat ze heel verstandig den kleinen visscher zijn gang gaan. Nu is hij toch te dicht bij het water; het geglinster en de dansende golven maken 't hem lastig; hij raakt zijn zilveren schittering kwijt als er een golf met witten schuimkop over hem heenschiet. De moeder stijgt, en fluit dat hij hooger moet komen, waar hij beter zien kan; maar daar heb je den visch weer, en de kleine, hongerige baas denkt aan geen overwegingen, maar spant zijn vleugels om neer te schieten. "_Tsjip, tsip!_ halt, hij duikt weer," waarschuwt de moeder, maar haar zoon is te hongerig om te wachten en schiet als een pijl naar beneden. Hij is zoowat een meter boven het watervlak, als er een groote, schuimende golf naar hem toespringt. Daar wordt hij bang van; hij aarzelt, wijkt uit, klapwiekt uit alle macht om zijn leven te redden--als er weer een zilveren glans onder 't golvenschuim schemert. Onmiddellijk schiet hij weer neer--_hoe! boe!_--net een jongen die voor het eerst duikt. Een poos lang zie ik niets meer van hem. Twee golven spoelen er over hem heen, en ik houd mijn adem in, als ik sta te wachten tot hij weer bovenkomt. Dan duikt hij er plotseling weer uit te voorschijn, zich schuddend dat de droppels om hem heen vliegen--maar zonder visch natuurlijk! Als hij loom opstijgt, staakt de moeder, die aldoor boven hem kringde, hem raad gaf en aanmoedigde, plotseling met een enkelen wiekslag haar vlucht. Zij heeft denzelfden visch op 't oog, heeft er op gelet hoe hij wegschoot toen haar jong neerkwam, en nu ziet zij zijn zilverglans bij de zandbank flitsen, waar de voorntjes aan het spelen zijn. Zij begrijpt dat haar kleine leerlingen den moed verliezen en dat het tijd wordt ze een hart onder den riem te steken. _Tsjip, tsjip!_--"let eens op; ik zal het jullie eens wijzen," fluit zij--_Tsjie-iep!_ met zoo'n plotselingen, schrillen uithaal, dien ik al gauw als haar aanvalssein leer kennen. Bij dien kreet breidt ze haar vlerken uit, schiet vast en zeker naar beneden, valt dwars op een rijzende golf neer, duikt er onder door en komt aan den anderen kant weer te voorschijn met een dikken zwartvisch in haar klauwen. De jongen komen achter haar aan en gieren het uit van verrukking. Zij vertellen haar dat ze nu misschien wel naar het nest terug konden keeren om dien visch eens te bekijken, voordat ze met visschen doorgaan. Dit wil natuurlijk zeggen dat ze van plan zijn hem op te eten om daarna, ten hoogste voldaan over al de pret die ze onderwijl gehad hebben, te gaan slapen. En dan is het voor vandaag met leeren gedaan.

Maar de moeder heeft een ander plannetje in haar wijzen kop. Zij weet dat de jongen nog niet moe zijn, alleen hongerig, en dat er nog een boel te leeren valt, eer de scholen zwartvisschen van de zandbanken verdwijnen en zij met hun allen naar de kust moeten trekken. Zij weet ook dat ze tot nu toe nog twee dingen niet geleerd hebben, waar zij hen juist voor hier gebracht heeft: een visch altijd te grijpen zoodra hij boven komt, en steeds aan den voorkant, onder den schuimkam, op een golf neer te komen. Daarom pakt ze haar visch stevig vast, buigt langzaam wiekend haar kop voorover, verlamt hem door één houw van haar krommen snavel in de ruggegraat en laat hem dan weer in de schuimende golven vallen, waar ik hem zoo nu en dan aan de oppervlakte kan zien worstelen, want ik ben boven op mijn rots gesprongen. _Tsjie-iep!_ "probeer 't nu eens," fluit zij. _Pip, pip!_ "daar gaat hij!" roept het jong, wien het daar straks mislukte. Zzzzt! gaat het naar beneden, heelemaal er onder, ongeduldig als hij door zijn honger is. Aan geen voorschrift of voorbeeld denkt hij; probeeren vindt hij niet meer noodig.

Weer schieten de golven over hem heen, maar er klinkt voldoening uit het gefluit van de moeder, waaruit ik opmaak dat zij hem in 't oog heeft en dat hij 't er netjes afbrengt. In een wip is hij er weer uit, met veel geflodder en lawaai, gierend van verrukking, den visch in zijn klauwen. Voort gaat het naar het nest, in lage, langzame vlucht. De moeder kringt een poosje boven hem, om er zeker van te zijn dat hij niet te zwaar beladen is, en keert dan weer met den anderen beginneling terug, om heen en weer te zweven boven het ondiepe van de zandbank.

Het blijkt nu duidelijk--zelfs mijn oogen kunnen het zien--dat er een groot onderscheid in de karakters van jonge vischarenden kan bestaan. De eerste was vurig, koppig, ongeduldig; de tweede is kalmer, flinker, gehoorzamer. Hij kijkt wat zijn moeder doet; hij let op de seinen die zij geeft, en een oogenblik later schiet hij in een mooien, zekeren boog neer om weer met een visch voor den dag te komen. De moeder prijst hem, als zij daalt om naast hem te gaan vliegen.

Mijn blikken volgen hen, zooals zij daar langzaam over de dansende schuimkoppen voortwieken, redeneerend als een paar oude kameraden, en boven de glooiing van boomkruinen naar hun nest stijgen. Het leeren is nu voor vandaag gedaan; ik ga dus maar weer aan het visschen voor de beren, opnieuw in bewondering voor die gevleugelde gildebroeders. Misschien schuilt er ook wel een greintje naijver of spijtigheid in mijn overpeinzingen, wanneer ik een nieuwen haak bevestig om den ouden te vervangen, waar een gekwelde aal zich beneden in de modder van tracht te bevrijden. Had _ik_ maar iemand gehad om mij dat zoo te leeren, dan zou ik nu stellig beter kunnen visschen!

Toen de moeder den volgenden dag met haar twee jongen het meer kwam opvliegen naar de zandbank toe, wachtte hen daar een verrassing. Wel een halfuur had ik op de landtong staan uitkijken om hun voor te zijn als ze kwamen. Er was voor mij iets raadselachtigs in de manier waarop Ismaques vischt, en dat is er nog. Ving hij nu zijn visch nog met zijn bek, net als "mink" en otter dit doen, dan zou ik het beter begrijpen; maar om een visch--die zoo vlug is als een bliksemflits--onderwater met zijn klauwen te grijpen, waar hij toch geen visch en geen pooten meer onderscheiden kan, als hij er in geplonsd is, daartoe is toch een berekening noodig, verbijsterend in een vogel. Om er nu eens achter te komen hoe dat toch gaat, had ik een list bedacht.

Nauwelijks kwamen de visschers in 't zicht en klonk hun gretig gepiep hun al flauw vooruit over het meer, of ik pagaaide haastig van wal af en liet een stuk of zes zwartvisschen in het ondiepe water los. Die had ik, zoo lang ik kon, in een grooten emmer in 't leven gehouden, en ze hadden nog wel zooveel fut dat ze zoo'n beetje aan de oppervlakte konden rondzwemmen. Toen de visschers naderden, zat ik als gewoonlijk tusschen de rotsen en keerde mij om, om de moeder voor haar _Tsj'wie?_ te bedanken. Maar mijn listig beraamde plan, om er achter te komen hoe zij te werk gingen, liep op niets uit, of het moest wezen dat het lesgeven er door verstoord werd. Zij kregen mijn lokaas onmiddellijk in 't oog. Een van de jongen schoot er dadelijk zonder eenige overweging op los, dook zonder zijn visch te grijpen, steeg weer op, plonsde er nog eens in, en ditmaal had hij hem en ging er druipend mee van door. De tweede nam er zijn tijd voor, schoot toen pijlsnel schuin naar beneden en ving zijn visch zonder duiken. Het onderricht was al bijna afgeloopen nog eer het begonnen was. De moeder bleef een poosje rondkringen, alsof het haar een raadsel was, terwijl ze de jeugdige visschers nakeek, die klapwiekend over de helling naar hun nest vlogen. Er was iets niet in den haak. Zij had genoeg gevischt om te weten dat slagen nog iets anders beteekent dan boffen; en vanmorgen was het te gemakkelijk gegaan. Zij kringde langzaam boven de zandbanken, waar zij de visch bekeek, die daar klaarblijkelijk niet thuis hoorde, en daalde om eens achterdochtig een dikken zwartvisch te onderzoeken, die met zijn buik naar boven op het water dreef. Toen dook zij bliksemsnel, op een plaats die ik niet zien kon, kwam weer te voorschijn met een visch voor zichzelf en toog haar jongen achterna naar het nest.

Den volgenden morgen was ik van plan ze er op dezelfde wijze in te laten loopen, maar de moeder, die goed wist wat ze wilde met haar onderricht, herinnerde zich hoe prachtig het gisteren gegaan was, zonder dat ze er iets voor hadden hoeven te doen, en kwam daarom eerst een onderzoek instellen. De jongen liet zij een eind verder langs den afgelegen oever rondvliegen.--Daar had je de visch weer, in 't ondiepe; en daar--dat was nu toch veel te gemakkelijk!--dreven er twee dood tusschen de schuimende golven. Plotseling zwenkte zij om, alsof zij niets gezien had, kringde weg, floot haar leerlingen bij zich en trok naar ander vischwater.

Weldra hoorde ik hun gegier en het schrille, uitgehaalde _tsj'ie-iep!_ waarmee de moeder het sein tot den aanval gaf, boven de naaste landtong. Toen ik mijn kano er bijna heengepagaaid had, ontdekte ik ze alle drie, kringend en duikend boven een zandbank, waar ik wist dat de visch kleiner en vlugger was en bladen van waterlelies een veilige schuilplaats boden, waar geen arend bij hen kon komen. Wel twintig keer zag ik ze neerschieten, zonder dat ze iets kregen, terwijl de moeder boven of naast hen rondwiekte om hun raad te geven en moed in te spreken. Toen ze echter ten langen leste hun visch gehaakt hadden en wegdroegen naar den berg, sprak er een verrukking uit hun kloeken vleugelslag en uit den kreet dien zij mij fluitend toezonden, die er den vorigen dag in ontbroken had.

De moeder volgde hen op een afstand, en toen zij in de buurt van mijn zandbank kwam, vloog ze op zij af om er nog eens naar de visch te kijken. Er dreven er nu drie in plaats van twee; de andere--de paar die er nog van waren overgebleven--worstelden zoo'n beetje aan de oppervlakte. "_Tsjip, tsj'wie-ie!_" riep ze minachtend; "er is hier visch genoeg; maar wat een armzalige manier om ze te krijgen!" Toen schoot zij neer, dook, kwam weer te voorschijn met een dikken zwartvisch en was verdwenen. Voor mij liet zij niets achter dan een oogverblindenden watersluier en groeiende kringen van lachende, dansende, tergende golfjes, waaruit ik maar moest opmaken hoe zij visch vangt.

HET BLIJDE LEVEN.

Hoog boven mijn hoofd zweefde eens een adelaar op zijn breede wieken tegen den wind in. Het was hem een lust daar te drijven in het azuur van de lucht door de bries gedragen, waar hij zich kostelijk mee vermaakte. Voor mijn voeten had een schildpad op haar wijze plezier, terwijl zij lag te spartelen, en die twee leerden mij iets dat ik mij nu weer met genoegen voor den geest roep. Het visschen 's morgens was afgeloopen. Een paar prachtige, tweejarige zalmen van wel vier pond, zoo uit zee terug, lagen knus bij elkaar in mijn bennetje--meer dan genoeg voor dien dag. Dus gaf ik dien dikken zalm die tweemaal naar mijn "kwakzalver" had gesprongen maar op--wat mij wel aan mijn hart ging, moet ik eerlijk bekennen--en ging op een aangespoeld houtblok zitten om het er eens van te nemen, terwijl overal om mij heen de boschbewoners bezig waren.

Met rustig geklater schoot de sterke stroom voorbij. Beneden fonkelden lachjes en lichtsparkels op het donkere vlak van de diepe kolk. Daar rustten de zalmen, die van ver weg, van de zee kwamen, een poosje uit, eer zij een plaatsje zochten in den stroom, waar zij zoo graag liggen om zich in evenwicht te houden midden in het voorbijschietende, ziedende water. Boven was het water op de ondiepe plaatsen bezig schuimplekken te maken, alsof het zeepbellen aan 't blazen was. Dan kwamen de groote, witte luchtblazen dansend en zwierend naar beneden in de draaikolkjes achter de rotsen, waar een speelsche, jonge zalm bliksemsnel midden tusschen hen opdook, zoodat ze lustig uiteenstoven. Wel een dozijn bellen en waterrimpels kwamen er nog bij, trokken mee met den ijlenden troep als hij weer terugviel in zijn stille water, dat het klaterend opsprong en alle zangvogels aan den oever aan het fluiten bracht. Nu en dan ontsnapte een groote, witte schuimlap aan dat alles, en kwam statig in den vliegenden stroom die aan den overkant langs de groote zandbank schoot aanlanden. Daar huisde mijn groote zalm; en net als de schuimlap dan stroomaf plotseling in het kalme water gedompeld werd, schoot hij er onder, sloeg hem met een slag van zijn staart in flarden.

Zoo speelden ze verder, terwijl ik er naar zat te kijken--naar de schaduwen, naar het komen en gaan, naar de teekening van het licht en de wisselende weerkaatsing. Maar het aardigst was het toch naar de schuimbellen te kijken; dan genoot ik al bij voorbaat en wedde met mijzelf hoe ver zij zouden komen, eer de zalm ze onder 't spelen uit elkaar zou slaan: tot de tweede wielingen, of tot den rand van de kolk.--Er viel een schaduw over het water en ik keek op om te zien hoe de groote adelaar daar boven mij de machtige luchtstroomen doorkliefde, hoe hij zich daar in evenwicht hield en met hen speelde, net als de visschen in het vlietende water beneden.

Eerst spande hij zijn wieken pal tegen wind in, toen steeg hij met een vaart schuin naar boven, als een vlieger die goed is opgelaten. Maar dat ging hem veel te gauw--hij deed het immers maar voor ontspanning, was slechts uit louter nieuwsgierigheid beneden bij het water gekomen, om eens te zien wat daar te doen was; en terwijl ik door mijn verrekijker zijn vleugeltoppen scherp in 't oog hield, zag ik dat de schachten nauw merkbaar draaiden, als om den wind langs hun onderkant te laten afglijden--zooals een schipper zijn schoot viert om de vaart van het schip te verminderen--en de prachtige, stijgende spiraalvlucht begon.

Hoe een adelaar dit precies doet weet hijzelf alleen. In hoofdzaak is het iets dat langzamerhand geleerd moet worden. De jonge vogels slaan er gewoonlijk al een heel droevig figuur mee, wanneer ze het voor 't eerst probeeren, achter de moeder aan, die vlak boven en voor hen uit kringt om ze te wijzen hoe het gaat.

De adelaar zweeft in langzame, statige kringen boven mij; steeds keert hij op zijn vorige vlucht terug, maar altijd hooger dan zijn laatsten cirkel, als door een machtig doel bezield. Rustig glijdt hij omhoog op de eindelooze trap der winden, die onder hem wegglipt. Zonder haast, zonder inspanning, door een wending slechts van zijn breed uitgespreide vleugelschachten--zoo gering, dat mijn oog het niet meer kan waarnemen--kringt hij naar boven, terwijl de aarde zich al wijder en wijder beneden hem uitstrekt, en rivieren als zilveren linten in den zonneschijn sparkelen door het groene boschtapijt, dat uitgespreid ligt over berg en dal tot aan den versten gezichteinder.

Maar de kringen worden hoe langer hoe kleiner, totdat de reusachtige spiraallijn haar toppunt bereikt heeft en hij daar in de lucht hangt, met rustigen, vlammenden blik Jesaja's koninklijk gebied overziet, als een kolibrietje dat zich wiegelt boven den grooten bloemkelk der aarde. Hij staat zoo hoog, dat het mij is alsof hij over de grenzen van het bestaande heen kan kijken en onze aarde als een grooten bol, met niets, niets, onder zich en hij zelf alleen er boven, in den blauwen ether ziet drijven. En hij blijft daar dobberen, wiegelen, deinen in de snorrende luchtstroomen, die hem omvangen houden met hun zachte armen. Zij worden niet moe hem te liefkoozen en streelen hem teeder de wieken, als een forsche, sterke moeder die haar kindje in de armen heeft.

Hij had zich verzadigd en aan een bron in de bergen zijn dorst gelescht. Nu rustte hij uit boven de wereld, die hem en zijn jongen voedde, nu werden zijn scherpe oogen slaperig, en de gedachte aan kwaad dat hemzelf dreigde, of eenig ander schepsel door hem, was ver van zijn hart.